Gods vooraf. Damascenus, de fide orthod. I 6 sq., Lombardus, Sent. I
dist. 2 sq., Bonaventura, Brevil. I c. 2 sq., Martyr, Loci Comm. p.
36 sq. enz.; en Frank heeft tegen de omgekeerde orde zelfs ernstig
bezwaar, Syst. der chr. Wahrh. I 151 f. Indien met de behandeling van
de deugden Gods vóór de leer der triniteit bedoeld werd, om allengs uit
de theologia naturalis tot de theologia revelata en uit het natuurlijk
tot het christelijk Godsbegrip op te klimmen, zou ze zonder twijfel
afkeuring verdienen. Maar dit is geenszins het geval. In de leer der
volmaaktheden Gods wordt de Goddelijke natuur behandeld, gelijk zij in de
Schrift ons is geopenbaard, door het christelijk geloof wordt beleden,
en straks in den locus de trinitate zal blijken, op drievoudige wijze
te bestaan. Om in dien locus te verstaan, dat Vader, Zoon en Geest
dezelfde Goddelijke natuur deelachtig zijn, is het noodig te weten, wat
die Goddelijke natuur in zich bevat en waarin zij van alle geschapen
natuur onderscheiden is. De Schrift gaat ons daarin ook voor. Het wezen
Gods wordt daar ons eerder en klaarder geleerd dan zijn trinitarisch
bestaan; de drieeenheid komt eerst in het N. Test. tot duidelijke
openbaring; de namen Ihvh, Elohim gaan aan die van Vader, Zoon en
Geest vooraf. Het eerste, dat de Schrift ons van God kennen doet, is,
dat Hij een eigen, van alle schepselen onderscheiden, zelfstandig en
onafhankelijk zijn en leven heeft. Hij heeft een eigen wezen, een eigen
φυσις, natura, substantia, essentia, niet in onderscheiding van zijne
deugden, maar in alle deugden en volmaaktheden ons tegemoet tredende
en kenbaar wordende. Hij draagt eigen namen, welke aan geen schepsel
toekomen. Onder dezen staat de naam van Ihvh boven aan, Ex. 3:14. Door
dezen naam wordt Hij aangeduid als degene, die is en zijn zal wat Hij was,
die eeuwig in betrekking tot zijn volk zichzelf gelijk blijft. Hij bestaat
van zichzelf. Hij bestond vóór alle dingen, en deze bestaan alleen
door Hem, Ps. 90:2, 1 Cor. 8:6, Openb. 4:11. Hij is אָדוֹן κυριος,
δεσποτης in absoluten zin, Heer der gansche aarde, Ex. 23:17, Deut.
10:17, Jos. 3:13. Hij is van niets, alles is van Hem afhankelijk, Rom.
11:36. Hij doodt en maakt levend, schept het licht en de duisternis,
den vrede en het kwaad, Deut. 32:39, Jes. 45:5-7, 54:16. Hij doet
met het heir des hemels en met de inwoners der aarde naar zijn wil,
Dan. 4:35, zoodat de menschen in zijne hand zijn als leem in de hand
des pottebakkers, Jes. 64:8, Jer. 18:1 v., Rom. 9:21. Zijn raad, zijn
welbehagen is laatste grond van al wat is en geschiedt, Ps. 33:11,
Spr. 19:21, Jes. 46:10, Mt. 11:26, Hd. 2:23, 4:28, Ef. 1:5, 9, 11. Hij
doet dan ook alles om zijns zelfs, om zijns naams, om zijns roems wil,
Deut. 32:27, Jos. 7:9, 1 Sam. 12:22, Ps. 25:11, 31:4, 79:9, 106:8,
109:21, 143:11, Spr. 16:4, Jes. 48:9, Jer. 14:7, 21, Ezech. 20:9, 14,
22, 44. Hij heeft ook niets noodig, is algenoegzaam, Job 22:2, 3, Ps.
50:19 v., Hd. 17:25, en heeft het leven in zichzelven, Joh. 5:26. En
zoo is Hij de eerste en de laatste, de alpha en de omega, die is en
die was en die komen zal, Jes. 41:4, 44:6, 48:12, Openb. 1:8 enz.;
volstrekt onafhankelijk, niet alleen in zijn bestaan, maar tengevolge
daarvan ook in al zijne deugden en volmaaktheden, in al zijne besluiten
en daden. Onafhankelijk is Hij in zijn verstand, Rom. 11:34, 35, in zijn
wil, Dan. 4:35, Rom. 9:19, Ef. 1:5, Op. 4:11, in zijn raad, Ps. 33:11,
Jes. 46:10, in zijne liefde, Hos. 14:5, in zijne macht, Ps. 115:3 enz. En
alzoo algenoegzaam in zichzelven, en niets van buiten zich ontvangende,
is Hij integendeel de eenige bron van alle zijn en leven, van alle
licht en liefde, de overvloedige fontein aller goeden, Ps. 36:10, Hd.
17:25. Deze onafhankelijkheid Gods wordt min of meer door alle menschen
erkend. De Heidenen trekken het goddelijke wel in het creatuurlijke
neer en leeren eene theogonie, maar nemen achter en boven hunne goden
toch dikwerf weer eene macht aan, waaraan alles in volstrekten zin
onderworpen is. Velen spreken van natuur, toeval, noodlot of fortuin
als eene macht die boven alles verheven is; en wijsgeeren duiden God
bij voorkeur met den naam van het Absolute aan. In de christelijke
theologie droeg deze deugd Gods den naam van αὐυταρκεια, aseitas,
omnisufficientia, independentia, magnitudo. In het Oosten sprak men
van θεος ἀναρχος, ἀναιτιος, ἀγεννητος en noemde men God bij voorkeur
αὐτογεννητος, αὐτοφυης, αὐτουσιος, αὐτοθεος, αὐτοφως, αὐτοσοφια,
αὐτοαρετη, αὐταγαθος enz., cf. Suicerus, Thes. Eccl. s. v. God is
al wat Hij is door zichzelf. Hij is ipsa per se bonitas, sanctitas,
sapientia, vita, lux, veritas etc. Gelijk vroeger reeds is gezegd,
gingen de kerkvaders in navolging van Philo bij de beschrijving Gods
meest uit van den naam Ihvh. Dat was zijn wezensnaam bij uitnemendheid.
God was de Zijnde. In dezen naam: Ik zal zijn die Ik zijn zal ligt alles
opgesloten. Alle andere deugden Gods werden daaruit afgeleid. God is
summum esse, summum bonum, summum verum, summum pulchrum. Hij is het
volmaakte, het hoogste beste zijn, quo esse aut cogitari melius nihil
possit. Hij heeft het geheele zijn in zich, Hij is eene oneindige en
onbegrensde zee van zijn. Si bonum, si magnum, si beatum, si sapientem
vel quidquid tale de Deo dixeris, in hoc verbo instauratur quod est
Est. Nempe hoc est ei esse, quod haec omnia esse. Si et centum talia
addas, non recessisti ab esse; si ea dixeris, nihil addixisti; si non
dixeris nihil minuisti, Bernardus, de consid. I c. 6. De scholastiek
sloot zich hierbij aan, Anselmus, Monol. 6. Lombardus, Sent. I dist.
8. Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 3 en qu. 3 en qu. 13 art. 11. S. c.
Gent. I c. 16 sq. en behandelde deze deugd ook wel onder den naam van
de infinitas of spiritualis magnitudo Dei, Thomas, S. Theol. I qu. 7.
S. c. Gent. I c. 43, of onder dien van de aseitas Dei, waarmee werd
aangeduid, dat God als summa substantia per se ipsam aut ex se ipsa
est quidquid est, Anselmus, Monol. 6. Latere Roomsche theologen gaan
evenzoo meest van deze aseitas of independentia uit, Petavius, de Deo I
c. 6. Theol. Wirceb. III p. 38 sq. Perrone, Prael. theol. II p. 88-90.
Jansen, Prael. theol. dogm. II 26 sq. De Hervorming bracht hierin geen
wijziging. Ook Luther omschrijft God op grond van den naam Ihvh als den
volstrekt zijnde; Hij is louter wezen. Maar toch houdt Luther zich niet
lang met abstracte, metaphysische beschrijvingen op en gaat spoedig
van den Deus absconditus over tot den Deus revelatus in Christus,
Köstlin, Luthers Theol. II 302 f. Melanchton in zijne Loci omschrijft
God als essentia spiritualis. De Lutherschen hebben deze omschrijving
meest overgenomen maar dan dikwerf nog de nadere bepaling infinita,
a se subsistens of independens er aan toegevoegd, Schmid, Dogm. der
ev. Luth. K. § 17. Bij de Gereformeerden treedt deze volmaaktheid
Gods nog sterker op den voorgrond, al wordt de naam aseitas later
meest met dien van independentia verwisseld. Aseitas drukt alleen de
onafhankelijkheid Gods in zijn bestaan uit, maar independentia heeft een
ruimer zin en sluit in, dat God onafhankelijk is in alles, in zijn zijn,
in zijne deugden, in zijne besluiten, in zijne werken. Terwijl vroegeren
daarom meest van den naam Ihvh uitgaan, Hyperius, Meth. Theol. p. 87,
135. Sohnius, Op. II 48. III 261. Polanus, Synt. Theol. p. 135 enz.,
komt later de independentia meest voor als de eerste der onmededeelbare
eigenschappen, Mastricht, Theol. II c. 3, Heidegger, Corpus Theol.
III § 30. Maresius, Syst. theol. loc. 2 § 17. Marck, Merg der Godg.
IV § 20. L. Meyer, Verhand. over de Godd. eigensch. 1783 I bl. 39-110
enz. Als God nu in de Schrift zichzelven deze aseitas toeschrijft, dan
doet Hij zich daardoor kennen als het absolute zijn, als den zijnde in
volstrekten zin. Door deze volmaaktheid is Hij terstond wezenlijk en
volstrekt onderscheiden van alle creatuur. Al het schepsel is toch
niet a se maar ab alio, en is en heeft dus niets van zichzelf; het is
volstrekt afhankelijk in zijn oorsprong en dus ook in heel zijn verder
bestaan en ontwikkeling. Maar God is blijkens dezen naam alleen van
zichzelven, a se, niet in dien zin als hadde Hij zichzelf veroorzaakt,
maar als van eeuwigheid tot eeuwigheid zijnde die Hij is, zijnde niet
wordende, het absolute zijn, de volheid van zijn, en dus ook eeuwig en
volstrekt onafhankelijk in zijn bestaan, in zijne deugden, in al zijne
werken, de eerste en de laatste, eenige oorzaak en einddoel van alle
dingen. In deze aseitas Gods liggen alle andere deugden opgesloten;
ze zijn met haar gegeven en van haar de rijke, alzijdige ontplooiing.
En toch, terwijl bij deze deugd het onmetelijk onderscheid tusschen
Schepper en schepsel in eens helder en klaar aan het licht treedt,
is er toch ook van deze volmaaktheid Gods eene zwakke gelijkenis in
al het schepsel. Het pantheisme kan dit niet erkennen, maar het
theisme belijdt, dat het schepsel, schoon volstrekt afhankelijk, toch
een eigen, onderscheiden zijn heeft. En in dit zijn is de volharding
in zijn bestaan ingeplant, de conatus in suo esse perseverandi, de
Selbsterhaltungstrieb, de zucht tot zelfbehoud. Alle schepsel, in
zoover het is, vreest den dood; en zelfs het kleinste atoom biedt
wederstand aan alle poging tot vernietiging. Het is eene schaduw van
het onafhankelijke, onveranderlijke zijn onzes Gods.
2. Uit de aseitas Gods vloeit vanzelve zijne onveranderlijkheid voort.
Toch schijnt deze al weinig steun in de Schrift te vinden. Daar staat
God immers steeds in het levendigst verkeer met de wereld. In den
beginne schiep Hij hemel en aarde en ging dus van niet-scheppen tot
scheppen over. En van dat begin leeft Hij als het ware het leven der
wereld en vooral van zijn volk Israel mede, Hij komt en Hij gaat, Hij
openbaart en verbergt zich, Hij wendt zijn aangezicht af en keert het toe
in genade. Hij heeft berouw, Gen. 6:6, 1 Sam. 15:11, Amos 7:3, 6, Joel
2:13, Jon. 3:9, 4:2, en verandert van voornemen, Ex. 32:10-14, Jon.
3:10. Hij wordt toornig, Num. 11:1, 10, Ps. 106:40, Zach. 10:3, en legt
zijn toorn af, Deut. 13:17, 2 Chr. 12:12, 30:8, Jer. 18:8, 10, 26:3, 19,
36:3. Hij is anders tegenover de vromen dan tegenover de goddeloozen,
Spr. 11:20, 12:22; bij den reine houdt Hij zich rein maar bij den
verkeerde bewijst Hij zich een worstelaar, Ps. 18:26, 27. In de volheid
des tijds wordt Hij zelfs mensch in Christus en gaat door den H. Geest
wonen in de gemeente; Hij verwerpt Israel en neemt de Heidenen aan. En
in het leven der kinderen Gods blijft er eene voortdurende wisseling
van schuldgevoel en bewustzijn van vergeving, van ervaringen van Gods
toorn en van zijne liefde, van zijne verlating en van zijne nabijheid. Maar
tevens getuigt diezelfde Schrift, dat God onder dat alles dezelfde is
en dezelfde blijft. Alles verandert maar Hij blijft staande, Hij blijft
die Hij is, Ps. 102:26-28. Hij is Ihvh, de zijnde en zichzelf steeds
gelijkblijvende; de eerste en met de laatsten nog dezelfde God, Jes.
41:4, 43:10, 46:4, 48:12. Hij is die Hij is, Deut. 32:39, cf. Joh. 8:58,
Hebr. 13:8, ἀφθαρτος, ὁ μονος ἐχων ἀθανασιαν, altijd ὁ αἰτος, Rom 1:23,
1 Tim. 1:17, 6:16, Hebr. 1:11, 12. En onveranderlijk in zijn bestaan en
wezen, is Hij het ook in zijn gedachte en wil, in al zijne voornemens
en besluiten. Hij is geen mensch dat Hij liegen of berouw hebben zou.
Wat Hij zegt, doet Hij, Num. 15:29, 1 Sam. 15:29. Zijne charismata en
roeping zijn ἀμεταμελητα, Rom. 11:29. Hij verstoot zijn volk niet, Rom.
