schepselen draagt. Twee uitersten worden daardoor vermeden. Aan de eene
zijde staan zij, die eene essentieele, quidditatieve, adaequate kennis
van God mogelijk achten, hetzij door mystische aanschouwing (Plotinus,
Malebranche, de ontologisten en de Roomschen als leerende de visio
Dei per essentiam in den staat der heerlijkheid), hetzij door logisch
denken (Eunomius, Scotus, Spinoza, Hegel). Tegen dezen allen blijft het
woord waarachtig: niemand heeft ooit God gezien, alleen de Zoon, die
in den schoot des Vaders was, heeft Hem ons verklaard. Mozes zag Gods
heerlijkheid alleen, toen ze voorbijgegaan was. De profeten aanschouwden
God alleen in visioen. Zoowel in de schepping buiten ons als in ons
eigen zieleleven blijft altijd het geschapene tusschen God en ons
bewustzijn in staan; ideae innatae zijn er niet. Wij zien in een spiegel
en wandelen door geloof. Eene absolute, eene adaequate kennis van God
is daarom onmogelijk. De omzetting van de voorstelling in het begrip,
van de taal der verbeelding in die der gedachte, van de kataphatische
in de apophatische theologie, van het semietisch-concreete in het
japhetisch-abstracte loopt altijd uit op verlies van alle kennisse
Gods. Maar andererzijds wordt door den naam van ectypische theologie
ook het gevoelen verworpen van hen, die wel de creatuurlijke namen ter
aanduiding van het wezen Gods onvermijdelijk achten maar daarin niets
dan symbolen, producten der dichtende verbeelding zien. In zekeren zin
behooren hier zelfs Damascenus, de fide orthod. I 12 en Pseudodionysius
toe, de div. nom. c. 1, cf. ook Mozes Maimon., More Neb. I c. 58,
Cusanus, de docta ignor. I c. 24. Zij beweerden nl., dat al die namen
ons God alleen deden kennen als oorzaak aller dingen, zoodat bijv. de
aan God toegeschreven naam der wijsheid niets meer inhield dan dat
Hij de oorzaak aller wijsheid was. Maar Thomas merkte daartegen reeds
terecht op, dat God dan even goed goud, zilver, zon, maan, lichaam
enz. genoemd kon worden, wijl Hij toch de oorzaak van al die schepselen
is; en voorts bedoelen wij allen iets anders en meer, als wij God goed
noemen, dan wanneer wij Hem de oorzaak van het goede heeten. De deugden
Gods zijn niet alle in alle schepselen en in alle op dezelfde wijze te
zien, S. Theol. I qu. 13 art. 2. Zanchius, Op. II col. 11-13. Toch
is later dat gevoelen vooral door Schleiermacher weer vernieuwd. God
is alleen absolute causaliteit; zijne eigenschappen zijn subjectieve
benamingen; het karakter der theologie is niet ectypisch of analogisch
maar symbolisch te noemen, Schleiermacher, Reden über die Relig. S.
46, Bretschneider, Dogm. I⁴ 477, Paulsen, Einl. in die Philos. 263. De
religieuse voorstellingen zijn dan producten der dichtende verbeelding,
aesthetisch te waardeeren idealen (Rauwenhoff, Pierson, F. A. Lange
enz.) In sommige moderne kringen is in den laatsten tijd de neiging te
bespeuren, om de bijbelsche en kerkelijke namen als symbolen van hoogere,
geestelijke waarheden te blijven gebruiken. Deze opvatting van het
karakter der theologie is echter niet houdbaar. Symbolisch kan wel die
theologische wetenschap heeten, welke zich bezighoudt met de verklaring
der in de Schrift en in de kerk voorkomende heilige zinnebeelden, gelijk
bijv. Vitringa daaraan den naam geeft van theologia symbolica 1726, cf.
d’Outrein, Proefstukken van heilige Sinnebeelden 1700. Een symbool is
altijd een zinnelijk voorwerp of eene zinnelijke handeling ter aanduiding
van eene geestelijke waarheid. Maar de theologie als zoodanig heeft het
niet met zulke symbolen, doch met geestelijke realiteiten te doen. Als
aan God bewustzijn, wil, heiligheid enz. wordt toegeschreven, verstaat
dit niemand in symbolischen zin. Geen enkel religieus mensch ziet in
dergelijke voorstellingen producten van zijne verbeelding, gelijk ieder
dit gaarne erkent bij werken der kunst. De godsdienstige mensch houdt
daarentegen die religieuse voorstellingen voor objectief waar, en zijne
religie kwijnt en sterft weg, zoodra hij daaraan begint te twijfelen.
Indien zij dan ook producten der verbeelding zijn, is haar objectieve
waarheid niet te handhaven. Aesthetisch mogen zij dan nog te waardeeren
zijn, religieus en ethisch hebben zij hare waarde verloren; religie
laat zich evenmin omzetten in kunst als in philosophie. Pogingen om
ze dan nog als symbolen te handhaven, loopen altijd op teleurstelling
uit; wie als Hegel tusschen voorstelling en begrip onderscheid maakt,
laat zich met de voorstelling niet meer tevreden stellen, hij tracht
altijd te komen tot het zuivere begrip en grijpt dan later tevergeefs
naar de religieuse voorstellingen als symbolen terug. Het symbolisch
karakter der theologie maakt de namen Gods tot reflex van het eigen
gemoedsleven, ontneemt er alle waarheid aan, en zoekt hun grond alleen
in de altijd wisselende ratio ratiocinans. De mensch is dan de maatstaf
der religie; zooals de mensch is, is zijn God. Om deze redenen is de
theologie niet symbolisch, maar ectypisch of analogisch te noemen.
Hierin ligt opgesloten: 1º. dat al onze kennis van God uit en door
God is, op zijne openbaring, d. i. op de ratio ratiocinata is gegrond;
2º. dat God, om zijne kennis aan schepselen mede te deelen, tot die
schepselen afdalen en naar hun vatbaarheid zich schikken moet; 3º.
dat de mogelijkheid dezer συγκαταβασις niet kan worden ontkend, wijl zij
met de schepping, d. i. met het bestaan van een eindig zijn, vanzelf
gegeven is; 4º. dat onze kennis van God daarom echter altijd maar
analogisch is, d. i. gevormd naar analogie van wat van God in zijne
schepselen te bespeuren valt; niet God zelven in zijn onkenbaar wezen
maar God in zijne openbaring, in zijne relatie tot ons, in τα περι την
φυσιν, Damasc., de fide orthod. I 4, in zijne habitudo ad creaturas,
Thomas, S. Theol. I qu. 12 art. 12 tot object heeft; en dus maar eindig
beeld, zwakke gelijkenis en creatuurlijke afdruk is van die volmaakte
kennis, welke God van zichzelven bezit; en 5º. dat onze kennis van
God desniettemin toch waar en zuiver en betrouwbaar is, wijl zij het
zelfbewustzijn Gods tot archetype en zijne zelfopenbaring in den kosmos
tot grondslag heeft, Thomas, S. Theol. I qu. 13 art. 5 c. Gent. I
c. 32-34. Zanchius, Op. II col. 23. 24. Junius, de theologia, Op.
1607 I 1378 sq. ed. Kuyper p. 51 sq. Gomarus, Disp. theol. I. Owen,
Θεολογουμενα 1661 p. 10 sq. Calovius, Isag. ad theol. 1652 p. 25 sq.
Kuyper, Enc. II 201 v.
§ 24. INDEELING DER NAMEN GODS.
1. De H. S. noemt God met vele namen, maar gaat nooit van een abstract
Godsbegrip uit. Nooit verheft zij de eene eigenschap Gods ten koste van
de andere. Wel treedt nu eens de eene, dan weder de andere eigenschap
meer op den voorgrond, maar er is tusschen alle eigenschappen volkomen
harmonie. Het is de bedoeling der Schrift alle deugden Gods gelijkelijk
tot hare eere te brengen. Evenals de persoon van Christus niet een
bepaald eenzijdig karakter of temperament vertegenwoordigt en toch een
persoon is vol leven en realiteit, zoo is ook God in zijne openbaring
altijd ontvouwende al zijne deugden in harmonischen samenhang. Nergens
is er van het wezen Gods in abstracto sprake. Het Hebr. woord
תּוּשִׁיָּה a rad. יָשָׁה; bestaan, zijn, arab. III helpen,
oprichten, duidt datgene aan, wat bestand heeft, bestendig is, voordeel
verschaft, in concreto vooral ware wijsheid en geluk, Job 5:12, 6:13,
12:16, 26:3 (30:22), Spr. 2:7, 3:21, 8:14 en voorts alleen nog Jes.
28:29, Mich. 6:9, maar staat in geen dezer plaatsen voor het wezen
Gods, cf. Delitzsch op Job 5:12. Evenmin kunnen de N. T. woorden
θεοτης Col. 2:9, θειοτης Rom. 1:29, μορφη θεου Phil. 2:6, θεια φυσις
2 Petr. 1:4 cf. Gal. 4:8 bewijzen, dat daar van het wezen of de natuur
Gods in onderscheiding van zijne eigenschappen gesproken wordt, gelijk
Polanus wil, Synt. theol. p. 135. Gods wezen wordt voor ons in zijne
openbaring, d. i. in zijne namen kenbaar. De namen Gods zijn benamingen
van zijne ἀρεται, 1 Petr. 2:9. Dit spraakgebruik sluit zich aan bij Jes.
42:8, 12. 43:21. 63:5, waar het Hebr. תְּהִּלָה lof, eer, in de LXX
door ἀρετη is overgezet, cf. Hab. 3:3. Zach. 6:13. De gemeente heeft
de roeping, om Gods deugden te verkondigen, d. i. om Hem eere te geven
voor de δοξα, die in al zijne werken ten toon gespreid wordt. Van eene
beschrijving van Gods wezen, buiten de eigenschappen om, is in de H.
Schrift nimmer sprake. In den eersten tijd werd ook in de christelijke
theologie iets dergelijks niet beproefd. Onder de nomina Dei werd
alles saamgevat, wat men van God te zeggen had. De namen Gods waren
aanduiding niet alleen van de nomina propria maar ook van de later zoo
genoemde eigenschappen en zelfs van de personen in het Goddelijk wezen,
Clemens Alex. Strom. V 12. Augustinus, de doctr. chr. I 5. Pseudodion.,
de div. nom. c. 1 sq. Damascenus, de fide orth. I c. 12. Thomas, S.
Theol. I qu. 13. Catech. Rom. I c. 2 qu. 11. 13. Kleutgen, Theol. der
Vorzeit I² S. 211 f. Gerhard, Loci Theol. loc. 2. Hyperius, Meth.
Theol. p. 89 sq. c. 3. Polanus, Synt. Theol. Lib. 2 c. 6. Zanchius, Op.
II col. 9. 10. Walaeus, Op. I p. 152 sq. Alsted, Theol. did. schol. p.
61. De eigenschappen werden dan ook terstond in de idee Gods opgenomen;
zoo bijv. bij Irenaeus, adv. haer. I c. 14. II c. 13., 35 etc. Augustinus
spreekt wel van Gods essentia, maar hij verstaat daaronder de volheid
van het zijn Gods en neemt terstond alle eigenschappen, eenvoudigheid,
eeuwigheid, goedheid, wijsheid enz. daarin op. In de confessies wordt
meermalen ook op die wijze van God gesproken, zonder onderscheiding van
wezen en eigenschappen, en zonder indeeling der eigenschappen, Conc.
Lateran. bij Denzinger, Enchir. symb. n. 355, Conc. Vatic. de fide c. 1.
Conf. August. art. 1. Conf. Gall. art. 1. Scot. art. 1. Belg. art. 1.
Conf. Westm. cap. 2. En ook later nog gaan verscheidene theologen op
deze distincties niet in en behandelen de eigenschappen, zonder vooraf
over de natuur Gods te spreken, bijv. Thomas. S. Theol. I qu. 3 sq.
Ursinus, Tract. theol. p. 46-70.
2. Maar spoedig kwam er toch eene onderscheiding op. Men werd daartoe
geleid door de vraag, wat de eigenschap was, welke God terstond van
alle schepselen onderscheidde, wat het hoofdbegrip was en waarvan
men dus bij de leer Gods moest uitgaan. Nu had reeds de platonische
philosophie dat hoofdbegrip in het zijn gezocht, en Philo had dit in
verbinding gebracht met den naam Ihvh, den eenigen naam, die niet eene
werking of kracht maar het wezen Gods zelf aanduidde, en noemde daarom
God dikwerf ὁ ὠν of το ὀν, Zeller, Philos. V³ 356. Deze omschrijving
van het wezen Gods werd overgenomen in de christelijke theologie.
Irenaeus beschrijft God meermalen als absoluut eenvoudig, adv. haer. II
c. 13. 28 IV 11 en noemt Hem zelfs inexcogitabilis et insubstantivus,
I c. 14, maar legt tegen het gnosticisme toch daarop vooral nadruk,
dat God de schepper is van alle dingen en dat Hij zichzelf in zijne
werken heeft geopenbaard, Harnack D. G. I 485 f. Daarentegen is bij
Origenes, de princ. I 1 sq. c. Cels. VI 64. VII 42-51, Athanasius, de
decr. nic. syn. c. 11, Damascenus, de fide orth. I c. 2. 4. 9. enz.
cf. Harnack D. G. II 119 f. Schwane, Dogm. I 132 II 35, Kattenbusch,
Vergl. Confessionskunde I 310 f., God het ééne, het zijnde, ja het
boven alle zijn verhevene, ὁ ὠν, ὁ ὠν ¡καθ’ἑαυτον, το ὀν, die het zijn
zelf is, die het zijn heeft uit en door zichzelf. En op voetspoor van
Philo werd dit alles afgeleid uit of vastgeknoopt aan den naam van
Ihvh in het O. Test. In het Westen werden deze bepalingen overgenomen.
Augustinus omschrijft God telkens als summum esse, summum bonum,
verum, pulchrum enz. God is eene substantia, want wat geen substantie
is bestaat niet, Enarr. in Ps. 67. Maar, omdat het woord substantie
dikwerf gebruikt wordt in tegenstelling met accidentia, die aan de
substantie zijn en deze tot drager hebben, bezigt Augustinus van God
liever het woord essentia, quam Graeci οὐσιαν vocant en waarvoor ook
wel het woord natura wordt gebruikt, de trin. V 2 VII 5 sq. de civ.
