christelijke theologie zoo eenparig de leer der ideae innatae verwierp.
Het was de vrees voor het rationalisme en het mysticisme, die haar
daarbij leidde. Indien de mensch reeds bij zijne geboorte in zijn geest een
volkomen klare en duidelijke kennis meebracht, hetzij van al de ideeën
(Plato), of van God (Cartesius), of van het zijn (Gioberti), dan werd
hij daardoor van de wereld onafhankelijk; hij kon de volkomen zuivere
kennis uit zijn eigen geest voortbrengen en was zichzelf genoeg; hij kon
zelfs de openbaring missen, welke God in zijn woord had gegeven; beter
en duidelijker dan in natuur en Schrift vond hij de volmaakte kennis in
zijn eigen geest. Ja meer nog, door de leer der ideae innatae werd eene
ondempbare klove gegraven tusschen geest en stof, tusschen ziel en
lichaam. De zienlijke wereld was dan niet een schepping en openbaring
Gods, geen belichaming van goddelijke gedachten; uit haar konden de
eeuwige waarheden, de intellectueele kennis niet worden afgeleid;
deze vond de mensch alleen, door zelfbezinning en herinnering, als
hij van de wereld zich afzonderde en in zijn eigen zieleleven zich
terugtrok. En inderdaad is hiermede het gevaar aangewezen, dat altijd
van de zijde der ideae innatae dreigt. Het dualisme van Plato heeft in
het neoplatonisme en daardoor weer in de christelijke, bepaaldelijk de
Roomsche kerk tot eene mystiek geleid, welke eerst wel op de lagere
trappen der meditatie van de openbaring Gods in natuur en Schrift
gebruik maakte maar dan, hooger tot de contemplatie gestegen, al die
uitwendige hulpmiddelen wel missen kon en aan het inwendig woord, het
geestelijk licht, de aanschouwing en gemeenschap Gods in het innerlijkst
zielsbestaan volkomen genoeg had. En het in de nieuwere philosophie
door Cartesius weer opgekomen dualisme en de daarmede in verband
staande leer van de idea Dei innata heeft bij Leibniz en Wolff eerst,
daarna bij Kant, Fichte en Hegel tot een rationalisme geleid, dat heel
de wereld des zijns construeerde uit de immanente gedachte van den
menschelijken geest. Nu is het klaar als de dag, dat de Schrift van zulk
eene αὐταρκεια des menschen en van zulk eene verachting van lichaam en
wereld niets weten wil. Zij leert dat de mensch naar ziel en lichaam
beelddrager Gods is en dat hij door zijn lichaam aan heel de zienlijke
wereld verwant en verbonden is. Maar deze band is geen slavenketen;
integendeel, de wereld, waarin de mensch is geplaatst, leidt hem niet
van God af maar tot God op; zij is eene schepping Gods, een spiegel van
zijne deugden, eene manifestatie zijner gedachten. Er is naar het schoone
woord van Calvijn nulla mundi particula, in qua non scintillae saltem
aliquae gloriae ipsius emicare cernantur, Inst. I 5, 1. En omdat de
christelijke theologie dat heeft verstaan, daarom heeft ze eenstemmig
de leer der aangeboren begrippen verworpen. En daar kwamen dan nog
de bedenkingen bij, aan psychologie en historie ontleend, welke tegen
deze leer o. a. door Locke werden ingebracht. Het empirisme verdedigde
tegenover mysticisme en rationalisme eene kostelijke waarheid. Immers,
als deze richtingen beweerden, dat het wezen, de idee der dingen
niet uit de zinnelijke waarneming ons konden toekomen maar alleen in
God (Malebranche), in de ziel door ἀναμνησις (Plato) of door denken
uit ’s menschen eigen geest (Cartesius-Hegel) konden voortkomen, dan
hadden ook zij daarmede eene goede bedoeling. God is inderdaad de zon
der geesten. In zijn licht zien wij het licht. De Logos verlicht een
iegelijk mensch, komende in de wereld. Maar toch is het waar, dat wij
hier op aarde niet zien van aangezicht tot aangezicht, dat wij wandelen
in geloof, en door een spiegel zien in eene duistere rede. Alleen door
beschouwing van Gods openbaring in natuur en Schrift komen wij tot
kennisse Gods, Rom. 1:19, 1 Cor. 13:22, 2 Cor. 3:18. Er is hier op
aarde geen rechtstreeksche, onmiddellijke kennis van God en van zijne
gedachten te verkrijgen, maar alleen eene middellijke, per speculum en in
speculo. Het gevoelen der mystici, rationalisten en ontologisten is dan
ook niet theistisch maar pantheistisch; het verwart het lumen rationis
met het lumen Dei, de algemeene waarheden in ons met de ideeën in het
bewustzijn Gods, onzen logos met den Λογος του θεου. En daartegenover
stelde de christelijke theologie de leer der H. Schrift, dat al onze
kennis van God, daar zijn wezen in zichzelf voor ons onkenbaar is,
door middellijke openbaring verkregen wordt en een analogisch karakter
draagt. Feitelijk komt dan ook geen enkel mensch tot de kennis der
prima principia en tot de gedachte Gods buiten de wereld om. Het
kindeke, dat onbewust wordt geboren, ontvangt langzamerhand allerlei
voorstellingen en denkbeelden uit de omgeving, waarin het opgevoed
wordt. Met den eersten mensch moge dit uit den aard der zaak anders
geweest zijn; allen die na hem geboren zijn, zijn niet ieder op eigen
gelegenheid en door eigen nadenken, maar door hun ouders en door hun
levenskring tot bewuste en heldere kennis gekomen, beide van zienlijke
en onzienlijke dingen. Daarom is er geen kennis van het onzienlijke, dan
onder het symbool van het zienlijke. Wie een zintuig mist, krijgt ook
geene voorstelling van de daaraan correspondeerende verschijnselen. Een
blinde weet niet, wat licht is en verstaat daarom ook niet, dat God een
licht is, anders dan alleen negatief en door tegenstelling. Daarom is
er ook in recht en zede, in religie en kunst zooveel verschil onder de
menschen en volken mogelijk. Dit ware onverklaarbaar, indien de ideeën
in eigenlijken zin waren aangeboren en onmiddellijk door God zelven in
onzen geest waren ingeplant. Nu zien we echter, dat alle menschen wel
het vermogen der spraak hebben maar toch zeer verschillende talen
spreken; dat allen wel eene idee hebben van God maar ze in allerlei
voorstellingen inkleeden; dat er menschen zijn, die in hun hart zeggen,
dat er geen God is; dat het onderscheid van goed en kwaad overal bekend
is maar beider inhoud zeer uiteenloopend wordt bepaald; dat over recht
en onrecht, over schoon en leelijk de meeningen zeer verre van elkander
afwijken. In één woord, er is geen enkele religieuse of ethische
waarheid, die ubique, semper et ab omnibus is erkend; er heeft eene
theologia naturalis in actueelen zin nimmer bestaan, evenmin als een
natuurrecht en eene natuurlijke moraal.
7. Daarmede is echter slechts de eene zijde der waarheid getoond. Er
is nog eene keerzijde, die van niet minder belang is. Het valt immers
niet te loochenen, dat gelijk objectief het licht der zon, zoo ook
subjectief het oog noodig is om te zien. Dat de menschen feitelijk
leeren, en kennis opdoen uit hunne omgeving, staat vast; maar het
onderstelt, dat zij een vermogen, eene geschiktheid en geneigdheid tot
leeren medebrengen. De taal wordt ons geleerd door het volk, waaronder
wij geboren zijn, maar zij onderstelt bij iederen mensch eene dispositie
en eene neiging om te spreken. Zoo is het op alle terrein, in religie,
kunst, moraal, recht, wetenschap enz. De semina scientiarum liggen
van nature in den mensch. Alle wetenschap gaat uit van algemeene
principia, die door zichzelve en vanzelf vaststaan. Alle kennis rust in
geloof. Alle bewijs onderstelt ten slotte eene ἀρχη ¡ἀποδειξεως. Er zijn
logische, mathematische, philosophische, ethische en zoo ook religieuse
en theologische principia, die wel zeer algemeen en abstract zijn,
maar die toch door alle menschen en in alle eeuwen worden aangenomen
en die een karakter van natuurlijkheid en noodzakelijkheid dragen. De
wetten van het denken zijn voor allen gelijk; de leer der getallen is
overal dezelfde; het onderscheid van goed en kwaad is allen bekend;
er is geen volk zonder religie en kennisse Gods. Dit is niet anders
te verklaren dan door het aannemen van principia per se nota, κοιναι
ἐννοιαι, veritates aeternae, welke den menschelijken geest van nature
zijn ingeprent. Bij de religie moet men, of men wil of niet, altijd
weer teruggaan tot een semen religionis, een sensus divinitatis, een
instinctus divinus, eene cognitio insita. De Schrift zelve gaat ons
daarin voor. Zij bindt den mensch zoo sterk mogelijk aan de objectieve
openbaring in natuur en genade, maar zij erkent tegelijkertijd, dat de
mensch Gods beeld en geslacht is, dat hij in den νους een vermogen bezit
om God in zijne werken te zien en dat hij het werk der wet geschreven
draagt in zijn hart, Gen. 1:26, Hd. 17:27, Rom. 1:19, 2:15. Toch komt
er alles op aan, om deze oorspronkelijkheid der κοιναι ἐννοιαι goed te
verstaan. Men heeft ze op verschillende wijze aangeduid en gesproken
van ἐμφυτος, ingenitus, insculptus, insitus, aangeboren, ingeschapen,
ingeplant enz. En niemand bezigt die woorden in letterlijken zin; zoodra
deze uitdrukkingen worden ingedacht, haasten zich bijna allen om te
verklaren, dat ze niet bedoelen, dat deze ideae innatae terstond met de
geboorte fix und fertig worden meegebracht en als species impressae in
het bewustzijn aanwezig zijn. In dien zin zijn er dan ook geen aangeboren
begrippen. God laat den mensch in geen enkel opzicht volwassen in
de wereld komen maar laat hem geboren worden als een hulpeloos en
hulpbehoevend kind. En dat kind zou omkomen, indien het niet gevoed
en verzorgd werd door zijn omgeving. Toch schuilt in het kind reeds
de toekomstige man. En zoo is het op intellectueel, ethisch en
religieus terrein. Cognitio Dei insita wil niet zeggen, dat de mensch
onmiddellijk, door God zelven, met eene genoegzame kennis is toegerust
en aan de openbaring geen behoefte meer heeft. Ze geeft niet te kennen,
dat hij alleen op zichzelf in staat is, om eenige bewuste, klare en ware
kennis van God uit zijn eigen geest af te leiden. Maar ze duidt aan, dat
de mensch beide de potentia (aptitudo, vis, facultas) en de inclinatio
(habitus, dispositio) bezit, om in den normalen ontwikkelingsgang en te
midden der omgeving, waarin God hem het leven schonk, vanzelf en zonder
dwang, zonder wetenschappelijke redeneering en bewijsvoering, ἐμφυτως
και ¡άδιδακτως, tot eenige vaste, zekere, ontwijfelbare kennisse Gods
te komen. De woorden ἐμφυτος, ingenitus, aangeboren enz. bedoelen
dus niet datgene uit te drukken, _waarmede_ een mensch geboren wordt,
maar ze willen slechts te kennen geven, dat de kennisse Gods langs
natuurlijken weg, zonder wetenschappelijke redeneering, uit den mensch
zelf geboren wordt. Ze zijn niet op te vatten als opposita van de
leer, dat de mensch als tabula rasa, zonder bepaalden, materieelen
inhoud in zijn bewustzijn geboren wordt; maar ze zijn tegengesteld aan de
meening, dat de mensch eerst uitwendig, door eene bepaalde openbaring,
door wetenschappelijk bewijs, als het ware kunstmatig en door dwang
tot kennisse Gods werd gebracht. Zoo zijn die uitdrukkingen altijd in
de christelijke theologie bedoeld. Ze wisselden daarom met ἀδιδακτως,
φυσει, vi insita, sine praevio studio, sine discursu operoso enz.
af. Dei cognitio nobis innata dicitur esse, in quantum per principia
nobis innata de facili percipere possumus Deum esse, Thomas bij
Kleutgen, Phil. der Vorzeit I 348. Daarom is de opmerking van Locke
ook onjuist, dat, indien onder ideae innatae alleen het vermogen der
kennis werd verstaan, dan alle kennis aangeboren kon heeten. Want de
cognitio Dei heet daarom insita of innata, wijl ieder mensch bij normale
ontwikkeling daartoe komen _moet_. Gelijk een mensch, de oogen openend,
vanzelf de zon en bij haar licht de voorwerpen aanschouwt, zoo moet de
mensch krachtens zijne natuur, zoodra hij hoort dat er een God is, dat
er onderscheid is van goed en kwaad, enz., daaraan zijne toestemming
geven. Hij kan daar niet buiten. Hij neemt die waarheden vanzelf, zonder
dwang of bewijs aan, omdat ze door zichzelve vaststaan. Daarom heet de
kennisse Gods aangeboren, en was de uitdrukking van eene aangeboren
potentie of faculteit onbevredigend. Er wordt eenerzijds tegenover de
leer der ideae innatae door uitgedrukt, dat de kennisse Gods niet
klaar en gereed door den mensch wordt meegebracht maar middellijk,
door inwerking der openbaring in zijn bewustzijn tot stand komt, en
anderzijds wordt er tegenover het empirisme door aangeduid, dat die
openbaring Gods zoo luide en krachtig spreekt en zoo diepen weerklank
vindt in ieders gemoed, dat ze den mensch als van nature eigen en
ingeschapen kan heeten. En hiermede heeft de theologie niet alleen aan
de Schrift, maar ook aan psychologie en historie volle recht laten
wedervaren. Openbaring is er van God in al zijne werken, niet alleen
buiten maar vooral ook in den mensch. Van de natuur, waaruit God wordt
gekend, maakt de mensch zelf het voornaamste deel uit. En uit die
gansche natuur, beide buiten en in hem, ontvangt de mensch indrukken
en gewaarwordingen, die in zijn bewustzijn vóór alle redeneering en
bewijs het besef kweeken van een Hoogste Wezen. Het is God zelf, die
aan geen mensch zich onbetuigd laat. Cf. I 16. 157v. 212v., en voorts
nog Kleutgen, Theol. der Vorzeit I² 587-792. Shedd, Dogm. Theol. I
195. Hodge, Syst. Theol. I 197. Mc Cosh, The intuition of the mind,
inductively investigated, 1860. John Caird, An introduction to the
philos. of religion 1880 p. 39. 160. Lotze, Mikrok. III 580 f.
