Over God.
§ 20. DE ONBEGRIJPELIJKHEID GODS.
1. Het mysterie is het levenselement der dogmatiek. Wel verstaat de
Schrift onder μυστηριον geen abstract-bovennatuurlijke waarheid in
Roomschen zin; maar zij is even ver verwijderd van de gedachte, dat de
geloovige de geopenbaarde mysteriën in wetenschappelijken zin verstaan
en begrijpen zou, cf. deel I 532. Veeleer gaat de kennis, welke God van
zichzelven in natuur en Schrift heeft geopenbaard, de voorstelling
en het begrip van den mensch zeer verre te boven. In zooverre is het
alles mysterie, waar de dogmatiek over handelt. Zij heeft het immers
niet te doen met eindige schepselen, maar van het begin tot het einde
verheft ze zich boven alle creatuur tot den Eeuwige en den Oneindige
zelven. Reeds terstond als ze een aanvang maakt, staat zij voor den
Onbegrijpelijke. Van Hem neemt ze haar aanvang, want uit Hem zijn alle
dingen. Maar ook in de verdere loci, als ze afdaalt tot de schepselen,
beschouwt zij deze niet anders dan in hunne relatie tot God, gelijk ze
uit en door en tot Hem zijn. Zoo is dan de kennisse Gods het eenige
dogma, de uitsluitende inhoud der gansche dogmatiek. Alle leerstukken,
die in haar behandeld worden, over de wereld, over den mensch, over
Christus enz., zijn maar de explicatie van het ééne, centrale dogma der
cognitio Dei. Van Hem uit wordt alles beschouwd. Onder Hem wordt alles
gesubsumeerd. Tot Hem wordt alles teruggeleid. Het is altijd God en God
alleen, wiens glorie in schepping en herschepping, in natuur en genade,
in wereld en kerk zij te bepeinzen en te beschrijven heeft. Het is zijne
kennisse alleen, die ze uitstallen en ten toon spreiden moet. Daardoor
wordt de dogmatiek geen dorre, schoolsche wetenschap, zonder vrucht
voor het leven. Hoemeer ze Hem bepeinst, wiens kennisse haar eenige
inhoud is, des te meer zal ze overgaan in bewondering en aanbidding.
Indien ze maar nimmer vergeet, om over de _zaken_ in plaats van over
de _woorden_ te denken en te spreken; indien ze maar eene Theologie
der Thatsachen blijft en niet ontaardt in eene Theologie der Rhetorik,
is zij als wetenschappelijke beschrijving van de kennisse Gods ook ten
hoogste vruchtbaar voor het leven. De kennisse Gods in Christus is
immers het leven zelf, Ps. 89:16; Jes. 11:9; Jer. 31:34; Joh. 17:3.
Daarom begeerde Augustinus niets anders en niets meer te kennen dan
God en zichzelven: Deum et animam scire cupio. Nihilne plus? Nihil
omnino. Daarom begon Calvijn zijne Institutie met de kennisse Gods en
van ons zelven. En daarom gaf de Catechismus van Genève op de eerste
vraag: quis humanae vitae praecipuus est finis? ten antwoord: ut Deum,
a quo conditi sunt homines, ipsi noverint, cf. ook den Catech. van
Westminster.
Maar zoodra we ons onderwinden, om over God te spreken, rijst de vraag,
hoe we dat zullen vermogen. Wij zijn menschen en Hij is de Heere onze God.
Er schijnt tusschen Hem en ons geen verwantschap en geen gemeenschap
te bestaan, dat wij Hem zouden kunnen noemen naar waarheid. Er is
tusschen Hem en ons een afstand als tusschen het oneindige en het
eindige, tusschen eeuwigheid en tijd, tusschen het zijn en het worden,
tusschen het al en het niet. Hoe weinig we van God weten, reeds de
zwakste notie houdt in, dat Hij een wezen is, oneindig verre boven alle
schepsel verheven. En de Schrift bevestigt dat niet alleen, zij stelt
die majesteit en verhevenheid des Heeren Heeren voor ons eerst in het
volle licht. Reeds het eerste hoofdstuk van Genesis schildert zijne
onbegrijpelijke verhevenheid; Hij spreekt en het is er. En ofschoon de
Schrift ons dan vervolgens God beschrijft in zijne nederbuigende liefde,
en zegt, dat Hij woont bij dien, die eens verbrijzelden en nederigen
geestes is, toch is Hij de Hooge en de Verhevene, die in de eeuwigheid
woont, Jes. 57:15. God is groot en wij begrijpen het niet, Job 26:14,
36:26, 37:5. Hij is onvergelijkelijk, Jes. 40:18, 25, 46:5, wonende in het
donker, 1 Kon. 8:12; Jes. 45:15, in een ontoegankelijk licht, 1 Tim.