XII, 2. de doctr. chr. I 6. Bij God toch is er geen onderscheid tusschen
substantie en accidentiën; zijn zijn is geen drager der eigenschappen,
maar deze zijn met het zijn zelf identisch. God is het hoogste, beste,
schoonste, volmaaktste zijn, quo esse aut cogitari melius nihil possit,
de lib. arb. II 6. de doctr. chr. I 7. Hij is Deus, supra quem nihil,
extra quem nihil, sine quo nihil est; summa vita, summa veritas, summa
beatitudo, summa sapientia, summa essentia, de civ. XII 2. Solil. I 1.
En ook Augustinus beroept zich voor deze omschrijving Gods op den naam
Ihvh, de trin. V 2. VII 5. de doctr. chr. I 32. Deze zelfde omschrijving
vinden we dan later telkens terug, bij Hilarius, de trin. I c. 1 sq.
Pseudodion., de div. nom. cap. 1. § 6, die echter cap. 4 § 1 uitgaat
van de idee van het goede en c. 5 § 1 zegt, dat deze nog verder zich
uitstrekt dan die van het zijn, Anselmus, Monol. c. 28. Prosl. c. 17 sq.
Lombardus, Sent. I dist. 8. Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 3 en qu. 3.
S. c. Gent. I c. 16 sq. Bonaventura, Brevil. I cap. 2. Sent. I dist.
8. enz. Petavius, Theol. lib. 1 c. 6. Perrone, Prael. theol. II 81-90.
C. Pesch, Prael. II 46-70. Jansen II p. 26-46. Ofschoon dit nu wel het
gewone gevoelen werd, waren er toch, die een ander uitgangspunt kozen.
Zij zochten het hoofdbegrip bij de idee Gods niet in het absolute zijn, in
het esse a se (aseitas), maar in de oneindigheid; en zij omschreven het
wezen Gods daarom liefst als een ens infinitum. Zoo deed Duns Scotus,
die beweerde, dat het zijn univoce, in gelijken zin, aan God en aan het
schepsel kon worden toegekend, maar dat het onderscheidend kenmerk
tusschen God en het schepsel daarin gelegen was, dat God was een ens
infinitum en de schepselen eindig waren, Sent. I dist. 3 qu. 1. en
dist. 8 qu. 3. Voorts waren er nog enkele Thomisten, die meenden, dat
het eigenlijke wezen Gods gelegen was in de intellectueele natuur en
zij omschreven God daarom als ens intelligens, zooals bijv. Gotti, cf.
Perrone, Prael. theol. II p. 82. Kleutgen, Theol. der Vorzeit I² 229.
3. De Hervorming bracht in deze opvatting geen verandering. Men
sloot zich bij de eene of andere omschrijving aan. De Gereformeerden
namen althans in den eersten tijd meest de omschrijving van Augustinus
en Thomas over. Zij gingen uit van het begrip der aseitas of der
independentia en omschreven God dikwerf als een ens independens,
Zwingli, Op. III 155 sq. IV 81 sq. Hyperius, Meth. Theol. p. 87.
Martyr, Loci Comm. p. 39b. Polanus Synt. Theol. lib. II c. 5.
Zanchius, Op. II col. 49 sq. Ursinus, Tract. theol. 1584 p. 46 sq.
Daarnaast komen ook wel de omschrijvingen van God voor als spiritus
increatus, spiritus simplicissimus, spiritus a se ipso existens,
soms nog aangevuld met de trinitarische formule unus essentia, trinus
personis, Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 35 f. Schweizer, Gl. der
ev. ref. K. I 244 f. De Lutherschen gebruikten de definitie essentia
spiritualis infinita, ens spirituale a se subsistens, spiritus
independens, Schmid, Dogm. der ev. luth. K⁶. S. 73-77. Hase, Hutt.
red. § 54. Daarentegen nam het socinianisme een ander standpunt in.
Afziende van alle metaphysische vragen, legde het alleen den nadruk
op den wil Gods. De kennisse Gods bestaat alleen in het weten van zijn
wil. De religie verliest alle mystiek en gaat in cultus op. God komt
hoe langer hoe verder van wereld en menschheid af te staan. In het
remonstrantisme, rationalisme en Engelsche deisme wordt dit voortgezet,
cf. boven bl. 15. 16. Tegen dit koude, moralistische Godsbegrip kwam
wederom reactie van den kant der philosophie. Spinoza greep naar de
idee des zijns terug, vatte God op als substantia unica, infinita,
necessario existens, ens absolute infinitum, absolute causa prima et
immanens, Eth. I prop. 7 sq. en sprak weder van eene liefde Gods,
amor Dei intellectualis, welke de hoogste zaligheid schonk, Eth. V
prop. 15 sq. Wel bleef het rationalisme en deisme ook na Spinoza nog
heerschen, maar omstreeks het midden der 18de eeuw werd men dit hoe
langer hoe meer moede. De groote geesten, Goethe, Lessing, Herder
voelden zich tot Spinoza aangetrokken, en weldra deed zijn pantheisme
intocht in de philosophie. Kant ondermijnde reeds de grondslagen van
het rationalisme, ofschoon hij zich toch nog een deist bleef noemen,
Drews, Die deutsche Spekul. I 104. Fichte ondernam den strijd tegen de
begrippen God en onsterfelijkheid als producten van het eudaemonisme. In
zijn overdreven moralisme was God hem gelijk met het zuivere ik, met de
zedelijke wereldorde; God was geen zijn, geen substantie maar absolutes
Thun, Thätigkeit; zoo in zijne Wissenschaftslehre 1794, Ueber den Grund
unseres Glaubens an eine göttliche Weltregierung 1798, Appellation
an das Publikum 1799. Later kwam hij hiervan gedeeltelijk terug en
sloot zich nauwer bij Spinoza aan, Anweisung zum seligen Leben oder
Religionslehre 1806. Schleiermacher vertoonde nog sterker overeenkomst
met Spinoza. God en wereld zijn correlata, Dialektik S. 162. God is
het Woher unseres empfänglichen und selbsthätigen Daseins, Glaub. I⁵
S. 20. Schelling onderscheidde zich van beiden daardoor, dat hij niet
alleen rekening hield met het geestelijke, religie, moraal maar ook
met de objectieve natuur. Het was zijn doel, om de natuurwetenschap uit
den beklagenswaardigen toestand, waarin zij verkeerde, op te heffen. En
zoo vat hij dan beide, natuur en geest te zamen; de natuur is zichtbare
geest, de geest onzichtbare natuur; hij ziet in beide eene voortdurende,
organische openbaring van het Absolute, dat boven alle tegenstellingen
verheven is, één, eenvoudig, eeuwig, zonder praedikaten, eenheid van
het oneindige en het eindige, van God en wereld, ἑν και παν, Drews,
Die deutsche Spekul. I S. 201 f. Eindelijk werkte Hegel dit stelsel
tot een logisch idealisme om. Natuur en geschiedenis zijn eene logisch
noodwendige zelfontvouwing der idee. Alles is redelijk, alles is
belichaamde gedachte. De rede is dus de absolute substantie, zij is God
zelf. Want God is niets anders dan de ééne, levende, tot zelfbewustzijn
zich ontwikkelende wereldidee. God is dus bij Hegel wel rede, denken,
geest, subject, maar niet in dien zin, dat Hij een eigen leven zou
hebben voor en buiten de wereld. Ohne Welt ist Gott nicht Gott, de
wereld is een wezenlijk moment in het leven Gods, Drews, Die deutsche
Spekul. I 229 f.
4. Ook tegen dit pantheisme bleef de tegenspraak niet uit. Heel een
rij van theistische wijsgeeren stond op, om de onhoudbaarheid van het
pantheisme aan te toonen en het recht van het theisme te handhaven.
Zij zochten hunne sterkte in de idee der absolute persoonlijkheid,
verbonden deze met de idee van het worden, en brachten alzoo in God een
theogonisch proces, hetzij in unitarischen (Jacobi, Herbart, Drobisch,
Rothe, Lotze, Ulrici, Carrière enz.), hetzij in trinitarischen zin
(Baader, Schelling, J. H. Fichte, Weisse, Dorner enz.). Maar ook deze
theistische speculatie heeft haar tijd gehad. Scheiding van theologie
en philosophie, van religie en metaphysica is het wachtwoord geworden.
Eenerzijds trekt de wetenschap zich meer en meer van het terrein der
religie en der theologie terug; ze wordt exact, positief. Andererzijds
zoekt ook de religie zich meer en meer los te maken van de wetenschap
en alle metaphysica en philosophie te bannen. Voor den locus de Deo
heeft dit tengevolge, dat het wezen der Godheid uitsluitend gezocht
wordt in het ethisch goede. De Groninger theologie stelde het
vaderschap en de liefde in God op den voorgrond, Hofstede de Groot, De
Gron. Godg. 1855 bl. 177 v. Scholten ging wel uit van Gods volstrekte
opperheerschappij, L. H. K. II⁴, maar de ethische modernen kwamen tegen
zijn speculatief intellectualisme en monistisch determinisme in verzet,
en vatten God op als Vader, Hoekstra, Des Christens godsvrucht 1866 bl.
103 v. Bronnen en grondslagen 1864 bl. 265 v., als het zedelijk ideaal,
de macht van het goede, heilige macht, Hooykaas, God in de geschiedenis
1870. Hooykaas, H. Herderschee, Oort, Van Hamel, Godsd. volg. de
beginselen der eth. rigting onder de modernen 1876. In Duitschland is
op dezelfde wijze het neokantianisme van Ritschl opgetreden tegen de
speculatieve Vermittelungstheologie. Ritschl ontkent, dat de religie
eene rechtsverhouding is. Volgens Duns Scotus, het socin. en het armin.
is God de onbeperkte machthebber, die echter de menschen toch, ofschoon
ze geen rechten tegenover Hem hebben, met billijkheid behandelt.
Willekeur, dominium absolutum is het wezen Gods en de wet der wereld;
God kan het eene zoo goed doen als het andere. De verhouding tusschen
God en mensch is privaatrechtelijk, en vindt haar beeld in den
slavenhouder, die zijn slaaf billijk behandelt, Rechtf. u. Vers. III²
223-229. Volgens de orthodoxe Protestanten wordt Gods verhouding tot
de wereld bepaald door de gerechtigheid. De mensch heeft op ’t eeuwige
leven recht, als hij Gods wet onderhoudt en verdient anders straf.
Deze theorie is publiekrechtelijk van aard; ze is ontleend aan het O.
Test., vooral aan het pharisaeisme en is door Paulus overgenomen en zoo
in de christ. kerk ingegaan, ib. III² 229-245. Cf. ook zijne studiën
over God, Jahrb. f. d. Theol. 1865 en 1868, thans opnieuw uitgegeven
in Gesammelte Aufsätze, Neue Folge 1896. Maar beide voorstellingen
zijn verkeerd. Recht en religie staan tegenover elkaar. Er mag geen
dualisme in God gebracht worden tusschen gerechtigheid en genade. Heel
het abstracte, areopagitische Godsbegrip moet worden prijs gegeven,
dat God negatief boven de wereld plaatst en geen gemeenschap tusschen
God en den mensch aanneemt, ib. S. 253. De religie is eene zedelijke
verhouding, en het Christendom is de vollendet geistige en absolut
sittliche Religion, ib. III² S. 8 f. De verhouding van God en mensch
vindt haar beeld niet in de relatie van een heer tot zijn knecht of van
de overheid tot hare onderdanen maar in die van een vader tot zijn kind.
De familie is haar voorbeeld, III² 90. God moet daarom als de liefde
worden opgevat; naast haar komt er geen ander begrip van gelijke waarde
in aanmerking, ib. S. 255. Daarvan moet terstond worden uitgegaan.
De christelijke dogmaticus beginne niet naar synthetische methode met
allerlei metaphysische abstracties over God als het Absolute, Theol.
u. Methaph. 12 f. Rechtf. u. Vers. III² 2-8. 32, noch ook met eene
zoogenaamde theologia naturalis die er niet is, III² S. 200 f. Theol.
u. Met. S. 8 f., noch ook met het begrip der persoonlijkheid of met de
eigenschap der heiligheid, III² 255, maar terstond en geheel met de
liefde. Daaruit moet alles, schepping, voorzienigheid, verzoening,
rechtvaardiging enz. worden afgeleid, ib. 255. Theol. u. Met. 20. Cf.
Kaftan, Das Wesen der chr. Relig. S. 383. Herrmann, Die Religion im
Verhältniss zum Welterkennen und zur Sittlichkeit S. 121 f. Gottschick,
Die Kirchlichkeit der s. g. kirchl. Theol. S. 152 f. En zoo is iedere
richting kenbaar aan haar Godsbegrip. Beurtelings wordt God omschreven
als de zijnde, het absolute zijn, substantie; of als de Souverein, de
Heer, het Opperwezen; of als oneindige Geest, absolute causaliteit,
absolute persoonlijkheid; of als de Vader, de liefde, de goedheid enz.
Het valt zoo moeielijk, van de harmonie van al Gods deugden uit te gaan
en deze te handhaven ten einde toe. Ieder mensch is beperkt en legt
op ééne eigenschap ten koste der andere den nadruk, Jansenius zag in
God vooral de waarheid, François de Sales de liefde, Vincentius de
goedheid, Saint Cyran de almacht, Quack, Port-Royal, overdruk uit de
Gids van 1872 bl. 49. En toch is het roeping der theologie, om naar het
voorbeeld der H. Schrift alle deugden Gods gelijkelijk te eeren.