11:1. Hij voleindigt wat Hij begon, Ps. 138:8, Phil. 1:6. In één woord,
Hij, Ihvh, verandert niet, Mal. 3:6; bij Hem οὐκ ἐνι παραλλαγη ἢ τροπης
ἀποσκιασμα, Jak. 1:17. Hierop werd in de christelijke theologie de leer
gebouwd van de immutabilitas Dei. De mythologische theogonie kon
zich tot deze hoogte niet verheffen, maar de wijsbegeerte noemde en
omschreef God menigmaal als den eenigen, eeuwigen, onveranderlijken,
onbewogen, zich zelf gelijken heerscher aller dingen, Philolaus e. a.,
bij Zeller, Phil. d. Gr. I⁴ 425, 488 f. II 928. Aristoteles besloot
uit de beweging der wereld tot een primum movens, eene αἰδιος οὐσια
ἀκινητος, die ééne was en eeuwig, noodzakelijk, onveranderlijk, vrij van
alle samenstelling, zonder eenige mogelijkheid, ὑλη, δυναμις, maar enkel
ἐνεργεια, zuivere εἰδος, louter wezen, absolute vorm, το τι ην εἰναι
το πρωτον, ib 359-365. Philo noemde God ἀτρεπτος, ἰσαιτατος ἑαυτῳ,
ἀκλινης, παγιος, βεβαιος, ἀμεταβλητος, ἑστως, Dähne, Gesch. Darst.
der jüd.-alex. Rel. Philos. I 118. En hiermede stemde de christelijke
theologie overeen. God is volgens Irenaeus, semper idem, sibi aequalis
et similis, adv. haer. IV c. 11, cf. Orig. c. Cels. I 21. IV 14. Bij
Augustinus vloeide de onveranderlijkheid Gods rechtstreeks daaruit
voort, dat Hij was het hoogste, volmaakte zijn. Aan alle redelijk schepsel
is het naturaliter et veraciter insitum, esse omnino incommutabilem et
incorruptibilem Deum, de Gen. ad litt. VII 11. Door de zintuigen is
dit begrip van een eeuwig en onveranderlijk wezen niet te verkrijgen,
want alle schepsel, ook de mensch zelf, is veranderlijk; maar binnen
in zich ziet en vindt hij dat onveranderlijke, dat beter en grooter is
dan alwat verandert, de lib. arb. II 6, de doctr. chr. I 9. Indien God
niet onveranderlijk ware, zou Hij niet God zijn, Conf. VII 4. Zijn naam is
_zijn_ en deze naam is een nomen incommutabilitatis. Alwat verandert,
houdt op te zijn wat het was. Maar het waarachtige zijn is alleen het
deel van Hem, die niet verandert. Wat waarlijk is, dat blijft. Quod est,
manet. Maar wat verandert fuit aliquid et aliquid erit; non tamen
est, quia mutabile est, de trin. V 2. God echter, die is, kan niet
veranderen, wijl elke verandering eene vermindering van zijn zou wezen.
En even onveranderlijk als God is in zijn wezen, is Hij het ook in zijn
kennen, willen en besluiten. Dei essentia, qua est, nihil mutabile
habet, nec in aeternitate, nec in veritate, nec in voluntate, de trin.
IV prooem. Gelijk Hij is, zoo weet en wil Hij, op onveranderlijke wijze.
Essentia tua scit et vult incommutabiliter et scientia tua est et
vult incommutabiliter et tua voluntas est et scit incommutabiliter,
Conf. XIII, 16. Schepping, openbaring, vleeschwording, affecten enz.
brachten in God geen verandering te weeg. In God is er nooit een
novum consilium gekomen, de ord. II 17. Er is altijd in God een eenige,
onveranderlijke wil geweest. Una eademque sempiterna et immutabili
voluntate res quas condidit, et ut prius non essent egit, quamdiu non
fuerunt, et ut posterius essent, quando esse coeperunt, de civ. XII,
17. Alleen is er verandering in het schepsel van niet-zijn tot zijn,
van goed tot kwaad enz. Dezelfde gedachte vinden we dan later telkens
terug, bij Joh. Damascenus, de fide orthod. I c. 8. Thomas, S. Theol. I
qu 9. Lombardus, Sent. I dist. 8, 3. Bonaventura, Sent. I dist. 8 art.
2 qu 1-2. Petavius, de Deo III c. 1-2. en zoo ook bij Luth. en Geref.
theologen, Gerhard, Loc. II cap. 8 sect. 5. Zanchius, Op. II col.
77-83. Polanus, Synt. theol. II c. 13, cf. Conf. Gall. art. 1. Conf.
Belg. 1 enz.
Maar deze onveranderlijkheid Gods vond veel bestrijding, zoowel van
deistische als van pantheistische zijde. Bij Epicurus zijn de goden
geheel aan voortreffelijke menschen gelijk, die veranderen van plaats,
werkzaamheid, gedachte enz., Zeller IV 430 f., en bij de Stoa werd
de Godheid evenals vroeger bij Heraclitus als de immanente oorzaak
der wereld opgenomen in haar onophoudelijke wisseling, ib. IV 133 f.
Van denzelfden aard was de bestrijding der onveranderlijkheid Gods in
de christelijke theologie. Aan de eene zijde staat het pelagianisme,
socinianisme, remonstrantisme, rationalisme, dat vooral de
onveranderlijkheid van Gods weten en willen bestrijdt, en den wil Gods
afhankelijk maakt van en dus veranderen laat naar het gedrag van den
mensch. Inzonderheid Vorstius in zijn werk de Deo et ejus attributis
bestreed de onveranderlijkheid Gods. Hij onderscheidde tusschen de
essentia Gods, die eenvoudig en onveranderlijk is, en de voluntas Dei,
welke als libera ook niet alles eeuwiglijk en niet altijd hetzelfde
wil, Dorner, Gesammelte Schriften 278. Maar veel ernstiger is nog de
bestrijding van de onveranderlijkheid Gods, van pantheistische zijde.
Gemeenschappelijk is aan deze bestrijding, dat de idee van het worden op
God wordt overgebracht en alzoo de grens tusschen Schepper en schepsel
geheel wordt uitgewischt. De idee van God als substantia, gelijk ze
bij Spinoza voorkomt, bleek een abstract begrip zonder inhoud te zijn.
Om leven in dat begrip te brengen, verving de philosophie dikwerf
het zijn door het worden. Natuurlijk is daarbij nog groot verschil,
naar gelang men dit proces, waardoor God zelf wordt, unitarisch of
trinitarisch opvat en zich voltrekken laat immanent in het wezen
Gods of transeunt in de wereld. Hiertoe behoort in de eerste plaats
het gnosticisme, maar dan voorts de theosophie van de kabbala, van
Böhme, Baader, Schelling, Rothe, Hamberger, enz., nawerkende in de
leer van de kenosis, en eindelijk de pantheistische philosophie van
Fichte, Hegel, Schleiermacher, Schopenhauer, Hartmann enz. Hoe ook
verschillend uitgewerkt, de grondgedachte is ééne. God _is_ niet maar
_wordt_. An sich, in het eerste moment, is Hij βυθος ἀγνωστος, een
abstract louter potentieel zijn, natuur zonder meer, inhoudloos denken,
een donkere drang, een blinde alogische wil, in één woord, een zijn dat
niets is maar alles worden kan. Maar uit dat potentieele zijn brengt
God zichzelf in den vorm van een proces allengs tot actualiteit. Hij is
zijn eigen Schepper. Hij produceert zichzelf. Hij komt allengs, hetzij dan
in zichzelf of in de wereld, tot persoonlijkheid, tot zelfbewustzijn,
tot geest. God is causa sui. Onder invloed van deze philosophische
idee van het absolute worden is de onveranderlijkheid Gods ook in de
nieuwere theologie meermalen ontkend of beperkt, en God met voorliefde
causa sui, zichzelf actualiseerende macht genoemd, Rothe, Theol. Ethik
§ 16-38. Martensen, Chr. Dogm. 1856 S. 86. 116, cf. Chr. Ethik. I
90 f. Luthardt zegt, Gott ist seine eigene That, Apol. Vortr. über
die Grundwahrh. des Chr. 1870 I 45, cf. Müller, Die chr. Lehre v.
d. Sünde II⁵ 171 f. Anderen spreken van eene Selbstsetzung Gottes,
Dorner, Chr. Gl. I 244. 245. Frank, Syst. der chr. Wahrh. I² 116 f.
In zijne verhandeling Ueber die richtige Fassung des dogm. Begriffs
der Unveränderlichkeit Gottes, Ges. Schriften 1883 S. 188-377, tracht
Dorner deisme en pantheisme (akosmisme) beide te vermijden en de
onveranderlijkheid en de Lebendigkeit Gods met elkander te vereenigen.
Hij meent dit doel te bereiken, door de onveranderlijkheid Gods te
stellen in het ethische, S. 340 f. Ethisch is God onveranderlijk en
altijd zichzelf gelijk, Hij blijft heilige liefde, S. 352. Maar overigens
meent Dorner, dat er door de schepping, de menschwording en voldoening
enz. wel verandering in God is gekomen, S. 309. 311 f. 358 f. 364,
dat Hij in Wechselverhältniss staat tot den mensch, S. 319. 362, dat
Hij de werkelijkheid slechts kent uit de wereld, S. 320, dat er ook
voor Hem een verleden, heden en toekomst is, S. 322, dat Hij toornt,
rechtvaardigt, en eene aan den mensch beantwoordende stemming heeft,
S. 324 enz. En zoo wezenlijk ook Weisse, Philos. Dogm. I 573. F. A. B.
Nitzsch, Ev. Dogm. 365 e. a. Velen spreken ook in de leer van God over
deze belangrijke eigenschap zich niet uit, maar laten het eerst bij de
schepping of bij de vleeschwording of bij de kenosis enz. merken, dat ze
verandering in God aannemen, zooals b. v. Ebrard, Hofmann, Thomasius e.
a.
Niettemin is de leer van de onveranderlijkheid Gods voor de religie
van het hoogste belang. Het onderscheid tusschen Schepper en schepsel
is gelegen in de tegenstelling van het zijn en het worden. Al wat
schepsel is, is wordende. Het is veranderlijk, streeft voortdurend,
zoekt naar rust en bevrediging en vindt die rust alleen in Hem, die
louter zijn is zonder worden. Daarom heet God in de Schrift zoo dikwerf
de rotssteen, Deut. 32:4, 15, 18, 30, 31, 37. 1 Sam. 2:2, 2 Sam.
22:3, 32, Ps. 19:15, 31:3, 62:3, 7, 73:26 enz. Op Hem kan de mensch
zich verlaten, Hij verandert niet in zijn wezen, noch in zijn kennen of
willen, Hij blijft die Hij is eeuwiglijk. Elke verandering is Gode vreemd.
Er is in Hem geen verandering van tijd, want Hij is eeuwig; noch van
plaats want Hij is alomtegenwoordig; noch ook van wezen want Hij is
louter zijn. De christelijke theologie drukte dit laatste ook menigmaal
uit door den term purus actus. Aristoteles had zoo het wezen Gods
opgevat, als πρωτον εἰδος zonder eenige δυναμις, als absolute ἐνεργεια.
De scholastiek ging daarom van God spreken als actus purissimus et
simplicissimus, om aan te duiden, dat Hij het volmaakte, absolute zijn
is zonder eenige potentia tot niet-zijn of tot anders-zijn. Zoo zegt
Boethius, de cons. philos. lib. III, dat God niet verandert van wezen
(forma), quia purus actus est, cf. Thomas, S. Theol. I qu. 3. Daarom
werd ook de uitdrukking causa sui van God vermeden. De idee van het
absolute worden is het eerst door Heraclitus duidelijk uitgesproken en
daarna telkens in de philosophie teruggekeerd. Vooral Plotinus maakt
van dit begrip gebruik, niet alleen in toepassing op de materie,
maar ook op datgene, wat hij voor het absolute zijn houdt. Hij leert
aangaande God, dat Hij zijn eigen zijn heeft voortgebracht, dat Hij
werkzaam was eer Hij was, Thilo, Kurze pragm. Gesch. d. Philos. I 352
f. Nu sprak de christelijke theologie wel van God dat Hij was een ens
a se, en dus van zijne aseitas. En ook bezigden Lactantius, Synesius
en Hieronymus de uitdrukking causa sui; de laatste schreef: Deus
qui semper est nec habet aliunde principium et ipse sui origo est
suaeque causa substantiae, non potest intelligi aliunde habere quod
subsistit, Comm. ad Eph. cap. 3:15. Maar deze uitdrukking werd toch
altoos zoo verstaan, dat God wel van zichzelf bestond maar niet dat Hij
van zichzelf geworden en voortgebracht was, Klee, Kath. Dogm. II 43.
Toen later Cartesius aan den wil Gods den voorrang toekende boven het
verstand en de essentia aller dingen van dien wil liet afhangen, ja
zelfs Gods bestaan een product liet zijn van zijn wil, zoodat hij zeide,
Deus se revera conservat, God is causa sui en a se, niet in negatieven
maar in positieven zin, God is causa efficiens sui ipsius, Hij heeft het
zijn a reali potentiae immensitate, Resp. ad primas objectiones p. 57,
58; toen namen wel enkele volgelingen deze uitdrukking over, zooals
bijv. Burmannus, Synopsis theol. I c. 15 § 2, maar de Geref. theologen
wilden de uitdrukking causa sui, existentia a se niet anders opgevat
hebben dan in zuiver negatieven zin, Ryssenius, De oude rechtsinnige
waerheyt enz. Middelb. z.j. bl. 24. Mastricht Theol. theor. pract.
II c. 3 § 22. Moor, I 590 sq. Eene causa sui in positieven zin is
niet mogelijk, omdat eene zelfde zaak dan op hetzelfde oogenblik zou
gezegd worden te bestaan, voorzoover zij zichzelve voortbrengt en
niet te bestaan, voor zooverre zij voortgebracht wordt. Nu is het
te begrijpen, dat de monistische philosophie tot deze idee van het
absolute worden de toevlucht heeft genomen, om althans een schijn van
verklaring der werkelijkheid te geven. Maar Herbart heeft deze idee
terecht aan eene scherpe kritiek onderworpen, en zijne aanhangers Thilo,
Die Wissenschaftlichkeit der mod. Theol. S. 25 en Flügel, Die spekul.
