C. God als Licht.

8. Heel de Schrift gaat er van uit, dat Gode bewustzijn en kennisse

toekomt. Hij is louter φως zonder eenige σκοτια, 1 Joh. 1:5, wonende

in een ontoegankelijk licht, 1 Tim. 6:16, en bron van alle licht in

natuur en genade, Ps. 4:7, 27:1, 36:10, 43:3, Joh. 1:4, 9, 8:12, Jak.

1:17 enz. In deze benaming van licht is begrepen dat God zichzelven

volkomen bewust is, dat Hij zichzelven in zijn gansche wezen doorziet

en dat er niets in dat wezen voor zijn bewustzijn verborgen is. Ook het

trinitarische leven Gods is een volkomen bewust leven, Mt. 11:27, Joh.

1:17, 10:15, 1 Cor. 2:10. Maar voorts heeft God bewustzijn en kennis van

al wat buiten zijn wezen bestaat. Nergens wordt in de Schrift ook maar

aangeduid, dat Hem iets onbekend zou zijn. Wel wordt de wijze, waarop

Hij kennis neemt, soms zeer menschelijk beschreven, Gen. 3:9 v., 11:5,

18:21 enz., maar Hij weet toch alles. De gedachte, dat Hem iets onbekend

zou zijn, wordt als ongerijmd afgewezen; zou Hij die het oor plant niet

hooren, en die het oog formeert niet zien, Ps. 94:9. Telkens is er

sprake van zijne ‎‏חָכְמָה‏‎, ‎‏גְבוּרָה‏‎, ‎‏עֵצָה‏‎, ‎‏תְבוּנָה‏‎,

γνωσις, σοφια, Job 12:13, 28:12-27, Spr. 8:12 v., Ps. 147:5, Rom.

11:33, 16:27, Ef. 3:10 enz. En deze kennisse Gods heeft alle schepsel

tot voorwerp. Zij strekt zich tot alles uit, en is alzoo alwetendheid in

strikten zin. Zijne oogen doorloopen de gansche aarde, 2 Chron. 16:9;

alles is Hem bekend en ligt naakt uitgespreid voor zijn oog, Hebr. 4:13.

Het kleinste en geringste, Mt. 6:8, 32, 10:30, het verborgenste, hart

en nieren, Jer. 11:20, 17:9, 10, 20:12, Ps. 7:10, 1 Kon. 8:39, Luk.

16:15, Hd. 1:24, Rom. 8:27, gedachten en overleggingen, Ps. 139:2,

Ezech. 11:5, 1 Cor. 3:20, 1 Thess. 2:4, Op. 2:23, de mensch in zijn

oorsprong en wezen en in al zijne gangen, Ps. 139, nacht en duisternis,

Ps. 139:11, 12, hel en verderf, Spr. 15:11, het kwade en zondige, Ps.

69:6, Jer. 16:17, 18:23, 32:19, het voorwaardelijke, 1 Sam. 23:10-13, 2

Sam. 12:8, 2 Kon. 13:19, Ps. 81:14, 15, Jer. 26:2, 3, 38:17-20, Ezech.

3:6, Mt. 11:21 en het toekomstige, Jes. 41:22 v., 42:9, 43:9-12, 44:7,

46:10, bepaaldelijk ook het levenseinde, Ps. 31:16, 39:6, 139:6, 16,

Job 14:5, Hd. 17:26 enz., het is alles Gode bekend. Hij kent alles, 1

Joh. 3:20. En Hij kent dat alles niet aposteriori, door waarneming, maar

apriori, van eeuwigheid, 1 Cor. 2:7, Rom. 8:29, Ef. 1:4, 5, 2 Tim. 1:9.

Zijne kennis is voor vermeerdering niet vatbaar, Jes. 40:13 v., Rom.

11:34, is zeker en bepaald, Ps. 139:1-3, Hebr. 4:13, zoodat al Gods

openbaringen waarachtig zijn, Joh. 8:26, 17:17, Tit. 1:2, alle werken

Gods ons zijne wijsheid kennen doen, Ps. 104:24, 136:5, Ef. 3:10, Rom.

11:33, en ons tot aanbidding en bewondering stemmen, Ps. 139:17 v.,

Jes. 40:28, Job 11:7 v., Rom. 11:33, 1 Cor. 2:11. De kennisse Gods zoo

van zichzelf als van de wereld wordt in de Schrift zoo beslist en klaar

geleerd, dat ze binnen de christelijke kerk ten allen tijde werd erkend.

Maar het pantheisme is daartegen in verzet gekomen. Het kende God geen

eigen, van de wereld onderscheiden zijn toe en kon daarom in God ook

geen eigen bewustzijn aannemen. Spinoza sprak nog wel van de cogitatio

als een attributum Dei en noemde God eene res cogitans, Eth. II prop.

1. Maar van die cogitatio onderscheidde hij den intellectus als certus

modus cogitandi, en deze valt niet in de natura naturans maar alleen in

de natura naturata, Eth. I prop. 31, en al deze modi cogitandi maken

saam Gods eeuwig en oneindig verstand uit, Eth. V prop. 40 schol. Dit

pantheisme leidde door Fichte, Schelling, Hegel en Schopenhauer heen

tot de Philosophie des Unbewussten van Eduard von Hartmann. Deze wijst

in het eerste deel van zijn werk in den breede de beteekenis aan, welke

aan het onbewuste overal in de wereld toekomt, en zegt dan, dat dat

onbewuste wezen één is in alle dingen II⁹ 155 f. En dit Onbewuste,

ofschoon liever niet God genoemd II 201, vervult bij Hartmann toch de

plaats van God. Nu wordt dit Onbewuste door Hartmann soms zoo opgevat,

dat het niet blind en alogisch is, gelijk de wil bij Schopenhauer, maar

veeleer helderziende, clairvoyant is evenals ’t instinct bij dier en

mensch, en eene alwetende, alwijze, überbewusste Intelligenz bezit,

II 176 f. Maar hij ontkent dat aan het Onbewuste bewustzijn toekomt.

Want bewustzijn bestaat in eene splitsing van subject en object, is

dus altijd eene beperking en onderstelt de individualisatie, ja zelfs

het lichaam, II 177 f. Zoodra het bewustzijn absoluut genomen wordt,

verliest het zijn vorm en wordt het vanzelf onbewust, II 179. Indien het

absolute nog een eigen bewustzijn had buiten de individueele bewustzijns,

zou het deze terstond verslinden. Het monisme is onvereenigbaar met

een bewust Goddelijk wezen. Zulk een wezen ware niet immanent in maar

gescheiden van de wereld. Het is wel de oorzaak van alle bewustzijn

maar niet zelf bewust, II 178 f. En vooral zelfbewustzijn kan aan

het absolute niet worden toegeschreven, want dit onderstelt eene

onderscheiding van subject en object, eene reflexie over zichzelf, die

in het absolute niet vallen kan, II 187 f. Het pantheisme ontzegt alzoo

aan God beide kennis van de wereld, Weltbewusstsein, innerweltliches

Selbstbewusstsein, en kennis van zichzelven, zelfbewustzijn,

ausserweltliches of innergöttliches Selbstbewusstsein. Ook waar Hij in

de individueele bewustzijns tot bewustzijn komt, kent Hij alleen de wereld

maar niet zichzelven, Hartmann II. 176. Nu kan aan Hartmann schier

alles, wat hij zegt over de macht en beteekenis van het onbewuste in de

schepselen, worden toegestemd. Het onbewuste speelt inderdaad in het

dierlijk en menschelijk leven eene groote rol. Maar het is opmerkelijk

dat Hartmann zelfs de vraag niet stelt, of die uitgestrekte macht van

het onbewuste juist niet de intelligentie Gods onderstelt en eischt.