5. Doordat echter de theologie op deze wijze het wezen Gods omschreef
en ééne eigenschap tot hoofdbegrip maakte, liep zij gevaar, om tusschen
het wezen Gods en de later daarbij komende eigenschappen onderscheid
te maken. Zij kon daarbij natuurlijk niet den weg van het polytheisme
inslaan, dat van de verschillende eigenschappen, gelijk die in de
schepselen openbaar werden, zoovele goddelijke personen maakte. Ook
Plato gaf aan de ideeën, als archetypen der reëele dingen, een
eigen, zelfstandig bestaan naast God. Het gnosticisme omschreef God
als het onkenbare en onnoembare, maar maakte de Platonische ideeën
tot aeonen, die uit God emaneerden en in dalende reeks van God zich
verwijderden. Zij heetten ἐννοια, νους, λογος, ζωη, σοφια enz. en
waren de gepersonificeerde, uit God emaneerende, als goddelijke wezens
voorgestelde eigenschappen Gods, Iren. adv. haer. I 11. 24. Philo
stelde onder Plato’s invloed menigmaal de goddelijke krachten, vooral de
goedheid, de macht en den logos als hypostasen voor, Zeller, Philos.
der Gr. V³ S. 358 f. De joodsche theologie nam verschillende hypostasen
aan, zooals metatron, memra, schechina, ruach, bath kol, Weber, System
der altsyn. pal. Theol. S. 172; en in de kabbala werden de tien
sefiroth of eigenschappen Gods menigmaal beschreven als emanaties uit
het Goddelijk wezen, Franck, La Kabbale ou la philos. religieuse des
Hébreux, Paris Hachette 1873. Ueberweg, Gesch. der Philos. II § 27.
Herzog² 7, 375 f. Dr. Th. Bloch, Gesch. der Entw. der Kabbala u. der
jüd. Rel. Philos. Trier Mayer 1894. Ook later heeft deze gnostische en
kabbalistische philosophie nog dikwerf grooten invloed geoefend. In
het arianisme werkte nog iets van dit gnosticisme na, in zoover het
eene gradatie aannam onder de Goddelijke personen. Het monotheisme, niet
meer door de leer der triniteit gesteund en gehandhaafd, gaat licht
in polytheisme over. Wij vernemen het dagelijks, dat staat, wetenschap,
kunst, fortuin, toeval, noodlot enz. door velen als zelfstandige
machten naast en in de plaats van God worden beschouwd en vereerd.
Al ging nu de christelijke theologie zoover niet, zij maakte toch spoedig
onderscheid tusschen Gods wezen en eigenschappen. De kerkvaders
spraken reeds lang van het wezen Gods in onderscheiding van de drie
personen, maar langzamerhand werd ook het woord wezen tegengesteld aan
zijne eigenschappen. Vooral door den strijd tegen Eunomius kwam deze
onderscheiding op. Eunomius in zijn liber apologeticus sprak telkens
uit, dat de namen eene aanduiding waren van het wezen der zaak, τας
προσηγοριας εἰναι των οὐσιων σημαντικας, ib. c. 18. Bibl. patr.
gr. dogm. ed. Thilo II p. 598. Daartegenover beweerden Basilius en
Gregorius Nyss., dat er geen enkele naam was, die Gods wezen uitdrukte,
maar dat er toch wel vele ὀνοματα, ἰδιωματα, ἐννοιαι, νοηματα,
ἀξιωματα waren, waardoor χαρακτηρ τις ἡμιν ἐγγινεται του θεου, Bibl.
patr. gr. dogm. II p. 42. En Greg. Nyss. sprak van οὐσια Gods als
το ἱποκειμενον en van ποιοτητες of ἰδιωματων διαφοραι in betrekking
tot dat wezen, Diekamp, Die Gotteslehre des h. Gregor. van Nyssa,
Münster 1896 I 190 f. Zoodra deze onderscheiding opkwam, moest wel
de vraag worden gedaan, wat tot het wezen en wat tot de eigenschappen
behoorde. Daarmede werd de goede weg verlaten. Als de kerkvaders bij
de beschrijving Gods uitgingen van den naam Ihvh en Hem omschreven als
het zijn, dan hadden zij daarmee niet het wezen Gods in onderscheiding
van zijne eigenschappen op het oog, maar het gansche wezen Gods gelijk
het zich openbaart in zijne eigenschappen. Het zijn, dat Gode werd
toegeschreven, was dus geen abstractum, maar een levend, oneindigvol,
concreet zijn, een summum esse, dat terstond en in eens met summa vita,
summa veritas, summa sapientia, summus amor enz. identisch was, gelijk
Augustinus telkens zeide, een πελαγος οὐσιας ἀπειρον και ἀοριστον, mare
substantiae infinitum et interminatum, Greg. Naz. Or. 38. Damasc., de
fide orth. I 9. De omschrijving Gods als essentia gaf te kennen, dat Hij
het inbegrip was van alle realiteit, en volstrekt niet, dat Hij was het
abstracte zijn, in den philosophischen zin van dat woord. Baur, Gesch.
der Lehre von der Dreiein. II 644 f., en Ritschl in zijne studiën over
God, Jahrb. f. d. Theol. 1865 S. 275-318. 1868 S. 67-133 en S. 251-302
hebben dit verschil niet genoeg in het oog gehouden. Ook bij Basilius en
Gregorius Nyss. diende de onderscheiding van wezen en eigenschappen nog
voornamelijk, om tegenover Eunomius de onbegrijpelijkheid van Gods wezen
te handhaven.
6. Maar toen de leer van de onbegrijpelijkheid Gods later op den
achtergrond kwam te staan, kreeg de onderscheiding van wezen en
eigenschappen eene andere beteekenis. Gelijk in de schepselen tusschen
hunne substantie en hunne eigenschappen, zoo maakte men ook bij God
onderscheid tusschen zijn wezen en zijne volmaaktheden. Dit leidde echter
tot allerlei moeilijkheden. Vooreerst kwam men in strijd met eigen
uitgangspunt. Het was de eenstemmige leer der gansche christelijke
kerk en theologie, dat Gods wezen an sich onkenbaar was, dat er geen
naam en geen definitie van te geven was en dat God alleen uit zijne
openbaring, bij zijn eigen licht, gekend kon worden. Daarmede nam de
theologie van den beginne aan een positief standpunt in en sneed ze
alle wijsgeerige speculatie bij den wortel af. Nu echter haalde zij
ongemerkt de philosophie weer binnen. Het wezen Gods was onderscheiden
van zijne eigenschappen. Van dat wezen kon en moest dus ook iets gezegd
worden buiten de eigenschappen om. De onbegrijpelijkheid Gods werd
metterdaad verloochend. Maar er was meer. Deze onderscheiding tusschen
Gods wezen en eigenschappen bracht mede, dat dat wezen niet dan in
zeer afgetrokken termen omschreven kon worden, als ens spirituale, ens
infinitum, ens absolutum, zonder verdere praedikaten. Dat mocht nu
eene philosophische definitie zijn, maar dat was het christelijk, het
bijbelsch Godsbegrip niet meer. Zoo trad God ons nooit in de Schrift
tegemoet. Het theologisch en het philosophisch Godsbegrip geleken
wonderwel op elkaar. De eerste hoofdstukken der christelijke dogmatiek
gaven een schema van begrippen, dat al te zeer aan Plato en Aristoteles
was ontleend en dat dan later door christelijke ideeën werd aangevuld.
Vooral toen in deze eeuw de theologie de idee van het Absolute van
de philosophie overnam, kwam de vermenging van beide duidelijk uit.
Het is de verdienste van Ritschl, dat hij dat ingezien heeft. Hij had
volkomen gelijk, als hij eischte, dat de dogmatiek aanstonds van het
christelijk Godsbegrip zou uitgaan. Alleen maakte ook hij zich weer
aan eenzijdigheid schuldig, als hij op grond daarvan eischte, dat God
alleen mocht opgevat worden als de liefde. In de Schrift, die in haar
geheel en niet maar voor een deel, bijv. de evangeliën, de woorden
van Jezus, de bergrede, het principium is der dogmatiek, treedt God
in eene volheid van eigenschappen ons tegemoet. En het is eisch der
dogmatiek, niet van ééne maar van alle deugden Gods gelijkelijk uit te
gaan. Dan eerst komt er harmonie in onze kennisse Gods en alzoo ook in
heel onze leer en in heel ons leven. Verder kwam de onjuistheid van
die onderscheiding tusschen wezen en eigenschappen daarin uit, dat zij,
eerst aangenomen, toch terstond weer herroepen werd. Door de leer van
de simplicitas Dei toch was de christelijke theologie gevrijwaard voor
de dwaling, om een essentieel verschil tusschen beide aan te nemen. Zij
zeide over het algemeen, dat er geen onderscheid was. Elke eigenschap
is Gods wezen. God is wat Hij heeft. Bij schepselen is er onderscheid
tusschen wat ze zijn en wat ze hebben; een mensch is nog mensch, ook al
heeft hij het beeld Gods verloren en al is hij zondaar geworden. Maar in
God zijn alle eigenschappen zijn wezen zelf. God is geheel licht, geheel
verstand, geheel wijsheid, geheel logos, geheel geest enz. Iren. adv.
haer. II 28 IV 11. In God is het esse quod sapere, quod bonum esse,
quod potentem esse. Una eademque res dicitur sive dicatur aeternus
Deus sive immortalis sive bonus sive justus enz., August., de trin.
VI 7. Damascenus, I 9. Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 3. Heppe, Dogm.
der ev. ref. K. 42. 51-53. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 81. God
is alles saam tegelijk en geheel. Deus habet nullas proprietates sed
mera est essentia. Proprietates Dei sunt realiter ipsamet Dei essentia
nec ab essentia Dei nec inter se re ipsa differunt. Dit alles was goed
en schoon gezegd. Alleen, waarom eene onderscheiding gemaakt, die
terstond weer te niet gedaan werd en straks nog eens bij de leer der
simplicitas Dei in haar onjuistheid werd aangetoond? Erger was, dat
anderen, uitgaande van de door allen erkende onderscheiding tusschen
wezen en eigenschappen, nu ook naar een objectief en reëel onderscheid
zochten, en dus de eigenschappen tegenover het wezen min of meer
verzelfstandigden. Zoo maakte Gilbert Porretanus onderscheid tusschen
het wezen, de natuur Gods, de divinitas en God, Deus; de divinitas was
de forma, waardoor God God is, maar niet zelve God, Divinitate Deus est
sed divinitas non est Deus, Petavius, de Deo I cap. 8, art. Herzog²
5, 168. Duns Scotus ontkende wel dat er eene distinctio realis was
tusschen wezen en eigenschappen, maar zeide toch, dat de attributen
van Gods wezen en van elkander formaliter onderscheiden waren, met
beroep op Damascenus en Augustinus, Sent. I dist. 8 qu. 4 n. 17 sq. Het
socinianisme sprak van accidentia in God en achtte eene verschillende
opvatting en beschrijving der eigenschappen voor het subject
noodzakelijk, Fock, Der Socin. S. 427. Velen zijn nog verder gegaan en
hebben zelfs een objectief onderscheid in God aangenomen, ten koste
van de eenvoudigheid en de onveranderlijkheid Gods, Rothe, Theol. Ethik
§ 38. Martensen, Chr. Dogm. § 85. Vilmar, Dogm. I 190 f. Dorner, Chr.
Glaub. I 181 f. Thomasius, Christi Person u. Werk I³ 34 f. Hodge, Syst.
Theol. I 371-374. Oosterzee, Chr. Dogm. § 47. Op deze lijn voortgaande,
behandelde Doedes eerst die bepalingen, welke met de idee God vanzelf
zijn gegeven, zooals eenheid, mededeelbaarheid, onvergelijkbaarheid,
onbegrijpelijkheid, zelfstandigheid enz., en vervolgens de eigenschappen,
die nu bovendien aan dat Goddelijke wezen toekomen, en slechts vijf in
getal zijn, almacht, wijsheid, goedheid, liefde, heiligheid. De Roomsche
theoloog C. Pesch spreekt evenzoo van attributa, substantiae divinae
_superaddita_, Praelect. theol. II 72. Het sterkst komt het nadeel der
scheiding uit bij F. A. B. Nitzsch, die eerst het wezen Gods behandelt
met de aseitas, heiligheid, eenheid enz., Ev. Dogm. S. 351-367, dan de
werken der schepping S. 367-396 en daarna eerst de eigenschappen naar
de indeeling van Schleiermacher, S. 396-423.
Om deze redenen is de onderscheiding tusschen wezen en eigenschappen
niet goed te keuren. Natuurlijk wordt daarmede niet ontkend, dat God
een wezen, eene substantie is, noch ook het gebruik van het woord
wezen afgekeurd; bij de leer der triniteit is het zelfs onmisbaar. Maar
de verwerping der onderscheiding bedoelt, dat het wezen Gods in geen
enkel opzicht kenbaar is buiten de eigenschappen om, en dat er geen
indeeling mag gegeven worden, die sommige eigenschappen doet voorkomen
als met het wezen gegeven en andere als daaraan toegevoegd. Terecht
heeft daarom de christelijke theologie ten allen tijde geleerd, dat de
eigenschappen met het wezen Gods identisch zijn. Elke eigenschap is het
Goddelijk wezen zelf. Daarom is het onmogelijk, om met ééne eigenschap of
één naam heel het wezen Gods te beschrijven, zooals dat dikwerf beproefd
is, bijv. met de idee van absolute persoonlijkheid of van de liefde. De
liefde is in geen meerdere of mindere mate eene eigenschap Gods en
eene beschrijving van zijn wezen, als elke andere deugd of volmaaktheid.
Zij staat met alle eigenschappen op gelijke lijn, gelijk ook Nitzsch, Ev.
Dogm. S. 351 f. terecht opmerkt. Of God nu nog meer deugden heeft,
dan die Hij in schepping en heerschappij ons openbaart, kan eene open
vraag blijven. Spinoza zeide dat eene substantie, naarmate ze meer
realiteit had, ook meer attributen bezat, Eth. I prop. 9, en dat God
als de oneindige substantie daarom ook oneindig vele attributen had,
ib. prop. 11, ofschoon er ons slechts twee, denken en uitgebreidheid,
bekend zijn. En Reinhard, Dogm. S. 100 vond het zeer waarschijnlijk, dat
Gott eine Menge von Eigenschaften besitzen könne, wovon wir gar keinen
Begriff haben, weil die unendliche Vollkommenheit in so eingeschränkten
Geschöpfen, wie wir sind, unmöglich alle Aehnlichkeiten mit sich hat
vereinigen können, cf. ook L. Meijer, Verhandelingen over de goddelijke
eigenschappen, Gron. 1783 I 186 v. Maar hoe dit zij, roeping der
dogmatiek is het, om de harmonische eenheid te laten zien van al de
deugden, welke God in zijne werken heeft ten toon gespreid.