Theol. in der Gegenwart 1888 S. 201. f., Die Probleme der Philos. und
ihre Lösungen 1888 S. 10 f. hebben niet zonder reden hun verwondering
erover te kennen gegeven, dat deze idee in de speculatieve theologie
zulk een opgang heeft gemaakt. Er is toch in de theologie, met
toepassing op het Goddelijk wezen, niets mede aan te vangen. Niet alleen
de Schrift getuigt dat er in God geen verandering is noch schaduw van
omkeering, maar het denken leidt tot dezelfde slotsom. Bij het worden
moet naar eene oorzaak gevraagd worden, want er is geen worden zonder
oorzaak. Maar het zijn, in absoluten zin, laat de vraag naar eene
oorzaak niet meer toe. Het absolute zijn is, wijl het is. De Godsidee
brengt de onveranderlijkheid vanzelve mee. Er is geene vermeerdering
of vermindering in Hem denkbaar. Hij kan niet veranderen ten goede of
ten kwade. Want Hij is het volstrekte, volmaakte, waarachtige zijn. Het
worden is eigen aan het schepsel en is een vorm van verandering in
ruimte en tijd. Maar God is, die Hij is, eeuwiglijk, boven ruimte en tijd,
boven al het schepsel verre verheven. Hij rust in zichzelf en is daarom
het doel en het rustpunt van alle schepselen, de rotssteen des heils,
wiens werk volkomen is. Wie Gode verandering toekent, van wezen, kennis
of wil, komt al zijne deugden, de afhankelijkheid, de eenvoudigheid,
de eeuwigheid, de alwetendheid, de almacht te na. Hij berooft God van
zijne Goddelijke natuur en de religie van haar vasten grond en zekeren
troost. Toch is deze onveranderlijkheid geen monotone eenheid, geen
star onbewegelijk zijn. De Schrift zelve gaat ons voor, om ons God te
beschrijven in de menigvuldigste relatiën tot al zijne schepselen.
Onveranderlijk in zichzelven, leeft Hij toch als het ware het leven zijner
schepselen mede en neemt in hunne wisselingen deel. De Schrift spreekt
van God op menschelijke wijze en kan niet anders. Maar hoe menschelijk
zij spreke, zij verbiedt ons tegelijkertijd, om eenige verandering in God
zelven te stellen. Er is verandering om Hem heen en buiten Hem, er is
verandering in de relatie tot Hem, maar er is geen verandering in God
zelven. En hierin bestaat juist de onbegrijpelijke grootheid Gods en
tevens de heerlijkheid der christelijke belijdenis, dat God onveranderlijk
in zichzelf, toch veranderlijke schepselen in het aanzijn roepen kan; dat
Hij eeuwig in zichzelf, toch in den tijd kan ingaan; dat Hij onmetelijk
in zichzelf toch ieder punt der ruimte met zijn wezen doordringen kan;
dat Hij die het absolute zijn is, toch ook aan het wordend schepsel eene
eigene plaatse schenken kan. In de eeuwigheid Gods is geen moment des
tijds, in zijne onmetelijkheid geen punt der ruimte, in zijn zijn geen
element des wordens te ontdekken. Maar omgekeerd is het God, die het
schepsel, is het de eeuwigheid die den tijd, is het de onmetelijkheid die
de ruimte, is het het zijn dat het worden, is het de onveranderlijkheid
die de verandering poneert. Een overgang tusschen beide is er niet; er
is een diepe klove tusschen het zijn Gods en het zijn van alle creatuur.
Het is Goddelijke grootheid, dat Hij neerdalen kan tot het schepsel; dat
Hij, transcendent, toch immanent wonen kan in al het geschapene; dat
Hij, zichzelf behoudende, zich zelf kan geven en, zijne onveranderlijkheid
absoluut handhavende, toch in een oneindig aantal relatiën treden kan
tot zijne schepselen. Met verscheidene voorbeelden trachtte men dit op
te helderen. De zon blijft dezelfde, hetzij ze verschroeit of verwarmt,
pijn doet of verkwikt (Augustinus). Een geldstuk verandert niet, al
wordt het nu eens een prijs en dan een pand genoemd (id.). Eene zuil
blijft staan, hetzij iemand ze nu eens aan zijne rechter-, dan aan zijne
linkerhand ziet (Thomas). Een kunstenaar verandert niet, als hij zijne
conceptie in woord of toon, in stem of kleur gestalte geeft, en een
geleerde niet, als hij zijne gedachten neerlegt in een boek. Al deze
vergelijkingen gaan mank, maar ze geven toch eenig denkbeeld, hoe iets,
in wezen gelijkblijvend, in relatie veranderen kan. Bij God geldt dit nu
nog zooveel te meer, wijl Hij, de onveranderlijke, zelf de eenige oorzaak
is van al wat verandert. Hij stelt zich niet in relatie tot eenig
schepsel, alsof dit ook maar eenigszins bestaan zou zonder Hem, maar Hij
stelt zelf alle dingen in die relaties tot zichzelf, welke Hij eeuwiglijk
en onveranderlijk wil en juist zoo, op die wijze en in dat moment
des tijds, waarin zij werkelijk plaats grijpen. Elk prius en posterius
valt niet in God, maar in rebus prius non existentibus et posterius
existentibus, Aug. de civ. XII 17. Het is het onveranderlijke zijn zelf,
dat het veranderende worden met een geheel eigene orde en wet buiten
zich plaatst en als voor zichzelf ten tooneele voert.
3. De onveranderlijkheid Gods heet eeuwigheid ten opzichte van den
tijd en alomtegenwoordigheid ten opzichte van de ruimte. Beide werden
wel onder den naam infinitas Dei samengevat. Het begrip oneindigheid
is echter op zichzelf onduidelijk. Vooreerst kan het negatief worden
opgevat in den zin van eindeloos. Iets heet dan oneindig, omdat het
feitelijk geen einde heeft maar toch wel hebben kan. Dikwerf is in
de philosophie God in dezen zin oneindig genoemd. Het neoplatonisme
vatte God in dezen zin op als zonder grens en gestalte, zonder eenige
bepaaldheid, οὐ πεπερασμενος, ὁρος οἰκ ἐχων, ἀπειρος enz., eene
overloopende volheid, waaruit de wereld is geemaneerd, Zeller, Philos.
d. Gr. V 485 f. 497. In denzelfden zin sprak de kabbala van God als
אֵין טוֹף, den oneindige, zonder grens en vorm, maar die in de
tien sefiroth een overgang schiep van het oneindige tot het eindige,
Frank, La Kabbale 179. Later heeft de philosophie van Spinoza aan
dit begrip der oneindigheid Gods ingang verschaft. De substantie,
God, is bij Spinoza geen eigen, van de wereld onderscheiden zijn; zij is
datgene wat in de schepselen de realiteit uitmaakt, en daarom van zelf
oneindig, ens absolute infinitum, Eth. I prop. 8. Alle determinatie
is daarom negatie, eene berooving, een gebrek aan existentie, Epist.
50 en 41, God is echter van alle beperking en begrenzing vrij, Hij is
substantia non determinata. Uitgebreidheid is een van zijne attributen.
Bij Hegel kreeg het begrip der oneindigheid nog weer eene andere
beteekenis, omdat hij de substantie van Spinoza opvatte niet als een
eeuwig onveranderlijk zijn maar als een absoluut worden. God heette
dus oneindig, omdat Hij alles worden kon, ongeveer op dezelfde wijze
als het ἀπειρον van Anaximander, dat zelf onbepaald is maar allerlei
dingen voortbrengen kan. De fout dezer opvatting bestaat hierin, dat
het alleralgemeenste, hetwelk het verstand door abstractie uit het
eindige zijn verkrijgt, met het oneindige vereenzelvigd wordt. Want het
was juist het streven van de identiteitsphilosophie, om het bijzondere
uit het algemeene, het bepaalde uit het onbepaalde, het eindige uit
het eindelooze door een proces te laten voortkomen. God is an sich
infinitus potentiâ, Hij wordt finitus, persoonlijk, bewust, bepaald in
de schepselen als zijne openbaring. Maar deze opvatting is onhoudbaar.
Oneindig is geen negatief maar een positief begrip; het duidt niet aan,
dat God geen eigen, van de schepselen onderscheiden wezen is maar dat
Hij door niets eindigs en creatuurlijks beperkt wordt. Nu kan natuurlijk
op verschillende wijze aan God zulk eene creatuurlijke begrenzing worden
ontzegd. Bedoelt men, dat God non tempore finiri potest, dan valt
infinitas met aeternitas saam. Wil men te kennen geven, dat God non
loco finiri potest, dan is infinitas hetzelfde als omnipraesentia.
En zoo wordt de infinitas Dei ook dikwerf omschreven, Polanus, Synt.
theol. II c. 10. 11. Zanchius, Op. II 90. Maar infinitas kan ook in
dezen zin worden verstaan, dat God oneindig is in zijne deugden, dat
elke deugd in Hem op absolute wijze aanwezig is; dan is infinitas
zooveel als perfectio, Thomas, S. Theol. I qu. 7. Maar ook dan moet de
oneindigheid Gods goed worden verstaan. De oneindigheid Gods is geen
infinitas magnitudinis, zooals soms gesproken wordt van de oneindige
of eindelooze grootte der wereld, want God is geen lichaam en heeft
geen uitgebreidheid. Zij is ook geen infinitas multitudinis, gelijk de
mathesis spreekt van oneindig klein en oneindig groot, want God is één
en eenvoudig. Maar zij is eene infinitas essentiae. God is oneindig naar
zijn wezen, absoluut volmaakt, oneindig in intensieven, qualitatieven,
positieven zin. Maar zoo valt de oneindigheid Gods geheel met de
volmaaktheid saam, en behoeft ze niet afzonderlijk besproken te worden.
Oneindigheid in den zin van niet-bepaald-zijn door tijd is de eeuwigheid
Gods. In de Schrift is nergens van een begin of een einde van Gods
bestaan sprake. Ofschoon Hij dikwerf zeer levendig als ingaande in den
tijd wordt voorgesteld, Hij is toch daarboven verheven. Hij is de Eerste
en de Laatste, Jes. 41:4, Op. 1:8, bestaande vóór de wereld, Gen. 1:1,
Joh. 1:1, 17:5, 24, en blijvende ondanks alle verandering, Ps. 102:27,
28. Hij is God van eeuwigheid tot eeuwigheid, Ps. 90:2, 93:2. Er is
geen onderzoeking van het getal zijner jaren, Job 36:26. Duizend jaren
zijn voor Hem even weinig als voor ons de dag van gisteren, Ps. 90:4,
2 Petr. 3:8. Hij is de eeuwige God, Jes. 40:28, Rom. 16:26, wonende in
de eeuwigheid, Jes. 57:15, levende in eeuwigheid, Deut. 32:40, Op.
10:6, 15:7, die zweert bij zijn leven, Num. 14:21, 28, de θεος ζων και
μενων, 1 Petr. 1:23, onverderfelijk, Rom. 1:23, onsterfelijk, 1 Tim.
6:16, die is en was en wezen zal, Ex. 3:14, Op. 1:4, 8. Zeer zeker
spreekt de Schrift ook hier van God op menschelijke wijze, en van de
eeuwigheid in de vormen van den tijd, maar ze duidt toch tevens duidelijk
aan, dat God boven den tijd verheven en niet naar dezen maatstaf te
meten of te bepalen is. Het deisme van vroeger en later tijd echter
verstaat onder de eeuwigheid een naar voren en naar achteren eindeloos
verlengden tijd; het verschil tusschen tijd en eeuwigheid ligt alleen in
de quantiteit, niet in de qualiteit; het is gradueel, niet essentieel.
Het onderscheid ligt niet daarin, dat in de eeuwigheid geen successie
is van oogenblikken, maar dat ze zonder begin en einde is. Verleden,
heden en toekomst zijn er niet alleen voor den mensch, maar zijn er ook
voor en in God. Zoo leerden de Socinianen, Socinus, Prael. theol. c.
8. Crell, De Deo et ejus attributis c. 18. Catech. Racov. qu. 60, cf.
Fock, Der Socinianismus S. 427 f.; evenzoo Reinhard, Dogm. S. 106.
Wegscheider, Instit. theol. § 63. Dorner, Glaub. I 132. Ges. Schriften
322 enz. Van de andere zijde wordt eeuwigheid en tijd evenzoo vermengd
door het pantheisme. God en wereld verhouden zich hier als natura
naturans en natura naturata, Spinoza, Eth. I prop. 29. De eeuwigheid is
niet essentieel onderscheiden van den tijd, maar is de substantie, de
immanente oorzaak van den tijd, en deze is de modus, het accidens der
eeuwigheid, gelijk de golfslag de verschijningsvorm is van den oceaan;
God zelf wordt neergetrokken in den stroom van den tijd en komt eerst
in den tijd tot zijn volle realiteit, Spinoza, Cog. Metaph. I c. 4. II
c. 1. Hegel, Encycl. der philos. Wiss. § 257 f. Hartmann, Philos. des
Unbew. I⁹ S. 281 f. 298 f. Biedermann, Dogm. II 518 f. Strauss sprak
het in zijne Glaub. I 562 duidelijk uit: Ewigkeit und Zeit verhalten sich
wie die Substanz und ihre Accidentien. En Schleiermacher omschreef de
eeuwigheid Gods voorzichtig als seine mit allem Zeitlichen auch die
Zeit selbst bedingende schlechthin zeitlose Ursächlichkeit Gottes. Nu
heeft de christelijke theologie ook bij deze volmaaktheid Gods beide het
deisme en het pantheisme te vermijden. Natuurlijk ligt het onderscheid
tusschen eeuwigheid en tijd ook wel daarin, dat deze een begin en einde
heeft of althans hebben kan en gene niet. Maar daarin gaat toch heel
het verschil niet op. Er zijn drie notae van het begrip eeuwigheid,
nl. dat ze uitsluit principium, finem en ook successionem. God is
ἀγεννητος, ἀφθαρτος maar ook immutabilis, Petavius, de Deo III c. 3
§ 6. Er is tusschen eeuwigheid en tijd een onderscheid niet alleen in
quantiteit en graad, maar ook in qualiteit en wezen. Immers, reeds
Aristoteles merkte op, dat tijd wel niet één was maar toch in het
nauwste verband stond met beweging, met het worden, d. i. met den
overgang van potentia tot actus, ofschoon hij meende, dat eene beweging
in de wereld zonder begin denkbaar was. Augustinus drukte dit op
andere wijze aldus uit, dat er slechts tijd is, waar het tegenwoordige
verleden, en het toekomstige tegenwoordig wordt. Quid est ergo tempus?
Si nemo ex me quaerat, scio; si quaerenti explicare velim, nescio;
fidenter tamen dico, scire me. Quod si nihil praeteriret, non esset
praeteritum tempus, et si nihil adveniret, non esset futurum tempus,
et si nihil esset, non esset praesens tempus, Conf. XI 14. Tijd is geen
substantie naast andere, geen reale quid, maar een bestaansvorm van
de dingen. Als er geen schepselen waren, zou er geen tijd zijn. De tijd
begon a creatura, veel meer dan creatura coepit a tempore, Aug., de
Gen. ad litt. V 5, de civ. XI, 6. Andererzijds is de tijd ook maar niet
een subjectieve vorm der waarneming, gelijk Kant meende, Kr. d. r. V.