Want zeer zeker is er menigmaal eene onbewuste en toch doelmatige

handeling. Maar het onbewuste in dier en mensch handelt dan niet zelf

met doel; maar de bewuste geest des menschen ziet in die handeling

een doel, waarop het juist door een daarbovenstaand, hooger bewustzijn

is gericht, Thomas, S. c. Gent. I 44, 5. Van oudsher heeft daarom het

waarnemen van het doelmatige in de wereld geleid tot de erkenning van

een Goddelijk wezen. Anaxagoras nam daarom reeds een νους aan, die

een oneindig weten bezat, om alles op zijn best te ordenen. Socrates

omschrijft de Godheid zoo, dat ze alles ziet en hoort en overal aanwezig

is. Bij Plato is God de wereldformeerder, die naar de ideeën alles

schept. Aristoteles beredeneert, dat de Godheid het primum movens, het

absolute zijn, actus purus, en volstrekt onlichamelijk is. Zij is daarom

denken, νους, en heeft tot inhoud zichzelve. God kan den inhoud zijner

gedachte niet van buiten ontleenen; Hij kan alleen het beste denken,

en dat is Hijzelf. God denkt alzoo zichzelf, Hij is het denken van het

denken; het denken en zijn object is bij Hem één, God is νοησις νοησεως,

Metaph. XII 9. En zelfs de Stoa besloot teleologisch uit het doel in

de wereld tot eene intelligente oorzaak. Zeno redeneerde reeds aldus:

Nullius sensu carentis pars aliqua potest esse sentiens. Mundi autem

partes sentientes sunt. Non igitur caret sensu mundus, Cic. N. D. II,

8, 22. cf. III, 9, 22: quod ratione utitur melius est quam id quod

ratione non utitur. Nihil autem mundo melius. Ratione igitur mundus

utitur. Zoo ook Thomas, S. c. Gent. I c. 28 en 44. Wie geen doel in de

wereld erkent, heeft ook geen zelfbewust God van noode en heeft aan

het materialisme genoeg. Maar wie met von Hartmann de teleologische

wereldbeschouwing verdedigt, moet in God een bewustzijn aannemen, en

verklaart door het onbewuste het bewuste niet. Immers kan in het gevolg

niet meer aanwezig zijn dan er ligt in de oorzaak. Zou Hij die het

oor plant niet hooren, en Hij die het oog formeert niet aanschouwen?

Eene volmaaktheid in het schepsel wijst terug op eene volmaaktheid in

God. Indien het redelijk wezen in waarde alle andere te boven gaat,

indien het denken den mensch, anders zwak als een riet, toch boven

alle schepselen verheft, kan God niet als onbewust gedacht worden. De

religie verzet zich daartegen, die altijd en overal een persoonlijk,

zelfbewust God onderstelt, maar ook de philosophie teekent daartegen

protest aan. Het pantheisme moge zich kunnen beroepen op Spinoza en

Hegel; het theisme heeft alle wijsgeeren der oudheid aan zijne zijde en

vindt ook in de nieuwere philosophie nog steun bij Cartesius, Leibniz,

Kant, Schelling (2e periode), J. H. Fichte, Herbart, Lotze, Ulrici,

Carrière enz. Dat nu het Goddelijk zelfbewustzijn specifiek verschilt van

dat van den mensch en hierin slechts eene zwakke analogie heeft, staat

zeker boven allen twijfel vast. In zoo ver zou er geen bezwaar zijn, om

God überbewusst te noemen. Maar juist daarom kan uit de beperktheid

van het menschelijk zelfbewustzijn niet tot de Goddelijke kennis worden

besloten. In weerwil van alle redeneeringen van pantheistische zijde

over de beperktheid, de individualiteit en de zinnelijke basis als

noodzakelijk aan het zelfbewustzijn eigen, is niet in te zien, waarom de

zelfkennis Gods eene beperking zou zijn van zijn wezen. Bij ons is het

zelfbewustzijn eindig en beperkt, omdat we zelf eindig zijn en omdat het

ons zijn nimmer dekt. Ons zijn is veel rijker dan ons zelfbewustzijn. Maar

God is het eeuwige, loutere zijn. En zijne zelfkennis heeft niets minder

dan dat volle, eeuwige, Goddelijke zijn zelf tot inhoud. Zijn en kennen

zijn in God één. Hij kent zichzelf door zijn eigen wezen. Hij komt ook niet

langzamerhand tot bewustzijn, en is zich niet nu eens meer dan minder

bewust. Want in Hem is geen worden, geen proces, geen ontwikkeling. Hij

is louter zijn, enkel licht zonder duisternis, Augustinus, de trin. XV

14. Thomas, S. c. Gent. I c. 57-48.

Van dit zelfbewustzijn Gods is zijn Weltbewusstsein te onderscheiden.

De vroegere theologie deelde daarom de kennisse Gods in in scientia

naturalis (necessaria, simplicis intelligentiae) en scientia libera

(contingens, visionis). Beide zijn niet identisch, gelijk het pantheisme

leert, want indien het absolute alleen logisch en potentieel eerder

is te denken dan de wereld, is het tot verklaring der wereld geheel

ongenoegzaam. God heeft de wereld niet noodig, om tot persoonlijkheid,

tot zelfbewustzijn te komen. Hij heeft noch, naar Hegel, een logischen,

noch, naar Schelling, een historischen cursus door te loopen, om zijne

volle actualiteit te bereiken (von Baader). Maar toch kunnen het

zelfbewustzijn en het Weltbewusstsein in God niet zoo gescheiden naast

elkaar staan, als het soms in de vroegere dogmatiek werd voorgesteld.

Veeleer bestaat er tusschen beide een organisch verband. God heeft uit

de oneindige volheid van ideeën, die in zijn absoluut zelfbewustzijn

aanwezig zijn, niet naar willekeur sommige uitgekozen, om ze buiten zich

te realiseeren. Hij heeft zich daarbij laten leiden door het doel, om in

de wereld zichzelven, al zijne deugden en volmaaktheden, tot openbaring

te brengen. De cognitio libera omvat dus juist die ideeën, welke in

hare realisatie geschikt zijn, om op creatuurlijke wijze het wezen Gods

te ontvouwen. De cognitio naturalis is uitteraard ongeschikt, om aan

schepselen te worden meegedeeld. Zooals God zichzelven kent, kan

hij door schepselen nooit worden gekend, noch wat den inhoud en den

omvang, noch ook wat de wijze betreft. Maar de cognitio libera omvat al

datgene, wat voor realiseering vatbaar is en geschikt, om de deugden

Gods in en voor schepselen tot openbaring te brengen. Zij staat tot de

cognitio naturalis, als de ectype tot de archetype. Toch moet ook bij

deze cognitio libera in het oog worden gehouden, dat ze in God iets

gansch anders is dan in de schepselen. Ook al is deze cognitio libera

mededeelbaar, zij is toch niet alleen in omvang maar ook in aard en

wezen grootelijks bij God en bij het redelijk schepsel onderscheiden.

Vooreerst leert de H. Schrift zeer duidelijk, dat deze scientia Dei

al het zijnde omvat; niets is aan zijne alwetendheid onttrokken, niets

verborgen voor zijn alziend oog. Verleden, heden en toekomst; het

geringste en het verborgenste; alles is naakt en geopenbaard voor

Hem, met wien wij te doen hebben. Ten allen tijde werd dit ook in

de christelijke theologie erkend. De eenige, die anders sprak, was

Hieronymus. Deze noemde het in zijn commentaar op Hab. 1:13 ongerijmd,

om de Goddelijke majesteit zoover neer te halen, ut sciat per momenta

singula quot nascantur culices, quot ue moriantur; quae cimicum et

pulicum et muscarum sit in terra multitudo, quanti pisces in aqua

natent, et qui de minoribus majorum praedae cedere debeant. Doch deze

beperking van Gods alwetendheid vindt in de Schrift geen steun en is

door de christelijke theologie eenparig verworpen. En voorts kent God

alles niet door waarneming uit de dingen, maar Hij weet alles uit en

van zichzelven. Onze kennis is posterieur, zij onderstelt het zijn en

is daaraan ontleend. Bij God is het omgekeerd; Hij kent alles voordat

het is. De Schrift spreekt ook dit duidelijk uit, als zij zegt, dat God

alles weet voordat het geschiedt, Jes. 46:10, Am. 3:7, Dan. 2:22, Ps.