7. Indien er alzoo geen onderscheid is te maken tusschen wezen en
eigenschappen, wijl iedere eigenschap het wezen Gods zelf is, dan volgt
daaruit nog niet, dat het onderscheid ook tusschen de eigenschappen
onderling slechts nominaal is en subjectief, zonder eenigen grond in de
werkelijkheid. Velen hebben echter zoo geoordeeld. Aëtius en Eunomius
redeneerden aldus: God is eenvoudig en zonder eenige samenstelling;
wat in Hem is of van Hem uitgesproken wordt, kan van zijn wezen niet
verschillen; goedheid, wijsheid, macht enz., vooral de ἀγεννησια, zijn
noch realiter noch in onze gedachte van het wezen onderscheiden;
wie dus ééne eigenschap, bijv. de agennesie noemt, drukt daarmede
het gansche Goddelijke wezen uit; de Zoon kan daarom ook geen God
zijn gelijk de Vader; zie Eunomius, Liber apologeticus, Bibl. patr.
gr. dogm. ed. Thilo II 581-615. In de Middeleeuwen kwamen velen tot
eenzelfde gedachte. De volmaaktheden Gods zijn noch virtualiter noch
formaliter (Duns Scotus) van ’t wezen en van elkander onderscheiden,
maar alleen in naam. Het begrip der eene is vervat in dat der andere,
involvitur unum in altero. Wie God goed noemt, noemt Hem daarin tegelijk
rechtvaardig, machtig enz., Stöckl., Phil. des M. A. II 968. Ook in
de arabische en joodsche philosophie komt deze subjectieve opvatting
van Gods eigenschappen voor, Stöckl., ib. 18. 27. 60. 88. 268 f.,
Kaufmann, Gesch. der Attributenlehre in der jüd. Rel. Philos. des M.
A. von Saadja bis Maimuni 1877. Spinoza verstond onder attribuut id
quod intellectus de substantia percipit tanquam ejusdem essentiam
constituens, Eth. I def. 4. Al naar gelang de nadruk op het eerste of
tweede gedeelte dezer definitie gelegd wordt, loopt het oordeel uiteen,
of Spinoza de attributen beschouwde als subjectieve opvattingen van
’t verstand of als objectieve, reëele eigenschappen der substantie,
Falckenberg, Gesch. d. neuern Philos. S. 90. Het pantheisme, dat door
hem in de philosophie ingang vond, heeft geen plaats meer voor de
eigenschappen Gods. God heeft geen van de wereld onderscheiden zijn,
geen eigen leven meer. Zijne eigenschappen zijn met de wetten der wereld
identisch, Strauss, Gl. I 613. Schleiermacher omschreef ze dan ook
geheel subjectief, als etwas Besonderes in der Art, das schlechthinige
Abhängigkeitsgefühl auf Gott zu beziehen; haar oorsprong ligt in de
religieuse Dichtung, zij zijn zonder speculatieven inhoud, zij drukken
noch Gods wezen uit dat onkenbaar is noch zijne relatiën tot de wereld,
wijl God dan in velerlei verhoudingen tot de wereld moest staan; ze zijn
eenvoudig subjectieve opvattingen, zonder objectieven grond. En hij
behandelde de leer der eigenschappen daarom ook niet afzonderlijk maar
door heel de dogmatiek heen, Chr. Gl. § 50.
Tegen deze opvatting der namen Gods is nu op grond van Gods openbaring
vast te houden, dat zeer zeker iedere eigenschap identisch is met
het Goddelijk wezen, maar dat daarom de eigenschappen toch nog wel
onderscheiden zijn. Basilius en Gregorius van Nyssa leerden zoo in hunne
geschriften tegen Eunomius. Zij zeiden eenerzijds, dat de attributen niet
reëel, τω πραγματι verschilden, wijl God eenvoudig was en boven alle
samenstelling verheven, maar ter andere zijde, dat ze toch niet alleen
in naam, λογῳ onderscheiden waren. Deze beide uitersten vermijdende,
oordeelden zij, dat de namen Gods κατ’ ἐπινοιαν verschilden, dat wij
in ons verstand verschillende ἐννοιαι, ἐπινοιαι, ἐπενθυμησεις hadden
van het ééne en zelfde Goddelijk wezen, en dat wij bij de verschillende
attributen, zooals goedheid, wijsheid enz. dus niet maar verschillende
namen gebruikten, maar daarbij werkelijk ook iets verschillends dachten.
De begrippen, die wij in de namen Gods leggen, zijn dus onderling
onderscheiden. De namen Gods mochten dus niet met elkander worden
vermengd of verward; ze konden ieder op zichzelf worden beschouwd.
Zoo was God zeer zeker identisch met de eigenschappen divinitas,
bonitas, sapientia, paternitas, filietas enz., maar daarom zijn deze
onderling niet in conceptie gelijk. De eene eigenschap is dus niet zoo
geinvolveerd in de andere, dat wij de eene niet kunnen denken zonder
de andere; maar iedere eigenschap drukt iets bijzonders uit, Petavius,
I c. 7-10. Schwane, Dogmengesch. II² S. 19-31. Augustinus spreekt nog
sterker uit, dat iedere eigenschap Gods wezen en in zoover met elke
andere eigenschap identisch is. Quidquid enim secundum qualitates,
nl. van God, dici videtur. secundum substantiam vel essentiam est
intelligendum, de trin. XV 5. Deo autem hoc est esse, quod est fortem
esse aut justum esse aut sapientem esse etc., de trin. VI, 4, cf.
boven bl. 89. Ook de eigenschappen zijn onderling niet verschillend,
quae justitia ipsa bonitas et quae bonitas ipsa beatitudo, de trin.
XV 8. Eadem magnitudo ejus est, quae sapientia, non enim mole magnus
est sed virtute; et eadem bonitas quae sapientia et magnitudo et
eadem veritas quae illa omnia; et non est ibi aliud beatum esse et
aliud magnum aut sapientem aut verum, aut bonum esse aut omnino ipsum
esse, de trin. VI 6. Ja, hij zegt uitdrukkelijk, dat deze praedicamenta
of qualitates van God gebezigd, eigenlijk affectiones zijn van onzen
geest; quidquid horum de Deo dicis, neque aliud et aliud intelligitur
et nihil digne dicitur, quia haec _animarum_ sunt, quas illa lux
perfundit quodam modo et pro suis qualitatibus afficit, quomodo cum
oritur corporibus lux ista visibilis. Si auferatur, unus est corporibus
omnibus color, qui potius dicendus est nullus color. Cum autem illata
illustraverit corpora, quamvis ipsa unius modi sit, pro diversis tamen
corporum qualitatibus diverso eos nitore adspergit. Ergo _animarum_
sunt istae affectiones, quae bene sunt affectae ab illa luce quae
non afficitur et formatae ab illa quae non formatur, Serm. 341 n. 8.
Maar hoe sterk Augustinus hier spreekt, hij handhaaft niettemin ten
volle, dat al deze praedicamenta terecht en naar waarheid van God
gebezigd worden. God is dat alles wat Hij heeft en wat in de namen
Hem toegeschreven wordt. Het is er Augustinus bij deze simplicitas
Dei niet om te doen om God iets te ontnemen, maar integendeel om Hem
altijd op te vatten in de volheid van zijn zijn. Daarom spreekt hij ook
van de simplex multiplicitas of multiplex simplicitas in God, de trin.
VI 4 en noemt hij Gods wijsheid simpliciter multiplex et uniformiter
multiformis, de civ. XII 18. In later tijd werd de onderscheiding der
ratio ratiocinans en der ratio ratiocinata gebezigd, om de moeilijkheid,
die zich bij de leer der eigenschappen voordeed, tot eenige oplossing
te brengen. Het onderscheid der eigenschappen mocht eenerzijds niets
tekort doen aan de eenheid, de eenvoudigheid, de onveranderlijkheid
van Gods wezen, en kon toch andererzijds ook niet opgevat worden als
eene subjectieve, willekeurige en onware vinding van den mensch. En
daarom werd terecht gezegd, dat dit onderscheid gegrond was in Gods
openbaring zelve. Immers wij zijn het niet, die God alzoo noemen. Wij
vinden die namen niet uit. Integendeel, indien het van ons afhing,
wij zouden van Hem zwijgen, Hem trachten te vergeten en al zijne namen
ontkennen. Wij hebben aan de kennis zijner wegen geen lust. Wij komen
telkens tegen al zijne namen in verzet, tegen zijne onafhankelijkheid,
zijne souvereiniteit, zijne gerechtigheid, zijne liefde, en wij komen in
opstand tegen al zijne volmaaktheden. Maar het is God zelf, die al
zijne deugden openbaart en ons zijne namen op de lippen legt. Hij geeft
zichzelf zijne namen en handhaaft die trots onzen tegenstand. Het is
tot weinig nut, of wij zijne gerechtigheid loochenen; Hij toont ze ons
iederen dag in de geschiedenis. En zoo is het met alle deugden. Onzes
ondanks brengt Hij ze tot openbaring. Het einddoel van al zijne wegen
is, dat zijn naam schittere in al zijne werken en op aller voorhoofd
geschreven sta, Op. 22:4. Daarom kunnen wij Hem niet anders noemen dan
met de vele namen, die zijne openbaring zelve ons aan de hand doet. Met
de eenvoudigheid Gods is dit onderscheid der eigenschappen ook niet in
tegenspraak. Want de simplicitas duidt God niet aan als een abstract
begrip, als het absolute, het zijnde, de idee enz., maar geeft juist te
kennen, dat Hij is eene absolute volheid van zijn. En daarom kan God aan
eindige schepselen zich niet anders dan onder vele namen openbaren. Het
Goddelijk wezen is zoo oneindig rijk, dat geen schepsel het in eens kan
overzien. Gelijk een kind de waarde van een groot geldstuk zich niet
voorstellen kan maar er dan eerst eenig besef van krijgt, wanneer het
in een aantal kleinere munten wordt uiteengelegd, zoo ook kunnen wij
van de oneindige volheid van Gods wezen geen denkbeeld vormen, tenzij
zij telkens in eene andere verhouding en onder een ander gezichtspunt
zich aan ons openbaart, Augustinus, tract. 13 in Ev. Joan. Martyr, Loci
p. 39. Moor, Comm. I 582 enz. God blijft eeuwig en onveranderlijk één
en dezelfde, maar de relatie verschilt, waarin Hij tot zijne schepselen
staat en deze staan tot Hem. Het licht blijft hetzelfde, ook al breekt
het in verschillende kleuren, (Augustinus). Het vuur verandert niet,
of het verwarmt, verlicht of verbrandt, (Mozes Maimonides). En koren
blijft koren, al noemen wij het naar de verschillende relaties nu eens
vrucht, dan zaad, dan voedsel, (Basilius). God wordt verschillend
genoemd, om de varii effectus, die Hij door zijn altijd ééne en zelfde
wezen in de schepselen teweeg brengt. Daarbij dient herinnerd, dat God
in zoo verschillende eigenschappen optreden en met zoo verschillende
namen genoemd worden kan, wijl er verwantschap is tusschen Hem en zijne
schepselen. Indien deze niet bestond, waren alle namen onwaar. Maar
nu is er in de schepselen analogie van wat in God zelven aanwezig
is. De namen duiden God niet maar aan als oorzaak der dingen, doch
ze geven, hoe zwak en gebrekkig ook, toch eenige conceptie van het
Goddelijk wezen. Zoo spreken wij, God met al deze namen aanduidende,
wel onvolmaakt, eindig, beperkt, menschelijk, maar toch niet valsch en
onwaar. Want ofschoon weten en willen, gerechtigheid en genade in God
één en altijd hetzelfde volle gansche wezen zijn, toch spreidt God dat
ééne rijke wezen in deze vele deugden als het ware na en naast elkaar
voor onze oogen uit. Al is het steeds hetzelfde wezen, dat in die namen
ons tegenkomt, in elken naam wordt ons eene bevatting geschonken van
wat waarlijk dat wezen in oneindige volheid is. In God moge naar het
wezen heiligheid en barmhartigheid hetzelfde zijn, onze conceptie van
beide, uit Gods eigen openbaring gevormd, is toch verschillende. Er is
geen naam, die Gods wezen adaequaat uitdrukken kan; zoo doen dan vele
namen dienst, om ons een indruk te geven van zijne alles te boven gaande
grootheid. Cf. behalve de genoemden, Damascenus, de fide orth. I c.
10. Thomas, S. Theol. I qu. 3. art. 3 qu. 13 art. 4. c. Gent. I c. 5.
Sent. I dist. 2. qu. 1 art. 2. Petavius, de Deo I cap. 7-13. C. Pesch,
Praelect. dogm. II 71-76. Zanchius, Op. II 49 sq. Polanus, Synt. theol.
lib. 2. c. 7. Voetius, Disp. I 233 sq. Heppe, Dogm. der ev. ref. K.
51-53. Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 18.
8. Gelijk boven reeds gezegd is, werd in den eersten tijd, alles wat
van God gedacht en gesproken kon worden, samengevat onder zijne
namen. Maar de rijkdom der stof maakte ordening noodzakelijk. Er kwam
al dadelijk eenige begrenzing, doordat de term namen allengs voor de
nomina propria, God, Heere enz. in gebruik kwam. Vervolgens werd de
leer der triniteit spoedig afzonderlijk behandeld, hetzij vóór of na
de zoogenaamde eigenschappen, en in eene geheel eigene terminologie.