81 f. Wel ligt ook hier waarheid in en Augustinus beredeneerde, dat er
inderdaad, om den tijd te meten en te berekenen, een denkende geest van
noode is, die het verledene door de herinnering vasthoudt, in het heden
staat, en de toekomst verwacht, en die inzoover de tijden in zichzelven
meet, Conf. XI, 23-28. Daarmede ontkende echter Augustinus niet, dat er
geen meetbare en deelbare beweging der dingen zou zijn, wanneer er geen
denkende geest ware, die haar telde en mat. Maar er dient tusschen uit-
en inwendigen tijd, tempus extrinsecum en intrinsecum, onderscheiden te
worden. Onder uitwendigen tijd verstaan we den maatstaf, waarnaar we
de beweging meten. Deze is in zekeren zin toevallig en willekeurig.
Wij ontleenen hem aan de beweging der hemellichamen, welke constant en
allen menschen bekend is, Gen. 1:14 v. Deze tijd zal eenmaal ophouden,
Op. 10:6, 21:23 v. Maar iets anders is het met den inwendigen tijd.
Deze is die bestaansvorm der dingen, waardoor ze een verleden, heden
en toekomst en alzoo deelen hebben, die, naar welken maatstaf dan ook,
gemeten of geteld kunnen worden. Wat nu gemeten of geteld kan worden,
is aan maat en getal onderworpen en daardoor begrensd; want er is altijd
nog een maat en getal, grooter dan het gemetene of getelde. Het wezen
van den tijd ligt dus niet daarin, dat hij a parte ante en a parte post
eindig of eindeloos is, maar daarin dat hij successie van oogenblikken
bevat, dat er een vroeger, een nu en een later in is. Maar daaruit
vloeit voort, dat de tijd, tempus intrinsecum, de bestaansvorm van al
het geschapene, en aan al het eindige wezenlijk eigen is. Wie tijd zegt,
zegt beweging, verandering, meetbaarheid, telbaarheid, beperktheid,
eindigheid, schepsel. Tijd is de duur van het creatuurlijke zijn; tempus
est mensura motus in re mobili. Maar daarom kan in God geen tijd vallen.
Hij is die Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Er is in Hem geen
verandering noch schaduw van omkeering. Hij is geen worden maar een
eeuwig zijn. Hij heeft geen begin en geen einde, maar ook geen vroeger
en later. Hij kan niet gemeten noch geteld worden in zijn duur. Duizend
jaren zijn voor Hem als één dag. Hij is de eeuwige ἐγω εἰμι, Joh. 8:58.
De eeuwigheid Gods is dus veeleer te denken als een eeuwig heden,
zonder verleden of toekomst. Omne praesens est apud Deum. Hodiernus
tuus (dies est) aeternitas. Aeternitas ipsa Dei substantia est, quae
nihil habet mutabile, Aug. Conf. XI 10-13. de vera relig. c. 49.
Boethius omschreef de eeuwigheid Gods daardoor, dat Hij interminabilis
vitae plenitudinem totam pariter comprehendit ac possidet, de cons.
philos. V, en Thomas als interminabilis vitae tota simul et perfecta
possessio, S. Theol. I qu. 10 art. 1. En zoo spreken alle theologen,
Tertull. adv. Marc. I 8. Greg. Nyss. adv. Eunomium I. Greg. Naz. orat.
38, 11. Dionysius, de div. nom. c. 5 § 4. Anselmus, Monol. c. 18-24.
Prosl. c. 18. Lombardus, Sent. I dist. 8, 2. Thomas, S. Theol. I qu.
10. Petavius, de Deo III c. 3-6. Gerhard, Loci II c. 8. Zanchius, Op.
II 73-77. Alting, Theol. problem. loc. 3 probl. 20 enz. Toch mag de
eeuwigheid Gods daarom niet gedacht worden als een eeuwig stilstaand,
onbewegelijk tijdsmoment. Maar zij is met Gods wezen één, en dus eene
volheid van zijn. God is niet alleen eeuwig, maar Hij is zelf sua
aeternitas, Thomas, S. Theol. I qu 10 art. 2. Zij heeft hare analogie
niet in het inhoudlooze zijn van den mensch, voor wien door ledigheid of
verveling, door smart of angst de minuten zich rekken tot uren en de
dagen niet gaan maar kruipen, maar veeleer in het rijke, volle leven van
dien mensch, voor wien door arbeid en genot de tijd als het ware niet
bestaat, en de uren en dagen omvliegen. Daarom ligt er waarheid in de
bewering, dat er in de hel geen eeuwigheid, maar enkel tijd is, Thomas,
S. Theol. I. qu. 10 art. 3 ad 3, en dat een schepsel te meer het
onvolkomene in den tijd verliest en de eeuwigheid nadert, als het Gode
verwant en zijn beeld is, ib art. 4 en 5. Daarom staat de eeuwigheid
Gods ook niet abstract en transcendent boven den tijd, maar is in ieder
tijdsmoment aanwezig en immanent. Er is essentieel onderscheid tusschen
eeuwigheid en tijd, maar er is toch ook analogie en verwantschap, zoodat
gene in dezen inwonen en werken kan. De tijd is met de dingen geschapen,
hij heeft geen oorsprong in zichzelf; een eeuwige tijd, een tijd zonder
begin is ondenkbaar. God, de eeuwige, is de eenige absolute oorzaak
van den tijd. Maar die tijd heeft ook geen bestand in zichzelven, hij is
een voortdurend worden en moet rusten in een onveranderlijk zijn. Het
is God, die met zijne eeuwige kracht den tijd in zijn geheel en in ieder
oogenblik draagt. God doordringt den tijd en ieder tijdsmoment met zijne
eeuwigheid. In iedere seconde klopt de polsslag der eeuwigheid. God
staat dus in relatie tot den tijd. Hij gaat met zijne eeuwigheid in in den
tijd. De tijd is ook objectief voor Hem. Hij kent in zijn eeuwig bewustzijn
den ganschen tijd en de successie van al zijne oogenblikken. Hij zelf
wordt daardoor niet tijdelijk, niet aan tijd, maat, getal onderworpen; Hij
blijft eeuwig en woont in de eeuwigheid. Maar Hij gebruikt den tijd, om
daarin zijne eeuwige gedachten en deugden tot openbaring te brengen; Hij
maakt den tijd aan de eeuwigheid dienstbaar en bewijst zich alzoo te zijn
de βασιλευς των αἰωνων, Rex seculorum, 1 Tim. 1:17.
4. De oneindigheid als het niet beperkt zijn door ruimte is de
alomtegenwoordigheid Gods. Ook deze wordt in de H. Schrift op zeer
levendige wijze beschreven. God is de Schepper, en al het bestaande is
en blijft het zijne in absoluten zin. Hij is de Heer, de Bezitter van
hemel en aarde, Gen. 14:19, 22, Deut. 10:14, en is boven alle schepsel,
ook boven plaats en ruimte verheven. Hemel en aarde bevatten Hem niet,
veel minder een aardsche tempel, 1 Kon. 8:27, 2 Chron. 2:6, Jes. 66:1,
Hd. 7:48. Toch is Hij ook door de ruimte niet buitengesloten. Hij vervult
den hemel en de aarde; niemand kan zich voor zijn aangezicht verbergen;
Hij is een God van verre en van nabij, Jer. 23:23, 24, Ps. 139:7-10, Hd.
17:27, ἐν αὐτῳ γαρ ζωμεν και κιυουμεθα και ἐσμεν, Hd. 17:28. Zelfs is
Hij op verschillende plaatsen der schepping in verschillende mate en
wijze tegenwoordig. Heel de Schrift gaat uit van de gedachte, dat de
hemel, die toch ook geschapen is, sedert zijn bestaan in bijzonderen zin
Gods woning en troon is, Deut. 26:15, 2 Sam. 22:7, 1 Kon. 8:32, Ps.
11:4, 33:13, 115:3, 16, Jes. 63:15, Mt. 5:34, 6:9, Joh. 14:2, Ef. 1:20,
Hebr. 1:3, Op. 4:1 v. enz. Maar vandaar daalt Hij neder, Gen. 11:5, 7,
18:21, Es. 3:8, wandelt in den hof, Gen. 3:8, verschijnt telkens en op
bepaalde plaatsen, Gen. 12, 15, 18, 19, enz., komt vooral tot zijn volk
neder op den berg Sinai, Ex. 19:9, 11, 18, 20, Deut. 33:2, Richt. 5:4.
Terwijl Hij de Heidenen wandelen laat in hunne wegen, Hd. 14:16, woont
Hij op eene bijzondere wijze onder zijn volk Israel, Ex. 19:6, 25:8, Deut.
7:6, 14:2, 26:19, Jer. 11:4, Ezech. 11:20, 37:27, in het land Kanaan,
Richt. 11:24, 1 Sam. 26:19, 2 Sam. 14:16, 2 Kon. 1:3, 16, 5:17, in
Jeruzalem, Ex. 20:24, Deut. 12:11, 14:23 enz., 2 Kon. 21:7, 1 Chron.
23:25, 2 Chr. 6:6, Ezra 1:3, 5:16, 7:15, Ps. 135:21, Jes. 24:23, Jer.
3:17, Joël 3:16 enz., Mt. 5:34, Op. 21:10, in den tabernakel en in
den tempel op Zion, die zijn huis wordt genoemd, Ex. 40:34, 35, 1 Kon.
8:10, 11:2, 2 Chr. 5:14, Ps. 9:12, Jes. 8:18, Mt. 23:21, boven de ark
tusschen cherubim, 1 Sam. 4:4, 2 Sam. 6:2, 2 Kon. 19:15, 1 Chron. 13:6,
Ps. 80:2, 99:1, Jes. 37:16. Maar de profeten waarschuwen telkens tegen
een vleeschelijk vertrouwen op dit wonen Gods in het midden van Israel,
Jes. 48:1, 2, Jer. 3:16, 7:4, 14, 27:16. Want de Heere is verre van de
goddeloozen, Ps. 11:5, 37:10 v., 50:16 v., 145:20, maar zijn aangezicht
aanschouwt den oprechte, Ps. 11:7. Hij woont bij dien, die eens
verbrijzelden en nederigen geestes is, Jes. 57:15, Ps. 51:19. Als Israel
Hem verlaat, dan komt Hij weder tot hen in Christus, in wien de volheid
der Godheid lichamelijk woont, Col. 2:9. Door Hem en door den Geest dien
Hij zendt, woont Hij in de gemeente als in zijnen tempel. Joh. 14:23, Rom.
8:9, 11, 1 Cor. 3:16, 6:19, Ef. 2:21, 3:17, totdat Hij eenmaal bij zijn
volk wonen en alles in allen zal zijn, 1 Cor. 15:28, Op. 21:3. In het
polytheisme, gnosticisme en manichaeisme kon deze alomtegenwoordigheid
Gods niet worden erkend. Maar ook in de christelijke kerk waren er
velen, die wel van eene omnipraesentia van Gods macht maar niet van
zijn wezen wilden weten. De anthropomorphieten konden God niet denken
zonder eene bepaalde gestalte en plaats. Om God voor vermenging met de
stoffelijke substantie en de onreinheid der wereld te bewaren, gingen
sommige kerkvaders tegenover de Stoa zoover van te beweren, dat God
πορρω κατ’ οἰσιαν, ἐγγυτατω δε δυναμει was, Clemens Alex. Strom. II
c. 2, dat Hij in den hemel woonde, gelijk de menschelijke geest in het
hoofd, Lactantius, de opif. Dei c. 16. Inst. div. VIII 3. Maar dezen
ontkenden daarmede toch niet de wezenlijke tegenwoordigheid Gods aan
alle plaats. Eerst later werd deze beslist ontkend en bestreden door
Augustinus Steuchus, bisschop van Eugubium † 1550 in zijn commentaar
op Ps. 138 en voorts door Crell, de Deo ejusque attributis c. 27, die
wel eene omnipraesentia operativa maar niet essentialis aannamen en
deze laatste tot den hemel beperkten. Het remonstrantisme liet zich
voorzichtig uit, noemde de kwestie van minder belang en onthield zich
liefst van beslissing evenals bij de eeuwigheid Gods, Episcopius, Inst.
theol. IV, 2, 13. Limborch, Theol. Christ. II, 6. Ook Coccejus werd
beschuldigd, dat hij onder de alomtegenwoordigheid Gods alleen verstond
de efficacissima Dei voluntas omnia sustentans ac gubernans, maar
verdedigde zich daartegen in een paar brieven aan Anslar en Alting,
Opera VIII p. 137 sq. epist. 169, 170, 176. De Cartesianen zeiden,
dat God alomtegenwoordig was niet door uitbreiding van zijn wezen maar
door eene eenvoudige daad van zijn denken of door eene krachtige daad
van zijn wil, welke met zijn wezen één waren, en ontkende, dat er een
ubi aan God kon toegeschreven worden, Burmannus, Synopsis I, 26, 6.
Wittichius, Theol. pacifica c. 14. Nog verder ging het rationalisme,
dat Gods wezenstegenwoordigheid tot den hemel beperkte en deistisch van
de wereld scheidde, Reinhard, Vorles. S. 106, 120. Wegscheider, Instit.
§ 63. Het deisme kwam tot deze beperking der alomtegenwoordigheid
Gods uit vrees voor de pantheistische vermenging van God en wereld
en voor de bezoedeling van het Goddelijk wezen met de zedelijke en
stoffelijke onreinheid der geschapene dingen. Inderdaad is die vrees
ook niet denkbeeldig. De Stoa leerde reeds, dat de Godheid als vuur,
aether, lucht, adem alle dingen, ook de slechte en leelijke doordringt,
Zeller IV 138. Spinoza sprak van de substantia als corporea, Eth. I
prop. 15, noemde God eene res extensa, ib. II prop. 2 en leerde eene
tegenwoordigheid Gods, die met het zijn der wereld samenvalt, Cog.
metaph. II c. 3. Bij Hegel, Werke XI 268 is Gods alomtegenwoordigheid
identisch met zijne absolute substantialiteit. Op deze lijn ligt ook de
omschrijving der alomtegenwoordigheid Gods door Schleiermacher als die
mit allem Räumlichen auch den Raum bedingende schlechthin raumlose
Ursächlichkeit Gottes, Gl. § 53. Evenzoo zegt Biedermann, Chr. Dogm.
§ 702, dat het reine In-sich-sein Gottes zuivere tegenstelling is van
alle ruimte en plaats en in zoover transcendent is, maar dat God als
grond der wereld haar immanent is en dat dit Grundsein zijn zijn zelf is,
cf. ook Scholten, Initia p. 124.
De christelijke theologie heeft ook hier wederom het deisme en het
pantheisme vermeden. Immers, de Schrift leerde duidelijk, dat God boven
ruimte en plaats verheven is en daardoor niet bepaald of besloten kan
worden, 1 Kon. 8:27, 2 Chron. 2:6, Jer. 23:24. Zelfs waar de Schrift
menschelijk spreekt en, om ons een denkbeeld van het zijn Gods te geven,
de ruimte als het ware oneindig vergroot, Jes. 66:1, Ps. 139:7, Am.