139:6, Mt. 6:8 enz. God is toch de Schepper aller dingen; Hij heeft ze

gedacht, voordat ze bestonden. Iste mundus nobis notus non esse posset,

nisi esset; Deo autem, nisi notus non esset, esse non posset, August.

de civ. XI 10, de Gen. ad lit. V 18. Hij bestaat van zichzelven en kan

ook in zijn bewustzijn en kennis niet afhangen van of gedetermineerd

worden door iets, dat buiten Hem is. Uit zijne aseitas vloeit vanzelf

de volstrekte onafhankelijkheid van zijn weten voort. Hij kent alles niet

uit de dingen na hun bestaan, want dan zouden deze als bij Schopenhauer

en Hartmann uit het onbewuste zijn voortgekomen, cf. August. de civ.

XI, 10 Conf. XIII 16. Gen. ad. litt. V 15, maar Hij kent alles in en

door en uit zichzelven. En daarom is zijne kennis ook ééne, eenvoudig,

onveranderlijk, eeuwig; Hij kent alles in eens, tegelijk, van eeuwigheid;

en alles staat eeuwig present voor zijn oog, Iren., adv. haer. I

12. August., de trin. XI 10. XII 18. XV 7, 13, 14. Lombardus, Sent.

I. dist. 35, 36. Thomas, S. Th. I qu. 14. S. c. Gent. I c. 44 sq.

Zanchius, Op. II 195 sq. Polanus, Synt. theol. II c. 18 enz.

Van praescientia kan er daarom bij God in eigenlijken zin geen sprake

zijn. Er is bij Hem geen differentia temporis, Tertull., adv. Marc.

III 5. Hij roept de dingen die niet zijn alsof ze waren, en ziet wat

niet is alsof het reeds bestond. Quid est enim praescientia, nisi

scientia futurorum? quid autem futurum est Deo, qui omnia supergreditur

tempora? Si enim scientia Dei res ipsas habet, non sunt ei futurae sed

praesentes; ac per hoc non jam praescientia sed tantum scientia dici

potest, August., ad Simpl. II 2. Omne quod nobis fuit et erit, in ejus

prospectu praesto est, Gregorius Magnus, Mor. l. 20 c. 23. Quidquid

tempora volvunt, praesens semper habet, Marius Victor, bij Petavius,

de Deo IV 4. De onderscheiding van Gods alwetendheid in praescientia,

scientia visionis (van ’t heden) en reminiscentia is geheel en al eene

menschelijke voorstelling, Philippi, Kirchl. Gl. II 67. Toch stelt de

Schrift het menigmaal zoo voor, alsof Gods alwetendheid temporeel

aan het zijn der dingen voorafgaat. En zonder deze hulpvoorstelling

kunnen we ook van Gods alwetendheid niet spreken. Maar daaruit rees

in de theologie de vraag, hoe deze alwetendheid Gods te rijmen was met

’s menschen vrijheid. Indien God toch alles vooruitweet, dan staat

alles van eeuwigheid vast en blijft er voor vrije en contingente daden

geen plaats meer over. Cicero kwam daarom reeds tot loochening der

alwetendheid Gods, wijl hij ze niet overeenbrengen kon met den vrijen

wil, de fato c. 14. de div. II 5-7. Marcion ontzeide aan God met de

almacht en goedheid ook de alwetendheid, wijl Hij den eersten mensch in

zonde had laten vallen, Tertull. adv. Marc. II 5. Later werd ditzelfde

door de Socinianen geleerd. God weet alles maar alles overeenkomstig

zijn aard. Hij weet het mogelijk toekomstige, het toevallige, dus niet

met volstrekte zekerheid, want dan hield het op toevallig te zijn, maar

Hij weet het als mogelijk en toevallig, d. i. Hij weet het toekomstige,

voorzoover het van menschen afhangt, niet zeker en onfeilbaar vooruit.

Want anders ging de wilsvrijheid te loor, werd God auteur der zonde

en zelf aan de noodwendigheid onderworpen, Fock, der Socin. 437-446.

Maar zulk eene beperking van Gods alwetendheid was te zeer met de H.

Schrift in strijd, dan dat ze anders dan bij enkelen ingang kon vinden.

De christelijke theologie zoekt de oplossing gewoonlijk in eene andere

richting. Twee wegen boden zich daarvoor aan. Eenerzijds maakte Origenes

onderscheid tusschen de praescientia en de praedestinatio. God weet de

dingen wel vooruit, maar deze praescientia is niet de oorzaak en de

grond van hun geschieden, veeleer weet God ze alleen zeker vooruit,

omdat ze in den tijd door de vrije beslissing der menschen geschieden

zullen; ὀυ γαρ ἐπει εγνωσται γινεται, ἀλλ’ ἐπει γινεσθαι ἐμελλεν

ἐγνωσται, in Gen. I 14. c. Cels. II 20. Aan de andere zijde staat

Augustinus, die ook beide, de praescientia en de wilsvrijheid, handhaven

wil. Religiosus animus utrumque eligit, utrumque confitetur, et fide

pietatis utrumque confirmat, de civ. V 9, 10. Maar hij ziet in, dat,

als God iets zeker vooruitweet, dit ook noodzakelijk geschieden moet;

anders viel heel de praescientia weer omver. Praescientia, si non certa

praenoscit, utique nulla est, de lib. arb. III 4. Daarom zegt hij, dat

de wil des menschen, met heel zijn natuur, met al zijne beslissingen

in de praescientia opgenomen is en door deze niet vernietigd, maar

veeleer geponeerd en gehandhaafd wordt. Cum enim sit praescius

voluntatis nostrae, cujus est praescius ipsa erit. Voluntas ergo erit,

quia voluntatis est praescius, de lib. arb. III 3. Voluntates nostrae

tantum valent, quantum Deus eas valere voluit atque praescivit; et ideo

quidquid valent, certissime valent; et quod facturae sunt, ipsae omnino

facturae sunt; quia valituras atque facturas ille praescivit, cujus

praescientia falli non potest, de civ. V 9. De scholastiek, hoewel

allerlei onderscheidingen makende, sloot zich in beginsel bij Augustinus

aan, Anselmus, de concordia praescientiae et praedestinationis

necnon gratiae Dei cum libero arbitrio. Lombardus, Sent. I dist. 38.

Bonaventura, ib. Thomas, S. Theol. I qu. 14. Hugo Vict., de Sacram.

I 9 enz. Maar de Jezuiten brachten verandering, cf. deel I 91 v. Zij

schoven in aansluiting aan het semipelagianisme, tusschen de scientia

necessaria en de scientia libera nog de zoogenaamde scientia media

in, om door deze Gods alwetendheid met ’s menschen vrijheid te rijmen.