Voorts bracht de onderscheiding van wezen en eigenschappen mede,
dat het eerste van de laatste werd afgezonderd, en de leer der
eigenschappen dus alleen kwam te staan. De indeeling, die nu voor
deze eigenschappen het meest voor de hand lag en die ook de oudste en
eerste is, was die in negatieve en positieve namen. Zoodra men toch
ging nadenken over de wijze waarop men aan die namen gekomen was, zag
men in dat ze of via negationis of via eminentiae en causalitatis uit
de schepselen verkregen waren. Wij vinden deze indeeling of althans
deze tweeërlei resp. drieërlei wijze, om God te leeren kennen, reeds
bij Philo en Plotinus, Zeller, Philos. der Gr. S. 355 f. 483. cf.
ook Herzog² 10, 521. Bij de kerkvaders was God zoowel onkenbaar als
kenbaar, onkenbaar naar zijn wezen, kenbaar naar zijne openbaring; er kon
eenerzijds alleen van God gezegd worden wat Hij niet is, maar anderzijds
kon toch op gebrekkige en inadaequate wijze iets positiefs van Hem
worden gepraediceerd. Pseudodionysius, de myst. theol. I 2, Damascenus,
de fide orth. I 2. 4, Erigena, de div. nat. I 78 werkten deze gedachte
bepaald tot eene indeeling uit, tot eene tweeërlei theologie, de apo-
en de kataphatische. Eerstgenoemde duidt de drie wegen met zooveel
woorden aan, als hij zegt dat wij tot kennis Gods komen ἐν τῃ παντων
ἀφαιρεσει και ὑπεροχῃ και εν τῃ παντων αἰτιᾳ, de div. nom. c. 7 § 3.
En de scholastiek ging spreken van drie viae, waarop men tot kennis
Gods kwam, via negationis, eminentiae en causalitatis, vooral sedert
Durandus de S. Porciano. Deze drie viae werden tot in den nieuwsten
tijd toe in de dogmatiek erkend. Roomschen, Lutherschen, Gereformeerden
hebben ze allen overgenomen en soms breedvoerig behandeld. Maar ze zijn
ook meermalen scherp gecritiseerd. Spinoza verwierp de via eminentiae
met de opmerking, dat een driehoek, indien hij spreken kon, zeggen zou
Deum eminenter triangularem esse, Epist. 60, cf. Xenophanes bij Zeller,
Philos. d. Gr. I 490. Kant meende, dat de causaliteitsweg alleen
bewandeld kon worden binnen den kring der phaenomena. Schleiermacher
keurde de via negationis en eminentiae af en behield alleen de via
causalitatis, Chr. Gl. § 50. 51. cf. verder Twesten II 30 f. Strauss,
Gl. I 536 f. Bruch, Lehre v. d. göttl. Eigensch. 83 f. Dorner I 188 f.
Vilmar I 190. Doedes, L. v. God 208. Frank, Syst. d. chr. Wahrh. I²
228. Lange, Dogm. II 42 f. Hodge, I 339. Wichelhaus, Die Lehre der H.
Schrift vom Worte Gottes u. s. w. 1892 S. 332 f. enz. Nu is het zeker
waar, dat de namen Gods al lang bestonden voordat deze drie viae zijn
uitgedacht, dat deze eerst later uit reflectie over de namen geboren
zijn, dat de via eminentiae en causalitatis eigenlijk één zijn en zoo
samen als via positionis tegenover de via negationis kunnen gesteld
worden; maar het is toch even zeker, dat er geen kennis van God is
dan uit de schepselen, dat alle namen Gods aan de schepselen ontleend
zijn, en dat al die namen òf iets in God ontkennen òf iets op volmaakte
wijze in God stellen van datgene, wat in schepselen is. Alleen mag
daarbij nimmer vergeten, dat de ratio cognoscendi niet identisch is
met de ratio essendi. In werkelijkheid is niet het schepsel maar God
de eerste. Hij is archetype, het schepsel is ectype. In Hem is alles
oorspronkelijk, absoluut, in de schepselen is alles afgeleid, relatief.
God wordt daarom eigenlijk niet genoemd naar hetgeen in schepselen is,
maar schepselen worden genoemd naar hetgeen in God bestaat, cf. boven
bl. 74 v. Dit in het oog houdende, kan men toch zeggen, dat ook de H.
Schrift deze beide wegen bewandelt. En ieder die over God denken en
spreken wil, doet dat naar de negatieve of positieve verhouding, waarin
God staat tot de wereld, F. A. B. Nitzsch, Ev. Dogm. S. 400. Hieraan
is het zeker ook toe te schrijven, dat de indeeling der namen Gods in
negatieve en positieve zoo spoedig opkwam, zoo algemeen ingang vond,
en feitelijk aan alle andere later opgekomen indeelingen ten grondslag
ligt. Deze indeeling is reeds te vinden bij Philo, Plotinus en de
kerkvaders, en wordt dan gebezigd door Damascenus, de fide orthod. I
c. 4. 9. 12. Anselmus, Monol. c. 15. Prosl. c. 5. 6. Thomas, S. Theol.
I qu. 13 art. 2. Petavius, Theol. dogm. I c. 5. Perrone, Prael. theol.
II p. 91 enz. Bij de Roomschen is deze indeeling de meest gewone,
ofschoon ook enkele Geref. en Lutherschen haar hebben overgenomen. In
die indeeling worden dan nog wel andere onderscheidingen aangebracht.
Augustinus, serm. 38 de tempore maakte al de opmerking, dat sommige
namen van God proprie, andere metaphorice en weer andere relative
werden gebezigd. Dienovereenkomstig werden de nomina negativa wederom
verdeeld in zuiver negatieve en relatieve, en de nomina positiva
in propria en metaphorica, Thomas I qu. 13 art. 2 en 3. Naast deze
indeeling in negatieve en positieve eigenschappen kwam nog eene
andere op. Reeds Plato leerde dat God goed is door zichzelf, maar de
schepselen alleen door μετοχη. In de christelijke theologie heeft deze
gedachte, vooral bij Augustinus, rijpe vruchten gedragen. Tegenover het
pantheisme werd vastgehouden, dat Gods wezen onmededeelbaar en de ziel
geen pars Dei was, Thomas, S. Theol. I qu. 90 art. 1. Zanchius, Op.
II col. 53 sq. Maar er werd tevens geleerd, dat alle schepselen Gode
verwant waren en dat inzonderheid de mensch zijn beeld en gelijkenis
was. Er was analogie tusschen Creator en creatura. Dit leidde tot de
indeeling van attributa communicabilia en incommunicabilia. Deze beide
namen waren eerst al in gebruik in de leer der triniteit, want het
wezen Gods, de deitas, was communicabilis, immers door den Vader in de
generatie medegedeeld aan den Zoon, maar de personen en de personeele
eigenschappen, bijv. de paternitas, waren incommunicabiles, Pseudodion.,
de div. nom. cap. 2 § 5. Bonaventura, Brevil. I c. 4. Id. Sent. I
dist. 27 p. 1 art. 1 qu. 3 enz. Van daar werden deze beide namen ook
in de leer der eigenschappen overgenomen om beide Gods transcendentie
en Gods immanentie te handhaven, Anselmus, Monol. c. 15. Thomas, S.
Theol. I qu. 13 art. 9. 10. Deze indeeling vond nu vooral ingang bij
de Gereformeerde theologen, zonder twijfel mede daarom, dat ze eene
geschikte gelegenheid bood, om de ubiquiteitsleer der Lutherschen te
bestrijden, Sohnius, Op. I 97. Zanchius, Op. II col. 50-51. Polanus,
Synt. Theol. lib. II c. 7 en 14. Mastricht, II 5, 12 enz., en thans nog
bij Shedd, Dogm. Theol. I 337 en Gravemeyer, Geref. Geloofsleer, 3e stuk
bl. 62 enz. Toch geven allen toe, dat de mededeelbare eigenschappen
in absoluten zin, gelijk ze in God zijn, even onmededeelbaar zijn als de
andere, cf. Heppe, Dogm. der ev. ref. K. S. 52 f. De Lutherschen gaven
meest de voorkeur aan eene andere indeeling, nl. die in attributa
quiescentia en operativa, of immanentia en extra se exserentia, welke
mede ter verdediging van de leer der communicatio idiomatum werd
aangewend, Schmid, Dogm. der ev. luth. K. S. 78. Onder de eerste
groep (negatieve, onmededeelbare, metaphysische, quiescente) werden
dan gewoonlijk behandeld de eigenschappen der eenheid, eenvoudigheid,
onafhankelijkheid, onveranderlijkheid, eeuwigheid, alomtegenwoordigheid.
De tweede groep (positieve, mededeelbare, operatieve, persoonlijke)
werd meest weer ingedeeld in eigenschappen van verstand, wil en macht.
De indeeling in eigenschappen van het zijn, van verstand en van wil bij
Bretschneider I 480, Thomasius I 14 f. Vilmar I 195, Oosterzee § 47,
cf. Frank I 232 f. Philippi II 23, waaraan Hase, Lehrb. S. 271 nog die
van het gevoel toevoegt, wijkt van de bovengenoemde indeelingen slechts
weinig af. Daarentegen gaat de indeeling van Schleiermacher van een
ander standpunt uit. De eigenschappen zijn bij hem slechts subjectieve
opvattingen en alleen gegrond in de ratio ratiocinans. En zoo deelt
hij ze in, naar de verhouding Gods tot wereld, zonde en verlossing, in
zulke die in het afhankelijksgevoel aanwezig zijn, als de tegenstelling
der zonde daarin nog niet is opgekomen (eeuw. alomt. alm. alwet.),
als die tegenstelling wel wordt gevoeld (heil. gerecht.), en als ze
overwonnen is (liefde en wijsheid). Hiermede in overeenstemming deelen
velen de eigenschappen in naar de verhouding Gods tot de wereld, en dan
bepaald tot de wereld überhaupt (oneind. eeuw. alomt.), tot de ethische
wereld (heil. gerecht.; genade, barmh.) en tot de ethisch-physische
wereld (wijsheid, zaligheid), Wegscheider § 60. Böhme, Lehre v. d.
göttl. Eig. 1826. Bruch, Lehre v. d. göttl. Eig. S. 110 f. Lange, Dogm.
II 61 f. Martensen § 47. Luthardt, Komp. der Dogm. § 29. Lipsius, Dogm.
§ 298. Grétillat, Exposé de theol. syst. III 220. Hoekstra, Wijsg.
godsd. II 92-99 enz.
9. Alle bovengenoemde indeelingen wijken schijnbaar ver van elkander af
en bedienen zich van geheel verschillende namen. Maar zakelijk komen
ze zeer nauw met elkaar overeen. Of men spreekt van negatieve en
positieve, onmededeelbare en mededeelbare, quiescente en operatieve,
absolute en relatieve, van eigenschappen van de substantie en van het
subject, in verhouding tot de wereld en tot den mensch, feitelijk geeft
men toch steeds dezelfde orde aan, waarin de eigenschappen worden
behandeld. Tegen alle indeelingen gelden dan ook in hoofdzaak dezelfde
bezwaren. Zij geven alle den schijn, dat het wezen Gods in twee helften
verdeeld wordt, dat eerst de absoluutheid, daarna de persoonlijkheid
wordt behandeld, dat eerst het wezen an sich, daarna in zijne verhouding
tot de schepselen wordt besproken, dat de eerste groep van namen buiten
de schepping om en de tweede groep van namen uit de schepselen wordt
verkregen, en dat er alzoo geen eenheid en harmonie van al Gods deugden
tot stand komt, Frank, Syst. d. chr. Wahrheit I 228 f. Nu is het echter
de onwedersprekelijke leer der Schrift, dat God in zijn verborgen wezen
onkenbaar en onnoembaar is en dat alle namen Gods de openbaring, d. i.
de schepping onderstellen. Van het zijn en leven Gods buiten en zonder
de schepping weten wij niets, om de eenvoudige reden, dat wij zelven
schepselen en dus altijd aan de schepping gebonden zijn. Duidelijk werd
dat vroeger ingezien en uitgesproken ten aanzien van de relatieve,
metaphorische en positieve namen Gods. De relatieve namen zooals Heer,
Schepper, Onderhouder, Zaligmaker enz., komen God eerst na en door
de schepping toe; niemand kan heer heeten, tenzij hij dienstknechten
heeft; de menschen, de dienstknechten Gods, zijn in den tijd geworden,
en zoo is God dan in den tijd onze Heer geworden, August., de trin. V
16, cf. de ord. II 7. Thomas, S. Theol. I qu. 13 art. 7. Anselmus,
Monol. 15. Lombardus, Sent. I dist. 30. Bonaventura, Sent. I dist. 30
art. 1. Zanchius, Op. II 24-26. Polanus, Synt. Theol. p. 192. Van de
metaphorische namen, waartoe ook de anthropomorphismen behooren, is het
duidelijk, dat zij de schepping onderstellen. En de positieve namen van
goed, heilig, wijs enz., hebben daarom voor ons besef eenigen inhoud,
wijl wij er ectypen van in de schepselen waarnemen, Thomas, S. Theol. I
qu. 12 art. 12. Maar al deze namen, schoon relatief, metaphorisch en
positief, geven toch ter andere zijde wel degelijk iets in God te kennen,
dat in Hem absoluut, proprie en dus ook weer negatief, in anderen zin
dan in de schepselen, bestaat. Augustinus beproefde aan te toonen,
dat, al wordt God Heer in den tijd, zijn wezen toch onveranderlijk is en
alle verandering alleen valt in het schepsel. Quod temporaliter dici
incipit Deus, quod antea non dicebatur, manifestum est relative dici;
non tamen secundum accidens Dei quod ei aliquid acciderit, sed plane
secundum accidens ejus, ad quod dici aliquid Deus incipit relative, de
trin. V 16. Het omgekeerde geldt van de tweede groep namen, hetzij deze
negatief, onmededeelbaar, quiescent, absoluut of nog anders heeten.