§ 22. DE KENBAARHEID GODS. (Cognitio Dei acquisita.)
1. Tusschen de cognitio Dei insita en acquisita moge er geen
tegenstelling bestaan, er is toch ongetwijfeld tusschen beide
onderscheid. Dikwerf wordt dit onderscheid zoo opgevat, dat de eerste
de kennisse Gods aanduidt, welke den mensch aangeboren is en hem
toekomt uit zijn eigen wezen, en de tweede die, welke ter vermeerdering
en uitbreiding der eerste den mensch ten deele wordt van buiten, uit
de beschouwing der wereld. Maar duidelijk en nauwkeurig is het verschil
tusschen beide daarmede niet aangegeven. Immers, in eigenlijken zin
is er geen kennis aangeboren, noch van God noch van de wereld. Alle
kennis komt van buitenaf in ’s menschen bewustzijn in. Wat aangeboren
is, is alleen het vermogen der kennis; maar dit vermogen komt eerst tot
handeling en daad door de inwerking der wereld in en om ons heen. Het
zaad der religie ligt wel in den mensch, maar het ontkiemt alleen in
den akker van heel het menschelijk leven. Gelijk het oog door den mensch
bij zijne geboorte wordt meegebracht maar de voorwerpen eerst ziet bij het
licht der zon, zoo aanschouwt de geloovige God eerst in al de werken
zijner handen. Voorts is het in de vorige § ons duidelijk geworden, dat
de christelijke theologie onder het aangeboren en ingeschapen zijn
der kennisse Gods nooit heeft verstaan, dat de mensch bij de geboorte
eenige bewuste kennis van God meebracht; maar ze gaf daarmede alleen
te kennen, dat de kennisse Gods den mensch niet door dwang of geweld,
en ook niet door logische redeneering of dwingende bewijzen behoeft
bijgebracht te worden, maar dat ze den mensch van nature, spontaan, van
zelve eigen is. Een mensch, normaal zich ontwikkelend, komt zonder
dwang of moeite, vanzelf tot eenige kennis van God. Daarom staat dan
ook de cognitio Dei insita niet in tegenstelling met de acquisita,
want in ruimeren zin kan ook de eerste acquisita heeten. Aan de
cognitio Dei, beide insita en acquisita, gaat nl. de openbaring Gods
vooraf. Hij laat zich niet onbetuigd. Hij werkt met zijne eeuwige kracht
en goddelijkheid van alle kanten op den mensch in, niet alleen van
buiten maar ook van binnen; in natuur en menschenwereld, in hart en
geweten, in voor- en tegenspoed treedt God als het ware den mensch
tegemoet. En deze ontving als geschapen naar Gods beeld het vermogen,
om de indrukken daarvan op te vangen en daardoor tot eenig besef en
tot eenige kennis van het Eeuwige Wezen te komen. De cognitio insita,
zoodra zij cognitio en dus niet alleen potentia maar actus is, is nooit
anders dan onder inwerking van de openbaring Gods in en buiten den
mensch ontstaan en is dus in zoover altijd acquisita. Om deze redenen
werd het onderscheid tusschen de cognitio Dei insita en acquisita
vroeger gewoonlijk anders aangegeven. Het bestond in deze twee dingen.
Vooreerst daarin, dat de cognitio Dei innata vanzelf, spontaan,
zonder moeite of dwang werd verkregen, de cognitio Dei acquisita
daarentegen door redeneering en betoog, door nadenken en bewijs langs
de viae causalitatis, eminentiae en negationis werd verworven; gene
was noetica, deze dianoetica. En ten tweede vloeide daaruit ook dit
verschil voort, dat de eerste alleen in beginselen bestond en algemeen
en noodzakelijk was, maar de tweede was meer uitgewerkt en ontwikkeld,
leverde meer concrete stellingen en was daarom ook aan allerlei twijfel
en bestrijding onderworpen. Dat er een God is, stond en staat nagenoeg
voor allen vast. Maar de bewijzen voor het bestaan Gods zijn door het
denken gevonden en zijn daarom beurtelings geminacht en hooggeschat,
Moor, Comm. I 41. 44. En daarmede is het onderscheid juist aangegeven.
Het ligt niet daarin, dat de aangeboren kennisse Gods uit den mensch
en de verkregene uit de wereld zou opkomen. Ook het moreel bewijs
is ontleend aan de zedelijke bewustheid, die binnen den mensch zich
bevindt. In beide is het dezelfde en de gansche openbaring Gods, uit
welke de cognitio Dei indringt in ons bewustzijn. Maar in de cognitio
Dei insita werkt die openbaring in op het bewustzijn van den mensch en
kweekt daar indrukken en beseffen. In de cognitio Dei acquisita wordt
die openbaring Gods door den mensch ingedacht; zijn verstand gaat aan
den arbeid, zijne reflectie ontwaakt, en met klare, heldere bewustheid
zoekt hij door redeneering en bewijs uit de schepselen op te klimmen tot
God. De mensch heeft nl. op geen gebied van kennis aan indrukken en
beseffen genoeg. Hij is met het bewustzijn alleen niet tevreden. Het is
hem niet voldoende, _dat_ hij weet. Hij wil ook _weten_, dat hij weet; hij
tracht het _hoe_ en _waarom_ van zijn weten te verklaren. En vandaar,
dat het gewone, alledaagsche, empirische weten altijd zoekt over te gaan
in het eigenlijke, wetenschappelijke weten; dat het geloof zich verheft
tot theologie, en de cognitio Dei insita zich voltooit in de cognitio
Dei acquisita.
2. De indeeling in cognitio Dei insita en acquisita wordt gewoonlijk
alleen toegepast op de theologia naturalis. En deze wordt dan
onderscheiden van en dikwerf tegengesteld aan de theologia revelata.
Reeds vroeger is deze opvatting breedvoerig bestreden, I 219-244. Er
is geen afzonderlijke theologia naturalis, die buiten alle openbaring
om door den mensch uit de denkende beschouwing der wereld zou kunnen
verkregen worden. Die kennisse Gods, welke in de theologia naturalis
wordt samengevat, is geen product van de menschelijke rede. Zij
onderstelt allereerst, dat God zelf zich in de werken zijner handen
openbaart; het is niet de mensch, die God, maar God, die den mensch
zoekt ook door zijne werken in de natuur heen. Voorts is het niet de
mensch, die met het natuurlijke licht der rede deze openbaring Gods
verstaat en kent; alle godsdiensten der Heidenen zijn positief; maar er
is van ’s menschen zijde een geheiligd verstand en een geopend oog van
noode, om God, den waarachtigen en levenden God, in zijne schepselen op
te merken. En zelfs is dit nog niet genoeg. Ook de geloovige, ook de
Christen zou Gods openbaring in de natuur niet verstaan en niet zuiver
kunnen weergeven, indien God zelf niet in zijn Woord had beschreven,
hoe en wat Hij van zichzelven in heel de wereld openbaart. De cognitio
Dei naturalis is in de Schrift zelve opgenomen en daarin breedvoerig
ontvouwd. Daarom is het ook eene gansch verkeerde methode, dat de
Christen zich bij de behandeling der theologia naturalis als het ware
van de bijzondere openbaring in de Schrift en van de verlichting des
H. Geestes ontdoet, zonder eenige christelijke Voraussetzung haar
bespreekt, en daarna tot de theologia revelata overgaat. De Christen
staat ook als dogmaticus van den aanvang af met beide voeten op den
grondslag der bijzondere openbaring; niet eerst in den locus de Christo
maar ook in den locus de Deo is hij Christgeloovige. Maar alzoo staande,
ziet hij rondom zich, en gewapend met de bril der H. Schriftuur ziet
hij in heel de wereld eene openbaring van dienzelfden God, dien hij in
Christus als zijn Vader in de hemelen kent en belijdt. Dan echter is
onder de cognitio Dei insita en acquisita niet die kennis te verstaan,
die wij buiten de bijzondere openbaring om uit de schepping verkrijgen.
Van onze prilste jeugd af aan heeft Gods bijzondere openbaring in
Christus op ons allen ingewerkt; wij zijn in het verbond der genade
en dus Christen geboren; allerlei christelijke invloeden hebben de
kennisse Gods gevormd, welke thans ons deel is, in veel grooter mate,
dan de werking, die er van Gods openbaring in de natuur op ons hart is
uitgegaan; en in het licht dier bijzondere openbaring hebben wij allen
ook de natuur en de wereld om ons heen leeren beschouwen. Wij danken
allen de kennisse Gods uit de natuur aan Gods bijzondere openbaring
in zijn Woord. De natuur zou ons even verwarde stemmen laten hooren
als de Heidenen, indien wij Gods sprake niet in de werken der genade
hadden beluisterd en daardoor nu zijne stem ook in de werken der natuur
verstonden. Maar nu is die openbaring Gods in de natuur ook van hooge
waarde. Het is dezelfde God, die in natuur en in genade, in schepping
en herschepping, in den Logos en in Christus, in den Geest Gods en
in den Geest van Christus tot ons spreekt. Natuur en genade zijn geen
tegenstelling; wij hebben éénen God, uit wien en door wien en tot wien
zij beide zijn.
3. Dit geldt beide van de cognitio Dei insita en acquisita; beide
danken we aan de H. Schrift. Het is waar, dat deze geen moeite
doet om het bestaan Gods te bewijzen. Ze gaat van dat bestaan uit en
onderstelt, dat de mensch God kent en erkent. Zij acht den mensch
nog niet zoo diep gezonken, dat hij om te gelooven vooraf een bewijs
van noode heeft. Immers is hij nog beelddrager Gods, Gods geslacht,
en begaafd met een νους, om in de schepping Gods eeuwige kracht en
goddelijkheid op te merken. De loochening van Gods bestaan is in het
oog der Schrift een teeken van dwaasheid, van diep zedelijk verval, Ps.
14:2. Zulke menschen zijn uitzondering, geen regel. Doorgaande rekent
de Schrift op zulken, die het bestaan Gods ongedwongen en krachtens de
inspraak hunner natuur erkennen. Zij appelleert niet aan het redeneerend
verstand, maar aan het redelijk en zedelijk bewustzijn. Zij ontleedt en
betoogt niet, maar laat God zien in al de werken zijner handen. Maar
dat doet ze dan toch. Hemel en aarde mitsgaders alle schepselen, loof
en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, spijs en
drank, gezondheid en krankheid, rijkdom en armoede, en alle dingen
spreken den vromen van God. Er is geen deel, geen stukske der wereld,
waarin zijne kracht en goddelijkheid niet wordt aanschouwd. Naar hemel en
aarde, vogelen en mieren, bloemen en leliën wordt de mensch verwezen,
om God te aanschouwen en te erkennen. De Schrift redeneert niet in het
afgetrokkene en maakt God niet tot de conclusie van een syllogisme,
het nu aan ons overlatend, of wij dat bewijs dwingend zullen vinden.
Maar zij spreekt met gezag, zij gaat theologisch en religieus van God
uit, zij laat zijne deugden zien in zijne werken en zij eischt, dat wij God
erkennen zullen. Een os kent zijn bezitter, en een ezel de kribbe zijns
heeren, maar Israel heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet, Jes.