Zij verstonden daaronder eene logisch aan de besluiten voorafgaande

kennisse Gods van het voorwaardelijk toekomstige. Het object dezer

kennis is niet het bloot mogelijke, dat nooit werkelijkheid zal worden,

noch ook datgene, wat tengevolge van een besluit Gods zeker geschieden

zal, maar dat mogelijke, hetwelk onder eene of andere voorwaarde

werkelijkheid worden kan. God laat n.l. in zijn wereldbestuur veel

afhangen van condities, en weet nu vooruit, wat Hij doen zal, ingeval de

condities wel of ingeval zij niet door den mensch vervuld worden. God

is dus in alle gevallen gereed, Hij voorziet en kent alle mogelijkheden,

en heeft met het oog op al die mogelijkheden zijne maatregelen genomen

en zijne besluiten gemaakt. Hij wist vooruit, wat Hij doen zou, indien

Adam viel en ook indien hij staande bleef; indien David naar Kehila

ging of er niet heenging; indien Tyrus en Sidon zich al of niet

bekeerden enz. De kennis der futura conditionata gaat dus vooraf aan

het besluit der futura absoluta; de mensch beslist geheel vrij en

zelfstandig in ieder oogenblik maar kan God toch nooit door de eene

of andere beslissing verrassen of zijn plannen te niet doen, want op

alle mogelijkheden is door Gods praescientia gerekend. Deze leer van de

scientia media werd met vele Schriftuurplaatsen gesteund, welke aan

God de kennis toeschrijven van wat in een gegeven geval zou geschieden,

wanneer de eene of andere conditie al of niet ware vervuld, zooals

Gen. 11:6, Ex. 3:19, 34:16, Deut. 7:3, 4, 1 Sam. 23:10-13, 25:29 v.,

2 Sam. 12:8, 1 Kon. 11:2, 2 Kon. 2:10, 13:19, Ps. 81:14, 15, Jer.

26:2, 3, 38:17-20, Ezech. 2:5-7, 3:4-6, Mt. 11:21, 23, 24:22, 26:53,

Luk. 22:66-68, Joh. 4:10, 6:15, Hd. 22:18, Rom. 9:29, 1 Cor. 2:8. Zij

werd door de Thomisten en Augustinianen wel bestreden, bijv. Bannez, de

Salmanticenses, Billuart, Summa S. Thomae 1747 I 464 sq., maar door de

Molinisten en Congruisten Suarez, Bellarminus, Lessius enz. ook ijverig

verdedigd. Vrees voor het Calvinisme en Jansenisme kwam aan de leer

der scientia media in de Roomsche kerk ten goede, en langzamerhand

vond ze in meer krassen of gematigden zin bij schier alle Roomsche

theologen ingang, cf. deel I 93, Karl Werner, Der h. Thomas v. Aq.

III 389-442. Id. Gesch. der kath. Theol. 98 f. G. Schneemann, Die

Entstehung der thomistisch-molinistischen Controverse, Ergänzungshefte

zu den Stimmen aus Maria Laach, nº 9. 13. 14. Schwane, D. G. der neuern

Zeit S. 37-59. Petavius, de Deo IV c. 6. 7 enz. De lijn van Augustinus

was daarmede verlaten en die van Origenes weder opgenomen. Zoo had de

Grieksche theologie van den beginne aan gedaan, Damasc., de fide orth.

II c. 30. De Roomsche theologie volgde. Ook de Lutherschen, Gerhard,

Loc. II c. 8 sect. 13, Quenstedt, Theol. I 316, Buddeus, Instit.

217, Reinhard, Dogm. 116 enz., en de Remonstranten, Episc., Inst. IV

sect. 2 c. 19, Limborch, Theol. Chr. II c. 8. § 29 waren de scientia

media niet ongenegen. In den nieuweren tijd leeren velen, ongeveer op

dezelfde wijze, dat God ook werkelijk kennis krijgt uit de wereld als

medium scientiae. Hij kent het toevallig-toekomstige wel als mogelijk

vooruit, maar leert eerst uit de wereld, dat het al of niet werkelijk

wordt. Voor alle gevallen weet Hij echter sein dem Thun der Creatur,

wie es auch ausfalle, angemessenes Thun; Hij stelde wel het schema van

het wereldplan vast maar laat de Ausfüllung aan het schepsel over,

Dorner, Gl. I 319-323. Rothe, Ethik § 42. Martensen, Dogm. § 116.

Kahnis, Dogm. I 343. Grétillat, Theol. syst. III 237 s. Sécretan, La

civilisation et la croyance 1887 p. 260 s. enz. Daarentegen werd op het

voetspoor van Augustinus zulk een nuda praescientia en scientia media

door de Gereformeerden verworpen, Voetius, Disp. I 254-258. Twissus,

de scientia media, Op. III p. 1 sq. Turretinus, Theol. El. III qu. 13.

Moor, I 659 sq. Ex. v. h. Ontw. v. Tol. IV 281 v.

Nu loopt bij de scientia media de vraag niet hierover, of de dingen

onderling niet menigmaal in een conditioneel verband tot elkander

staan, dat Gode bekend is en door Hemzelf is gewild. Indien dit alleen

met de scientia media werd bedoeld, zou ze zonder bezwaar kunnen worden

aangenomen, gelijk Gomarus, Disp. theol. X 30 sq. en Walaeus, Loci Comm.

Op. I 174-176, cf. Heppe, Dogm. der ev. r. K. 64 ze in dien zin opnamen

en erkenden. Maar de leer der scientia media beoogt iets anders; zij

wil de pelagiaansche opvatting van de wilsvrijheid in overeenstemming

brengen met de alwetendheid. De wil der schepselen nl. is krachtens

zijn aard indifferent. Hij kan het eene zoowel als het andere doen.

Hij is door zijne natuur noch door de velerlei omstandigheden, waarin

hij geplaatst is, gedetermineerd. Deze kunnen invloed oefenen op den

wil, maar ten slotte blijft de wil vrij en kiest naar het hem lust.

Deze wilsvrijheid is natuurlijk niet te rijmen met een besluit Gods; ze

bestaat wezenlijk in independentia a decreto Dei. God heeft dien wil

niet bepaald, maar heeft hem vrij gelaten; Hij kon hem niet bepalen,

zonder hem te vernietigen. God moet tegenover den wil der redelijke

schepselen eene afwachtende houding aannemen. Hij ziet toe, wat deze

doen zal. Maar nu is Hij alwetend. Hij kent dus alle mogelijkheden, alle

toevallig-toekomstige dingen, en kent ook de absoluut toekomstige

dingen vooruit. Dienovereenkomstig heeft Hij zijne besluiten genomen.