Want ofschoon ze aan God iets ontzeggen wat in schepselen is, zij zijn
toch allen in zekeren zin ook weer positief, mededeelbaar, transeunt,
relatief. Indien zij dat niet waren, indien zij volkomen onmededeelbaar
waren, zouden zij ook absoluut onkenbaar en onnoembaar zijn. Dat wij ze
denken en noemen kunnen bewijst, dat zij op de eene of andere wijze door
God in zijne werken zijn geopenbaard. De negatieve namen hebben daarom
ook een positieven inhoud; al is het dat wij de eeuwigheid Gods slechts
leeren kennen aan en in den tijd, zijne alomtegenwoordigheid aan en in de
ruimte, zijne oneindigheid en onveranderlijkheid alleen aan en te midden
van al de eindige en veranderlijke schepselen; toch geven ze ons wel
eenige, en zelfs belangrijke, kennis van God. Al kunnen wij de eeuwigheid
niet positief begrijpen, toch zegt het al zoo veel, te weten dat God
boven allen tijd verheven is. En daarom is het onjuist, de eigenschappen
Gods zoo in te deelen, dat er aan de eene zijde eene groep komt te
staan, die negatief, onmededeelbaar, quiescent, absoluut enz. is,
en aan de andere zijde eene, die positief, mededeelbaar, operatief,
relatief enz. is. Want _alle_ eigenschappen zijn beide te gelijk. Alle
eigenschappen zijn absoluut en alle worden toch eerst uit de relatie
Gods tot zijne schepselen gekend. En wederom, wij kunnen God slechts
noemen naar hetgeen van Hem in zijne schepselen openbaar is, maar wij
noemen toch Hem, die aller goeden bron en aller schepselen oorzaak is.
Meer nog, juist omdat de eigenschappen met het wezen Gods en onderling
in God identisch zijn, is er geen indeeling te vinden, die objectief
in de eigenschappen zelve gegrond ware, Doedes, Leer v. God 217. Wat
verkregen kan worden is alleen zekere orde in de behandeling van de
vele namen Gods. Onder deze zonderen nu terstond die namen zich af,
welke later meer bepaald als namen werden aangeduid en die als namen
van aanspraak en benoeming in ruimer zin nomina propria mogen heeten.
Vervolgens zijn er namen, die het Goddelijk wezen in al zijne relatiën
tot de schepselen doen kennen en die vroeger meestal eigenschappen,
deugden, volmaaktheden enz. werden genoemd. Het woord eigenschappen is
hiervoor het minst verkieselijk, omdat het altijd weer denken doet aan
een wezen, waaraan de eigenschappen zijn toegevoegd; de naam van deugden
vindt daarentegen in de Schrift zelve steun, 1 Petr. 2:9. Deze tweede
groep kan den naam van nomina essentialia dragen, omdat zij alle ons het
wezen Gods doen kennen, niet an sich, maar gelijk het in de openbaring
tot ons afdaalt en zich ons mededeelt. Eindelijk is er nog een derde
groep van namen, die alle betrekking hebben op de zelfonderscheidingen
in het wezen Gods en die daarom nomina personalia kunnen heeten.
Het moeilijkst is het nu, om orde te brengen in de behandeling van
de namen, die tot de tweede groep behooren. Toch is die orde juist
aangewezen in de verhouding, waarin God tot zijne schepselen staat.
De gansche wereld is eene openbaring Gods. Er is geen deel van het
heelal, waarin niet iets van zijne deugden openbaar wordt. Maar er is
onderscheid onder de schepselen. Niet alle verkondigen al zijne deugden,
en niet alle met dezelfde klaarheid. Er is rangorde en opklimming;
alle schepselen vertoonen vestigia Dei, doch alleen de mensch is
beeld en gelijkenis Gods. Hij is niet alleen met de lagere schepselen
het zijn, en met de hoogere het leven en den geest deelachtig; maar hij
is in deze gemeenschap aan stoffelijke en geestelijke wereld ook op
gansch bijzondere wijze aan God zelven verwant, geschapen als profeet,
priester en koning in kennis, heiligheid en gerechtigheid. Zoo is God,
de bron van alle zijn en de archetype van den mensch, dan ook zelf
dat alles, wat schepselen deelachtig zijn. In Hem is dat alles wel op
oorspronkelijke, Goddelijke wijze; in elke deugd Gods is zoowel zijne
absolute verhevenheid boven als zijne verwantschap aan het schepsel op
te merken; iedere eigenschap is in zeker opzicht onmededeelbaar en
in een ander weder mededeelbaar. Maar toch is er van het schepsel,
inzonderheid van den mensch, analogie in het Goddelijke wezen. Zoo zijn
er dan eerst namen, waarmede God zich aan ons openbaart als de Zijnde
in volstrekten zin: aseitas, immutabilitas, infinitas (aeternitas en
immensitas). Ten tweede zijn er namen, die ons God doen kennen als den
Levende, als Geest: spiritualitas, invisibilitas, simplicitas. Ten
derde zijn er namen, die het Goddelijk wezen omschrijven als volkomen
zichzelf bewust, als Licht: scientia, sapientia, veracitas. Ten vierde
zijn er namen, die ons wijzen op de ethische natuur van dat wezen en God
aanduiden als den Heilige: bonitas, justitia, sanctitas. En eindelijk,
ten vijfde, zijn er namen, in welke God voor ons optreedt als de absolute
macht, als Heer, Koning, Souverein: voluntas, libertas, omnipotentia.
Deze indeeling staat eenerzijds in verband met de kennisse Gods, welke
in de zoogenaamde bewijzen voor zijn bestaan wordt samengevat; en wijst
andererzijds vooruit naar de vestigia en de imago Dei, welke in de
schepselen zijn ingedrukt. Geen kennisse Gods dan door openbaring, en
dus altijd analoog en ectypisch; maar door die openbaring dan toch ook
ware en zuivere kennisse van het onbegrijpelijk en aanbiddelijk wezen Gods!
§ 25. DE EIGENNAMEN GODS.
1. Onder de namen Gods zonderen zich in de eerste plaats duidelijk die
namen af, waarmede Hij als een eigen persoonlijk wezen in onderscheiding
van alle schepselen aangeduid, benoemd, aangesproken wordt. Alle
talen bezitten zulke namen voor het Goddelijke wezen. Al heeft God in
zichzelf geen naam, wij hebben behoefte om Hem aan te duiden en hebben
daarvoor geen ander middel dan een naam. Nisi enim nomen scieris,
rerum cognitio perit, Isidorus bij Moor I 504. Het grieksche woord
θεος, vroeger afgeleid van τιθεναι, θεειν, θεασθαι, Suicerus, s.v., M.
Vitringa I 134, wordt tegenwoordig door sommige philologen in verband
gebracht met Ζευς, Διος, Jupiter, Deus, Diana, Juno, Dio, Dieu; dan is
het identisch met den sanskrit-naam dêva, heldere hemel en afkomstig
van den stam div, glanzen, schitteren. De verwisseling der benaming
hemel en God komt in vele talen voor; de oudste grieksche god heette
Uranus, zeker identisch met den sanskrit-naam Varuna; Taengri bij de
Tartaren en Turken, Thian bij de Chineezen duidt beide den hemel en
God aan; en ook in de Schrift wordt de naam God door dien van hemel
vervangen, bijv. in de uitdrukking koninkrijk der hemelen of Gods. Een
andere grieksche naam is δαιμων, van het werkwoord δαιω, en duidt God
aan als uitdeeler en beschikker van het lot; daarentegen is κυριος,
van κυρος, de machtige, de heer, de eigenaar, de heerscher. Ons woord
God is van onzekeren oorsprong. Het is in verband gebracht met het
woord goed; met het Zendsche khodâ, a se datus, per se ipsum existens;
met het sanskr. gudha of gutha, κευδω, dat God als den verborgene zou
aanduiden, of met een stam, κοδω, κοσμος, die ordenen, schikken zou
beteekenen, of met het arische çuddhas, rein, goed enz., maar al deze
afleidingen zijn onzeker. De naam Asura bij de Indiërs, en Ahura bij de
Perzen duidt God als den levende aan. Cf. Kluge, Etymol. Wörterbuch der
deutschen Sprache, s. v. Gott. Cremer, Wört. der neut. Gr. s.v. Herzog²
5, 290. Hoekstra, Wijsg. Godsd. I 309 S.
2. De Schrift spreekt menigmaal van den naam Gods in zeer ruimen zin.
De Joden telden er daarom niet minder dan zeventig op, Eisenmenger,
Entdecktes Judenthum I 455; en in de christelijke theologie werden onder
de namen Gods ook eerst zijne volmaaktheden begrepen. Maar langzamerhand
kwam er onderscheid; reeds Hieronymus beperkte de namen Gods tot een
tiental, nl. El, Elohim, Elohe, Tzebaoth, Eljon, Escher ehje, Adonai,
Iah, Ihvh, Schaddai, en werd daarin door velen gevolgd, Alsted, Theol.
schol. 71 sq. Moor, I 511. De eenvoudigste naam, waarmede God in de H.
Schrift aangeduid wordt, is אֵל. Over de afleiding is verschil.
Lagarde brengt het woord in verband met den wortel אלי en de
praepositie אל en meent, dat het woord God aanduidt als dengene,
die het doel en het voorwerp van het menschelijk verlangen is. Maar
deze afleiding is even onwaarschijnlijk, als die, welke het woord in
verbinding brengt met אֵלָה, den heiligen boom. Volgens verreweg
de meesten is het woord afkomstig van den stam אוּל, hetzij dan in
de beteekenis van vooraan, de eerste, heer zijn (Nöldeke), hetzij in
die van sterk, machtig zijn (Gesenius), litt. bij M. Vitringa I 132.
Moor I 515 sq. Schultz, Altt. Theol. 508. Smend, Altt. Theol. 26. De
naam אֱלוֹהַּ plur. אלהים wordt afgeleid van denzelfden stam
אול of van אלה, schrikken, en doet God dus kennen of als den
sterke of als voorwerp van schrik en vreeze. De singularis is weinig
in gebruik en dichterlijk, b.v. Ps. 18:32, Job 3:4; daarentegen is de
pluralis de gewone naam voor God. Deze pluralis is niet te verklaren
als een pluralis majestatis, wijl deze nergens in de Schrift van God
gebruikelijk is; evenmin kan er eene aanduiding der triniteit in worden
gezien, gelijk sedert Lombardus, Sent. I dist. 2 door velen geschiedde,
Zanchius, Op. I 25. Voetius, Disp. V 27. M. Vitringa I 209 sq., want
Elohim heeft bijna altijd het adjectivum en het verbum in singulari
bij zich, Augustinus, de trin. II 11. Bellarminus, de Christo, c. 6.
Calvijn, Inst. I 13, 9. Gomarus, Theses Theol., disp. 5. Moor I 796.
De moderne critici zien er meest een overblijfsel in van het vroegere
polytheïsme, maar deze verklaring stuit niet alleen op hetzelfde
bezwaar als de vroegere trinitarische, doch is ook blijkens latere
onderzoekingen buiten Israel als naam voor één enkelen God gebruikelijk
geweest, Noordtzij, Oost. Lichtstralen over West. Schriftbeschouwing
1897 bl. 41 v. Daarom is deze pluralis beter op te vatten als een
pluralis der abstractie (Ewald), of als een pluralis der quantiteit,
die evenals מים en שׁמים eene onbegrensde grootte aanduidt
(Oehler), of als een intensieve pluralis, die eene volheid van kracht
te kennen geeft (Delitzsch). Enkele malen wordt Elohim met een
adjectivum of verbum in plurali geconstrueerd, Gen. 20:13, 28:13 v.,
35:7, Ex. 32:4, 8, Joz. 24:19, 1 Sam. 4:8, 17:26, 2 Sam. 7:23, 1 Kon.
12:28, Ps. 58:12, 121:5, Job 35:10, Jeremia 10:10; en een soortgelijke
pluralis is ook op te merken in het pron. personale, Gen. 1:26,
3:22, 11:7, Jes. 6:8, 41:22, in קדשׁים, Spr. 9:10, Hos. 12:1,
עשׂים, Job 35:10, Jes. 54:5, בראים Pred. 12:1, Ps. 149:2, en
in אֲדֹנָי. Al deze meervoudsvormen duiden God aan als de volheid
des levens en der kracht. Durch Elohim wird das göttliche Wesen in
seinem Urverhältniss und in seinem stetigen Grundverhältniss zur Welt
bezeichnet. Es ist eine Verhältnissbestimmung, nicht eine unmittelbare
innere Wesensbestimmung, und zwar ist es Bestimmung des absoluten
Hoheitsbegriffs in Bezug auf die ganze Welt, Beck, Gl. II 22, cf.
litt. bij M. Vitringa I 133, Moor I 518, Oehler, Theol. § 36, Schultz,
Altt. Th. 516. De naam עֶלְיוֹן, LXX ὑψιστος, wijst God aan als den
Hooge, boven alles Verhevene; hij komt voor in den mond van Melchizedek,
Gen. 14:18, van Bileam, Num. 24:16, van Babels koning, Jes. 14:14,
cf. ook Mk. 5:7, Luk. 1:32, 35, Hd. 16:17 en voorts vooral in poezie.
אֲדֹנָי, afwisselend met האדון, dat weer versterkt wordt tot
אדון אדונים of אדון כל הארץ, doet God kennen als den Heer, wien
alles onderworpen is en tegen wien de mensch als een knecht overstaat,
Gen. 18:27. In vroeger tijd werd God in dezen zelfden zin ook בַּעַל
genoemd, Hos. 2:18, maar later kreeg deze naam een afgodisch karakter
en raakte daarom buiten gebruik, Robertson, Israels oude godsdienst bl.
200 v. Al deze namen zijn nog geen nomina propria in engeren zin; zij
worden ook wel van de afgoden, van menschen, Gen. 33:10, Ex. 7:1, 4:16,
en van de overheid, Ex. 12:12, 21:5, 6, 22:7, Lev. 19:32, Num. 33:4,
Richt. 5:8, 1 Sam. 2:25, Ps. 58:2, 82:1 gebruikt, maar het zijn toch de
gewone namen, waarmede God benoemd en aangesproken wordt. Het zijn ook
algemeen semietische namen, die God kennen doen in zijne verhevenheid
boven alle schepsel. De Semieten noemen God gaarne Heer, Koning; zij
voelen zich diep van Hem afhankelijk en buigen zich deemoedig, als
knechten, voor Hem neer, doch zij drukken in die namen geen wijsgeerige
beschouwing over het wezen Gods uit maar plaatsen zijne verhouding tot
de schepselen, bepaaldelijk tot de menschen, op den voorgrond.