1:3. Het staat voor haar vast, dat God zich openbaart in de schepselen
en dat Hij zich aan niemand onbetuigd laat, Hd. 14:17, Rom. 1:19. En
alzoo zich beroepende op de gansche schepping, als een getuigenis en
openbaring Gods, bevat zij alles in kiem, wat later in de bewijzen breed
werd uitgewerkt en dialectisch werd ontvouwd. Er ligt waarheid in de
opmerking van C. J. Nitzsch, Syst. der Chr. Lehre, 6te Aufl. S. 142,
dat de H. Schrift ons een aanvang en analogie van het aitiologisch
bewijs geeft in Rom. 1:20, van het teleologisch in Ps. 8; 19; Hd. 14:17,
van het moreel in Rom. 2:14 en van het ontologisch in Hand. 17:24,
Rom. 1:19, 32. Maar zoo sprekende, niet in dialectisch betoog maar in
de taal der getuigenis, zich niet appelleerende op het redeneerend
verstand maar een beroep doende op hart en geweten, op heel het
redelijk en zedelijk bewustzijn van den mensch, is de Schrift nooit zonder
macht en invloed geweest. Ook in dezen is zij een krachtig woord, scherp
als een tweesnijdend scherp zwaard, doorgaande tot de verdeeling der
ziel en des geestes, een oordeelaar van de gedachten en overleggingen
des harten. Ook zonder logisch betoog en wijsgeerig bewijs is de Schrift
in deze hare getuigenis machtig, omdat zij het woord Gods is en steun
vindt in de redelijke en zedelijke natuur van iederen mensch. Het is God
zelf, die zich aan niemand onbetuigd laat. En het is de mensch zelf,
die, wijl hij naar Gods beeld werd geschapen, zijns ondanks aan deze
getuigenis gehoor en instemming geven moet. In dit licht moeten ook de
zoogenaamde bewijzen voor Gods bestaan worden beschouwd. Dat zal beide
voor overschatting en voor minachting der bewijzen ons bewaren.
4. Reeds bij de oude wijsgeeren, Anaxagoras, Socrates, Plato,
Aristoteles, Plutarchus, Seneca, Cicero treffen we de bewijzen aan,
die voor het bestaan van God worden bijgebracht. Uit de schoonheid, de
harmonie, de beweging, de doelmatigheid der wereld, uit de rede en het
aangeboren besef, uit het belang der religie voor staat en maatschappij,
uit de overeenstemming der volken wordt besloten tot het bestaan van
een zelfbewust, redelijk, Goddelijk wezen, Zeller, Philos. der Gr. I⁴
885 f. II⁴ 771 f. III³ 357 f. IV³ 133 f. De christelijke theologie
nam al deze bewijzen over en behandelde ze met voorliefde; Augustinus
voegde er nog een uit de algemeene begrippen aan toe, de lib. arb.
II c. 3-15. Münscher--v. Coelln, D. G. I 125-129. Zij versmaadde den
steun niet, die haar door de heidensche wetenschap werd geboden, en
zag met verwerping van het dualistisch gnosticisme en manichaeisme in
de natuur een werk Gods. Dit standpunt der christelijke theologie is
te opmerkelijker, wijl het Christendom ten deele vijandig tegenover den
kosmos stond en allen nadruk legde op de redding van den mensch. Maar
de natuur was en bleef voor de christelijke theologie, in weerwil van
alle ascese, die in de kerk binnendrong, eene schepping van dienzelfden
God, die in Christus als Herschepper en Zaligmaker zich geopenbaard
had. Zelfs werd de waarde en kracht der bewijzen zeer spoedig overschat.
Wel spreken sommige kerkvaders het uit, dat de Heidenen nooit tot
eene zuivere religio naturalis zijn gekomen en dat de weg dezer bewijzen
voor den zondaar zeer moeilijk is, Athanasius, c. Gent. c. 35 sq. Maar
langzamerhand verliezen de bewijzen hun religieus karakter; zij worden
van alle zedelijke voorwaarden losgemaakt; de cognitio Dei acquisita
komt los naast de insita te staan; en de christelijke theologie kreeg
hoe langer hoe meer de overtuiging, dat de waarheden der religio
naturalis in denzelfden zin bewijsbaar waren als die van mathesis of
logika. Ze waren eigenlijk geen articuli fidei maar praeambula ad
articulos, Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 2. c. Gent. I 10-13. Het
ontologisch argument van Anselmus, in zijn Proslogium, schoon door
enkelen zooals Halesius, Bonaventura, Itiner. c. 5 overgenomen, werd
wel door de meesten verworpen, wijl wij alleen door de schepselen tot
God kunnen opklimmen, Thomas, c. Gent. I 10-12. Maar overigens werd
er aan de bewijzen groote waarde gehecht en veel zorg besteed; in de
theologia naturalis stond men op rationeelen, wetenschappelijken bodem
vóór en buiten het geloof, Schwane, D. G. III 107 f. En op datzelfde
rationalistische standpunt staat Rome en de Roomsche theologie nog
tot den huidigen dag, Petavius, Theol. I cap. 2. Sylvius, Comm. in
totam pr. p. S. Thomae, ed. 4a 1693 I p. 22-26. Theol. Wirceb. 1880
III 1-20. Perrone, Prael. Theol. II 3-41. Kleutgen, Philos. der Vorz.
I² 673 f. II² 668 f. Schwetz, Theol. fund. I § 4-8. C. Pesch, Prael.
dogm. II 1-20. Hettinger, Apol. des Christ. I⁷ 103 f. Jansen, Prael. I
39-51 enz. Het Vatikaan sprak uit, dat God uit de schepping door het
natuurlijk licht der rede met zekerheid kan worden gekend, cf. deel I
221.
De Reformatie nam deze theologia naturalis met hare bewijzen wel over
maar liet ze niet voorafgaan aan doch nam ze op in de leer des geloofs.
Calvijn ging uit van het semen religionis en zag dan wel in iedere
particula mundi, in den sterrenhemel, in het menschelijk lichaam, in
de ziel, in de onderhouding aller dingen enz., onweersprekelijke signa
en testimonia van Gods majesteit, Inst. I 5, 1-10, maar erkent dan
terstond weer, dat het semen religionis, schoon allen onuitroeibaar
ingeplant, toch verstikt worden kan en geen goede vrucht kan
voortbrengen; de mensch heeft geen oog meer om God te aanschouwen,
hij heeft daartoe het geloof van noode, I 4, 1. 5, 11-15. Deze zelfde
plaats neemt de theol. naturalis in bij Ursinus, Tract. theol. 1584 p.
37-44, Martyr, Loci p. 2 sq., Musculus, Loci p. 2-5, Polanus, Synt.
theol. II c. 4, cf. Schweizer, Gl. der ev. ref. K. I 156 f. Maar
spoedig ging de protest. theol. den rationalistischen weg op. Terwijl
de theol. nat. eerst eene beschrijving was, aan de hand der Schrift,
van wat de Christen aangaande God uit de schepping kennen kon, werd ze
weldra eene uiteenzetting van wat de niet-geloovige, redelijke mensch
uit de natuur door eigen denken te weten kon komen. De theologia
naturalis werd theologia rationalis. Cartesius vond in de aangeboren
idee een onomstootelijk bewijs voor het bestaan Gods. Voetius zag het
onderscheid tusschen deze rationalistische argumentatie en de Geref.
leer van de theol. nat. nog in, Disp. V 455-525. Maar dit besef ging
bij Alsted, Theol. nat. 1623, Mastricht, Theol. II c. 2, Marck, Merch
I 1, 14, Turretinus, Theol. El. III qu. 1 e. a. hoe langer hoe meer
te loor. Het rationalisme deed allerwege zijn intocht. De theologia
naturalis werd de eigenlijke, wetenschappelijke, demonstrabele theologie,
tegen welke de theologia revelata steeds meer in de schaduw kwam te
staan en eindelijk geheel en al verdween. De bewijzen werden in klassen
verdeeld en breed uitgewerkt; men onderscheidde metaphysische bewijzen
uit beweging, causaliteit, toevalligheid der wereld; physische uit
harmonie, orde, doel van het heelal en van bijzondere schepselen, zooals
zon, maan, sterren, vuur, licht, aarde, water, dier, plant, mensch,
lichaam, ziel, oor, oog, hand, instinct enz.; historische uit den
consensus gentium, de societas, kunsten, wetenschappen, openbaring,
profetie, wonder; moreele uit geweten, vrijheid, zedelijkheid, oordeel,
loon en straf enz., en eindelijk ook nog mathematische bewijzen, Buddeus,
de atheismo et superst., ed. Lulofs, 1767 p. 224-318, en verdere litt.
bij M. Vitringa I p. 11 sq. Walch, Bibl. theol. sel. I 676-744, Doedes,
Inl. tot de Leer v. God 200-217.
Deze zelfgenoegzaamheid der theologia naturalis duurde tot Kant. Deze
onderwierp de bewijzen aan eene strenge kritiek, betoogde, dat de
theoretische rede hier met een non liquet eindigen moest, Kr. d. r.
V. ed. Kirchmann S. 470 f., maar bouwde het bestaan van God op het
postulaat der praktische rede, cf. I 447 f. Sedert zijn de bewijzen bij
vele philosophen en theologen in discrediet geraakt. Jacobi achtte het
zelfs onmogelijk, om Gods bestaan te bewijzen, wijl God dan als eene
conclusie van de bewijsgronden zou afhangen, Von den göttl. Dingen,
Werke III 368. 567 f. Als onnoodig voor den geloovige en als onnut
voor den ongeloovige werden de bewijzen verworpen of geminacht door
Reinhard, Dogm. § 30. Schleiermacher II § 33. Twesten II 19 f. Hofmann,
Schriftbew. I² 62. Beck, Vorles. über die Glaubenslehre I, 63 f. Frank,
Syst. d. chr. Wahrh. I² 102-109. Philippi, K. Gl. II 1-17. Bovon, Dogm.
Chrét. I 216. Böhl, Dogm. 16 f. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd. 499 v.
enz. Anderen gingen zoo ver niet, maar kenden althans aan het moreele
bewijs in den zin van Kant eene belangrijke plaats toe, zooals Köstlin,
Die Beweise für das Dasein Gottes, Stud. u. Kr. 1875 S. 601-655, 1876
S. 7-80. cf. ook Herzog² 5, 308. Ritschl, Theol. u. Met. 8 f. Rechtf.
u. Vers. III² 200 f. Kaftan, Wahrh. d. chr. Rel. 490 f. Eene veel
grootere beteekenis kregen de bewijzen in de philosophie van Hegel;
deze liet ze gelden als het zelfbewijs Gods in ’s menschen geest en
hechtte daarom vooral aan het ontologisch bewijs groote waarde, Ueber
die Beweise vom Dasein Gottes, Werke XII 291 f. Biedermann beschouwt ze
als bewijzen niet voor het bestaan van een persoonlijk God maar wel van
een einheitlichen, absoluten Grund der Welt, Dogm. § 645 f., cf. ook
Hartmann, Religionsphil. II 114 f. Paulsen, Einl. in die Philos. 239 f.
enz. Herbert Spencer acht het wezen van het Absolute onkenbaar maar zijn
bestaan toch bewijsbaar, First Principles 5th ed. p. 1-123, vooral p.
87-97, cf. Spruyt, Gids April 1886, Molenaar, Bijbl. v. d. Herv. 21 Mei
1885. Voorts is van verschillende zijde de poging beproefd, om de oude
bewijzen in nieuwen vorm voor te dragen en hetzij als bewijzen, hetzij als
gronden voor het geloof aan een persoonlijk God te handhaven, Dorner,
Gl. I 199 f. Kahnis, Luth. Dogm. I² 118 f. Lange, Dogm. I 207 f.
Ulrici, Gott. u. die Natur 2e Aufl. 431 f. Weisse, Philos. Dogm. I 301
f. Lotze, Mikrok. III³ 553 f. Pfleiderer, Grundriss 1886 S. 65. Barry,
Die natürl. Theol. 1882. Kennedy, Gottesglaube u. mod. Weltanschauung
1893. Zöckler, Theol. naturalis 1860. Fricke, Ist Gott persönlich,
Leipzig Wigand 1896. Hodge, Syst. Theol. I 202. Shedd, Dogm. Theol. I
222. Bruce, Apologetics 1892 p. 149-163. Caird, Introd. to the philos.
of religion 1880. Flint, Theism, Edinb. 1877. James Orr, Chr. view of
God and the world 1893 p. 104-137. Land, Godg. Bijdr. 1856 bl. 353 v.
Doedes, Inl. tot de Leer v. God 236 v. Leer v. God 50 v. Bruining,
Het bestaan van God 1892. Maronier, Wat wij van God weten. 1889.
Graswinckel, Geloof en Vrijheid 1890 bl. 144-185 enz.