Indien een mensch in bepaalde omstandigheden de genade zal aannemen,

heeft Hij hem uitverkoren ten leven; indien hij niet zal gelooven,

heeft Hij hem verworpen. Nu is het duidelijk, dat zulk een leer van die

van Augustinus en Thomas in beginsel afwijkt. Bij dezen toch gaat de

voorwetenschap aan de dingen vooraf en kan er niets tot aanzijn komen

dan door den wil Gods. Non fit aliquid nisi omnipotens fieri velit,

Aug. Enchir. 95. Thomas, S. Th. I qu. 14 art. 9 ad 3. Niet de wereld

maar de besluiten zijn het medium, waaruit God alle dingen kent, Thomas,

I qu. 14 art. 8. Bonaventura, Sent. II dist. 37 art. 1. qu. 1. En het

toevallige en vrije kan dus in zijn verband en orde zeker en onfeilbaar

worden gekend. Het is waar, dat de scholastiek op dit punt zich soms

al anders uitdrukte dan Augustinus. Anselmus b. v. zeide, dat de

praescientia geene necessitas interna en antecedens maar alleen eene

necessitas externa en consequens meebracht. Cur Deus homo 16. En Thomas

oordeelde, dat God de futura contingentia wel eeuwig en zeker kent

secundum statum, quo actu sunt, secundum suam praesentialitatem, maar

dat zij in hunne causae proximae toch contingent en ongedetermineerd

waren, S. Th. I qu. 14 art. 13. Maar dat neemt niet weg, dat ze toch

met het oog op de causa prima volkomen zeker zijn en dus niet toevallig

kunnen heeten; en elders zegt Thomas toch ook weer, omne quod est,

ex eo futurum fuit antequam esset, quia in causa sua erat ut fieret,

cf. Billuart I 440 sq. Maar in de leer der scientia media worden de

toevallige en vrije dingen ook toevallig en vrij tegenover God en wel

niet alleen tegenover zijne praedestinatio maar ook tegenover zijne

praescientia. Immers, evenals bij Origenes, zijn de dingen hier niet

omdat God ze kent, maar God kent ze vooruit omdat ze zijn zullen. De

volgorde is dus niet: scientia necessaria, scientia visionis, decretum

creandi etc., maar scientia necessaria, scientia media, decretum

creandi etc., scientia visionis, Jansen, Prael. II 110 sq. God kent de

vrije daden der menschen niet uit zijn eigen wezen, uit zijne decreten,

maar uit den wil der schepselen, Schwane, D. G. IV 52. God wordt dus

van de wereld afhankelijk, ontvangt kennis uit de wereld, welke Hij uit

zichzelf niet hebben of verkrijgen kon, en houdt dus in zijne scientia

op, één, eenvoudig, onafhankelijk, d. i. God te zijn. Het schepsel

omgekeerd wordt voor een groot deel geheel van God onafhankelijk; het

heeft wel het esse en het posse van God indertijd ontvangen, maar

het heeft nu het velle geheel in eigen hand. Het beslist geheel

souverein en brengt al of niet iets tot realiteit, zonder dat er een

besluit Gods aan voorafgaat. Iets kan dus tot existentie komen zonder

Gods wil; het schepsel is schepper, autonoom, souverein; en heel de

wereldgeschiedenis wordt aan het bestuur Gods onttrokken en in de

handen van den mensch gelegd. Deze beslist en dan komt God met zijn

aan die beslissing beantwoordend plan. Indien zulk eene beslissing nu

éénmaal voorviel, b. v. bij Adam, dan was dat nog te denken; maar zulke

beslissingen van meer of minder ernstigen aard komen duizenden malen in

ieder menschelijk leven voor; wat is er dan te denken van een God, die

altijd door al die beslissingen afwacht en voor alle mogelijkheden alle

mogelijke plannen gereed heeft; wat blijft er zelfs van het schema van

het wereldplan over, welks Ausfüllung aan den mensch is overgelaten; en

wat is eene regeering waard, waarin de Koning de slaaf zijner onderdanen

is? En dat is hier in de scientia media met God het geval. God ziet toe

en de mensch beslist. Niet God is het, die onderscheid maakt tusschen

de menschen; dezen onderscheiden zichzelf. Genade wordt uitgedeeld naar

verdiensten, de praedestinatie hangt af van de goede werken; wat de

Schrift allerwege bestrijdt en Augustinus in Pelagius verwierp, wordt

door het Jezuitisme tot rechtzinnige, Roomsche leer geijkt, Billuart,

I 479. Want wel beroepen zich de voorstanders der scientia media

op vele plaatsen der H. Schrift, maar geheel ten onrechte. Immers,

de Schrift erkent zeer zeker, dat de dingen door God in allerlei

verband tot elkander gezet zijn en dat dit verband dikwerf ook van

conditioneelen aard is, zoodat het eene niet geschieden kan, tenzij

iets anders vooraf vervuld zij. Zonder geloof is er geen zaligheid,

zonder arbeid geen spijze, enz. Maar al de teksten, die de Jezuiten

aanhaalden voor de scientia media bewijzen niet, wat er bewezen moest

worden. Zij spreken wel van voorwaarde en vervulling, van gehoorzaamheid

en belofte, van onderstelling en gevolg, van wat er in het eene of in

het andere geval geschieden zal. Maar zij zeggen geen van alle, dat

God, al is het ook dat Hij tot menschen menschelijk spreekt en met hen

op menschelijke wijze handelt en onderhandelt, niet in elk bijzonder

geval geweten en bepaald zou hebben, wat zekerlijk geschieden moest.

Tusschen het louter mogelijke, dat alleen als idee in God is en nooit

werkelijk zal worden, en het zeker werkelijke, dat door Gods besluit is

vastgesteld, is er geen gebied meer, dat door den wil des menschen kan

beheerscht worden. Iets behoort altijd of tot het een of tot het ander.

Indien het alleen mogelijk is en nooit werkelijk wordt, is het object

der scientia necessaria; en indien het inderdaad eens werkelijk wordt,

is het inhoud der scientia libera. Er ligt daar niets meer tusschen,

er is geen scientia media. Maar bovendien, de scientia media bereikt

ook niet, wat zij bereiken wil. Zij wil de wilsvrijheid in den zin van

indifferentia overeenbrengen met de praescientia. Nu zegt zij, dat deze,

als scientia media opgevat, de menschelijke handelingen niet noodzakelijk

maakt maar geheel vrij laat. En dat is ook zoo, maar dan houdt zij ook op

praescientia te zijn. Als God toch zeker vooruit weet, wat een mensch

in een gegeven geval doen zal, dan kan Hij dit alleen vooruit zien, als

de motieven den wil in ééne richting determineeren en deze dus niet in

indifferentie bestaat. Omgekeerd, bestaat deze in indifferentia, dan

is er geen kennis, geen berekening van te voren van mogelijk, dan is er

alleen scientia post factum. Gods praescientia en de wil als willekeur

sluiten elkander uit. Si enim scit, zeide daarom Cicero reeds, certe

illud eveniet; sin certe eveniet, nulla fortuna est. Daarom moet de

oplossing van het probleem met Augustinus in eene andere richting

worden gezocht. De wilsvrijheid bestaat niet gelijk later blijken zal in

indifferentia, in willekeur of toeval, maar in lubentia rationalis.

En deze is met de praescientia Dei zoo weinig in strijd dat zij veeleer

door deze geponeerd en gehandhaafd wordt. De wil met zijne natuur, zijne

antecedenten en motieven, zijne beslissingen en gevolgen is opgenomen in

den ordo causarum, qui certus est Deo ejusque praescientia continetur,

Aug. de civ. V 9. In de kennisse Gods liggen de dingen onderling

juist in datzelfde verband, waarin zij voorkomen in de werkelijkheid.

Niet de praescientia is het en niet de praedestinatio, die zoo nu en

dan van boven invalt en dwingt, maar elke beslissing en handeling is

gemotiveerd door wat er aan voorafgaat. En zoo, in dat verband, is ze

opgenomen in de scientia Dei. Het contingente en vrije is overeenkomstig

zijn eigen, door God gekenden en gewilden aard, ingeschakeld in den

ordo causarum, die in de wereldgeschiedenis ons allengs openbaar wordt.

9. De kennisse Gods draagt, onder een ander gezichtspunt beschouwd, den

naam van wijsheid. Het onderscheid van beide is algemeen bekend. Alle

talen schier hebben voor deze twee begrippen ook verschillende woorden.

Ieder weet, dat geleerdheid, wetenschap, kennis en wijsheid lang niet

hetzelfde zijn en volstrekt niet altijd met elkaar gepaard gaan. Een

eenvoudig man munt dikwerf in wijsheid boven een geleerde uit. Beide

rusten op onderscheidene vermogens in den mensch. Kennis bekomen we

door studie, wijsheid door inzicht. Gene komt discursief, deze intuitief

tot stand. Kennis is theoretisch; wijsheid is practisch, teleologisch,

zij stelt de kennis in dienst van een doel. Kennis gaat buiten den wil

om, wijsheid is wel eene zaak des verstands maar wordt dienstbaar aan

den wil. Kennis gaat daarom dikwerf geheel buiten het leven om, maar

wijsheid hangt ten nauwste met het leven saam, zij is ethisch van aard,

zij is „wellevenskunst,” de eigenschap, de handeling van hem, die een

recht gebruik van zijne meerdere kunde maakt, en tot de beste einden

de beste middelen kiest. De etymologie wijst reeds op dit onderscheid.

Wijs komt van wijzen, toonen en is de eigenschap van hem die de richting

aanwijst; sapiens, van sapere, cf. σαφης, smaken, duidt aan, dat iemand

door eigen ervaring een juist zelfstandig oordeel heeft gekregen;

σοφος hangt waarschijnlijk ook met σαφης samen en heeft dan dezelfde

grondbeteekenis. Ook bij de Oostersche volken treffen wij dit onderscheid

aan, maar met belangrijke wijziging. Gelijk in het Westen de kennis op

den voorgrond staat; zoo in het Oosten de wijsheid. De Oostersche

volken leven veel meer uit aanschouwing dan uit het abstracte denken;

ze werken niet met begrippen maar met de beelden der zaken zelve; zij

leven subjectief dichter bij hun hart en staan objectief nader bij de

onmiddellijke realiteit des levens. Niet in het hoofd, maar in het

hart, in den wortel der persoonlijkheid ontmoeten subject en object

elkander, en stooten elkaar op de hardste wijze af of trekken elkander

op de teederste wijze aan. Het is alsof de substantiën der dingen door

levenssympathie overvloeien in elkaar. Dat Oostersch karakter treffen

we intens en diep ook in Israel aan. Ook hier moest te harer tijd de

chokma opkomen, ‎‏חכמה‏‎ van ‎‏חכם‏‎ vast, dicht, stevig zijn, subst.

degelijkheid, Tüchtigkeit. Maar ze kwam hier in dienst der openbaring.