3. Deze hooge, verhevene God daalt echter ook uit zijne transcendentie
tot het schepsel neer. Hij openbaart zich niet alleen in het algemeen
door de schepping aan alle volken, maar heeft zich in bijzonderen zin
ook aan Israel kenbaar gemaakt. De eerste naam, waarmede God nu in
de bijzondere openbaring optreedt, is die van שַׁדַּי of אֵל
שַׁדַּי. Als zoodanig openbaart zich God aan Abraham, als Hij hem
stelt tot een vader van vele volken en zijn verbond met de besnijdenis
bezegelt, Gen. 17:1. In den tijd der aartsvaders komt deze naam dan
ook herhaaldelijk voor, Gen. 28:3, 35:11, 43:14, 48:3, 49:25, Ex. 6:3,
Num. 24:4, maar voorts ook in Job, in enkele psalmen en een paar malen
bij de profeten. In het N. Test. wordt hij weergegeven door παντοκρατωρ,
2 Cor. 6:18, Op. 4:8 enz. De oorsprong van den naam is nog duister.
Nöldeke heeft hem afgeleid van שַׁד, heer, en als שֵׁדַי
geinterpuncteerd, maar blijkens Gen. 43:14, 49:25, Ezech. 10:5 is de
naam toch ongetwijfeld een adjectivum. Vroeger werd hij afgeleid van
שׁ voor אשׁר en דַי, ἱκανος, en dan vertaald als qui
est sufficiens, algenoegzaam; of van שׁדד in de beteekenis van
sterk zijn, verwoesten; of ook van שׁדה of אשׁד uitstorten,
zoodat God daardoor aangeduid wordt als degene, die alles overvloedig
mededeelt. Overal staat echter bij dezen naam het denkbeeld der macht
en der onverwinlijke sterkte op den voorgrond, en Jes. 13:6 brengt, zij
het dan ook slechts in eene woordspeling, dezen naam met שׁדד,
verwoesten, in verband, cf. Joel 1:15. Daarom doet deze naam ons God
kennen als dengene, die alle macht bezit en dus allen tegenstand breken
en alles dienstbaar maken kan aan zijn wil. Terwijl Elohim de God is
der schepping en der natuur, is Elschaddai de God, die alle krachten
dier natuur ondergeschikt maakt aan en in dienst stelt van de genade,
cf. kantteekening op Gen. 17:1, Zanchius, Op. II 43. M. Vitringa I
132. Moor I 522 sq. Oehler, Theol. § 37. Delitzsch op Gen. 17:1 enz.
In dezen naam is de θειοτης en αιδιος δυναμις Gods geen voorwerp van
schrik en vreeze meer, maar een bron van heil en van troost. God geeft
zichzelven aan zijn volk en staat met zijne onverwinlijke kracht voor
de vervulling zijner beloften, voor de handhaving van zijn verbond in.
Daarom heet hij van nu voortaan ook telkens de God van Abraham, Gen.
24:12, Izak, Gen. 28:13, Jakob, Ex. 3:6, de God der vaderen, Ex. 3:13,
15, de God der Hebreën, Ex. 3:18, de God Israels, Gen. 33:20, en bij
Jesaia dikwijls de Heilige Israels. God is de Verhevene, Schepper van
hemel en aarde, de Almachtige, maar die tegelijk ook in eene bijzondere,
gunstrijke verhouding tot zijn volk staat.
Als God der genade treedt Hij echter vooral op in den naam יהוה. De
Joden noemden dezen naam den naam bij uitnemendheid, den wezensnaam,
den eigennaam, den heerlijken naam, den naam der vier letters,
τετραγραμματον enz., en leidden uit Lev. 24:16 en Ex. 3:15, waar men
לְעֹלָם, om te verbergen, las, af, dat het verboden was om hem
uit te spreken. Het is onbekend, wanneer deze meening onder de Joden
is opgekomen. Maar het is zeker, dat de LXX reeds geregeld Adonai
heeft gelezen en daarom den naam door κυριος heeft weergegeven;
andere vertalingen volgden dit voorbeeld en vertaalden den naam door
Dominus, The Lord, der Herr, HEERE, Syn. Dordr. sess. 12 enz., het
Fransch heeft l’Éternel. Daardoor is ook de oorspronkelijke, juiste
uitspraak verloren gegaan. De kerkvaders noemden den naam ἀπορρητον,
ἀλεκτον, ἀφραστον, waarschijnlijk niet omdat zij de uitspraak van dezen
naam voor ongeoorloofd hielden, maar omdat de Joden zoo oordeelden en
de uitspraak feitelijk verloren was, Moor I 534, Buddeus, Inst. theol.
dogm. I 188. In het grieksch werden de vier letters geschreven als
ΠΙΠΙ, of ook volgens Diodorus Siculus en Origenes weergegeven door Ιαω
of Ιαη, volgens Hieronymus door Jaho, volgens Philo Byblius door Ιευω,
volgens Clemens Alex. door Ιαου. Theodoretus verhaalt, dat de Joden
Αϊα en de Samaritanen Ιαβε uitspraken. Dit alles wijst op eene oude
uitspraak Iahveh terug, Schultz, Altt. Theol.⁴ 523. Met beroep op de
traditie bij de Joden, werd door sommigen de naam als Jeve uitgesproken,
bijv. door Joachim van Floris in zijn Evangelium aeternum. Inderdaad is
deze interpunctie te vinden bij Samuel b. Meir, en werd ze later nog
verdedigd door Hottinger, Reland e. a., Delitzsch, Neuer Comm. über die
Genesis 1887 S. 546 f. De uitspraak Jehovah is van jonge dagteekening:
ze vond vooral ingang door den Franciscaner Petrus Galatinus, die
echter door velen, o. a. door Genebrardus, bestreden werd, Petavius,
de Deo VIII c. 9, Herzog² 4, 173. Later beweerden ook nog mannen, als
Drusius, Amama, Scaliger, Vriemoet e. a., dat de uitspraak Jehovah niet
de ware kon zijn, maar de vocalen aan Adonai had ontleend, Voetius,
Disp. V 55, cf. litt. bij M. Vitringa I 130. Werkelijk wordt deze
interpunctie door zeer ernstige bezwaren gedrukt. Vooreerst is Ihvh
in den hebr. bijbel een keri perpetuum en heeft nu eens de vokalen van
Adonai, dan die van Elohim; voorts is de vorm Jehovah onhebreeuwsch
en onverklaarbaar; en eindelijk dagteekent deze interpunctie uit een
tijd, toen de. Joden allang de uitspraak van den naam verboden achtten.
Indien deze vocalisatie nu onjuist is, rijst de vraag, hoe dan de naam
te verklaren zij. De bewering, dat hij van egyptischen oorsprong is
(Voltaire, Schiller, Wegscheider, Heeren, Brugsch), wordt door Ex.
5:2 weersproken en vindt schier geen verdediging meer. Ook de meening
van Hartmann, Bohlen, Colenso, Dozy, Land, dat hij kananietisch of
phoenicisch is en door de Israelieten na hun intocht in Kanaan is
overgenomen, is onhoudbaar gebleken en afdoende weerlegd, Kuenen, G.
v. I. I 397-401. Valeton, De Isr. Godsnamen, Theol. Stud. VII 1889 bl.
173-221, inzonderheid bl. 176 v. De israelietische oorsprong van den
naam mag alzoo als vaststaande worden beschouwd. Dan is er echter ook
geen twijfel mogelijk, of hij komt van den stam הוה of היה, en is
er, wijl de uitspraak van Jaho, door von Hartmann, Religionsphilos. I
370 f. voorgestaan, in geen aanmerking kan komen, Kuenen, Volksgodsd.
en Wereldgodsd. 261 v., alleen nog verschil over, of hij een 3 pers.
impf. is van kal of van hiphil. De laatste verklaring is verdedigd door
Gesenius, Schrader, Lagarde, Schultz, Land, Kuenen, G. v. I. I 275,
eigenlijk alleen op grond daarvan, dat een zoo verheven Godsbegrip,
als in den kalvorm zich zou uitspreken, in den tijd van Mozes nog niet
denkbaar is. De naam Jahveh zou dan niet beteekenen, Hij die is, maar
Hij, die zijn doet, die leven geeft, Schepper. Maar Smend, Altt. Rel.
Gesch. 21 zegt op zijn standpunt terecht, dat ook deze naam nog veel
te hoog is voor dien tijd; en hij noemt deze verklaring ook daarom
onwaarschijnlijk, wijl de hiphil van het werkwoord הוה nooit voorkomt.
Zoo blijft alleen de afleiding over, welke in Ex. 3 van den naam gegeven
wordt. Toch is er ook dan nog verschil over de beteekenis van den naam.
De kerkvaders dachten bij dezen naam vooral aan de aseitas; God was de
zijnde, het eeuwige, onveranderlijke zijn tegenover het οὐκ Ὀν der afgoden
en het μη ὀν der schepselen. Anderen, zooals W. R. Smith, Smend t. a.
p. 21, beroepen zich op Ex. 3:12, en vatten den naam op als Hij, die
_met u_ zal zijn. Beide uitleggingen zijn onaannemelijk; de laatste, wijl
de bijvoeging met u, עִמָּך, dan niet kon ontbreken, en de eerste,
wijl zij te philosophisch klinkt en ook in Ex. 3 geen steun vindt. Immers
in vers 13-15 wordt de beteekenis van den naam duidelijk aangegeven.
Voluit luidt hij אֶהְיֶה אֲשֶׁר אֶהְיֶה; en daarmede zegt de Heere,
dat Hij, die nu Mozes roept en zijn volk wil redden, dezelfde is als
die aan hunne vaderen is verschenen. Hij is die Hij is, gister en heden
dezelfde in eeuwigheid. Nog nader wordt deze beteekenis in vers 15
in het licht gesteld: Ihvh, de God uwer vaderen, de God van Abraham,
Izak en Jakob zendt Mozes, en dat is zijn naam eeuwiglijk. God noemt
zich hier niet den zijnde zonder meer en geeft geen verklaring van
zijne aseitas, maar Hij zegt uitdrukkelijk, wat en hoe Hij is. Hoe en wat
zal Hij dan zijn? Dat is in één woord niet te zeggen, dat is niet door
één enkel bijvoegsel te omschrijven, maar Hij zal zijn die Hij zijn zal.
Daarin ligt alles opgesloten; algemeen en onbepaald is deze bijvoeging
maar daarom ook zoo rijk en diep van zin. Hij zal zijn, die Hij geweest
is voor de aartsvaders, die Hij nu is, die Hij blijven zal; Hij zal voor
zijn volk alles zijn. Het is geen nieuwe en geen vreemde God, die door
Mozes tot hen komt, maar het is de God der vaderen, de onveranderlijke,
de bestendige, de getrouwe, de altijd zichzelf gelijkblijvende, die zijn
volk niet begeeft of verlaat, maar het altijd weer opzoekt en redt,
onveranderlijk in zijne genade, in zijne liefde, in zijne hulpe, die zijn
zal wat Hij is, omdat Hij altijd zichzelf is; אני הוא noemt Hij zich
daarom bij Jesaja, de eerste en de laatste, hfdst. 41:4. 43:10, 13, 25.
44:6. 48:12. Natuurlijk ligt hier de aseitas wel aan ten grondslag, maar
deze treedt toch niet op den voorgrond en wordt niet rechtstreeks in
den naam uitgesproken. Uit deze verklaring blijkt ook, of en in hoever
de naam Ihvh reeds vóór den tijd van Mozes bekend was. Ex. 6:3 zegt
niet, dat de naam als naam toen aan Mozes is medegedeeld, maar dat de
Heere met of ten opzichte van zijn naam aan de vaderen niet bekend is
geweest. De naam wordt dan ook reeds telkens vóór Ex. 6 aangetroffen,
komt in vele eigennamen voor, zooals Jochebed, Achija, Abija, 1 Chron.
2:24, 25, en kon ook daarom geen gansch nieuwe naam wezen, wijl Mozes,
om gehoor te vinden bij zijn volk, juist niet met een vreemden naam
maar in den naam van den God der vaderen, Ex. 3:12, moest optreden.
De bedoeling van Ex. 6:3 kan daarom geen andere zijn, dan dat de zin
en beteekenis van dezen naam eerst toen door den Heere zelf aan Mozes
is bekend gemaakt. En dit is immers ook zoo. Eerst in Ex. 3 geeft de
Heere zelf eene verklaring van dezen naam; hier zegt Hij, hoe Hij dezen
naam wil verstaan hebben. De naam bestond reeds vroeger, is ook toen
reeds meermalen door den Heere zelf gebezigd, Gen. 15:7, 28:13, en als
aanspraaknaam gebruikt, Gen. 14:22, 24:3, 28:16, 15:2, 8, 32:9. Maar
nergens wordt er eene verklaring van dien naam gegeven. Het is in het
afgetrokkene best mogelijk, dat de naam Ihvh oorspronkelijk, naar zijne
afleiding, iets gansch anders beteekende dan in Ex. 3 gezegd wordt. Ex.
3 geeft geen etymologie, geen woord-, maar eene zaakverklaring. Gelijk
God in zijne bijzondere openbaring aan Israel allerlei godsdienstige
gebruiken, besnijdenis, sabbat, offerande, priesterschap enz. overnam
en er eene bijzondere beteekenis aan schonk, zoo heeft Hij ook met dezen
naam gedaan. Afgedacht van oorsprong en oorspronkelijke beteekenis
zegt de Heere in Ex. 6, hoe en in welken zin Hij Iahveh is, de Ik zal
zijn die Ik zijn zal. De naam Ihvh is van nu voortaan de omschrijving
en de waarborg hiervan, dat God de God van zijn volk is en blijft,
onveranderlijk in zijne genade en trouw. En dat kon ook thans eerst, in
Mozes’ tijd, uitkomen. Er moest juist een lange tijd verloopen, om te
bewijzen dat God getrouw en onveranderlijk was; iemands trouw kan eerst
op den duur en vooral in tijden van ellende worden beproefd. Zoo was het
met Israel. Eeuwen waren verloopen na den tijd der aartsvaders; Israel
werd onderdrukt en zat in ellende neer. En nu zegt God: Ik ben die Ik
ben, Iahveh, de onveranderlijk getrouwe, de God der vaderen, de God ook
nu nog van u en tot in eeuwigheid. Thans legt God in een ouden naam een
gansch nieuwe beteekenis, die ook thans eerst door het volk kan worden
verstaan. En daarom is Ihvh Israels God van Egypteland af, Hos. 12:10,
13:4.