5. Het ontologisch bewijs komt voor in drieërlei vorm. Het besluit
uit de algemeene ideeën en vormen in den menschelijken geest, d. i.
uit _de_ rede, die boven onze individueele rede en boven de gansche
wereld staat, tot de absolute rede, het inbegrip van al die ideeën en
vormen, het absoluut ware en goede en schoone, d. i. tot God (Plato,
Augustinus, Boethius, Anselmus in zijn Monologium). Of het gaat uit
van het noodzakelijk denken van de hoogste, absolute idee, d. i. van
God en concludeert daaruit tot het bestaan dier idee, wijl zij anders
niet de absolute, de hoogste idee ware, daar eene idee, die tegelijk
wel bestaat, grooter en hooger is, dan eene, die niet werkelijk bestaat
(Anselmus in zijn Proslogium). Of het ziet in het aangeboren-zijn der
Gods-idee een feit, dat niet anders te verklaren is dan door het
bestaan Gods, die deze idee den mensch heeft ingeschapen (Cartesius).
De vormen verschillen, maar het bewijs is één, in zoover het besluit
uit het denken tot het zijn. Nu gaat dit ten aanzien van schepselen
niet aan, gelijk ieder erkent. Deze toch bestaan contingent; ze kunnen
zonder eenige logische tegenstrijdigheid als niet-bestaande worden
gedacht. Denken en zijn behooren tot eene gansch andere categorie en
zijn geheel verschillende zaken. Uit het denken van iets, b. v. een
gevleugeld paard, volgt volstrekt niet, dat dat iets werkelijk bestaat.
Het zijn is geen product van het denken. Niemand heeft dit dan ook
met het ontologisch bewijs bedoeld. Maar de vraag is, of juist bij de
Gods-idee niet uit het denken tot het zijn mag besloten worden. Daarop
is het antwoord vooreerst: ja, maar onder ééne voorwaarde, nl. indien
God bestaat. _Als_ God bestaat, dan bestaat Hij noodzakelijk, en is
essentia en existentia bij Hem één. Maar deze voorwaarde was juist te
bewijzen; er moest aangetoond worden, dat God bestaat, Schelling, Werke
II 3 S. 156 f. Ten tweede dient geantwoord, dat uit _ons_ denken,
zelfs uit ons _noodzakelijk_ denken, van de idee Gods toch niet tot het
bestaan Gods kan geconcludeerd worden, wijl het zijn Gods immers niet
is of wezen kan een product van ons denken der Godsidee. De wereld
der ideeën en vormen, inbegrepen ook de idee Gods, is niet met God
te vereenzelvigen, zij is iets in ons. Met die ideeën is het bestaan
Gods dus vanzelf nog niet gegeven. Hoogstens kan er uit het aanwezig
zijn dier ideeën in ons tot het bestaan van God besloten worden, maar
dan is dit eigenlijk geen ontologisch doch een kosmologisch bewijs.
Maar het zijn zelf van de Godsidee in ons, hoe noodzakelijk dit ook
wezen moge, sluit nooit in en kan niet als zoodanig reeds insluiten
de existentie Gods. Het ontologisch bewijs is daarom geen bewijs in
strikten zin. Alleen houdt het in: 1º dat de wereld der ideeën en
vormen, en zoo ook de hoogste idee niet willekeurig, maar noodzakelijk
door ons gedacht wordt, en 2º dat die wereld van ideeën en vormen, en
bepaaldelijk ook de idee Gods, zoodra wij ze denken, door ons ook als
reëel bestaande gedacht wordt en gedacht moet worden. Het noodzakelijk
denken van de idee Gods brengt ook mede het noodzakelijk denken van die
idee als reëel bestaande. Maar verder brengt het ons niet. Wij blijven
ons bewegen binnen den kring van het denken. Over de klove van denken
tot zijn brengt het ons niet heen. Dat zou het eerst dan doen, wanneer
uit die ideeën niet als ideeën maar uit het zijn dier ideeën in ons
besloten mocht worden tot een wezen, dat die ideeën in ons schiep en
onderhield en zelf de hoogste idee moest zijn; maar dan ware het, gelijk
gezegd is, geen ontologisch doch een kosmologisch bewijs, cf. Runze, Der
ontol. Gottesbeweis, krit. Darst. seiner Gesch. seit Ans. bis auf die
Gegenwart, Halle 1882. Körber, das ontol. Argument, Bamberg 1884.
6. Ook het kosmologisch bewijs treedt in verschillende gedaanten op.
Het besluit uit de beweging tot een primum movens, quod a nullo
movetur (Aristoteles), uit het veranderlijke tot het onveranderlijke
(Damascenus), uit het relatief tot het absoluut volmaakte (Boethius,
Anselmus), uit de series causarum, welke niet oneindig kan zijn, tot
eene prima causa efficiens (Thomas), uit het contingente bestaan der
wereld tot een ens necessarium (id.), uit wat niet van zichzelf bestaat
tot het door zichzelf bestaande (Richard Vict.), uit het bestaan van
het relatieve tot dat van het absolute (Spinoza, Hegel, Hartmann,
Scholten) enz. Maar in al deze vormen komt het kosmologische bewijs
toch steeds op hetzelfde neer, nl. op het besluit uit een gevolg tot
eene oorzaak. Op zichzelf is dit ook een volkomen wettig besluit, in
weerwil van de kritiek van Hume en Kant; indien wij de causaliteitswet
niet meer mogen toepassen, is alle wetenschap onmogelijk. Maar het
kosmologisch bewijs gaat van verschillende onderstellingen uit, die niet
op zichzelve en voor allen vaststaan. Het onderstelt, niet slechts
dat de bijzondere dingen in de wereld maar dat ook het gansch heelal
contingent, eindig, relatief, onvolmaakt is; dat eene series causarum
in infinitum ondenkbaar is; dat de causaliteitswet ook geldt van de
wereld in haar geheel. Eerst wanneer al deze onderstellingen juist
waren, zou het kosmologisch bewijs kracht hebben. Terecht concludeert
het, dat, gelijk alle dingen, zoo ook de wereld in haar geheel, als uit
die dingen saamgesteld, eene oorzaak hebben moet. Maar verder brengt
het niet; het zegt niets over aard en natuur van die oorzaak. Wie uit
de wereld tot eene oorzaak besluit, welke zelve ook weer eene oorzaak
behoeft, heeft aan de logische kracht van dit bewijs genoeg gedaan. Dat
die oorzaak oneindig, absoluut, volmaakt is, volgt niet rechtstreeks
uit het kosmologisch bewijs, maar vloeit uit andere overwegingen voort.
Zoo is inderdaad eene series causarum infinita ondenkbaar en onmogelijk;
er is niemand, die ze aanneemt; allen erkennen een absoluten grond, een
eerste zijn, hetzij dit den naam drage van God of van het absolute, van
substantie of kracht, van materie of wil enz. Indien deze onderstelling
nu juist is, gelijk ze feitelijk door allen wordt erkend, dan brengt
het kosmologisch bewijs ons een stap verder, nl. tot eene oorzaak der
wereld, die van zichzelve bestaat en dus oneindig, eeuwig, absoluut
is. Maar of die oorzaak nu ook transcendent of alleen immanent is, of
ze persoonlijk dan wel onpersoonlijk, bewust of onbewust is, is hiermede
volstrekt niet beslist. Velen hebben echter uit het kosmologisch bewijs
nog iets meer trachten af te leiden hetzij dan rechtstreeks, hetzij
zijdelings. Rechtstreeks trachtten zij dit zoo te doen, dat zij, wijl
een gevolg niet meer kan bevatten dan er ligt in de oorzaak, uit het
persoonlijke, het bewuste, het vrije, de ideeën, die er in de wereld
waren, besloten tot een persoonlijk, bewust, vrij wezen, dat tevens de
hoogste idee, de absolute rede was. Deze redeneering stuit echter
hierop af, dat de verhouding van oorzaak en gevolg dan willekeurig als
eene emanatie wordt gedacht en, toegepast op God, ook eischen zou, dat
Hij stoffelijk, lichamelijk, ja zelfs onrein en onheilig zou zijn. Anderen
hebben daarom een zijweg ingeslagen en geredeneerd, dat eene oneindige,
absolute oorzaak, een wezen, dat van, in en door zichzelf bestaat, niet
anders bestaan kan dan als geest, persoon, b. v. Dorner, Gl. I 243 f.
Kahnis, Luth. Dogm. I² 122. Doederlein, Zeits. f. Philos. u. philos.
Kritik 1886 S. 52 f. Maar hiertegen geldt het bezwaar, dat wij door
het kosmologisch bewijs van de innerlijke natuur van zulk eene eerste
oorzaak niets weten, dat wij geen recht hebben, om op zulk eene eerste
oorzaak weer de causaliteitswet te gaan toepassen en dienaangaande dus
ook niets kunnen bepalen. En zoo blijft het er bij, dat het kosmologisch
bewijs ons hoogstens, bij de erkentenis nl., dat eene oneindige reeks van
oorzaken onmogelijk is, leidt tot eene eerste, van zichzelf bestaande,
absolute wereldoorzaak, Strauss, Der alte u. d. neue Gl. 1872 S. 214 f.
Pesch, Die grossen Welträthsel II² 288 f.
7. Het teleologisch bewijs gaat uit van de orde en schoonheid, de
harmonie en het doel, welke in de wereld, hetzij in haar geheel, hetzij
in bijzondere schepselen, sterrenhemel, elementen, aarde, mensch, dier,
plant, hand, oog enz., zijn op te merken en besluit daaruit tot eene
intelligente oorzaak. Ofschoon het teleologisch bewijs nooit nalaat
indruk te maken en ook door Kant met achting werd genoemd, toch zijn
er vooral in den tegenwoordigen tijd vele bezwaren tegen ingebracht.
Vooreerst wordt van materialistische zijde beweerd, dat er geen doel
is in de dingen en dat de teleologische natuurverklaring voor de
mechanische plaats maken moet, b. v. Haeckel, Nat. Schöpf. 1874 S. 16
f. Lange, Gesch. des Mater. 1882 S. 570 f. Büchner, Kraft u. Stoff,
16te Aufl. S. 214 f. Ten tweede brengt het pantheisme in, dat de
aanwezigheid van orde en doel in de wereld nog volstrekt geen recht
geeft tot het aannemen van eene bewuste, intelligente oorzaak, wijl het
onbewuste evenals bij iederen mensch zoo ook bij het wereldgeheel veel
wijzer en zekerder werkt dan bewust nadenken en opzettelijke berekening,
Hartmann, Philos. des Unbew. 9te Aufl. 1882 passim. En eindelijk
opperde Kant nog het bezwaar, dat dit bewijs hoogstens leidde tot een
wereldformeerder maar niet tot een wereldschepper, Kr. d. reinen Vern.
ed. Kirchmann S. 500. Nu wegen tegen deze bezwaren heel wat andere
overwegingen op. De Schrift erkent allerwege een doel in de schepping,
Gen. 1, Spr. 8, Ps. 8, 1 Cor. 3:21-23, Rom. 8:28 enz. De teleologische
wereldbeschouwing is door bijna alle wijsgeeren, Anaxagoras, Socrates,
Plato, Aristoteles enz. gehuldigd en dringt zich telkens weer aan
iederen mensch op, in weerwil van het misbruik, dat er telkens vooral
in de vorige eeuw van gemaakt is. Doeleinden zijn er op te merken, zoo
in bijzondere verschijnselen, klimaat, jaargetijden, temperatuur van het
water, bevruchting der planten, bloedsomloop, organismen, hand, oog
enz., als in het wereldgeheel. Alle atomen gehoorzamen aan ééne wet;
alles berust op gedachte, welke begrepen kan worden door den mensch;
uit een toeval is het heelal evenmin te verklaren als de Ilias uit een
worp van letters. En zelfs het feit, dat wij menigmaal geen doel kunnen
aantoonen, bewijst, dat wij, waar wij het opmerken, dit ook terecht doen.
Bovendien sluit de teleologische wereldbeschouwing de mechanische in
de physische natuur niet uit; alleen gaat deze laatste haar macht en
bevoegdheid te buiten, als ze alle verschijnselen in de wereld, ook
de bewuste en geestelijke, uit stof en stofwisseling verklaren wil,
Ulrici, Gott u. die Natur 1866, Id. Gott u. d. Mensch 1874. P. Janet,
Les causes finales 1882. Ebrard, Apolog. § 74 f. Pesch, Die grossen
Welträthsel I² 241 f. 310 f. 788 f. Kennedy, Gottesgl. und mod.