De echte, ware wijsheid is geen vrucht van ’s menschen verstand maar

wortelt in de vreeze des Heeren en bestaat in die zedelijke Tüchtigkeit,

welke naar ’s Heeren wet zich richt en in een zedelijk leven zich

openbaart, Deut 4:6-8, Ps. 19:8, 111:10, Job 28:28, Spr. 1:7, 9:10.

En toen later het inzicht dieper indrong in de openbaring Gods in

natuur en in wet, kreeg zij eene zelfstandige plaats, ontwikkelde zij

eene eigen litteratuur en gaf hare gedachten in een eigen vorm weer,

in den vorm van spreuken, ‎‏מְשָׁלוֹת‏‎. Naast verstand en kennis

wordt nu in de Schrift ook wijsheid aan God toegeschreven. Hij heeft,

sprekende door het woord, de wereld geschapen, Gen. 1:3, Ps. 33:6,

107:20, 119:105, 147:15, 148:5, Jes. 40:8, 48:13. In den eersten tijd

wordt in de schepping vooral Gods macht en verhevenheid opgemerkt.

Maar langzamerhand dringt de Israelietische geest, door de vreeze des

Heeren gevoed en geleid, dieper door in natuur en wet, en bewondert

erin zijne aanbiddelijke wijsheid. Beide, de wereld en de openbaring Gods

onder Israel, worden uit die wijsheid afgeleid, Job 9:4, 12:13, 17,

37-38, Jes. 40:28, Ps. 104:24, Deut. 4:6-8, Jer. 10:12, Ps. 19:8, en

in Spr. 8:22 v., Job 28:23 v., wordt die wijsheid, door en met welke

God alle dingen heeft voortgebracht, persoonlijk voorgesteld. Het N.

Test. trekt deze lijn door en schrijft niet alleen op verschillende

plaatsen Gode wijsheid toe, Rom. 16:27, 1 Tim. 1:17, Judas 25, Op. 5:12,

7:12, maar zegt ook, dat de wereld door het woord Gods is geschapen,

Joh. 1:2, Hebr. 11:3, en ziet Gods wijsheid vooral geopenbaard in de

dwaasheid des kruises, 1 Cor. 1:18, in Christus, 1 Cor. 1:24, in de

gemeente, Ef. 3:10, in heel de leiding Gods met Israel en de Heidenen,

Rom. 11:33. Cf. Hooykaas, Wijsheid onder Hebreën 1862, J. F. Bruch,

Die Weisheitslehre der Hebräer 1851. Burger art. Weisheit in Herzog².

Oehler, Die Grundzüge der altt. Weisheit 1854. Id. Theol. des A. T.

§ 235 f. Schultz, Altt. Theol.⁴ 548 f. Delitzsch, Comm. über das

Salom. Spruchbuch, Einl. Cremer, Wörterbuch s. v. σοφος. König, Der

Offenbarungsbegriff des A. T. 1882 I 194 f. Smend, Lehrb. der altt.

Rel. S. 508 f. Schleiermacher, Chr. Gl. § 168, 169. Frank, Syst. der

chr. Wahrh. I 254 f.

Deze leer der Schrift over het Goddelijk woord en de Goddelijke wijsheid

werd inzonderheid door Philo in verbinding gebracht met de ἰδεαι.

Daardoor werd de grondslag gelegd voor de logosleer, die in den locus

de trinitate nader ter sprake komt. Maar de ideeënleer van Plato had

later nog eenmaal een machtigen invloed op de christelijke theologie,

en nu door het neo-platonisme heen. Zoo kwam ze tot Augustinus, die

haar eene plaats aanwees in de theologie. Maar natuurlijk moest hij ze

daartoe op belangrijke punten wijzigen. Vooreerst zijn de ideeën niet

eene eigene wereld, κοσμος νοητος, naast en buiten God, maar zij zijn

in God en maken den inhoud van zijn denken uit. Has autem rationes ubi

arbitrandum est esse nisi in mente creatoris, 83 qu. qu. 46. Gen. ad

litt. IV 6, 24, 29. V 13. Ze zijn Gods gedachten over al het geschapene,

zoowel voor als na de schepping en dus eeuwig en onveranderlijk, want

er kan in God niets zijn dan wat eeuwig en onveranderlijk is, ib. en de

trin. IV 1. de civ. XI 5. In Deo enim novum exstitisse consilium, ne

dicam impium, ineptissimum est dicere, de ord. II 17. Toch zijn die

ideeën in Gods verstand niet één met zijne zelfkennis noch ook met

den Logos of den Zoon, gelijk door vroegere patres wel eens gezegd

was. Augustinus handhaaft het essentieel onderscheid tusschen God

en wereld en vermijdt het pantheisme. Aliter ergo in illo sunt, quae

per illum facta sunt; aliter autem in illo sunt ea, quae ipse est,

de Gen. ad litt. II 6. Ter andere zijde kan Augustinus niet anders

denken, dan dat God naar ideeën alle dingen geschapen heeft. Daarin

komt zijne wijsheid uit. Sic ergo sapientia Dei, per quam facta sunt

omnia, secundum artem continet omnia, antequam fabricet omnia, tract.

1 in Ev. Joan. Omnia ratione sunt condita, 83 qu. qu. 46 n. 2. Non

enim quidquam fecit ignorans. Nota ergo fecit, non facta cognovit, de

Gen. ad litt. V 8. de trin. XV 13. de civ. XI 10. De schepping is eene

realiseering van gedachten Gods. Daarom bestaat er tusschen de ideeën

en de schepselen ook een nauw verband. De ideeën zijn de voorbeelden

en vormen der dingen, principales formae, rationes rerum, stabiles

atque incommutabiles, 83 qu. qu. 46 n. 2; en daarom niet alleen van

de soorten maar van alle individueele dingen. Cum omnia ratione sint

condita,.... singula igitur proprisis sunt creata rationibus, ib. en

de civ. XI 10. de Gen. ad litt. III 12, 14. V 14, 15. Maar toch wordt

deze beschouwing niet altijd vastgehouden. Soms komen de ideeën bij

Augustinus ook weer voor als typen en voorbeelden, die langzamerhand

zich realiseeren en eerst in den nieuwen hemel en de nieuwe aarde

volkomen verwezenlijkt worden, de Gen. ad litt. V 11. Ook is het verband

niet duidelijk, waarin volgens Augustinus de ideeën en de schepselen

staan. De ideeën zijn in God niet alleen als voorbeelden, maar zij zijn

ook werkzame krachten, immanente principia in de dingen. Hij verkoos

daarom de vertaling van ἰδεαι door rationes boven die van Cicero door

formae of species, 83 quaest. qu. 46. de Gen. ad litt. I 18, II 16, IX

18. De ideeën zijn als het ware in de dingen zelve neergelegd. Ideeën en

schepselen staan niet dualistisch als παραδειγματα en ὁμοιωματα, als

waar en onwaar, als onveranderlijk en veranderlijk naast en tegenover

elkaar, maar de ideeën zijn de ziel en het principe der dingen; de

beweging komt den schepselen toe ex illis insitis rationibus, de Gen.

ad litt IV 33. En voorts is de causaliteit der ideeën toch altijd weer

bemiddeld door den wil Gods; deze is de eigenlijke en laatste oorzaak

van het zijn der dingen, de civ. XXI, 8, cf. Gangauf, Metaph. Psych.

des h. Aug. S. 77 f. Ritter, Gesch. der chr. Philos. II 310 f. Dr. E.

Melzer, Des Aug. Lehre vom Kausalitätsverhältniss Gottes zur Welt 1892

S. 5 f. Behalve bij Augustinus, vinden we deze leer der ideeën ook bij

Clemens Alex. Strom. IV c. 25, V c. 3. Tertull. de an. 18. Eusebius,

Praep. evang. l. 14 c. 44. Orig. op Joh. 1:1. Dionysius, de div. nom.

c. 5. en later bij Anselmus, Monol. c. 8 sq. Lombardus, Sent. I dist.