9:2, Hd. 17:24, ligt daaraan toch de gedachte ten grondslag, dat God
buiten alle perken der ruimte staat. Er is dan ook, evenals tusschen
eeuwigheid en tijd, zoo tusschen de immensitas Dei en de ruimte een
essentieel onderscheid. Ruimte of plaats werd door Aristoteles
omschreven als de onbewegelijke grens van een omgevend of omsluitend
iets, το του περιεχονυος περας ἀκινητον, Phys. IV c. 5. Deze definitie
gaat echter uit van een te uitwendig begrip van ruimte. Want zeer zeker
is ruimte de afstand van een bepaald voorwerp tot andere vaste punten.
Maar ook indien wij ons slechts één enkel eenvoudig voorwerp denken,
zou daaraan toch ruimte en plaats toekomen wegens de verhouding tot
denkbeeldige punten, die wij in de gedachte konden aannemen. Ruimte en
plaats is daarom een eigenschap van al het eindige zijn en is met het
eindige als zoodanig vanzelf gegeven. Een eindig zijnde bestaat vanzelf
in ruimte. Zijne beperktheid brengt het begrip van een ubi mede. Het
is altijd ergens en niet tegelijk op eene andere plaats. Afgedacht van
allen meetbaren afstand tot andere punten (locus extrinsecus), is een
locus intrinsecus aan alle schepselen eigen. Ook geestelijke wezens
zijn daarvan niet uitgezonderd. In eene andere bedeeling kunnen de
afstanden gansch anders zijn, dan wij ze hier op aarde kennen, gelijk
nu stoom en electriciteit daarin voor ons besef reeds eene groote
verandering hebben gebracht. Maar het beperkte, plaatselijke zijn
blijft aan alle schepselen eigen. Ruimte is daarom niet een vorm der
waarneming, gelijk Kant beweerde, maar eene bestaanswijze van al het
geschapene. En nog veel minder juist is het, dat ruimte een vorm der
uitwendige, tijd een vorm der inwendige waarneming zou zijn, en alzoo
de voorstelling der ruimte alleen van de lichamelijke en die van tijd
alleen van de geestelijke wereld gelden zou. Beide, tijd en ruimte, zijn
innerlijke bestaanswijzen van al het eindige zijn. Maar daaruit volgt, dat
evenals de tijd, zoo ook de ruimte van God, den Oneindige, niet gelden
kan. Hij is transcendent boven alle ruimte verheven. Reeds Philo en
Plotinus spraken in dezen zin, Zeller, V 354, 483, en de christelijke
theologie zeide eveneens, dat God παντα χωρων, μονος δε ἀχωρητος was,
Hermas, Pastor mand. 1. Iren., adv. haer. II 1. IV 19. Clemens Alex.
Strom. VII c. 7. Orig., c. Cels. VII 34. Athanasius, de decr. Nic.
Syn. c. 11. Greg. Naz. Orat. 34. Damascenus, de fide orthod. I 9.
Augustinus meende vroeger in zijne manicheesche periode, dat God evenals
een fijne aether door de gansche wereld en door de eindelooze ruimte
heen verspreid was, Conf. VII 1. Maar later zag hij het anders in. God
is boven alle ruimte en plaats verheven. Hij is niet ergens en toch
vervult Hij hemel en aarde; Hij is niet door de ruimte verspreid gelijk
het licht en de lucht, maar Hij is aan alle plaatsen met zijn gansche
wezen, ubique totus en nusquam locorum, Conf. VI 3. de civ. VII 30. Hij
wordt door geen ruimte of plaats besloten; en daarom ware het beter
te zeggen, dat alle dingen in Hem zijn dan dat Hij in de dingen is.
Maar toch is ook dit weer niet zoo te verstaan, alsof Hij de ruimte
ware, waarin zich de dingen bevonden, want Hij is geen locus. Gelijk de
ziel tota in toto corpore et in qualibet parte is, gelijk de eene en
zelfde waarheid allerwege wordt gekend, zoo bij wijze van vergelijking
is God in alle dingen en alle dingen in God, Enarr. in Ps. 74. En
deze gedachten van Augustinus keeren later bij alle theologen weer,
Anselmus, Monol. c. 20-23. Lombardus, Sent. I dist. 36 en 37. Thomas,
S. Theol. I qu. 8. S. c. Gent. III, 68. Sent. I dist. 37. Bonaventura,
Sent. I dist. 37. En Roomsche en Protestantsche theologen hebben er
niets wezenlijk nieuws aan toegevoegd. Petavius, de Deo III c. 7-10.
Gerhard, Loci I c. 8 sect. 8. Polanus, Synt. II c. 12. Zanchius, Op.
II col. 90-138 enz. Inderdaad kan ook van God geen ruimte en plaats
worden gepraediceerd. Ruimte is een bestaansvorm van het eindige zijn;
de immensitas is eene eigenschap van God alleen en aan geen enkel
schepsel eigen, ook niet aan de menschelijke natuur van Christus. Er
ligt allereerst in opgesloten, dat God buiten alle ruimte en plaats
is, en oneindig daarboven verheven. Deus sibi ipsi locus, αὐτος ἑαυτου
τοπος, Tert. adv. Prax. c. 5. Theophilus, ad Autol. II, 10. Damasc.
de fide orthod. I 13. Hij is in zichzelven, in se ipso ubique totus.
In dezen zin kan God evengoed gezegd worden nergens als ergens te
zijn (Philo, Plotinus). Want een ubi, een locus geldt van Hem niet.
De alomtegenwoordigheid Gods drukt niet alleen en zelfs niet in de
eerste plaats dit zijn van God in zichzelven uit, maar duidt vooral
eene bepaalde relatie Gods tot de ruimte aan, die met de wereld is
geschapen. Ook hier kunnen wij van God niet anders dan op grond van
de schepping spreken. De Schrift gewaagt zelfs van een gaan, komen,
wandelen, neerdalen Gods. Zij spreekt op menschelijke wijze en ook wij
komen daarboven niet uit. Difficile invenitur ubi sit, difficilius ubi
non sit, August. de quant. an. c. 34. Daarom is het nog niet onnut, cf.
bv. Lipsius Dogm. § 306. Hoekstra, Wijsg. Godsd. II 121-128, onszelven
bij iedere eigenschap te herinneren, dat wij alzoo menschelijk van God
spreken. Juist het besef, dat God door geen tijd of ruimte gemeten
wordt, al is dit zuiver negatief, bewaart er ons voor om God van zijne
verhevenheid boven alle schepsel te berooven. In de negatie ligt toch
weer een sterke positie. De relatie Gods tot de ruimte kan niet daarin
bestaan, dat Hij in de ruimte is en door haar omsloten wordt, gelijk
Uranos en Kronos machten waren boven Zeus. Want God is geen schepsel.
Si in aliquo loco esset, non esset Deus, August. Enarr. in Ps. 74.
Niet alleen is Hij geen lichaam, dat door de ruimte heen zich uitbreidt
en circumscriptive in de ruimte is, maar Hij is ook geen eindige,
geschapen geest, die altijd aan een ubi gebonden is en dus definitive
in de ruimte is. Ook kan de relatie niet van dien aard zijn, dat de
ruimte binnen Hem is en door Hem als de grootere, oneindige ruimte
omsloten wordt, gelijk sommigen God vroeger wel noemden τοπος των ὁλων,
en Weisse, Philos. Dogm. I § 492 f. van de oneindige ruimte spreekt
als Gode immanent. Want ruimte is uiteraard een bestaansvorm van het
eindige schepsel en geldt van God, den Oneindige, niet. Maar God is
zoo in de ruimte, dat Hij, als de Oneindige bestaande in zichzelven,
toch repletive elk punt van de ruimte vervult en staande houdt door
zijne immensitas. Wel is hierbij het pantheisme te vermijden, dat Gods
wezen tot de substantie der dingen en daarbij ook het Goddelijk wezen
ruimtelijk maakt. Maar evenzeer is het deisme te weerstaan, dat God
wel per potentiam maar niet per essentiam et naturam alomtegenwoordig
laat zijn. Er is wezenlijk onderscheid, maar geen scheiding tusschen
God en het schepsel. Want elk deel des zijns en ieder punt der ruimte
heeft om te bestaan niets minder dan zijne immensitas van noode. De
deistische voorstelling alsof God in eene bepaalde plaats woont en
vandaar uit nu door zijne almacht alle ding regeert, is met het wezen
Gods in strijd. Zij ontkent eigenlijk al zijne deugden, zijne eenvoudigheid,
zijne onveranderlijkheid, zijne onafhankelijkheid; zij maakt God tot een
mensch en de schepping zelfstandig. Niet gelijk een koning in zijn rijk
of een kapitein op zijn schip, is God in zijne schepping tegenwoordig.
Zijne werkzaamheid is geen actio in distans. Maar Hij is, gelijk Gregorius
Magnus het uitdrukte, in alle dingen tegenwoordig, per essentiam,
praesentiam et potentiam; enter, praesenter Deus hic et ubique
potenter, zijne alomtegenwoordigheid is ἀδιαστασια, adessentia. Hij is in
de hel evengoed als in den hemel; in de goddeloozen zoowel als in de
vromen; in de plaatsen der onreinheid en der duisternis evengoed als in
de zalen des lichts. Want Hij wordt door die onreinheid niet bezoedeld,
omdat zijne essentia, ofschoon alomtegenwoordig, toch eene andere is
dan die der schepselen. Daarom zeide Anselmus, dat het eigenlijk beter
was te zeggen, dat God cum tempore et loco was dan in tempore et
loco, Monol. c. 22. Toch neemt dit niet weg, dat God in een anderen
zin weer op verschillende wijzen in de schepselen tegenwoordig is. Er
is onderscheid tusschen zijne physische en zijne ethische immanentie.
Ook menschen kunnen in natuurlijken zin vlak bij elkander zijn en toch
in sympathie en geestesrichting hemelsbreed van elkander verschillen,
Mt. 24:40, 41. De ziel is tegenwoordig in heel het lichaam en in alle
deelen, maar in elk daarvan op eigene wijze, in het hoofd anders dan
in het hart, en in de hand anders dan in den voet. Haec autem facit
atque agit unus verus Deus; sed sicut idem Deus, ubique totus, nullis
inclusus locis, nullis vinculis alligatus, in nullas partes sectilis,
ex nulla parte mutabilis, implens coelum et terram praesente potentia,
non indigente natura. Sic itaque administrat omnia quae creavit, ut
etiam ipsa proprios exercere et agere motus sinat. Quamvis enim nihil
esse possit sine ipso, non tamen sunt ulla quod ipse, Aug. de civ.
VII, 30. Gods immanentie is geen onbewuste emanatie, maar eene bewuste
praesentie van zijn wezen in alle schepselen. En daarom verschilt
die tegenwoordigheid Gods naar den aard dier schepselen. Zeker elk
wezen, ook het kleinste en geringste, ontstaat en bestaat alleen door
Goddelijke mogendheid. Er is niets minder dan het wezen Gods toe noodig,
om het geringste schepsel ontstaan en bestand te schenken. God woont
in alle schepselen maar niet in alle aequaliter, August. Epist. 187
c. 5 n. 16. Bonaventura, Sent. I dist. 37 pars 1 art. 3 qu. 1-2. Alle
dingen zijn wel in eo maar niet cum eo, Lomb. Sent. I dist. 37. God
woont in den hemel anders dan op de aarde, in de dieren anders dan in
de menschen, in de onbezielde schepselen anders dan in de bezielde, in
de goddeloozen anders dan in de vromen, in Christus anders dan in de
gemeente. De schepselen zijn andere, naarmate God op andere wijze in hen
inwoont. Aard en wezen der schepselen wordt bepaald door hunne relatie
tot God. Daarom openbaren zij alle God, maar in verschillende mate en
naar verschillende zijden. Bij den reine houdt Gij u rein, maar bij den
verkeerde bewijst Gij u een worstelaar, Ps. 18:27. In alle schepselen
is God aanwezig per essentiam, maar in niemand dan alleen in Christus
woont de volheid der Godheid lichamelijk. In Christus woont Hij op geheel
eenige wijze, per unionem. In andere schepselen woont Hij naar de mate
van hun zijn, in deze per naturam, in andere per justitiam, in andere
per gratiam, in andere per gloriam. Er is eindelooze verscheidenheid,
opdat ze alle saam de heerlijkheid Gods zouden openbaren. Het baat
weinig, of wij deze alomtegenwoordigheid Gods ontkennen. Hij doet ze ons
gevoelen in hart en geweten. Hij is niet ver van een iegelijk onzer.
Wat ons van Hem scheidt, is alleen de zonde. Zij verwijdert ons niet
plaatselijk, maar geestelijk van God, Jes. 59:2. God verlaten, van Hem
vluchten, gelijk Kain deed, bestaat niet in plaatselijke scheiding
maar in geestelijke ongelijkheid. Non loco quisque longe est a Deo,
sed dissimilitudine, Aug. Enarr. in Ps. 94. En omgekeerd, tot Hem
gaan, zijn aangezicht zoeken bestaat niet in eene bedevaart maar in
verootmoediging en berouw. En wie Hem zoekt, vindt Hem, niet ver weg,
maar in zijne onmiddellijke nabijheid. Want in Hem leven wij, bewegen wij
ons en zijn wij. Propinquare illi, est similem illi fieri; recedere ab
illo, dissimilem illi fieri, Aug. Enarr. in Ps. 34. Noli ergo cogitare
Deum in locis; ille tecum est talis, qualis fueris. Quid est talis,
qualis fueris? Bonus, si bonus fueris; et malus tibi videtur, si malus
fueris; sed opitulator, si bonus fueris; ultor, si malus fueris. Ibi
habes judicem in secreto tuo. Volens facere aliquid mali, de publico
recipis te in domum tuam, ubi nemo inimicorum videat; de locis domus
tuae promtis et in faciem constitutis, removis te in cubiculum; times
et in cubiculo aliunde conscium, secedis in cor tuum, ibi meditaris:
ille in corde tuo interior est. Quocumque ergo fugeris, ibi est. Te
ipsum quo fugies? Nonne quocumque fugeris, te sequeris? Quando autem
et te ipso interior est, non est quo fugias a Deo irato nisi ad Deum
placatum. Prorsus non est quo fugias. Vis fugere ab ipso? Fuge ad
ipsum, Aug. Enarr. in Ps. 74.