Weltanschauung 1893. Doedes, de Leer van God bl. 118 v. enz. Indien
nu de aanwezigheid van orde en doel voor allen vaststond en in dezen
tijd niet zelve zoo krachtig en breedvoerig betoog van noode had, zou
inderdaad het teleologisch bewijs ons recht geven om uit de schoonheid
en harmonie der wereld tot een bewust wezen te besluiten, want een
onbewust doel is er niet. Wel heeft Hartmann het tegendeel trachten
te betoogen, maar zijne bewijzen voor de doelmatige werking van het
onbewuste gaan daarom niet op, wijl het iets anders is, of een mensch
iets met bewustheid en met een opzettelijk doel doet, en iets anders, of
er in eene onbewuste handeling een doel valt op te merken. Het instinct
werkt onbewust, maar desniettemin is er in de onbewuste handeling van
het instinct een doel te bespeuren dat terugwijst op een wezen, hetwelk
met bewustheid zulk een instinct heeft voortgebracht. Indien er een
doel is in de wereld, moet het ook te voren gedacht zijn. Moge het nu al
waar zijn, dat wij ook zoo met het teleologisch bewijs niet verder komen,
dan tot een wereldformeerder, dan zou toch dat bewijs van niet geringe
beteekenis zijn. Ja zelfs, indien dit bewijs niet bepaald leidde tot
één intelligent wezen, maar de mogelijkheid openliet voor het bestaan
van vele Goddelijke wezens, die samen de wereld hadden voortgebracht,
dan nog zou het teleologisch bewijs niet van alle waarde ontbloot zijn.
De intelligentie ware dan toch in de eerste oorzaak of oorzaken door
de inrichting der wereld geëischt, en dit bewijs hadde geleverd, wat
het leveren kon. Alleen zou men dan, langs dezen weg tot één of meer
wereldformeerders gekomen, voor de moeilijkheid staan, hoe een wezen,
dat de stof niet voortbracht, toch aan die stof vorm en gedaante kon
geven, of ook, hoe meer dan één wezen prima causa der wereld kon zijn.
Logisch mogen deze bedenkingen nog eenige waarde hebben, practisch
hebben ze voor ons bewustzijn geen beteekenis meer. Alles hangt hier
aan de aanwezigheid van een doel in de wereld; zoo dat vaststaat, is
daarmee de bewustheid van het hoogste wezen gegeven, Pesch, Die grossen
Welträthsel II² 305 f.
8. Het moreele bewijs eindelijk let op de zedelijke verschijnselen, die
in mensch en menschheid zich voordoen, geweten, verantwoordelijkheid,
berouw, loon en straf, deugd en geluk, vrees voor dood en oordeel,
triumf van het goede enz. en besluit daaruit tot een zedelijk wezen, dat
heel die zedelijke wereldorde schiep en onderhoudt. Sommigen vestigen
daarbij meer de aandacht op het geweten, dat in iederen mensch spreekt,
op de zedewet, waaraan ieder zich gebonden gevoelt, en besluiten
daaruit tot een hoogsten, souvereinen wetgever. Anderen letten vooral
op de disharmonie van deugd en geluk, van zonde en straf en postuleeren
daaruit een wezen, dat hiernamaals rechtvaardige overeenstemming
brengen zal. Of ook vat men heel de zedelijke wereldorde in het oog
in haar innerlijk verband en in haar suprematie boven de natuurorde
en concludeert daaruit tot een wezen, dat die zedelijke orde schiep
en stelde boven de orde der natuur. Altijd echter is dit argument
gebaseerd op de ethische verschijnselen in de menschenwereld en komt
daardoor tot God als het hoogste zedelijk wezen. Ook tegen dit bewijs zijn
exceptiën opgeworpen. Vooreerst voert het materialisme er tegen aan,
dat het zedelijk, evenals het bewuste leven geen zelfstandige orde is
maar langzamerhand door evolutie is ontstaan, hier zus en elders zoo
zich vertoont, en ten slotte op toevallige wisseling der stof berust,
Darwin, Afst. v. d. mensch, hfdst. 4. Hellwald, Kulturgesch. I³ 26 f.
Büchner, Kraft u. Stoff 462 f. 478 f. En ten tweede leerde Fichte,
dat de zedelijke wereldorde in zichzelve rust en bestand heeft en geen
God boven en buiten haar meer van noode heeft; en de voorstanders der
autonome en onafhankelijke moraal zijn hem daarin gevolgd, C. Coignet, La
morale indép. Paris 1869. Wederom zijn er tegen deze materialistische
en autonome opvatting allerlei gewichtige bedenkingen in te brengen.
Zelfs wordt hoe langer hoe meer algemeen erkend, dat het materialisme
de zedelijke verschijnselen van vrijheid, verantwoordelijkheid, berouw
enz. niet heeft verklaard, Du Bois Reymond, Die sieben Welträtsel
1882 S. 84. Carneri, Sittl. u. Darw. 1877. Weygoldt, Darwin. Relig.
Sittl. 1878 enz. En ook de morale indépendante is met sterke argumenten
bestreden, Caro, La morale indép. Paris 1876. Cramer, Christ. en Hum.
bl. 159 v. Maar dit is toch zeker, dat de praemissen van dit bewijs
zelve eerst zooveel krachtigen steun behoeven, dat het haast aan de
conclusie niet toekomt. Desniettemin heeft dit bewijs vooral door den
invloed van Kant bij velen zooveel sympathie gevonden, dat de andere
bewijzen daarbij schier geheel verwaarloosd zijn, cf. boven bl. 52 en
voorts de litt. over de zedelijke wereldorde, Zeller, Vortr. u. Abh. III
1884 S. 189 f. Carrière, De zedelijke wereldorde 1880. Hartmann, Das
sittl. Bewustsein 1886 S. 570 f. Christ, Die sittl. Weltordnung 1894,
Traub, Die sittl. Weltordnung 1892, Pierson, Gids Nov. 1895 bl. 248.
Toch kan dit bewijs niet sterker dan de andere worden genoemd. Zelfs
draagt het een veel meer persoonlijk karakter dan de vorige argumenten.
Al is er in de wereld om ons heen vaak weinig van eene zedelijke
wereldorde te bespeuren, in zijn geweten voelt elk zich zijns ondanks
aan eene zedelijke orde gebonden, even sterk als in zijn verstand aan de
wetten van het denken. Deze zedelijke orde, welke ieder in zijn eigen
zieleleven ontdekt, valt met de Godsidee niet onmiddellijk samen, dwingt
ook niet tot de erkenning van het bestaan Gods, laat zelfs voor wie
aan haar ontkomen wil allerlei exceptiën toe, maar blijft desniettemin
een machtig getuigenis, dat altijd weer leidt tot de erkenning van een
heilig en rechtvaardig wezen.
9. Het is jammer, dat deze argumenten voor het bestaan Gods in de
theologie den naam van bewijzen hebben gekregen. Echter niet om de
reden, door Jacobi genoemd. Ofschoon bewijzen is het afleiden van eene
stelling uit eene andere, is daarom het bewijzen van Gods bestaan nog
geen contradictio in adjecto. Het afhangen in een bewijs is heel iets
anders dan het afhangen in de werkelijkheid. De causa cognoscendi is
volstrekt niet hetzelfde als de causa essendi. Hoewel het bestaan Gods
in een syllogisme de conclusie kan zijn, gelijk in het algemeen uit het
werk tot den werkmeester kan besloten worden, daarom is dat bestaan
in de werkelijkheid nog wel aanvang en grond van het zijn aller dingen;
ja, als zoodanig wordt het juist in de conclusie geponeerd. Maar de
naam van bewijzen is voor de bovengenoemde argumenten daarom minder
goed gekozen, wijl hij hen in eene kategorie heeft overgebracht waar ze
niet thuis behooren, nl. in die van logische, mathematische, exacte,
dwingende betoogen, en alzoo van hun ethisch en religieus karakter
heeft beroofd. Het heeft nu den schijn, alsof het geloof aan het bestaan
Gods op die bewijzen zou rusten en daarmede staan of vallen zou. En
dat ware toch ein elender Glaube, der sich Gott erst beweisen müsste,
ehe er zu ihm betete, Kahnis, Luth. Dogm. I 128. Maar het tegendeel
is veeleer het geval. Het bestaan van geen enkel ding staat voor ons
eerst op grond van bewijzen vast. Van het bestaan van ons zelven, van
de buitenwereld, van de denk- en zedewetten enz., zijn wij vóór alle
redeneering en betoog vast en zeker overtuigd door de indrukken, die
al deze dingen onwederstandelijk maken op ons bewustzijn. Wij nemen dat
bestaan aan vanzelf, spontaan, zonder dwang of geweld. En zoo is
het ook met het bestaan Gods. De zoogenaamde bewijzen mogen meerdere
klaarheid en helderheid aanbrengen, maar de zekerheid aangaande het
bestaan Gods wordt er niet in het minst door versterkt. Deze wordt
alleen bepaald door het geloof, d. i. door de spontaneiteit, waarmede
ons bewustzijn aan het bestaan Gods, dat van alle zijden zich aan ons
opdringt, getuigenis geeft. De bewijzen zijn dan ook geen gronden,
maar veeleer producten van het geloof. Het geloof nl. tracht zich
rekenschap te geven van de religieuse indrukken en aandoeningen, welke
ieder mensch in zijne ziel ontvangt en omdraagt. Het geloof werkt
ook in op het verstand en dit zoekt allengs orde te brengen in dien
chaos van indrukken en beseffen; het rubriceert en classificeert ze
en herleidt ze tot enkele soorten. Er komen indrukken tot ons uit de
wereld der ideeën (ontol. bewijs), uit die van de eindige, contingente,
veranderlijke dingen (kosmol. bewijs), uit die van de schoonheid en
harmonie (teleol. bewijs), uit die van de zedelijke orde (moreel bewijs).
Maar ofschoon ze alzoo te classificeeren zijn, mag toch nooit gedacht,
dat deze vier bewijzen de eenige en geisoleerde getuigenissen zijn,
welke God tot ons doet uitgaan. Neen, alle dingen spreken den vrome
van God, de gansche wereld is een spiegel zijner deugden, er is nulla
mundi particula, in welke zijne eeuwige kracht en goddelijkheid niet
wordt aanschouwd. Van binnen en van buiten ons komt Gods getuigenis tot
ons. Hij laat zich niet onbetuigd, in natuur noch geschiedenis, in hart
noch geweten, in leven noch lot. En daarom is die getuigenis Gods zóó
machtig, dat ze schier door niemand wordt geloochend. Alle menschen
en volken hebben iets gehoord van de stemme des Heeren. De consensus
gentium, door velen nog een vijfde bewijs gerekend, is eene bevestiging
daarvan dat God zich niet onbetuigd laat; het is het antwoord der
menschheid op de roepstem Gods. Deze getuigenissen die van God uitgaan
en die door heel de wereld heen zich richten tot den mensch, worden in
de bewijzen geordend en gerangschikt. Zij krijgen door den syllogistischen
vorm waarin zij gekleed worden, geen meerdere kracht. Maar als bewijzen
zwak, zijn ze sterk als getuigenissen. Geen argumenten zijn het, die
het verstand des ongeloovigen dwingen, maar signa en testimonia, die
nooit nalaten indruk te maken op ieders gemoed. Ontleed, geisoleerd,
van elkaar losgemaakt en naast elkander geplaatst, kunnen ze bestreden
worden op ieder punt der redeneering en houden zij het gelooven op, dat
spontaan en vanzelf geschiedt. Maar opgevat als getuigenis en gepredikt
als openbaring van dien God, van wiens bestaan ieder mensch van nature,
vóór redeneering en studie, in het diepst zijner ziel verzekerd is,
zijn ze van niet geringe waarde. Want al is het ook, dat zij, alzoo
gepredikt, bezwaren en bedenkingen ontmoeten, daarmede zijn ze toch niet
teniet gedaan. Gelijk niemand aan Gods liefde gelooft, omdat alles zijn
liefde ontdekt maar ondanks alles dat twijfel wekt, zoo is ook iedereen
van te voren van het bestaan Gods overtuigd; door de bewijzen komt hij
niet tot zijn geloof en door de bezwaren lijdt hij geen schipbreuk aan
zijn geloof. Op ieder terrein is het zoo, dat bij het nadenken eerst
de moeilijkheden opkomen, maar niemand werpt daarom de zedewet, de
denkwet, de religie, de kunst, de wetenschap als dwaasheid weg, omdat
zijn denken de verschijnselen, die het erkent, niet weet te verklaren en
tegen alle bedenkingen weet te verdedigen. Maar desniettemin brengt het
nadenken, ofschoon geen zekerheid aangaande het bestaan, toch klaarheid
en helderheid aan. De zoogenaamde bewijzen voor het bestaan Gods
geven den geloovige rekenschap van zijn eigen religieuse en ethische
bewustzijn; zij geven hem wapenen aan de hand, waarmede de tegenstander,
die in elk geval niet beter gewapend is, kan worden teruggeslagen; zij
zijn voor den Christen een teeken, dat het eenzelfde God is, die in
natuur en genade zich openbaart en dat dus schepping en herschepping,
physis en ethos, niet manicheesch en dualistisch naast elkander staan;
de deugden Gods, die daar blinken in de wereld, zijn dezelfde, welke ook
schitteren in het koninkrijk der hemelen. En saam zijn de getuigenissen,
die van God in de wereld tot ons uitgaan en in de dusgenoemde bewijzen
worden saamgevat, niets anders dan openbaring van den Naam des Heeren,
waarmede Hij zichzelven voor het oor zijner schepselen aanduidt, en
waarmede Hij ons het recht geeft Hem aan te spreken. In verbinding
met elkander doen zij ons Hem kennen als het Goddelijk wezen, dat door
ons noodzakelijk en noodzakelijk als bestaande gedacht moet worden,
dat de eenige, eerste, absolute oorzaak van alle schepselen is, dat
met bewustheid en doelmatig alle dingen regeert, en dat bovenal in
de conscientie zich als den Heilige openbaart voor een iegelijk, die
gelooft.