35. Thomas, S. Theol. I qu. 15. qu. 44 art. 3. S. c. G. 54. Sent. I

dist. 36. Bonaventura, Sent. I dist. 35. Petavius, Theol. dogm. IV

c. 9-11. Scheeben, Kath. Dogm. I 657 f. Simar, Lehrb. der Dogm. 3e

Aufl. Freiburg 1893 S. 147 f., en ook bij Geref. theologen als Polanus,

Synt. theol. p. 267. 268. Zanchius, Op. II col. 201. Voetius, Disp. I

258 sq. Twissus, de scientia media 1639 p. 312 sq. Later is deze leer

van de ideeën bijna geheel uit de dogmatiek verdwenen. Het woord idee

is in de nieuwere philosophie ook van beteekenis veranderd. Vroeger

verstond men onder idee het voorbeeld der dingen in den scheppenden

geest Gods, terwijl begrip was de afdruk der dingen in den kennenden

geest. Maar in de nieuwe philosophie is idee de benaming geworden voor

die begrippen, die niet uit de zienlijke waarneming maar door zuiver

denken worden verkregen (Cartesius), waarvan er geen ervaring en dus

geen wetenschappelijke zekerheid is (Kant), die alleen onmiddellijk in

het gevoel of de rede kunnen worden erkend (Jacobi). Toch herinnert het

spraakgebruik nog dikwerf, althans in onze en in de duitsche taal, aan

de oude beteekenis. Het woord sluit nog altijd, vooral op kunstgebied,

de gedachte in van een objectief voorbeeld, παραδειγμα, en derhalve

van eene ideale volmaaktheid. Men spreekt dan van de idee van God, de

vrijheid, de kunst, de wetenschap, het ware, het goede, het schoone enz.

Op God toegepast, drukt de idee uit, dat God alles met wijsheid heeft

gemaakt, dat de wijsheid de eersteling zijns wegs, ἀρχη της κτισεως is,

Spr. 8:22, Col. 1:15, Op. 3:14. God is niet minder dan een kunstenaar.

Evenals deze zijne idee in het kunstwerk realiseert, zoo schept God alle

dingen naar de gedachten, die Hij zich gevormd heeft. De wereld is een

kunstwerk Gods. Hij is kunstenaar en bouwmeester van het gansche heelal.

God werkt niet onbewust, maar wordt bij al zijne werken door de wijsheid,

door zijne ideeën geleid. Maar er is ook onderscheid tusschen God en

een aardsch kunstenaar. De gedachten Gods zijn absoluut oorspronkelijk,

uit zijn eigen wezen genomen, eeuwig, onveranderlijk; ja, ze zijn met

zijn Goddelijk wezen één. De ideeën in God zijn de essentia Dei zelve,

in zoover deze het voorbeeld is der geschapene dingen en in eindige

schepselen uitgedrukt en nagevolgd kan worden. Elk schepsel is een

openbaring Gods en participeert aan het Goddelijk zijn. De aard dezer

participatie bestaat niet daarin, dat de schepselen modificaties zijn

van Gods wezen, of dat de schepselen dat zijn Gods realiter in zichzelf

hebben ontvangen. Maar ieder schepsel heeft zijn eigen zijn, doordat het

in zijne existentie een ectype is van het Goddelijk wezen. Om de veelheid

en den rijkdom der ideeën Gods, in het geschapene gerealiseerd, is de

wijsheid Gods πολυποικιλος te noemen, Ef. 3:10. Maar toch is de wijsheid

Gods ééne en zijne idee van de wereld is ééne, langzamerhand in den

loop der eeuwen zich ontvouwend en het reëele heenleidende naar het

voorgestelde doel. Van wege dit archetypisch karakter der ideeën in God

is er ook geen eigenlijke idee van de zonde als zoodanig. De zonde toch

is geen eigen zijn, maar eene vermindering van zijn, eene deformatie; zij

is wel object en inhoud van Gods kennis, zij wordt door de wijsheid Gods

wel dienstbaar gemaakt aan zijn glorie; maar ze is op zich zelve geen

idee zijner wijsheid, geen straal van zijn licht, Thomas, S. Th. I qu. 15

art. 3. Wel echter komt die wijsheid uit in de schepping, de ordening,

de leiding en regeering aller dingen. Zij is en blijft de ‎‏ אָמוֹן‏‎,

opifex, Spr. 8:30, ἡ των παντων τεχνιτις, Wijsh. 7:21, die alle dingen

schept, regeert en heenleidt naar hunne bestemming, d.i. naar de

verheerlijking van Gods naam.

10. Bij de deugden van Gods verstand behoort eindelijk nog de

waarachtigheid Gods. Het hebr. woord ‎‏אמת‏‎, ‎‏אמונה‏‎, adi. ‎‏אמן‏‎ komt

van het verb. ‎‏אמן‏‎ vastmaken, bouwen, steunen, intr. vast zijn, hi.

zich vasthouden aan, vertrouwen op, zeker zijn van iets en duidt aan,

subj. het vasthouden aan iets, geloof, πιστις, en obj. de vastheid,

betrouwbaarheid, waarheid van den persoon of de zaak waarop men zich

verlaat. De hebr. woorden zijn in de LXX nu eens door ἀληθεια, ἐν

ἀληθειᾳ, dan door πιστοω, πιστευω, πιστις, πιστος weergegeven, en

zoo in ’t ned. door waar, waarachtig, trouw; het begrip ἀληθεια

had in het gewone grieksch en zoo ook in LXX en N. T. te bepaalde

beteekenis, dan dat het de hebr. woorden voldoende weergeven kon, het

moest daarom aangevuld worden door de woorden πιστος enz. Reeds de

naam Ihvh drukt uit, dat Hij blijft die Hij is. Hij is waarheid en zonder

onrecht, ‎‏עָוֶל‏‎, verkeerdheid, verdraaidheid, Deut. 32:4, Jer. 10:10,

Ps. 31:6, 2 Chron. 15:3. Er ligt hier beide in, èn dat Hij is de

waarachtige, wezenlijke God tegenover de afgoden, die ‎‏הֲבָלִים‏‎ zijn,

Deut. 32:21 enz., èn dat Hij als zoodanig zijne woorden en beloften ten

allen tijde gestand doet en waar maakt, zoodat Hij volkomen betrouwbaar

is. Hij toch is geen man, dat Hij liegen of berouw hebben zou, Num.

23:19, 1 Sam. 15:29. Al wat van Hem uitgaat, draagt den stempel der

waarheid. Telkens is er sprake van zijne weldadigheid, ‎‏חֶסֶד‏‎, en

trouw, Gen. 24:49, 47:29, Joz. 2:14, 2 Sam. 2:6, 15:20, Ps. 40:11,

van zijne goedertierenheid, ‎‏חֶסֶד‏‎, en waarheid, Gen. 24:27, Ex. 34:6,

Ps. 57:4, 61:8, 89:15 enz. Zijne woorden, rechten, paden, werken,

geboden, wetten, zijn alle loutere waarheid, 2 Sam. 7:28, Ps. 19:10,

25:10, 33:4, 111:7, 119:86, 142, 151, Dan. 4:37. Zijne waarheid en

trouw openbaart zich op aarde zoo rijk en heerlijk, dat ze reikt tot

aan de wolken, Ps. 36:6, Ex. 34:6. Hij bevestigt zijn woord telkens met

te zweren bij zichzelven, Gen. 22:16 enz., Hebr. 6:13. Daarom heet

Hij menigmaal een rots, die door zijne onveranderlijke vastheid steun

biedt aan zijne gunstgenooten, Deut. 32:4, 15, 18, 30, 37 en in vele

eigennamen, Num. 1:5, 6, 10, 3:35, 34:28, en voorts in 2 Sam. 22:3,

32, Ps. 18:3, 32, 19:15, 28:1, 31:3, 71:3, 144:1, Jes. 26:4. En als

zulk een God der waarheid en der trouw houdt Hij het verbond, Deut.