B. God als Geest.
5. Dit zijn is echter bij God niet te denken als een abstract zijn
zonder inhoud, maar als een rijk, vol, Goddelijk leven. De H. Schrift
bedient zich, om de volheid van het leven Gods aan te duiden, niet
alleen van adjectiva maar ook van substantiva en noemt God waarheid,
gerechtigheid, leven, licht, liefde, wijsheid, Jer. 10:10, 23:6, Joh.
1:4, 5, 9, 1 Cor. 1:30, 1 Joh. 1:5, 4:8. En de theologie behandelde
deze leer onder den naam van de simplicitas Dei. Bij Irenaeus, adv.
haer. I 12. II 13. 28. IV 4 heet God totus cogitatus, totus sensus,
totus oculus, totus auditus, totus fons omnium bonorum, cf. Clemens,
Strom. V 12. Orig. de princ. I 1, 6. Athanasius, de decr. Nic. syn.
c. 22. c. Ar. II 38. De drie Cappadociers hadden tegenover Eunomius
vooral het recht der verschillende Goddelijke namen te betoogen. Maar
Augustinus kwam op de simplicitas Dei telkens terug. God is louter
essentia, zonder accidens, de trin. V 4. Met Hem vergeleken is alle
geschapen zijn een niet-zijn, de trin. VII, 5 Enarr. in Ps. 134. Conf.
VII, 11. XI, 4. Bij schepselen is er verschil tusschen zijn, leven,
kennen, willen; er is graadonderscheid onder hen; er zijn schepselen,
die alleen zijn, andere die ook leven, nog andere die ook denken. Maar
bij God is dat alles één, de civ. VIII, 6, de trin. XV, 5. God is alles
wat Hij heeft, de civ. X, 10. Hij is zijn eigen wijsheid, zijn eigen leven.
Zijn en leven zijn bij Hem één, cf. boven 88 v. 92 v. en Gangauf, Des
h. Aug. specul. Lehre von Gott dem Dreieinigen 1883 S. 147-157. En
voorts vinden wij ze bij Damascenus, de fide orth. I 9, die verschillende
bewijzen voor deze leer aanvoert, bij Anselmus, Monol. c. 15, Lombardus,
Sent. I dist. 8 n. 4-9, Thomas, S. Theol. I qu. 3, die in art. 3 ze
kort aldus uitdrukt, Deus est Deitas, Id. S. c. Gent. I c. 16 sq.
Bonaventura, Sent. I dist. 8 art. 3 en verder bij alle Roomsche, Luth.
en Geref. theologen, Petavius, de Deo Lib. II c. 1-8. Theol. Wirceb.
III p. 64. Perrone, Prael. theol. II 92 sq. Jansen, Prael. theol. dogm.
II 60 sq. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I 183 f. Philos. der Vorzeit
II 742 f. Gerhard, Loci theol. Loc. 2 cap. 8 sect. 3. Baier, Comp.
theol. posit. I c. 1 § 9. Buddeus, Inst. theol. II c. 1 § 17. Hyperius,
Meth. theol. p. 88, 89. Zanchius, Op. II 63-73. Polanus, Synt. theol.
lib. 2 c. 8. Trigland, Antapologia cap. 4. Voetius, Disp. I 226-246.
H. Alting, Theol. Elenct. p. 119 sq. Moor I p. 604-618. L. Meijer,
verhand. over de Godd. eigensch. IV 517-552 enz. Daarentegen werd
deze eenvoudigheid Gods van verschillende zijden bestreden. Eunomius
leerde wel de volstrekte eenvoudigheid Gods, maar besloot daaruit,
dat alle namen Gods slechts klanken waren en dat het wezen Gods
samenviel met de ἀγεννησια. Deze ééne eigenschap maakte alle andere
overbodig en onnut, Schwane, D. G. II² 21. De anthropomorphieten van
vroeger en later tijd bestrijden de eenvoudigheid Gods, wijl zij Gode een
lichaam toeschrijven. De arabische wijsgeeren leerden de eenvoudigheid
Gods, maar bestreden daarmede de christelijke triniteitsleer, wijl
de drie personen denominationes additae super substantiam waren,
Stöckl Gesch. der Philos. des M. A. II 89. Duns Scotus kwam met de
eenvoudigheid Gods, die hij overigens uitdrukkelijk leert, Sent. I dist.
8 qu. 1-2, in tegenspraak, in zoover hij aannam, dat de eigenschappen
onderling en van Gods wezen formaliter onderscheiden waren, ib. qu.
4. Het nominalisme ging nog veel verder en nam een reëel onderscheid
der eigenschappen aan. In de eeuw der Hervorming werd dit voetspoor
gevolgd door de Socinianen. Dezen kwamen er toe, om in het belang van
de zelfstandigheid van den mensch het Goddelijk wezen te vereindigen
en wisten dus met de eenvoudigheid Gods geen weg. Socinus twijfelde,
of de eenvoudigheid Gode naar de Schrift kon toegeschreven worden.
De catechismus van Rakow laat ze geheel weg. Schlichting, Volkelius
e. a. ontkenden, dat de eigenschappen één waren met Gods wezen, en
beweerden dat eene volheid van eigenschappen niet met zijne eenheid
in strijd was, Hoornbeek, Socin. conf. I p. 368-369. Vorstius stemde
hiermede in en zeide, vooral op grond van de leer der triniteit, dat
er bij God onderscheiden moet worden tusschen materia en forma, wezen
en eigenschappen, genus en differentiae. De Schrift zegt daarom ook,
dat God zweert bij zijne ziel, Jer. 51:14, dat de Geest in Hem is, 1 Cor.
2:11. Er is onderscheid tusschen weten en willen, tusschen het subject
dat leeft en het leven, waardoor hij leeft, cf. Trigland, Kerk. Gesch.
IV 576, 585 v. Schweizer in de Theol. Jahrb. 1856 S. 435 f. 1857 S.
153 f. Dorner, Gesammelte Schriften 1883 S. 278 f. De Remonstranten
waren van hetzelfde gevoelen. In hun Apol. Conf. cap. 2 zeiden ze, dat
er van de simplicitas Dei geen jota stond in de Schrift, dat ze louter
metaphysische leer was en volstrekt niet noodzakelijk te gelooven.
Als bezwaar werd vooral ingebracht, dat met de eenvoudigheid Gods
niet overeen te brengen was de vrijheid van zijn wil en de verandering
zijner gezindheid. Episcopius nam de simplicitas Dei nog op onder de
attributa, en meende dat de relationes, de volitiones en decreta libera
daarmede wel te vereenigen waren, Instit. Theol. Lib. 4 sect. 2 cap.
7, maar Limborch noemde deze eigenschap niet meer. Bij het rationalisme
trad ze geheel op den achtergrond, of bleef zelfs onbesproken,
Wegscheider, Inst. Theol. § 61. Reinhard Dogm. § 33. Bretschneider,
Handb. der Dogm. I⁴ 486. Laatstgenoemde zegt, dat de Schrift deze
subtiliteiten der philosophie niet kent. Ook het pantheisme kon
de leer der eenvoudigheid Gods niet erkennen of waardeeren. Het
vereenzelvigde God en wereld en schreef bij monde van Spinoza aan God
zelfs de eigenschap der uitgebreidheid toe. Zoo is de simplicitas Dei
uit de nieuwere theologie bijna geheel verdwenen; haar beteekenis wordt
niet ingezien; soms wordt ze sterk bestreden. Schleiermacher stelde
de eenvoudigheid Gods niet met de andere eigenschappen op ééne lijn en
hield ze alleen voor das ungetrennte und untrennbare Ineinandersein
aller göttlichen Eigenschaften und Thätigkeiten, Chr. Gl. § 56. Bij
Lange, Kahnis, Philippi, Ebrard, Lipsius, Biedermann, F. A. B. Nitzsch,
Oosterzee e.a. wordt deze eigenschap niet meer genoemd. Door Vilmar,
Dogm. I 208 f. Dorner, Glaub. I 221 f. Id. Gesammelte Schriften S.
305. Frank, Syst. de chr. Wahrh. I² 124. Ritschl, Theol. u. Metaph. S.
12 f. Rechtf. u. Vers. III² S. 2 f. Jahrb. f. deutsche Theol. 1865 S.
275 f. 1868 S. 67 f. S. 251 f. Doedes Ned. Geloofsbel. bl. 9 wordt ze
sterk bestreden, vooral op deze twee gronden, dat ze eene metaphysische
abstractie is en strijdt met de leer der triniteit, cf. daartegen
Schweizer, Chr. Gl. I 256-259. Shedd, Dogm. Theol. I 338. Kuyper, Ex
ungue leonem 1882.
Toch is deze simplicitas Dei voor de kennisse Gods van de grootste
beteekenis. Niet alleen wordt ze in de Schrift geleerd waar God licht,
leven, liefde enz. wordt genoemd, maar ze vloeit ook uit de idee
Gods vanzelve voort en is met de andere eigenschappen noodzakelijk
gegeven. Eenvoudig is hier de tegenstelling van samengesteld. Als God
samengesteld is uit deelen, gelijk een lichaam, of ook uit genus en
differentia, substantia en accidentia, materia en forma, potentia en
actus, essentia en existentia, dan is zijne volmaaktheid, zijne eenheid,
zijne onafhankelijkheid, zijne onveranderlijkheid niet te handhaven. Immers
is Hij dan niet de hoogste liefde, want iets anders is dan in Hem het
subject, dat liefheeft en iets anders de liefde, waardoor Hij liefheeft,
en zoo ten aanzien van alle andere eigenschappen. God is dan niet
degene, quo melius nihil cogitari potest. Maar God is van zichzelf en
heeft niets boven zich; Hij is dus met de wijsheid, met de genade, met
de liefde enz. volkomen één; Hij is absoluut volmaakt, iets hooger dan
God kan er niet gedacht worden, August. de trin. V 10 VI 1. Hugo a St.
Victor, de trin. I 12. Bij schepselen is dat alles anders. Hier is er
onderscheid tusschen bestaan, wezen, leven, kennen, willen, handelen
enz., omne quod compositum est creatum est, geen schepsel kan volstrekt
simplex zijn, want elk schepsel is eindig. Maar God is de oneindige,
en alwat in Hem is, is oneindig. Al zijne eigenschappen zijn Goddelijk
en dus oneindig, met zijn wezen één. Daarom is Hij en kan Hij ook alleen
zijn genoegzaam, volzalig en volheerlijk in zichzelven, Petavius, de Deo
lib. II 2. Hieruit blijkt reeds, dat deze eenvoudigheid Gods volstrekt
geen metaphysische abstractie is. Zij is wezenlijk onderscheiden van de
philosophische idee van το ὀν, το ἑν, το μοναχον, το ἁπλουν of van de
substantie, van het absolute enz., waarmede Xenophanes, Plato, Philo,
Plotinus en later Spinoza en Hegel God aanduiden. Zij is niet gevonden
door abstractie, door boven alle tegenstellingen en onderscheidingen
in de schepselen uittegaan, en door de Godsidee te omschrijven als het
boven alle tegenstellingen verheven zijn. Maar juist is men tot deze
eigenschap gekomen, door alle volmaaktheden der schepselen in God
te stellen op volmaakte, Goddelijke wijze. De omschrijving van God als
simplicissima essentia duidt aan, dat Hij het volmaakte, oneindig-volle
zijn is, dat Hij is eene oneindige en onbegrensde πελαγος οὐσιας. En wel
verre van het pantheisme te bevorderen, gelijk Baur, chr. Lehre van d.
Dreiein. Gottes II 635 meent, staat deze leer van de simplicissima
essentia Dei daar lijnrecht tegenover. In het pantheisme toch heeft
God geen eigen bestaan en leven buiten en zonder de wereld. Bij Hegel
bijv. bestaat het absolute, het zuivere zijn, het denken, de idee niet
vóór, maar alleen logisch en potentieel eerder dan de wereld. Al de
bepalingen van het absolute zijn zonder inhoud, het zijn niets dan
abstracte, logische denkvormen, Drews, Die deutsche Spekulation I 249.
Maar de omschrijving Gods als simplicissima essentia in de christelijke
theologie handhaaft juist, dat God een eigen, oneindig, volzalig leven
heeft in zichzelven, al is het ook, dat wij dat wezen Gods slechts
kunnen aanduiden met namen, aan de schepselen ontleend. De substantie,
het hoogste zijn, het absolute enz., waarmede de pantheistische
philosophie bij voorkeur het Goddelijk wezen noemt, is door abstractie
verkregen; men ging van de dingen alles wegdenken totdat men niets dan
het laatste, alleralgemeenste begrip, nl. het zuivere zijn, het naakte
bestaan over hield. Dit zijn is inderdaad een abstractum, een begrip,
waaraan geen werkelijkheid beantwoordt en dat niet nader mag bepaald
worden. Elke nadere bepaling zou het vereindigen, tot iets bijzonders
maken en dus de algemeenheid vernietigen. Omnis determinatio est
negatio. Maar het zijn, dat in de theologie aan God wordt toegeschreven
is een eigen, bijzonder, van de wereld onderscheiden zijn. Het duidt God
aan, niet als een zijn, waarvan wij hoegenaamd niets kunnen denken dan
dat het is, maar als een zijn, waarin alles wezen is, als de absolute
volheid des zijns. Dit eenvoudige wezen sluit dus de velerlei namen
niet uit, gelijk Eunomius beweerde, maar eischt ze. God is zoo rijk,
dat wij niet dan met vele namen eenig denkbeeld van zijn rijkdom kunnen
verkrijgen. Elke naam noemt hetzelfde volle, Goddelijke wezen, maar
telkens van eene andere zijde, waarnaar het in zijne werken zich aan ons
openbaart. God is daarom simplex in zijne multiplicitas en multiplex in
zijne simplicitas (Augustinus). Elke bepaling, elke naam, waarmede wij
God aanduiden, is dus geen negatie, maar eene verrijking van de kennis
van zijn wezen. Divinum esse est determinatum in se et ab omnibus aliis
divisum per hoc quod sibi nulla additio fieri potest, Thomas, Sent.
I dist. 8 qu. 4 art. 1 ad 1. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I² 204 f.
Zoo verstaan, is deze eenvoudigheid Gods ook niet in strijd met de
drieëenheid. Want eenvoudig, simplex staat hier niet tegenover twee- of
drievoudig, duplex, triplex, maar tegenover samengesteld, compositus.
En nu is het Goddelijk wezen niet samengesteld uit drie personen,
noch ook iedere persoon samengesteld uit het wezen en de proprietas
personalis; maar het ééne zelfde eenvoudige wezen bestaat in de drie
personen, iedere persoon of personeele eigenschap is van het wezen niet
re maar alleen ratione onderscheiden, elke personeele eigenschap is wel
eene relatio realis maar voegt toch niet aliquid reale aan de essentia
toe. De personeele eigenschappen non componunt sed solum distinguunt,
Petavius, lib. 2. cap. 3-4. Zanchius, Op. II col. 68. 69.