§ 23. DE NAMEN GODS.
1. Al wat van God in zijne openbaring voor ons kenbaar wordt, wordt
in de H. Schrift aangeduid met den Naam Gods. De oorspronkelijke
beteekenis van het woord שֵׁם is waarschijnlijk die van teeken,
kenteeken, σημα, signum, evenals het gr. ὀνομα en het lat. nomen van
den stam gno zijn afgeleid en dus aanduiden datgene, waaraan iets
gekend wordt, kenteeken. Een naam is een teeken van dien, die hem
draagt, eene benoeming naar eene of andere eigenschap, waarin hij
zich openbaart en kenbaar wordt. Er is verband tusschen den naam en
zijn drager, en dat verband is niet willekeurig maar in den drager
zelven gegrond. Zelfs bij ons, en thans nog, nu de namen meest tot
klanken geworden zijn zonder zin, wordt dat verband nog gevoeld. Een
naam is iets persoonlijks en geheel iets anders dan een nummer of
een exemplaar van zijn soort. Het doet altijd min of meer onaangenaam
aan, als onze naam verkeerd geschreven of gebruikt wordt. Aan den
naam hangt onze eer, onze waarde, onze persoon en individualiteit.
Maar veel sterker was dat verband in vroeger tijd, toen de namen nog
eene doorzichtige beteekenis hadden en eene openbaring waren van den
persoon of de zaak, die hem ontving. Zoo is het ook in de Schrift.
Adam moest den dieren namen geven naar hun aard, Gen. 2:19, 20. Van
vele namen in de Schrift wordt de beteekenis aangegeven en tevens de
reden, waarom ze gegeven worden, b. v. Eva, Gen. 3:20, Kain, 4:1,
Seth, 4:25, Noach, 5:29, Babel, 11:9, Ismael, 16:11, Ezau en Jakob,
25:25, Mozes, Ex. 2:10, Jezus, Mt. 1:21 enz. Meermalen wordt een naam
veranderd of een bijnaam toegevoegd, wanneer een persoon optreedt in
eene andere qualiteit, Abraham, Gen. 17:5, Sara, 17:15, Israel, 32:28,
Jozua, Num. 13:16, Jedidjah, 2 Sam. 12:25, Mara, Ruth 1:20, Petrus,
Mk. 3:16, enz. Na zijne hemelvaart heeft Christus een naam ontvangen
boven allen naam, Phil. 2:9, Hebr. 1:4, en aan de geloovigen wordt in
het nieuwe Jeruzalem een nieuwe naam gegeven, Op. 2:17, 3:12, 22:4.
Ditzelfde geldt van den naam Gods. Er is een innig verband tusschen
God en zijn naam. Ook dit verband is naar de Schrift niet toevallig of
willekeurig maar door God zelven gelegd. Menschen noemen Hem niet:
Hij geeft zichzelf een naam. Op den voorgrond staat dus de naam als
openbaring van Gods zijde, in actieven en objectieven zin, als nomen
editum. Dan is de naam Gods identisch met de deugden of volmaaktheden,
welke Hij naar buiten openbaart, met zijne heerlijkheid, Ps. 8:2, 72:19,
zijne eer, Lev. 18:21, Ps. 86:11, 102:16, zijne verlossende macht, Ex.
15:3. Jes. 47:4, zijn dienst, Jes. 56:6, Jer. 23:27, zijne heiligheid,
1 Chr. 18:10, Ps. 105:3, 3:21 enz. De naam is God zelf, gelijk Hij zich
in de eene of andere relatie openbaart. Die naam als openbaring Gods,
is daarom groot, Ezech. 36:23, heilig, Ezech. 36:20, vreeselijk, Ps.
111:9, een hoog vertrek, Ps. 20:2, een sterke toren, Spr. 18:10. Met
eigen namen, bepaaldelijk met den naam Ihvh, heeft God zich aan Israel
bekend gemaakt. Door den Malak, in wiens binnenste zijn naam is, Ex.
23:20, heeft Hij zich aan Israel geopenbaard. En door Hem heeft Hij zijn
naam op de kinderen Israels gelegd, Num. 6:27, de gedachtenis zijns
naams onder hen gesticht, Ex. 20:24, zijn naam onder hen gezet en doen
wonen, Deut. 11:14, 12:5, bijzonderlijk in den tempel, die voor zijnen
naam is gebouwd, 2 S. 7:13. In dien tempel woont nu zijn naam, 2 Chr.
20:9, 33:4. Door dien naam verlost Hij, Ps. 54:3 en om dien naam kan
Hij Israel niet verlaten, 1 S. 12:22, Jes. 48:9, 11, Ps. 31:4, 23:3,
143:11 v. Maar Israel mag dien naam dan ook niet lasteren, ontheiligen
of ijdel gebruiken. Ex. 20:7, Lev. 18:21, 24:11. Integendeel, die naam
moet aangeroepen, verteld, grootgemaakt, gekend, beleden, gevreesd,
verhoogd, verwacht, gezocht, geheiligd worden, Gen. 4:26, 12:2, Ex.
9:16, Deut. 28:58, 1 K. 8:33, Ps. 5:12, 34:4, 52:11, 83:17, 122:4, Jes.
26:8, Mt. 6:9, Joh. 12:28 enz. In het N. Test. is er maar één naam,
door wien God zaligheid schenkt; het is de naam van Jezus Christus, Hd.
4:12. Maar in dien éénen naam heeft Hij zich ook ten volle geopenbaard;
daarin is begrepen al wat God voor de zijnen is en wezen zal; in dien
naam deelt Hij zichzelven, met al zijne weldaden, aan zijn volk mede,
Mt. 28:19, Luk. 24:47, Joh. 20:31, Hd. 2:38, 1 Cor. 6:11, Jak. 5:14.
En nog rijker openbaring hebben de geloovigen te wachten in het nieuwe
Jeruzalem, Op. 3:12, als zijn naam op aller voorhoofd zal zijn, Op. 22:4.
De naam Gods is in de H. Schrift de aanduiding, niet van God, gelijk Hij
in zichzelf bestaat, maar van God in zijne openbaring, in zijne velerlei
relatiën tot de schepselen. Deze naam is echter niet willekeurig, maar
God openbaart zich zoo en op die wijze, omdat Hij is, die Hij is. Aan
zijn naam hangt daarom zijn eer, zijn roem, al zijne deugden, heel zijne
openbaring, zijn eigen Goddelijk wezen. Maar die naam schenkt daarom
aan hem, wien hij geopenbaard wordt, bijzondere voorrechten en legt hem
tevens eigenaardige verplichtingen op. De naam Gods sluit in, dat
Hij, daarin zich openbarende, nu ook door schepselen daarnaar genoemd
wordt. Het nomen editum gaat over in het nomen inditum. Het εἰναι en
καλεισθαι zijn in de H. Schrift twee zijden van dezelfde zaak. God is
die Hij heet, en Hij heet die Hij is. Wat Hij van zichzelven openbaart,
wordt in bepaalde namen uitgedrukt en weergegeven. Hij schenkt aan zijne
schepselen het voorrecht, om op grond van en in overeenstemming met
zijne openbaring Hem te noemen en aan te spreken. De ééne naam Gods, als
het inbegrip van zijne gansche openbaring beide in natuur en genade,
valt voor ons in vele, vele namen uiteen. Alleen op die wijze krijgen wij
een overzicht van den rijkdom zijner openbaring en de diepe beteekenis
van zijnen naam. Wij noemen Hem en mogen Hem noemen naar al wat van zijn
wezen in schepping en herschepping openbaar wordt. Maar al die namen,
als benoemingen Gods, leggen ons de verplichting op, om ze te heiligen
en te verheerlijken. Het is de ééne naam, de volle openbaring, en in
zooverre het eigen wezen Gods zelf, waarmede wij in al die namen te doen
hebben. God stelt zich door zijn naam in eene bepaalde relatie tot ons;
daaraan behooren wij in onze relatie tot Hem te beantwoorden, Schultz,
Altt. Theol.⁴ 513 f. Oehler, Theol. des A. T. § 56. art. Name in
Herzog². Smend, Lehrb. S. 281 f. Cremer, s. v. ὀνομα.
2. De namen, waarmede God door ons genoemd en aangesproken wordt, zijn
daarom niet willekeurig; ze zijn niet door ons naar ons goedvinden
uitgedacht. Het is God zelf, die in natuur en genade bewust en vrij
zich openbaart, die ons recht schenkt om op grond van deze openbaring
Hem te noemen, ja die in zijn Woord zijn eigen namen op grond van zijne
openbaring ons heeft bekend gemaakt. Al deze namen dragen nu zonder
onderscheid dit karakter, dat zij aan de openbaring zijn ontleend.
Er is geen enkele naam, die Gods wezen an sich aanduidt. Het nomen
editum is de grondslag van alle nomina indita. En wijl de openbaring
Gods in natuur en Schrift bepaaldelijk aan menschen is gericht, daarom
is het eene menschelijke taal, waarin God van zichzelven tot ons
spreekt; daarom zijn het menschelijke woorden, waarvan Hij zich bedient;
daarom zijn het menschelijke gedaanten, waaronder Hij verschijnt. In de
Schrift komen dus niet hier en daar enkele anthropomorphismen voor;
de gansche Schrift is anthropomorphistisch. Van de eerste tot de
laatste bladzijde getuigt zij van een komen Gods tot en een zoeken
van den mensch. De gansche openbaring Gods concentreert zich in den
Logos, die σαρξ is geworden, en is als het ware ééne vermenschelijking,
ééne menschwording Gods. Als God tot ons sprak op goddelijke wijze,
geen schepsel zou Hem verstaan, maar dit is zijne genade, welke reeds
met de schepping een aanvang nam, dat Hij tot zijn schepselen zich
nederbuigt en tot hen spreekt en aan hen verschijnt op menschelijke
wijze. Daarom zijn al de namen, waarmede God zichzelven noemt en door
ons noemen laat, aan aardsche en menschelijke verhoudingen ontleend.
Zoo heet Hij in de Schrift El, de Sterke, Elschaddai de Machtige,
Jahveh, de Zijnde, voorts Vader, Zoon, Geest, goed, barmhartig, genadig,
rechtvaardig, heilig enz., altemaal begrippen, die eerst van schepselen
gelden en dan in eminenten zin op God worden overgedragen. Zelfs de
zoogenaamde onmededeelbare eigenschappen, zooals onveranderlijkheid,
onafhankelijkheid, eenvoudigheid, eeuwigheid, alomtegenwoordigheid
worden in de Schrift voorgesteld in vormen en uitdrukkingen, aan het
eindige ontleend en daarom ook in negatieven zin; de eeuwigheid kan
niet voorgesteld worden dan als eene negatie van den tijd. De Schrift
wendt zelfs geene enkele poging aan, om deze volmaaktheden Gods
positief, naar haar eigen wezen, afgedacht van hare relatie tot het
eindige, te omschrijven. Maar het anthropomorphisme gaat in de Schrift
nog veel verder. Al wat aan menschen en zelfs aan schepselen eigen is,
wordt ook aan God toegeschreven, inzonderheid partes hominis, membra
corporis, sensus, affectus, actiones, subjecta en adjuncta humana. God
heeft eene ziel, Lev. 26:11, Mt. 12:28, en een Geest, Gen. 1:2 enz.
Van een lichaam Gods is nooit sprake, ofschoon God in Christus ook
een waarachtig lichaam aannam, Joh. 1:14, Col. 2:17, en de gemeente
Christus’ lichaam heet, Ef. 1:22. Maar alle lichamelijke organen worden
toch aan God toegekend. Er wordt gesproken van zijn aangezicht, Ex.
33:20, 23, Jes. 63:9, Ps. 16:11, Mt. 18:10, Op. 22:4, van zijne oogen,
Ps. 11:4, Hebr. 4:13, van zijne oogleden, Ps. 11:4, van zijn oogappel,
Deut. 32:10, Ps. 17:8, Zach. 2:8, van zijne ooren, Ps. 55:2, van zijn
neus, Deut. 33:10, van zijn mond, Deut. 8:3, van zijne lippen, Job 11:5,
van zijne tong, Jes. 30:27, van zijn nek, Jer. 18:17, van zijn arm, Ex.
15:16, van zijn hand, Num. 11:23, van zijne rechterhand, Ex. 15:12, van
zijn vinger, Ex. 8:19, van zijn hart, Gen. 6:6, van zijne ingewanden, Jes.