4:31, 7:9, Ps. 40:11, Hos. 12:1 enz. en is Hij een volkomen betrouwbare

toevlucht voor al zijn volk, Ps. 31:6, 36:6 v., 43:3, 54:7, 57:4, 71:22,

96:13, 143:1, 146:6 enz. Eveneens heet Hij in het N. T. de ἀληθινος

θεος; d. i. alleen die God is de waarachtige, wezenlijke God, die zich

in Christus heeft geopenbaard, Joh. 17:3, 1 Joh. 5:20. En al wat Hij

openbaart is louter waarheid. Hij is een θεος ἀληθης in tegenstelling

van alle menschen, Joh. 3:33, Rom. 3:4. Zijn woord is de waarheid, zijn

evangelie is waarheid, Christus is de waarheid, Joh. 14:6, 17:17, Ef.

1:13. Ja, Hij is nu nog, die Hij altijd was. Het N. Test. is vervulling en

bevestiging van zijne beloften in de dagen des O. V. Hij heeft gedacht

aan zijn verbond en eed, Luk. 1:68-73. Hij is getrouw, πιστος, daarin

dat Hij de God des verbonds is en blijft en de zaligheid volkomenlijk

schenkt, 1 Cor. 1:9, 10:13, 1 Thess. 5:24, 2 Thess. 3:3, Hebr. 10:23,

11:11, 1 Joh. 1:9. Hij kan zichzelf niet verloochenen, 2 Tim. 2:13. Al

zijne beloften zijn in Christus ja en amen, 2 Cor. 1:18, 20. Christus is

ὁ μαρτυς ὁ πιστος, Openb. 1:5, 3:14, 19:11. En daarom is Hij en kan Hij

wezen het onveranderlijke voorwerp onzer πιστις, cf. Wendt, Der Gebrauch

der Wörter ἀληθεια, ἀληθης und ἀληθινος im N. T., Stud. u. Krit. 1883

S. 511-547. Cremer, Wörterbuch 1895 S. 109-126.

De Schrift bezigt dus het woord waarheid in verschillenden zin. En ook

de philosophie onderscheidt gewoonlijk drieërlei begrip van waarheid

nl. veritas in essendo (in rebus), in significando (in verbis), in

cognoscendo (in intellectu), of veritas metaphysica, ethica en logica,

Liberatore, Inst. philos. ed. 8, Romae 1855 I 70 sq. Schmid, Der

Begriff des Wahren in Gutberlet’s Philos. Jahrbuch 1893 S. 35-48,

140-150. Mastricht, Theol. II, 14, 5. Moor, Comm. in Marck I 676.

Metaphysische, ontologische waarheid bestaat daarin, dat een of ander

voorwerp, een persoon of zaak, al datgene is, wat tot zijn wezen

behoort. Zoo is goud, dat er niet alleen als goud uitziet, maar het

wezenlijk is, echt, waar, waarachtig goud. Waarheid in dezen zin staat

tegenover valschheid, onechtheid, ijdelheid, niet-zijn. Zij is eene

eigenschap van alle zijn als zijn, zij is met de substantie één. Vooral

Augustinus sprak dikwerf van de waarheid in deze beteekenis. Alle zijn

is als zoodanig waar en schoon en goed. Er is wel rijke verscheidenheid

in de mate van zijn; er is graadonderscheid onder de schepselen.

Maar alle dingen hebben toch pro suo modo van God het zijn ontvangen

en participeeren aan het Goddelijk zijn, cf. b. v. de civ. XI 23, de

nat. boni c. Manich. c. 19. Maar van dit zijn der schepselen klimt

Augustinus op tot God. In de Schrift wordt God de waarachtige genoemd

tegenover de afgoden, die ijdelheid zijn. En zoo is bij Augustinus God het

waarachtige, eenige, eenvoudige, onveranderlijke, eeuwige zijn. Met zijn

zijn vergeleken is het zijn der schepselen een niet-zijn te achten. God

is summum esse, summa veritas, summum bonum. Hij is louter essentia. Hij

heeft niet, maar Hij is de waarheid. O veritas quae vere es, Conf. X

41. VII 10. XII 25. Maar voorts is God ook de waarheid in den tweeden

bovengenoemden, d. i. in ethischen zin. Onder veritas ethica is te

verstaan de overeenstemming tusschen iemands wezen en zijne openbaring,

in woord of in daad. Wie anders zegt dan hij denkt, is onwaarachtig, een

leugenaar. Waarheid in dezen zin staat tegenover leugen. Bij God nu is

er volkomen overeenstemming tusschen zijn zijn en zijne openbaring, Num.

23:19, 1 Sam. 15:29, Tit. 1:2, Hebr. 6:18. Het is onmogelijk, dat God

liege of zichzelven verloochene. En eindelijk is God ook de waarheid

in logischen zin. Deze bestaat in overeenstemming van het denken met

de werkelijkheid, conformitas of adaequatio intellectus et rei. Onze

begrippen zijn waar, wanneer zij zuivere afdruk zijn van de werkelijkheid.

In dezen zin staat waarheid tegenover dwaling. God is nu ook daarom de

waarheid, wijl Hij alle dingen kent gelijk ze werkelijk zijn. Zijn kennen is

juist, onveranderlijk, adaequaat. Ja, Hij is in zijn kennen de waarheid

zelve, gelijk Hij in zijn zijn de ontologische waarheid is. De kennisse

Gods is levende, absolute, adaequate waarheid. Zij is niet verkregen

uit onderzoek en nadenken over de dingen, maar is essentieel in God

en gaat aan de dingen vooraf. Zij is met het wezen Gods één en is dus

substantieele waarheid. Daarom is ook zijn woord, zijn wet, zijn evangelie

zuivere waarheid. Ze zijn alle gelijk ze wezen moeten. Nu zijn deze drie

beteekenissen van het begrip waarheid wel onderscheiden, maar ze zijn

toch ook weder één. Deze eenheid bestaat daarin, dat waarheid altijd in

alle drie beteekenissen is overeenstemming van denken en zijn, van het

ideëele en het reëele zijn. God is de waarheid in metaphysischen zin,

want Hij is de eenheid van denken en zijn. Hij is volkomen zichzelven

bewust. Hij is God in waarachtigen zin, ten volle beantwoordende aan de

idee Gods, die in Hemzelf is. Hij is de waarheid in ethischen zin, want

Hij openbaart zich, spreekt, handelt, verschijnt gelijk Hij waarlijk is en

denkt. En Hij is de waarheid in logischen zin, want Hij denkt de dingen

gelijk ze zijn, of liever, de dingen zijn gelijk Hij ze denkt. Hij is de

waarheid in vollen, absoluten zin. En daarom is Hij de prima veritas, de

oorspronkelijke waarheid, de bron van alle waarheid, de waarheid in alle

waarheid; de grond van de waarheid, van het ware zijn aller dingen, van

hun kenbaarheid en denkbaarheid; het ideaal en de archetype van alle

waarheid, van alle ethische zijn, van alle regelen en wetten waarnaar

het wezen en de openbaring aller dingen beoordeeld en genormeerd moet

worden; de bron en de oorsprong van alle kennis der waarheid op alle

terrein, het licht waarin wij alleen het licht kunnen zien, de zon der

geesten. Te invoco Deus veritas, in quo et a quo et per quem vera sunt,

quae vera sunt omnia, Aug. Solil. I 1. Cf. verder Thomas, S. Theol. I

qu. 16 en 17. I, 2 qu. 3 art. 7. S. c. Gent. I c. 59-62. III c. 51.

Bonaventura, Sent. I dist. 8 art. 1. Scheeben, Kath. Dogm. I 578 f.

663 f. Gerhard, Loci Theol. II c. 8 sect. 16. Polanus, Synt. theol. II

c. 27. Zanchius, Op. II col. 226-242. L. Meyer, Verhand. over de Godd.

eigensch. IV bl. 1-88.

Gereformeerde dogmatiek. Tweede deel. · 第 10 / 19 题