6. De eenvoudigheid Gods sluit in zijne geestelijke natuur, want al het
lichamelijke is samengesteld. Wel spreekt de Schrift van God steeds
op menschelijke wijze, en kent zij Hem allerlei lichamelijke organen en
werkzaamheden toe, maar ook hierbij neemt zij toch al een zekere grens
in acht. Van de inwendige organen van het menschelijk lichaam worden
alleen hart en ingewanden Hem toegeschreven. Voedings-, verterings-
en voortplantingsorganen worden nooit op Hem overgedragen. Wel is
er bij God sprake van het zien en hooren, en ook van het rieken,
maar niet van het smaken en tasten. Een lichaam wordt Hem nergens
toegekend. Ofschoon het O. T. ook nergens met zooveel woorden zegt,
dat God geest is, toch ligt deze opvatting aan heel de beschrijving
Gods ten grondslag. God is Jahveh, die neerdaalt tot zijn volk en zich
op menschelijke wijze openbaart, maar Hij is van den aanvang af ook
Elohim, die verre verheven is boven al het creatuurlijke. Hij bestaat van
zichzelf, Ex. 3:13, Jes. 41:4, 44:6, is eeuwig, Deut. 32:40, Ps. 90:1
v., 102:28, alomtegenwoordig, Deut. 10:14, Ps. 139:1 v., Jer. 23:23,
24, onvergelijkbaar, Jes. 40:18, 25, 46:5, Ps. 89:7, 9, onzichtbaar, Ex.
33:20, 23, onafbeeldbaar, Ex. 20:4, Deut. 5:8, wijl zonder gelijkenis,
תְּמוּנָה, Deut. 4:12, 15. God en mensen staan tegenover elkander
als geest en vleesch, Jes. 31:3. Hoewel Hij zich menigmaal openbaart
in verschijning, droom, visioen en in zoover zich zichtbaar maakt,
Gen. 32:30, Ex. 24:10, 33:11, Num. 12:8, Deut. 5:24, Richt. 13:22,
1 Kon. 22:19, Jes. 6:1, het is toch door zijnen Geest, en alzoo op
geestelijke wijze, dat Hij in de schepping tegenwoordig is en alles
schept en onderhoudt, Ps. 139:7, Gen. 2:7, Job 33:4, Ps. 33:6, 104:30
enz., Oehler, Theol. des A. T. § 46. Schultz, Altt. Theol. 496-504.
Duidelijker treedt het geestelijke wezen Gods in het N. Test. aan het
licht. Niet alleen blijkt het daaruit, dat God eeuwig is, Rom. 16:26,
1 Tim. 6:16, 1 Petr. 1:23, Op. 1:8, 10:6, 15:7, en alomtegenwoordig,
Hd. 27:27, 28, Ef. 4:6, en onvergelijkelijk, Hd. 17:29, Rom. 1:22, 23,
maar Jezus spreekt het ook rechtstreeks uit, als Hij God πνευμα noemt
en daarom eene geestelijke en waarachtige vereering Gods eischt, Joh.
4:24. En wel wordt deze uitspraak door de apostelen niet letterlijk
herhaald, maar toch hebben zij dezelfde voorstelling van het wezen Gods,
als ze Hem onzichtbaar noemen, Joh. 1:18, cf. 6:46, Rom. 1:20, Col.
1:15, 1 Tim. 1:17, 6:16, 1 Joh. 4:12, 20; iets, waarmede de belofte der
aanschouwing Gods in den status gloriae niet strijdt, Job 19:26, Ps.
17:15, Mt. 5:8, 1 Cor. 13:12, 1 Joh. 3:2, Op. 22:4. Dit geestelijk wezen
Gods is in het paganisme miskend en verloochend, Rom. 1:23. Zelfs de
wijsbegeerte heeft zich van de zinnelijke voorstellingen Gods niet kunnen
losmaken. Het materialisme houdt de stoffelijke atomen voor den laatsten
grond des zijns. Het deisme vereindigt God en maakt Hem den menschen
in wezen gelijk; bij Epicurus zijn de goden een gezelschap redeneerende
wijsgeeren, met een fijn aetherisch lichaam, en onderscheiden van
geslacht, Zeller, IV³ 433. Maar ook het pantheisme komt dit geestelijk
wezen Gods te na. Volgens Heraclitus en de Stoa is de eerste oorzaak
stoffelijk en lichamelijk te denken; God is tegelijk de oorspronkelijke
kracht, welke alles in den loop des tijds uit zich voortbrengt en zoo
ook weder in zich terugneemt, Zeller IV³ 133-146. Al deze richtingen
werkten ook in de christelijke kerk en tot op den huidigen dag na. Bij
de realistisch-eschatologische voorstellingen, die in de tweede helft
der tweede eeuw in ruimen kring heerschten, lag de gedachte aan eene
zekere lichamelijkheid Gods niet verre. Van Tertullianus is het niet
geheel zeker, of hij Gode een stoffelijk lichaam toeschreef. Want wel
zegt hij, quis enim negabit, deum corpus esse, etsi deus spiritus est?
spiritus enim corpus sui generis in sua effigie, adv. Prax. 7, maar hij
schijnt corpus in den zin van substantie op te vatten, als hij zegt: omne
quod est, corpus est sui generis, nihil est incorporale nisi quod non
est, de carne 11, en elders van de ziel even realistisch spreekt, de
an. 6. Toch is de vereenzelviging van corpus en substantia opmerkelijk;
zij bewijst, dat Tertullianus geen substantie dan als corpus zich denken
kon. En elders zegt hij dan ook, dat God evenmin vrij is van affecten als
de mensch, al zijn ze in Hem ook op volmaakte wijze aanwezig. Zelfs gaat
hij zoover, dat hij de in de Schrift Gode toegeschreven handen en oogen
niet geestelijk maar letterlijk opvatten wil, schoon op volmaakte wijze,
adv. Marc. II 16. Tertullianus kan daarom de vader van het bijbelsch
realisme worden genoemd. Het gevaar van het door allegorische exegese
verkregene spiritualisme der Alexandrijnsche school dreef velen in
de richting van het anthropomorphisme. Melito, bisschop van Sardes,
schreef volgens Origenes aan God een lichaam toe, hoewel het niet is
uit te maken, in hoever dit bericht juist is, Herzog² 9, 539. In de
vierde eeuw werd een dergelijk anthropomorphisme geleerd door Audius en
zijne volgelingen, en door vele egyptische monniken, die vooral in het
aan Cyrillus toegeschreven geschrift contra anthropomorphitas bestreden
werden. Later werd deze menschvormige voorstelling van God door het
Socinianisme vernieuwd. Hier is God alleen een Heer, die macht over ons
heeft. Van zijn eenvoudig, oneindig, onafhankelijk, geestelijk wezen wordt
geen melding gemaakt, Socinus, Christ. relig. instit. Catech. Racov.
qu. 53. Crell beweerde, dat het woord geest van God, engel en ziel niet
aequivoce en analogice maar univoce werd gebezigd, de Deo et attrib.
lib. 1 c. 15. En Vorstius zeide in den zin van Tertulianus, vere corpus
Deo attribui, si per corpus vera et solida substantia intelligatur,
Dorner, Ges. Schriften 279. Voorts leert ook de theosophie, dat God wel
terdege in zekeren zin een lichaam heeft en dat daarom de mensch ook
lichamelijk naar Gods beeld is geschapen. In de kabbala dragen de tien
sefiroth, dat is, de attributen of modi, waarin God zich openbaart,
saam den naam van Adam Kadmon, den eersten hemelschen mensch, wijl de
menschelijke vorm de hoogste en volkomenste openbaring Gods is en God
zoo in de Schrift voorgesteld wordt, Franck, La Kabbale 1843 p. 179.
Daaruit ontwikkelde zich bij de christelijke theosophen, in verband met
de triniteitsleer, de voorstelling, dat God, die geen rustend zijn, maar
een eeuwig wordend leven is, niet alleen inwendig van duisternis tot
licht, van natuur tot geest zich verheft, maar ook naar buiten zich
met eene zekere natuur, lichamelijkheid, heerlijkheid, hemel omgeeft, en
daarin zich voor zichzelf gestalte geeft en verheerlijkt. Zoo vinden
wij het bij Böhme, cf. Joh. Claassen, Jakob Böhme, Sein Leben und seine
theos. Werke, 3 Bde Stuttgart 1885 I S. XXXII, 157 II 61. Oetinger,
Die Theologie aus der Idee des Lebens usw. 1852 S. 109 f. Baader, cf.
Joh. Claassen, Franz v. Baaders Leben und theos. Werke usw. 2 Bde
Stuttgart 1887 II 110-112. Delitzsch, Bibl. Psychol. S. 48 f. Auberlen,
Die Philos. Oetingers 1847 S. 147. Hamberger, Jahrb. f. deutsche Theol.
VIII 1863 S. 448 enz. Eindelijk komt ook zelfs in het pantheisme de
geestelijke natuur Gods niet tot haar recht. Spinoza schreef aan de
substantie de eigenschap der extensio toe, Eth. II prop. 1, 2. En in de
philosophie van Hegel, Schleiermacher, Hartmann e. a. is de wereld een
wezenlijk moment in het oneindige. Ohne Welt ist Gott nicht Gott, Hegel,
Werke XI 122. God en wereld zijn correlata, zij drukken hetzelfde zijn
uit, eerst als eenheid dan als totaliteit, Schleiermacher, Dialektik
S. 162. Wel blijft dit pantheisme, en zelfs met zekere voorliefde, van
God als Geest spreken. Maar wat daaronder te verstaan zij, is moeilijk
te begrijpen. Hegel gebruikt den naam geest vooral voor de laatste
en hoogste Stufe, welke de idee door de natuur heen in den mensch,
bepaaldelijk in de philosophie, bereikt. Das Logische wird zur Natur
und die Natur zum Geiste, Werke VII, 2 S. 468. Het wezen van den
geest zoekt Hegel nog in de idealiteit, in het einfache Insichseyn,
in de ikheid, ib. S. 14 f. 18 f., maar God wordt toch eerst geest na
een lang proces door en in den mensch. Anderen zijn dat woord geest
gaan gebruiken voor de laatste immanente oorzaak der dingen, zonder
daarbij aan een eigen, onderscheiden bestaan en aan een persoonlijk,
bewust leven te denken. Hartmann duidt het onbewuste aan als zuiveren,
onbewusten, onpersoonlijken, absoluten geest, en noemt zijne philosophie
daarom spiritualistisch monisme en panpneumatisme, Philos. des Unbew.
II⁹ 457. Philos. Fragen der Gegenwart 1885 S. 61.
Tegen al deze richtingen heeft de christelijke kerk en theologie steeds
vastgehouden aan de spiritualitas Dei, Iren. adv. haer. II c. 13. Orig.
de princ. I 1, 6. c. Cels. VII 33 sq. VIII 49. Augustinus, de trin. XV
5. de civ. VIII 5. Conf. VI 3 enz. Joh. Damascenus, de fide orthod. I
c. 11. II c. 3 enz. De spiritualitas Dei wordt dikwerf niet afzonderlijk
behandeld, maar onder de simplicitas Dei ter sprake gebracht,
Lombardus, Sent. I dist. 8, 4 sq. Thomas, S. Theol. I qu. 3. art. 1-2.
S. c. Gent. I c. 20. Petavius, de Deo II c. 1. Het geestelijk wezen
wordt gelijkelijk door Roomsche, Luth. en Geref. theologen gehandhaafd
en verdedigd, Theol. Wirceb. III 27-34. C. Pesch, Prael. dogm. II 68.
Gerhard, Loci theol. II c. 8 sect. 1. Forbesius a Corse, Instruct.
histor. theol. lib. 1 c. 36. Mastricht, Theol. theor. pract. II c. 6.
Onder deze spiritualitas Dei werd nu verstaan, dat God eene eigene, van
het zijn der wereld onderscheidene substantie was en dat deze substantie
was onstoffelijk, onwaarneembaar voor lichamelijke zintuigen, zonder
samenstelling of uitbreiding. Van den aard eener zoodanige onstoffelijke
substantie kan de mensch zich alleen eenig flauw denkbeeld vormen uit
de analogie van het geestelijk wezen, dat hij in zichzelven vindt. Maar
het wezen zijner eigene ziel is den mensch in positieven zin onbekend,
hij neemt in zichzelven allerlei psychische verschijnselen waar en
besluit daaruit tot eene geestelijke substantie als draagster daarvan,
maar dit wezen der ziel zelf ontsnapt aan zijne waarneming. En ook dan
nog is de spiritualitas Dei van eene geheel andere en eenige soort. De
benaming geest voor God, engel en ziel is niet univoce en synoniem,
maar analogice te verstaan. Dit blijkt reeds daaruit, dat de geest bij
engelen en menschen samengesteld is, wel niet uit stoffelijke deelen
maar toch uit substantia en accidentia, uit potentia en actus, en dus
aan verandering onderworpen is. Bij God is echter deze samenstelling
evenmin aanwezig als die uit lichamelijke deelen; Hij is louter zijn.
Maar voorts treedt het ook hierin duidelijk aan het licht, dat God als
πνευμα niet alleen is de Πατηρ των πνευματων, Hebr. 12:9, maar evenzeer
de Schepper en Vader van alle zienlijke dingen. Ook deze zijn geworden
uit dingen, die niet onder de oogen verschijnen, Hebr. 11:3, en hebben
hun oorsprong in God als πνευμα. God als geestelijk wezen is de auteur
niet alleen van al wat πνευμα en ψυχη, maar ook van al wat σωμα en σαρξ
onder schepselen heet. En zoo geeft de spiritualitas die volmaaktheid
Gods te kennen, waardoor Hij zoowel negatief in analogie met den geest
der engelen en de ziel des menschen als onstoffelijk en onzichtbaar is
te denken, als ook positief als de verborgen, eenvoudige, absolute
grond van alle creatuurlijk, somatisch en pneumatisch, zijn. Ook vroeger
is dit beseft, en vandaar dat sommigen voorstelden, om ook de geesten
der engelen en de zielen der menschen nog lichamen te noemen, terwijl
God dan alleen geest was in geheel eenigen zin, cf. Augustinus, Epist.