63:15, Jer. 31:20, Luk. 1:78, van zijn boezem, Ps. 74:4, van zijn schoot,
Joh. 1:28, van zijn voet, Jes. 66:1. Vervolgens is er geene menschelijke
aandoening of ze is ook in God aanwezig, zooals vroolijkheid, Jes. 62:5,
verheuging, Jes. 65:19, smart, Ps. 78:40, Jes. 63:10, verdriet, Ps.
95:10, Jer. 7:18, 19, vrees, Deut. 32:27, liefde met al de wijzigingen
daarvan zooals barmhartigheid, ontferming, genade, lankmoedigheid
enz., voorts ijver en jaloerschheid, Deut. 32:21, berouw, Gen. 6:6,
haat, Deut. 16:22, toorn, Ps. 2:5, wraak, Deut. 32:35. Verder worden
ook alle menschelijke handelingen op God overgedragen, zooals kennis
nemen, Gen. 18:21, onderzoeken, Ps. 7:10, weten, Gen. 3:5, denken,
Gen. 50:20, vergeten, 1 Sam. 1:11, zich herinneren, Gen. 8:1, Ex.
2:24, spreken, Gen. 2:16, roepen, Rom. 4:17, gebieden, Jes. 5:6,
schelden, ( bestraffen, berispen) Ps. 18:16, 104:7, antwoorden, Ps.
3:5, getuigen, Mal. 2:14; rusten, Gen. 2:2, werken, Joh. 5:17; zien,
Gen. 1:10, hooren, Ex. 2:24, rieken, Gen. 8:21, proeven, Ps. 11:4, 5;
zitten, Ps. 9:8, opstaan, Ps. 68:2, gaan, Ex. 34:9, komen, Ex. 25:22,
wandelen, Lev. 26:12, nederdalen, Gen. 11:5, ontmoeten, Ex. 3:18,
bezoeken, Gen. 21:1, voorbijgaan, Ex. 12:13, verlaten, Richt. 6:13;
schrijven, Ex. 34:1, verzegelen, Joh. 6:27, graveeren, Jes. 49:16;
slaan, Jes. 11:4, kastijden, Deut. 8:5, straffen, Job 5:17, verbinden,
Ps. 147:3, genezen, Ps. 103:3, heelen, Deut. 32:39, dooden en levend
maken, Deut. 32:39; afwisschen, Jes. 25:8, uitwisschen, 2 Kon. 21:13,
wasschen, Ps. 51:4, reinigen, Ps. 51:4, zalven, Ps. 2:6, versieren,
Ezech. 16:11, bekleeden, Ps. 132:16, kronen, Ps. 8:6, omgorden, Ps.
18:33; verdelgen, Gen. 6:7, verwoesten, Lev. 26:31, dooden, Gen. 38:7,
plagen, Gen. 12:17, richten, Ps. 58:12, verdoemen, Job 10:2 enz. Voorts
wordt God ook zeer dikwerf aangeduid met namen, die een zeker beroep,
ambt, betrekking, verhouding onder menschen te kennen geven. Hij is
een bruidegom, Jes. 61:10, een man, Jes. 54:5, een vader, Deut. 32:6,
een richter, koning, wetgever, Jes. 33:22, een krijgsman, Ex. 15:3,
een held, Ps. 78:65, Zef. 3:17, een kunstenaar en bouwmeester, Hebr.
11:10, een landman, Joh. 15:1, een herder, Ps. 23:1, een heelmeester,
Ex. 15:26 enz.; terwijl dan in deze hoedanigheden weder sprake is van
zijn zetel, troon, voetbank, roede, scepter, wapens, boog, pijl, zwaard,
schild, wagen, banier, boek, zegel, schat, erfenis enz. Ja zelfs
worden, om uit te drukken wat God voor de zijnen is, allerlei beelden
aan de bezielde en onbezielde schepping ontleend. Hij wordt vergeleken
bij een leeuw, Jes. 31:4, een arend, Deut. 32:11, een lam, Jes. 53:7,
eene hen, Mt. 23:37, bij de zon, Ps. 84:12, de morgenster, Op. 22:16,
bij een licht, Ps. 27:1, eene kaars, Op. 21:23, een vuur, Hebr. 12:29,
eene bron of fontein, Ps. 36:10, een sprinkader, Jer. 2:13, bij spijze,
brood, drank, water, zalf, Jes. 55:1, Joh. 4:10, 6:35, 55, bij een
rotssteen, Deut. 32:4, eene schuilplaats, Ps. 119:114, toren, Spr.
18:10, een hoog vertrek, Ps. 9:10, eene schaduw, Ps. 91:1, 121:5, een
schild, Ps. 84:12, een weg, Joh. 14:6, een tempel, Op. 21:22 enz.,
Polanus, Synt. Theol. II c. 35, Alsted, Theol. schol. 104 sq. Glassius,
Philol. Sacra 1691 p. 1116-1181.
3. De gansche schepping, heel de natuur met al hare rijken, de
menschenwereld bovenal worden in de H. Schrift dienstbaar gemaakt aan
de beschrijving der kennisse Gods. Aan het anthropomorphisme wordt
geen grens gesteld. Alle schepselen, levende en levenlooze, bezielde
en onbezielde, organische en anorganische, bieden namen aan, om de
grootheid Gods eenigermate tot ons bewustzijn te brengen. Ofschoon
ἀνωνυμος in zichzelven, is God toch πολυωνυμος in zijne openbaring.
Omnia possunt dici de Deo, et nihil digne dicitur de Deo. Nihil
latius hac inopia. Quaeris congruum nomen, non invenis; quaeris
quoquo modo dicere, omnia invenis, August., tract. 13 in Ev. Joh. n.
5. En ter opheldering, waarom God op zoo velerlei wijze genoemd kan
worden, bediende zich Augustinus van een treffend beeld. Ons lichaam
heeft velerlei behoeften, aan licht en lucht, spijze en drank, woning
en kleederen enz., en al deze dingen zijn verschillend en liggen in
de schepselen naast elkaar. Ook onze geest heeft vele en velerlei
behoeften, maar wat daarin voorziet is niet velerlei maar is altijd het
eene en zelfde Goddelijk wezen. In terra aliud est fons, aliud lumen.
Sitiens quaeris fontem, et ut pervenias ad fontem, quaeris lucem, et si
dies non est, accendis lucernam, ut ad fontem pervenias. Fons ille ipse
est lux: sitienti fons est, caeco lux est; aperiantur oculi ut videant
lucem, aperiantur fauces cordis ut bibant fontem; quod bibis hoc vides,
hoc audis. Totum sit tibi Deus, quia horum quae diligis totum tibi
est. Si visibilia attendis, nec panis est Deus, nec aqua est Deus, nec
lux ista est Deus, nec vestis est Deus, nec domus est Deus. Omnia enim
haec visibilia sunt et singula sunt; quod est panis non hoc est aqua,
et quod est vestis, non hoc est domus, et quod sunt ista, non hoc est
Deus, visibilia enim sunt. Deus tibi totum est; si esuris, panis tibi
est; si sitis, aqua tibi est; si in tenebris es, lumen tibi est, quia
incorruptibilis manet; si nudus es, immortalitatis vestis tibi est,
cum corruptibile hoc induerit incorruptionem et mortale hoc induerit
immortalitatem, tract. 13 in Ev. Joh. Evenzoo zegt Pseudodionysius, dat
God ἀνωνυμος is en tegelijk πολυωνυμος, Hij is tegelijk παντα τα ὀντα και
οὐδεν των ὀντων, de div. nom. c. I. § 6. 7. Bij Thomas lezen wij, quod
Deus in se praehabet omnes perfectiones creaturarum, quasi simpliciter
et universaliter perfectus, S. Theol. I qu. 13 art. 2. En schooner
nog bij Bonaventura: ut laudibus Deum possimus extollere, atque ad Dei
cognitionem promoveamur, necessaria nobis sunt translationes ad divina.
Ratio vel finis translationis duplex est. Una in qua est laus Dei,
alia manuductio intellectus nostri. Propter laudem Dei necessaria est
translatio. Et quoniam Deus multum est laudabilis, ne propter inopiam
vocabulorum contingeret cessari a laude, sacra Scriptura docuit nomina
creaturarum ad Deum transferri; et hoc in numero indefinito, ut sicut
omnis creatura laudat Deum, sic Deus laudatur ex omni nomine creaturae,
et qui non poterit uno nomine laudari, tamquam superexcellens omne
nomen, laudaretur ex omni nomine. Alia ratio est manuductio intellectus
nostri. Quia cum per creaturas ad cognoscendum creatorem venimus, ut
plurimum, fere omnes creaturae habent proprietates nobiles, quae sunt
ratio intelligendi Deum, ut leo fortitudinem, agnus mansuetudinem,
petra soliditatem, serpens prudentiam et consimilia; ideo oportuit
plura nomina transferri ad Deum, Sent. I dist. 34 art. 1 qu. 4. En
Calvijn stemde daarmede in, als hij zeide: nulla est mundi particula, in
qua non scintillae saltem aliquae gloriae ipsius emicare cernantur.
God is immanent in al het geschapene. De reine van hart ziet God
overal. Alles is vol van God. Fateor pie hoc posse dici, modo a pio
animo proficiscatur, naturam esse Deum, Inst. I 5, 1. 5. Maar er is
opklimming in de schepselen. De plaats en de rang, die de schepselen
innemen, wordt bepaald door hunne verwantschap aan God. Alle schepselen
noemen een naam van God. Maar onder alle schepselen staat de mensch
bovenaan. Hij alleen draagt den hoogen naam van beeld, zoon, kind Gods.
Hij alleen heet Gods geslacht. En daarom worden de meeste en verhevenste
namen Gods aan den mensch ontleend. Nooit echter mag de mensch van de
natuur worden losgemaakt. En nimmer mag eenig creatuur of eenig deel
der wereld naast of tegenover God worden geplaatst. Er is niets buiten
en zonder God. Wel is hier telkens tegen gezondigd. Het dualisme van
Plato, het neoplatonisme, het gnosticisme, het manichaeisme beperkten
Gods openbaring en stelden eene materie vijandig tegen Hem over. En in
allerlei vormen oefende dit invloed en werkte het na in de theologie.
Als in den nieuweren tijd onder invloed van Kant en Jacobi de openbaring
Gods tot het religieuse en ethische beperkt is; als de Schrift alleen
in haar godsdienstig-zedelijken inhoud erkend wordt; als de zetel der
religie alleen gezocht wordt in hart of geweten, in gemoed of wil,
is er in dit alles een zelfde dualistisch beginsel aan ’t woord. De
natuur, met hare elementen en krachten, de mensch in zijn maatschappelijk
en staatkundig leven, kunst en wetenschap komen buiten de openbaring
Gods te staan en worden neutrale, d. i. God-looze terreinen. Natuurlijk,
dat dan het O. Test. en een zeer groot deel van het N. Test. niet
meer kan gewaardeerd worden; dat natuur en wereld niets meer tot den
geloovige te zeggen hebben; dat de openbaring, dat het Woord Gods
allen invloed op het openbare leven verliest; dat de religie, tot een
verborgen schuilhoek van hart en binnenkamer teruggedrongen, alle
aanspraak op achting verbeurt; dat de dogmatiek, bepaaldelijk ook de
locus de Deo, van dag tot dag inkrimpt, en dat de theologie hare plaats
niet meer weet te handhaven. De theologie weet niet meer van God te
spreken, omdat zij niet uit en door Hem spreekt. Zij heeft geen namen
meer, waarmede zij God noemen kan. God wordt de groote Onbekende en de
wereld wordt eerst ἀθεος, dan ἀντιθεος.
4. De namen waarmede God in zijne openbaring zichzelven noemt, brengen
echter voor het denken eene eigenaardige moeilijkheid mede. Immers,
vroeger bleek ons, dat God onbegrijpelijk is en ver boven al het
eindige verheven; hier echter, in zijne namen, daalt Hij tot al het
eindige neer en wordt Hij den schepselen gelijk. Er doet zich hier eene
antinomie voor, die onoplosbaar schijnt. Ἀνωνυμος eenerzijds, is God
toch πολυωνυμος anderzijds. Nadat eerst alle anthropomorphisme gebannen
is, wordt het hier toch weer binnengehaald. Met welk recht kunnen
deze namen dan van God worden gebezigd? Op welken grond worden ze
toegekend aan Hem, die oneindig hoog boven alle schepsel staat en door
het eindige niet begrepen kan worden? Die grond kan slechts daarin
liggen, dat de gansche schepping, schoon als creatuur oneindig ver van
God verwijderd, toch een schepsel, een werk Gods en Hem verwant is. De
wereld is geen tegenstelling naast en tegenover God, geen zelfstandige
macht, geen tweede God, maar geheel en al Gods werk in haar zijn en haar
zóó zijn: zij is er van den beginne af op aangelegd om God te openbaren.