4. De naam Ihvh is in het Oude Testament de hoogste openbaring Gods.
Nieuwe namen komen er niet meer bij. Ihvh is Gods eigenlijke naam, Ex.
15:3, Ps. 83:19, Hos. 12:6, Jes. 42:8; wordt daarom nooit van een
ander dan Israels God gebezigd en komt ook nooit in statu constructo,
in plurali of met suffixa voor. Wel wordt deze naam meermalen in
den vorm gewijzigd of door eene of andere bijvoeging versterkt. Door
verkorting ontstond de vorm יַהֲוְ, יָהוּ, יָה, die
vooral in samenstellingen gebezigd wordt, en daaruit ontstond weer
het zelfstandige nomen יָהּ. Deze verkorte naam wordt regelmatig
gebezigd in den uitroep הַלְלוּ־יָהּ , maar komt voorts ook
meermalen zelfstandig voor, Ex. 15:2 Ps. 68:5, 89:9, 94:7, 12, 118:14,
Jes. 12:2, 38:11, soms in verbinding met יהוה, Jes. 26:4. Zeer
gebruikelijk is ook de combinatie Adonai Ihvh, bijv. Ezech. 23:12.
Eene bijzondere versterking krijgt de naam Ihvh ook door de toevoeging
Zebaoth, יהוה צבאות, Ps. 69:7, 84:2, Hagg. 2:7-9, één maal יהוה
הצבאות, Am. 9:5, eigenlijk verkort uit יהוה אלהי צבאות, 1 Sam.
1:3, 4:4, Jes. 1:24, of יהוה אלהים צבאוח, Ps. 80:5, 84:9. Omdat
Zebaoth verbonden werd met Ihvh, dat geen status constructus toelaat,
en soms met Elohim in statu absoluto, leidden Origenes, Hieronymus
e. a. daaruit af, dat Zebaoth een appositie was; en zij werden hierin
nog versterkt door het feit, dat het woord in de LXX, vooral in 1
Sam. en Jes., en ook in Rom. 9:29, Jak. 5:4 onvertaald is gebleven,
Moor I 512 sq. Maar dit gevoelen mist allen grond. Elders is Zebaoth
weergegeven door παντοκρατωρ of κυριος των δυναμεων, en de naam Ihvh,
die Zebaoth, d. i. legers, heirscharen is, geeft geen zin. Moeilijk
is het echter te zeggen, wat onder die Zebaoth verstaan moet worden.
Sommigen hebben daarbij gedacht aan de krijgslegers van Israel en meenen
dat de naam van Heer der heirscharen God aanduidt als God van den
krijg. Maar de meeste plaatsen daarvoor aangehaald, zooals 1 S. 1:3,
11, 4:4, 15:2, 17:45, 2 S. 5:10, 6:2, 18, 7:8, 26, 27, 1 Kon. 17:1
LXX 18:15, 19:10, 14, 2 Kon. 19:31, Ps. 24:10 bewijzen niets; slechts
een drietal plaatsen, 1 S. 4:4, 17:45, 2 S. 6:2 leveren een schijn van
bewijs; en 2 Kon. 19:31 is er veelmeer mede in strijd. Voorts is de
pluralis Zebaoth wel in gebruik voor de volksscharen Israels, Ex. 6:25,
7:4, 12:17, 41, 51, Num. 1:3, 2:3, 10:14, 33:1, Deut. 20:9, maar het
krijgsleger van Israel wordt altijd met den singularis zaba aangeduid,
Richt. 8:6, 9:29, 2 S. 3:23, 8:16, 10:7, 17:25, 20:23, 1 Kon. 2:35.
En eindelijk stemmen allen toe, dat de naam Heere der heirscharen bij
de profeten deze beteekenis van God van den oorlog niet meer heeft;
maar zij laten dan onverklaard, hoe en waardoor deze uitdrukking zoo
van beteekenis gewijzigd is. Anderen denken bij het woord heirscharen
aan de sterren met beroep op teksten als Deut. 4:19, Ps. 33:6, Jer.
19:13, 33:22, Jes. 34:4, 40:26, Neh. 9:6; Smend breidt dit nog uit en
verstaat er onder de machten en elementen van den kosmos, op grond van
plaatsen als Gen. 2:1, Ps. 103:21, Jes. 34:2. En inderdaad spreekt de
Schrift meermalen van de sterren als het heir des hemels, Deut. 4:19,
en van alle schepselen als het heir van hemel en aarde, Gen. 2:1,
maar vooreerst is dan nooit de pluralis doch alleen de singularis
gebruikelijk; verder worden de sterren wel het heir des hemels maar
nooit het heir Gods genoemd; en eindelijk worden wel alle schepselen,
maar nooit een zoo abstract begrip als machten en elementen van den
kosmos met den naam van heir aangeduid. De onaannemelijkheid van deze
nieuwere verklaringen doet de oude uitlegging, die bij de heirscharen
aan de engelen dacht, in waarde rijzen. En deze uitlegging vindt in de
Schrift overvloedig steun. De naam van Heere der heirscharen wordt
meermalen met de engelen in verband gebracht, 1 S. 4:4, 2 S. 6:2, Jes.
37:16, Hos. 12:5, 6, Ps. 80:2, 5 v., 89:6-9, en de engelen worden
telkens voorgesteld als een heir, dat den troon Gods omringt, Gen.
28:12, 13, 32:2, Jos. 5:14, 1 Kon. 22:19, Job 1:6, Ps. 68:18, 89:8,
103:21, 148:2, Jes. 6:2. Al is het, dat zaba gewoonlijk van het heir der
engelen in singulari staat, dit kan toch geen bezwaar zijn, omdat de
Schrift meermalen van vele scharen van engelen gewag maakt, Gen. 32:2,
Deut. 33:2, Ps. 68:18, 148:2. En hiermede komt de beteekenis van den
naam overeen. Deze draagt hoegenaamd geen oorlogzuchtig of krijgshaftig
karakter; zelfs uit 1 Sam. 4:4, 17:45, 2 Sam. 6:2 is dit niet af te
leiden. Maar in dezen naam wordt allerwege uitgedrukt de heerlijkheid
van God als Koning, Deut. 33:2, 1 Kon. 22:19, Ps. 24:10, Jes. 6:2,
24:23, Zach. 14:16, Zach. 1:14. De engelen behooren bij de δοξα van God
of van Christus, zij verhoogen en verbreiden die, Mt. 25:31, Mk. 8:38,
2 Thess. 1:7, Op. 7:11. Iahveh Zebaoth is door heel de Schrift heen de
plechtige koningsnaam Gods, vol majesteit en heerlijkheid. Elohim duidt
God aan als Schepper en Onderhouder aller dingen; El Schaddai doet Hem
kennen als den Sterke, die de natuur dienstbaar maakt aan de genade;
Iahveh beschrijft Hem als dengene, die in zijne genade trouwe houdt in
eeuwigheid; Iahveh Zebaoth teekent Hem als den Koning vol heerlijkheid,
die, door zijne geordende heirscharen omringd, in zijnen tempel eere
en hulde ontvangt van al zijne schepselen. Cf. over Ihvh Zebaoth,
Delitzsch, Luth. Zeits. 1869 en 1874 en op Ps. 24:10, Schrader, Jahrb.
f. prot. Theol. 1875 S. 316-320, Oehler, Theol. § 195 f. Schultz,
Theol. 529 f. Smend, Altt. Rel. 185 f. König, Die Hauptprobl. der
altisr. Rel. S. 49 f., Kuenen, G. v. I. II 46. Stade, Gesch. Isr. I
437. Valeton, t. a. p. bl. 208 v. art. Zebaoth in Herzog² en Riehm,
Handwörterbuch. Borchert, Der Gottesname Jahve Zebaoth, Stud. u. Kr.
1896 S. 619-642.
5. In het N. Test. zijn al deze namen behouden. El en Elohim zijn
weergegeven door θεος, Eljon is vertaald door ὑψιστος θεος, Mk. 5:7,
Luk. 1:32, 35, 76, 8:28, Hd. 7:48, 16:17, Hebr. 7:1, cf. ἐν ὑψιστοις
θεος, Luk. 2:14. Ook de benaming van God als God van Abraham, Izak
en Jakob of als God Israels gaat over in het N. Test., Mt. 15:31,
22:32, Mk. 12:26, Luk. 1:68, 20:37, Hd. 3:13, 7:32, 46, 22:14, 24:14,
Hebr. 11:16. Maar meestentijds worden deze bijstellingen vervangen door
de genitivi μου, σου, ἡμων, ὑμων, want in Christus is God de God en
Vader van zijn volk, en van ieder zijner kinderen geworden, Hebr. 8:10,
Op. 7:12, 19:5, 21:3. De naam Jahveh wordt in het N. T. enkele malen
geexpliceerd door το ἀλφα και το ω, ὁ ὠν και ὁ ἠν και ὁ ἐρχομενος, ἡ
ἀρχη και το τελος, ὁ πρωτος και ὁ ἐσχατος, Op. 1:4, 8, 11, 17, 2:8,
21:6, 22:13. Overigens wordt hij op het voetspoor van de LXX, die reeds
Adonai las, vertaald door κυριος, van κυρος, macht. Κυριος doet God
kennen als den Machtige, den Heer, den Eigenaar, den Heerscher, die
rechtens macht en autoriteit bezit, in onderscheiding van δεσποτης,
de heer, die feitelijk macht oefent, en wordt in het N. T. nu eens van
God, dan van Christus gebruikt. Ook de verbindingen van Ihvh Elohim,
Ihvh Elohim Zebaoth worden in het N. T. teruggevonden, als κυριος ὁ
θεος, Luk. 1:16, Hd. 7:37, 1 Petr. 3:15, Op. 1:8, 22:5, κυριος ὁ θεος
παντοκρατωρ, Op. 4:8, 11:17, 15:3, 16:7, 21:22; terwijl in Rom. 9:29,
Jak. 5:4 Zebaoth onvertaald is gebleven. Eén nieuwe naam schijnt er in
het N. Test. bij te komen, het is de naam van Πατηρ. Toch wordt deze
naam ook reeds in het O. Test. verscheidene malen van God gebezigd,
Deut. 32:6, Ps. 103:13, Jes. 63:16, 64:8, Jer. 3:4, 19, 31:9, Mal.
1:6, 2:10, gelijk ook Israel meermalen zijn zoon wordt genoemd, Ex.
4:22, Deut. 14:1, 32:19, Jes. 1:2, Jer. 31:20, Hos. 1:10, 11:1. De
naam drukt hier de bijzondere, theocratische verhouding uit, waarin
God tot zijn volk Israel staat; Hij heeft dat volk op wondere wijze
uit Abraham geformeerd. In den meer algemeenen zin van Oorsprong en
Schepper aller dingen wordt de Vadernaam in het N. Test. gebezigd in 1
Cor. 8:6, Ef. 3:15, Hebr. 12:9, Jak. 1:18, cf. Luk. 3:38, Hd. 17:18.
Maar overigens drukt de naam de ethische verhouding uit, waarin God nu
door Christus tot al zijne kinderen staat. De verhouding, die in het O.
T. tusschen God en Israel bestond, is hiervan type en voorbeeld; zij
is thans verdiept en uitgebreid, geethiseerd en geindividualiseerd.
De naam van Vader wordt nu de gewone naam van God in het N. Test. De
benaming Jahveh is door κυριος onvoldoende weergegeven; zij wordt als
het ware aangevuld door den Vadernaam. Deze is de hoogste openbaring
Gods. God is maar niet de Schepper, de Almachtige, de Getrouwe, de
Koning en Heer; Hij is ook de Vader van zijn volk. Het theocratische
koninkrijk onder Israel gaat over in een koninkrijk van den Vader,
die in de hemelen is. De onderdanen zijn tevens kinderen; de burgers
huisgenooten. Beide, recht en liefde, staat en huisgezin komen in
de Nieuwtestamentische verhouding van God tot zijn volk tot volkomen
vervulling. Hier is het volmaakte Koningschap, want hier is een Koning,
die tevens Vader is, die zijne onderdanen niet met geweld onderwerpt
maar die zelf zijne onderdanen schept en bewaart. Zij zijn als kinderen
uit Hem geboren, zij dragen zijn beeld, zij zijn zijne familie. Deze
verhouding is in het N. Test. mogelijk geworden door Christus, die de
eigen, eengeboren en geliefde Zoon des Vaders is. En de geloovigen
worden dit kindschap deelachtig en worden zich daarvan ook bewust
door den H. Geest, Joh. 3:5, 8, Rom. 8:15 v. In den naam Vader, Zoon
en Geest heeft God zich het rijkst geopenbaard. De volheid, die van
den beginne af in Elohim lag opgesloten, heeft langzamerhand zich
ontplooid en in den trinitarischen naam Gods zich het luisterrijkst
en het volledigst ontvouwd. Litt. over de namen Gods, Hieronymus, de
decem nominibus. Pseudodion., de div. nom. Thomas, S. Theol. I qu.
13. Petavius, de Deo VIII c. 8, 9. Gerhard, Loci theol. II c. 1-3.
Bretschneider, Syst. Entw. 345 f. Zanchius, Op. II 26-50. Voetius,
Disp. V 48 sq. Buxtorf, de nominibus Dei, Dissert. philol. theol.,
diss. 5. Hottinger, de nominibus Dei orient., Diss. phil. theol. 1660.
Moor I 505-552. M. Vitringa I 127-135, en voorts van de nieuwere,
behalve de reeds bovengenoemde, Hofmann, Schriftbew. I 76-89. Beck,
Chr. Gl. II 14 f. Grau, Gottes Volk und sein Gesetz 1895.
§ 26. DE WEZENSNAMEN GODS.
A. God als de Zijnde.