28, of ook, om op God noch het praedicaat der lichamelijkheid noch dat
der onlichamelijkheid toe te passen, wijl Hij boven beide verheven is,
Petavius, de Deo II c. 1 § 14-16. Maar dit verdient geen aanbeveling,
wijl het misverstand bevordert en ook vergeet, dat, ofschoon alle
kennis van God analogisch is, die analogie toch in de eene groep
van schepselen duidelijker uitkomt dan in de andere, en in de wereld
der onzienlijke dingen sterker spreekt dan in die der zienlijke. Even
onjuist is het aan de andere zijde, om met Cartesius het wezen van den
geest in cogitatio te stellen, de meth. c. 4, en met Cartesiaansche
theologen het wezen Gods te omschrijven als res cogitans, Wittichius,
Theol. c. 15 § 218, of als perfectissima et purissima intellectio,
Burmannus, Synopsis I 17, 4. Want daardoor wordt de geestelijke
natuur Gods terstond met de persoonlijkheid vereenzelvigd, gelijk dan
ook bij Reinhard, Dogm. 111, Wegscheider, Inst. theol. § 64, e. a
geschiedde. Het pantheisme wist daarom met deze geestelijke natuur
Gods geen raad, en maakte haar tot een klank zonder zin, tot een
woord zonder realiteit. Van belang is het daarom, om de spiritualitas
Dei als aanduiding van zijne substantia incorporea te handhaven. De
persoonlijkheid, zelfbewustzijn en zelfbepaling, is daarmede nog niet
vanzelf gegeven; wel natuurlijk bij God, omdat Hij een eenvoudig wezen is;
maar niet in het begrip op zichzelf beschouwd. Het dierlijk bewustzijn
en de onbewuste voorstellingen in den mensch bewijzen genoegzaam, dat
spiritualitas en personalitas geen identische begrippen zijn. Datgene,
wat in de personalitas wordt uitgedrukt, komt later bij de leer van de
scientia en voluntas Dei ter sprake. Hier bij de spiritualitas is het te
doen om het geestelijk wezen Gods te handhaven. En dit is van zoo groot
belang, dat daarop heel de wijze rust, waarop wij God moeten dienen. De
aanbidding in geest en waarheid rust op de geestelijkheid Gods. Eerst
daardoor wordt alle beeldendienst in beginsel en voor altoos afgesneden.
7. Uit deze spiritualitas Dei volgt rechtstreeks zijne invisibilitas. De
Schrift leert deze uitdrukkelijk, boven bl. 145 v. En in de christelijke
kerk was er dan ook weinig verschil over, of God wel met lichamelijke
oogen kon worden aanschouwd. Zoowel voor deze bedeeling als voor die in
heerlijkheid werd dit algemeen ontkend; slechts enkelen, de Audianen,
de Socinianen, Vorstius, en ook sommige Lutheranen, zooals Quenstedt,
Theol. I 554 sq. 566, Hollaz, Ex. theol. 458, Hulsemann, Majus, Jaeger
e. a. namen ze aan en beriepen zich ook op de Geref. Alsted, Theol.
schol. 849, Bucanus, Instit. theol. 1648 p. 443; maar Gerhard, Loc.
XXXI § 144 liet het onbeslist; en Baier, Comp. I c. 6, Buddeus, Inst.
theol. II c. 3 § 4 beperkten ze tot de cognitio intellectualis.
Overigens werd door allen geleerd, dat God als geest voor lichamelijke
zintuigen onzichtbaar was, Iren. adv. haer. II 6. IV 20. Orig. c. Cels.
VII 33 sq. Augustinus, de civ. XXII 29. Thomas, S. Th. I qu. 12 art. 3
ad 3. Martyr, Loci, p. 8, 9. Zanchius, Op. I 225 enz. Indien er van een
zien Gods sprake kan wezen, is dit alleen mogelijk met oogen der ziel of
des geestes. Daarbij kon echter de vraag opkomen of er een aanschouwen
van God mogelijk is, rechtstreeks, zonder het medium der schepselen, van
aangezicht tot aangezicht? Kan God, gelijk de scholastiek zeide, gezien
worden, ut est in se per essentiam, in substantia vel essentia sua? Nu
werd over het algemeen geleerd, dat zulk eene aanschouwing Gods per
essentiam in elk geval alleen mogelijk was in den status gloriae. Hier
op aarde was zulk een zien Gods voor niemand bereikbaar. Hoogstens was
dit door eene bijzondere genade en slechts voor een oogenblik aan Mozes,
Ex. 34, Jesaia, c. 6, Paulus, 2 Cor. 12 vergund, August. Epist. 112,
de Gen. ad litt. XII 27. Basil. Hexaem. hom. 1. Hilarius, de trin. V.
Maar verreweg de meesten oordeelden ook ten aanzien van de aanschouwing
Gods, die aan patriarchen, profeten en apostelen tebeurt gevallen was,
dat ze altijd was geschied middellijk, door eene wolk, in een of ander
teeken, onder eene of andere gedaante, Petavius, de Deo VII c. 12. In
discussie was daarom eigenlijk alleen de vraag, of er in den status
gloriae eene visio Dei per essentiam was. Nu spreken de kerkvaders
wel menigmaal van een zien Gods, dat voor de geloovigen in den hemel
weggelegd is, b. v. Iren. adv. haer. IV 20. Clem. Alex. Strom. V c.
1. Greg. Naz. Orat. 34. August, de civ. XXII 29, de Gen. ad lit. XII
26, maar zij gewagen niet van een zien Gods per essentiam. Ze zeggen
alleen met de Schrift, dat de zaligen God zien zullen, niet door een
spiegel, maar van aangezicht tot aangezicht. En zij voegen er bij, dat
God onzichtbaar is, maar dat Hij zich zichtbaar maken kan en zich kan
openbaren aan den mensch, Iren. ib. In potestate nostra non est eum
videre, sed in potestate illius est apparere, Ambrosius, bij Petavius,
VII c. 7. Anderen ontkenden dan ook, dat God per essentiam hiernamaals
zou worden aanschouwd, zooals Chrysostomus, Gregorius Nyss., Cyrillus
Hier., Theodoretus, Hieronymus, Isidorus e. a. De Roomsche godgeleerden
zijn met de uitspraken dezer patres verlegen. Vasquez erkende ronduit:
hos patres, si sincere loqui volumus, vix possumus in bonum sensum
interpretari. Maar anderen trachten deze uitspraken te verzwakken en in
dien zin te verklaren, dat zij handelen over de lichamelijke aanschouwing
Gods of over de aanschouwing Gods in dit leven of over de absolute
kennis Gods, die ook in den hemel onbereikbaar is en blijft, Thomas,
S. Theol. I qu. 12 art. 1 ad 1. Sent. IV dist. 49 qu. 1 art. 1 ad 1.
Petavius, de Deo VII c. 5. Theol. Wirceb. III p. 82-86. Langzamerhand
kwam er echter onder invloed der neoplatonische mystiek, die inwerkte
op Pseudodionysius, eene andere voorstelling van de visio Dei. Zij
werd nu opgevat als een aanschouwen van God in zijn wezen, ut in se
est. God daalde niet meer tot den mensch af, maar de mensch werd door
eene bovennatuurlijke gave tot God opgeheven en alzoo vergoddelijkt.
Greg. Magnus, Moral. l. 18 c. 28 zeide reeds, dat God niet alleen in
zijne heerlijkheid maar ook in zijne natuur zal gezien worden, want ipsa
ei natura sua claritas, ipsa claritas natura est. Prosper, de vita
contempl. 1 c. 4 sprak van de zaligen als sui creatoris substantiam
mundis cordibus contemplantes. Bernardus, serm. 4 in festum omnium
sanctorum, zegt dat God gezien zal worden in al zijne schepselen, maar
dat de trinitas ook gezien zal worden in semetipsa. En het concilie te
Florence verklaarde, dat zielen in coelum mox recipi et intueri clare
ipsum Deum trinum et unum sicuti est, pro meritorum tamen diversitate
alium alio perfectius, cf. Denzinger, Enchir. symb. et defin. n. 403,
456, 588, 870, 875. De scholastiek vond hier ruime stof voor allerlei
speculatie en maakte er ook ruimschoots gebruik van. In verband met
de leer der dona superaddita werd geleerd, dat de mensch met zijne
natuurlijke gaven tot deze aanschouwing Gods niet in staat was, maar dat
er een divinum auxilium voor noodig was, hetwelk de natuurlijke gaven
aanvulde, ophief en voltooide. Die bovennatuurlijke hulp werd gewoonlijk
aangeduid met den naam van lumen gloriae. Maar er rees groot verschil
over den aard van dit lumen, of het objectief was of subjectief, of het
het Woord was of de Geest, eene gave des H. Geestes of deze zelf, al
werd ook meestal aangenomen dat het was aliquid creatum, intellectui
datum in ratione habitus. Overigens werd het algemeene leer, dat God
in zijn wezen het voorwerp der aanschouwing was, en dat de zaligen dus
alles in God zagen wat van zijn wezen niet kan gescheiden worden, dus
zoowel de eigenschappen als de personen. Maar de Thomisten beweerden
dat het wezen niet zonder de personen en de eene eigenschap niet zonder
de andere kon aanschouwd worden, terwijl de nominalisten en Scotisten
het tegendeel staande hielden. Voorts was volgens aller meening God
zelf en alwat formaliter in Hem was, d. i. tot zijn wezen behoorde, het
voorwerp der aanschouwing; maar er was wederom verschil, of daartoe
ook datgene behoorde, wat eminenter in Hem was, d. i. wat door God
overeenkomstig zijne besluiten in het aanzijn wordt geroepen. Gewoonlijk
werd dit gehandhaafd om daardoor de aanroeping der engelen en der
zaligen te rechtvaardigen, die in God alles zagen wat geschieden zou
en dus de behoeften kenden van de geloovigen op aarde. Al werd er nu
ook aan toegevoegd, dat de visio Dei geen comprehensio was en in de
zaligen naar de mate hunner verdiensten verschilde, toch liep deze leer
uit op de deificatie van den mensch. Het schepsel verheft zich op grond
van eene bovennatuurlijke gave door zijn eigen verdiensten naar boven en
wordt Gode gelijk, Lombardus, Sent. 4 dist. 49. Thomas S. Theol. I qu.
12, I 2 qu. 3, vooral art. 12. qu. 4 art. 2. S. c. Gent. III c. 38-63.
Sent. IV dist. 49 qu. 1, 2. Bonaventura, Brevil. VII c. 7. Hugo Vict.
de Sacr. lib. 2 pars 18 c. 16. Petavius, De Deo VII c. 1-14. Becanus,
Theol. Schol. I c. 9. Theol. Wirceb. III p. 67-90. Perrone, Prael.
theol. III p. 266-276. Jansen, Prael. theol. dogm. III p. 913-935. C.
Pesch, Prael. dogm. III p. 23-44. Kleutgen, Theol. der Vorz. II S.
122-134. Scheeben, Dogm. I 562 f. II 294 f.
De Hervorming nam tegenover deze visio Dei een verschillend standpunt
in. De Lutherschen neigden er toe, om eene visio Dei per essentiam aan
te nemen en niet alleen mentalis maar zelfs ook corporalis. Gods macht
was zoo groot, dat Hij aan de zaligen eene verlichting kon schenken,
waardoor zij Hem ook met de oogen des lichaams kunnen zien in zijn wezen,
boven blz. 151. Ook enkele Gereformeerden achtten zulk eene visio Dei
per essentiam niet onmogelijk, Bullinger op Joh. 1:18. Polanus, Synt.
Theol. p. 9, 518. Synopsis pur. theol. LII 11-24. Forbesius a Corse,
de visione beatifica, Op. Amst. 1703 I 282-289. enz. Maar de meesten,
zich houdende aan de alle kennis te boven gaande heerlijkheid, die den
geloovigen bereid is, stelden de spinosae quaestiones der scholastiek
ter zijde of verwierpen ook de visio Dei per essentiam geheel en al,
Calvijn, Inst. III 25, 11. Pareus op 1 Cor. 13 12. Rivetus op Ps.
16:11, Op. II 68. Danaeus op 1 Tim. 6:16. Gomarus op Joh. 1:18. Op.
p. 249-252. Maccovius redivivus, Theol. pol. 162. Hoornbeek, Instit.
theol. XVI 20 Turretinus, Theol. El. XX qu. 8. Heidegger, Corpus theol.
III 37, XXVIII 138. Moor, VI 720. M. Vitringa IV 18-25, vooral Voetius,
Disp. II 1193-1217 enz.; cf. ook Episcopius, Inst. theol. IV sect. 2
c. 4, Limborch, Theol. Chr. VI 13, 6. Deze bescheidenheid is zeker in
overeenstemming met de Schrift, die wel van eene aanschouwing Gods door
de zaligen spreekt, maar dienaangaande niets naders verklaart en elders
God uitdrukkelijk onzichtbaar noemt. De aanschouwing die de geloovigen
wacht, wordt door Paulus genoemd een kennen gelijk wij gekend zijn.
Indien God, gelijk allen aannemen, niet volmaakt, in zijn wezen, gekend
kan worden maar onbegrijpelijk is, kan Hij ook in zijn wezen niet worden
gezien. Visio per essentiam en comprehensio zijn immers volkomen gelijk.
Bovendien, God is oneindig en de mensch blijft eindig, ook in den status
gloriae. God kan daarom door den mensch altijd slechts op eindige,
menschelijke wijze worden gezien. Het objectum moge dus infinitum zijn,
de repraesentatio in het menschelijk bewustzijn is en blijft finita.
Maar dan is het zien Gods ook niet per essentiam. Dan is er van Gods
zijde altijd eene συγκαταβασις noodig, eene openbaring, waardoor Hij van
zijne zijde tot ons nederdaalt en zich aan ons kenbaar maakt; Mt. 11:27
blijft ook in de heerlijkheid van kracht. De aanschouwing Gods in zijn
wezen zou meebrengen, dat de mensch vergoddelijkt en de grens tusschen
Schepper en schepsel uitgewischt werd. Dat ligt nu wel op de lijn van
de neoplatonische mystiek, die door Rome werd opgenomen, maar niet op
die van de Hervorming, en althans niet van de Gereformeerde kerk en
theologie. Bij Rome toch wordt de mensch door het donum supernaturale
opgeheven boven zijne eigene natuur; hij wordt daardoor feitelijk een
ander wezen, een homo divinus en supernaturalis, Bellarminus, de
justif. V 12; maar hoe hoog en heerlijk de Gereformeerden ook dachten
van den status gloriae, ook daar bleef de mensch toch mensch, wel
verheven supra gradum suum naturalem, maar niet supra speciem suam et
objectum illi analogum, Turret., Th. El. XX qu. 8, 12. De zaligheid des
menschen is zeker gelegen in de visio Dei beatifica, maar toch altijd
in zulk eene visio, als waarvoor de eindige en beperkte menschelijke
natuur vatbaar is. Eene θεωσις, gelijk Rome ze leert, past in het
systeem der Pseudodionysiaansche hierarchie maar vindt in de Schrift
geen steun, cf. later den locus over het beeld Gods, en ook Stuckert,
Vom Schauen Gottes, Zeits. f. Th. u. K. von Gottschick VI 6 S. 492-544.