Het gansche volk van Israel is er in al zijn wetten en instellingen,
ambten en bedieningen, karakter en zeden enz. op ingericht, om Gods
deugden te verkondigen, en de menschelijke natuur van Christus is door
den H. Geest bekwaamd, om den Vader te verklaren en zijn naam den
menschen bekend te maken. De apostelschaar met hare verscheidenheid van
opvoeding, voorbereiding, gave en roeping is bestemd, om de μεγαλεια
του θεου te vertellen. En daarom kan en mag God op creatuurlijke wijze
door ons worden genoemd. Het recht van het anthropomorphisme berust
daarop, dat God zelf in en tot zijne schepselen is neergedaald en in
en door schepselen zijn naam heeft geopenbaard. Het anthropomorphisme
zit dus volstrekt niet alleen, gelijk reeds werd opgemerkt, in een
enkel woord zooals persoonlijkheid. Er is van God niet anders dan op
anthropomorphe wijze te spreken. Want Hemzelven zien wij niet. Wij kunnen
Hem alleen zien in zijne werken en naar de openbaring in die werken Hem
noemen. Meer nog, wij kunnen God, althans hier op aarde, niet zien van
aangezicht tot aangezicht. Indien God dan toch wil dat wij Hem kennen
zullen, dan moet Hij tot ons neerdalen, zich accommodeeren naar ons
beperkt, eindig, menschelijk bewustzijn, in menschelijke taal tot ons
spreken. Wie daarom het recht der anthropomorphismen bestrijdt, ontkent
in beginsel daarmede de mogelijkheid, dat God zich in zijne schepselen
openbaart, moet vandaar voortschrijden tot de loochening der schepping
en houdt ten slotte niets over dan een eeuwig dualisme tusschen God en
wereld, tusschen het oneindige en het eindige. Indien toch ons noemen
van God met anthropomorphe namen eene vereindiging Gods insluit, dan
geldt dit nog veel meer van de openbaring in de schepping. God als de
Oneindige is dan onmachtig, om een ander zijn buiten zijn eigen wezen
voort te brengen; de wereld is in geen enkel opzicht eene openbaring,
zij is enkel en alleen eene verberging Gods; de mensch is enkel en
alleen aan God tegengesteld en niet aan Hem verwant; en God is eeuwige
βυθος, naamlooze σιγη, zoowel voor zichzelf als voor den mensch.
Natuurlijk is er dan ook geen kennis van God meer mogelijk. Indien
anthropomorphe, creatuurlijke namen aan Gods wezen te kort doen, dan kan
en mag Hij door ons niet met eenigen naam worden genoemd, dan moeten wij
volstrekt zwijgen; alle naam, waarmede wij Hem zouden willen aanduiden,
is dan eene onteering Gods, eene aanranding van zijne majesteit, eene
Godslastering, cf. boven bl. 22. Men heeft deze consequentie, die
echter voor de hand ligt, wel zoeken te ontgaan, door onderscheid te
maken tusschen voorstelling en begrip. Plato is daarmede al begonnen.
Het neoplatonisme en het gnosticisme hebben dit voortgezet. En Hegel
is er opnieuw mede voor den dag gekomen. Maar daarmede komt men toch
geen stap verder. Ook de hoogste speculatie en de diepzinnigste
wijsbegeerte moeten toch over God denken en spreken; al werpen ze nu
alle voorstellingen weg en al houden ze alleen zuivere, abstracte
begrippen over, zij komen daarmede het menschelijk, creatuurlijk denken
en spreken niet te boven en naderen tot den Oneindige zelven niet. Ook
de meest abstracte namen, zooals het zijn, de substantie, het absolute,
het eene, de geest, de rede, zijn en blijven anthropomorphismen. Er
is voor den mensch maar keuze tusschen deze twee: absoluut zwijgen
òf menschelijk denken en spreken over God, tusschen agnosticisme,
d. i. theoretisch atheisme òf anthropomorphisme. De philosophie is dan
ook altijd weer tot het anthropomorphisme teruggekeerd, anders ware
ze natuurlijk ook met eene negatieve kritiek geëindigd. Plato, Philo,
Plotinus, Pseudodionysius, Damascenus, Erigena hebben toch ten slotte
weer allerlei namen aan God toegekend. De kataphatische theologie
bouwde op, wat de apophatische had afgebroken. De substantie van
Spinoza ontving tal van attributen en modi. Bij Hegel werd God toch weer
leven, geest, denken, rede, subject. Rauwenhoff laat de verbeelding
optreden, waar het verstand eindigen moet, Wijsb. v. d. godsd. 611 v.
Door vele wijsgeeren wordt daarom het recht van het anthropomorphisme
verdedigd, Kant, Kr. der Urtheilskraft ed. Kirchmann S. 346 f.
Jacobi, Werke III 276 f. Paulsen, Einl. in die Philos. 1892 S. 262
f. Hartmann, Philos. d. Unbew. II⁹ 414 enz. En zoo heeft natuurlijk
ook altijd de christelijke theologie geoordeeld. God bewandelt daarin
den weg der menschen, דֶּרֶךְ בְּנֵי אָדָם, gelijk de Joden het
uitdrukten. Incomprehensibilia sunt Dei opera et actiones, neque nos
assequi aliquid de iis possemus, nisi Sacra Scriptura iis uteretur
loquendi de Deo formulis, quae rebus humanis propinqua sunt. Itaque
Spiritui Sancto, Scripturarum auctori, placet, propter captus nostri
imbecillitatem nostro more balbutire et blandius humiliusque quam
majestati tantae convenit, nobiscum per signa et verba agere, Flacius
bij Glassius p. 116, cf. Luther bij Oehler S. 169. Gerhard, Loci Theol.
II c. 8 sect. 1. Ursinus, Tract. theol. 49, Polanus, Synt. p. 192 sq.
Martyr, Loci p. 2, Alsted, Theol. schol. 148, Bretschneider, Dogm. I
477, Id. Syst. Entw. 365 f. Hengstenberg, Auth. d. Pent. II 445 f.
Philippi II 27 f. Twesten II 16. Lange, II 32 f. Kahnis, Dogm. I 337.
Beck, Vorles. II 3 f. Dr. Graue, zur Verständigung über den anal. Char.
der Gotteserk., Jahrb. f. prot. Theol. Oct. 1888 S. 481-503.
5. Het recht dezer namen moge alzoo vaststaan, maar wat is hun waarde?
Welke en hoedanige kennis verschaffen zij ons aangaande het Goddelijk
wezen? Er kan geen sprake van zijn, dat deze kennis eene adaequate zij.
Ze is in elk opzicht eindig en beperkt, maar zij is daarom toch niet
onzuiver en onwaar. Adaequate kennis hebben we zeer weinig; overal en
op ieder terrein stuiten we ten slotte op een mysterie; het innerlijk
wezen der dingen, het Ding an sich, ontsnapt aan onze waarneming.
Wij nemen phaenomena waar en besluiten daaruit tot het wezen, wij
leeren eigenschappen kennen en klimmen daardoor op tot de substantie,
maar deze zelve ligt achter het verschijnsel en is ons onbekend. De
natuurwetenschap neemt atomen aan als de laatste bestanddeelen der
werkelijkheid maar heeft daarvan niet de minste empirische kennis. Eene
definitie is er alleen te geven van de allereenvoudigste dingen; zoodra
ze van eenigszins hoogere orde zijn, zijn ze in geen begrip volledig te
omschrijven. Dat geldt reeds van de zienlijke wereld; maar nog meer is
het van toepassing in de wereld der onzienlijke dingen. De mensch is nl.
een lichamelijk, zinnelijk wezen. Al zijne kennis begint met en komt op
uit de zinnelijke waarneming. Ons denken is gebonden aan de zintuigen,
gelijk onze ziel aan het lichaam. De geestelijke dingen nemen wij nooit
rechtstreeks waar maar alleen door het medium der stoffelijke dingen.
Wij zien alles ἐν αἰνιγματι. Niet alleen God, maar ook de ziel en heel
de geestelijke wereld komt tot onze kennis slechts door de zinlijke
wereld heen. Vandaar dat wij al het geestelijke aanduiden met namen,
die allereerst gelden in de zichtbare wereld. De ziel des menschen
benoemen wij naar lichamelijke verschijnselen. Hare werkzaamheden, zooals
kennen, denken, verstaan, begrijpen, oordeelen, besluiten, gevoelen enz.
brengen wij onszelven en anderen tot bewustzijn door middel van woorden,
die oorspronkelijk eene lichamelijke handeling te kennen geven. Al ons
spreken van onzienlijke dingen is dus metaphora, beeld, gelijkenis,
poezie. Τα γαρ νοητα.... προσηγοριας δε πασης ἐκτος, ἐπειδη κυριον
ὀνομα των νοητων τε και ἀσωματων οὐδεν, Greg. Naz., Orat. 45. Maar
daarom spreken wij toch niet onwaar en onjuist. Integendeel, echte
poezie is waarheid, want zij berust op de gelijkenis, de overeenkomst,
de verwantschap van de verschillende groepen van verschijnselen. Heel
de taal is daarop gebouwd, alle figuren gaan daar van uit. Indien
het spreken in beeld onwaar ware, zou al ons denken, en al ons weten
schijn, en het spreken zelf onmogelijk zijn. Ditzelfde geldt ook in
religie en theologie. Adaequate kennis van God is er niet. Wij kunnen
Hem niet noemen, gelijk Hij in zichzelf bestaat. Al zijne namen zijn aan de
schepselen ontleend. Maar daarom zijn ze niet onwaar, eene vrucht van
menschelijke inbeelding. Gelijk er gelijkenis bestaat en dus comparatie
mogelijk is tusschen de verschillende deelen der wereld, zoo is er ook
verwantschap tusschen God en zijne schepselen, die ons recht geeft om
van Hem op creatuurlijke wijze te spreken. Meer nog, temporeel, in de
werkelijkheid gaat het natuurlijke wel aan het geestelijke vooraf; maar
logisch en ideëel is het geestelijke eerst en daarna het natuurlijke.
Het natuurlijke zou ons niet kunnen heenleiden tot het geestelijke,
indien het niet zelf daaruit ware voortgekomen. Plato zag in den kosmos
eene realisatie der ideeën. En de Schrift leert, dat alle dingen door
den Logos zijn gemaakt en niet geworden zijn uit dingen, die onder de
oogen verschijnen, Joh. 1:3, Hebr. 11:3. Het is God zelf, die heel de
schepping, ook de stoffelijke, aan de openbaring zijner deugden heeft
dienstbaar gemaakt. Hij kon dat doen, wijl Hij de almachtige schepper is
en absolute heerschappij heeft ook over de stof. Al is het dan ook, dat
wij God noemen met namen aan de schepselen ontleend, in die schepselen
zijn ze eerst door God zelven gelegd. Wij bezigen de namen, waarmede
we God aanduiden, wel eerst van de schepselen, omdat wij deze eerder
dan God kennen. Maar zakelijk gelden zij eerst van God en daarna van
de schepselen. Alle deugden zijn eerst in Hem, dan in de creaturen. Hij
bezit ze per essentiam, deze hebben ze alleen per participationem.
Gelijk de tempel gemaakt is naar den τυπος, aan Mozes op den berg
getoond, Hebr. 8:5, zoo is alle schepsel eerst eeuwig gedacht en daarna
geschapen in den tijd. Alle πατρια d. i. niet alle geslacht maar alle
vaderschap in hemel en aarde wordt genoemd uit den Πατηρ die alle
dingen schiep, Ef. 3:15, cf. Mt. 23:9, Damascenus, de fide orthod. I
9. Thomas, S. Theol. I qu. 3 art. 2, qu. 13 art. 3 en 6. Bonaventura,
Sent. I dist. 22 art. 1 qu. 3. Zanchius, Op. II col. 11-14 enz. Alle
hemelsche dingen worden in de Schrift ons gemaald in aardsche verven
en kleuren. God zelf komt door heel de schepping heen tot ons en
heeft in de menschelijke natuur van Christus onder ons gewoond. Deze
menschelijke natuur was zeker geen adaequaat orgaan van zijne Godheid; ze
was zelfs eene verberging zijner heerlijkheid. En toch heeft de volheid
der Godheid in Hem lichamelijk gewoond; wie Hem zag, aanschouwde den
Vader. Beide laat zich dus zeer goed vereenigen, eene kennis, die
inadaequaat, eindig, beperkt en toch tegelijk waar, zuiver, genoegzaam
is. God openbaart zich in zijne werken, en naar die openbaring wordt
Hij door ons genoemd. Hij vergunt het ons Hem te noemen in onze zwakke,
menschelijke taal, omdat Hij zelf in de schepselen zijne deugden voor ons
heeft ten toon gespreid. Wij zijn het dus eigenlijk niet, die God een
naam geven; hoe zouden we dat kunnen en mogen doen? Het is God zelf,
die door natuur en Schrift ons zijne heerlijke namen op de lippen legt.
Naar eene oude onderscheiding zijn de namen Gods geen product van de
ratio ratiocinans, de subjectieve rede des menschen, maar van de ratio
ratiocinata, de objectieve rede in de openbaring. Gods zelfbewustzijn is
de archetype, en onze kennis van God, geput uit zijn Woord, is daarvan
de ectype.