6:16. Niemand heeft Hem gezien of kan Hem zien, Ex. 33:20; Joh. 1:18,
6:46; 1 Tim. 6:16. De verborgen grond, de diepte Gods, חֵקֶר, en
de grens, het uiterste, het wezen des Almachtigen, תַּכְלִית, is
niet te bereiken, Job 11:7; Eccl. Sir. 43:34, 35. Hij is geest, zonder
gedaante, Deut. 4:12, 15; Joh. 4:24, 5:37, boven al het creatuurlijke,
boven behoefte, Job 22:2, 3; Hd. 17:25; verandering, Jak. 1:17; tijd,
Jes. 41:4, 44:6, 48:12; Op. 1:8, 22:13; ruimte, Hd. 17:27, 28 enz.,
oneindig verre verheven. Hij is niet te beschrijven en met geen naam te
noemen. Hij is zonder naam, zijn naam is wonderlijk, Gen. 32:29; Richt.
13:18; Spr. 30:4.
2. Zelfs buiten het terrein der bijzondere openbaring is deze hoogheid
Gods erkend. Bij de Brahmanen is God de Onkenbare, zonder namen en
eigenschappen, alleen gekend door dengene, die niet kent, Hoekstra,
Wijsg. Godsd. II 2. Hartmann, Religionsphilos. I 278 f. De Koran
beschrijft Allah menigmaal op zeer menschvormige wijze, maar onder de
volgelingen van Mohammed stonden er velen op, die deze beschrijving
geestelijk duidden en zelfs alle eigenschappen aan God ontzeiden, Dozy,
Het Islamisme bl. 131 v. Houtsma, De strijd over het dogma in den Islam
tot op El-Ash’ari 1875 bl. 120 v. Saussaye, Lehrb. der Rel. II 385.
Ook de Grieksche wijsbegeerte heeft menigmaal deze onkenbaarheid Gods
duidelijk erkend en uitgesproken. Naar het bekende verhaal verzocht
de philosoof Simonides telkens langer uitstel voor het antwoord op
de vraag van den tiran Hiero, wie God was, Cic. de nat. deor. I 22.
Volgens Diogenes begon Protagoras zijn boek over de goden aldus: περι
μεν θεων οὐκ ἐχω εἰδεναι οὐδ’ ὡς εἰσιν οὐδ’ ὡς οὐκ εἰσιν πολλα γαρ τα
κωλυοντα εἰδεναι, ἡ τ’ ἀδηλοτης και βραχυς ὠν ὁ βιος των ἀνθρωπων,
Ritter et Preller, Hist. phil. gr. 183. Cic. de nat. deor. I 63.
Karneades van Cyrene onderwierp het geloof aan de goden niet alleen aan
eene scherpe kritiek, maar bestreed ook de mogelijkheid, om zich een
denkbeeld van God te vormen. Plato verwierp alle anthropomorphische en
anthropopathische voorstelling der Godheid en verklaarde in den Timaeus
§ 34: τον μεν οὐν ποιητην και πατερα τονδε του παντος εὑρειν τε ἐργον
και εὑροντα εἰς παντας ἀδυνατον λεγειν, Zeller, Philos. der Gr. II 4
928 f. En in gelijken zin zegt hij in de Republiek VI 19, dat de Godheid
of de idee van het goede niet slechts boven al het bestaande, maar ook
boven het zijn zelf verheven is, ἐπεκεινα πασες οὐσιας. Philo verbond
deze platonische philosophie met de leer des O. Test. en vond in den
naam Ihvh dezelfde gedachte uitgedrukt. Niet alleen is God vrij van
alle onvolmaaktheid, die er in de eindige, veranderlijke, afhankelijke
schepselen aanwezig is; neen, God gaat ook alle volmaaktheid der
schepselen ver te boven. Hij is beter dan de deugd, de kennis, de
schoonheid, zuiverder dan de eenheid, zaliger dan de zaligheid. Hij
is eigenlijk zonder eigenschappen, ἀποιος, en zonder namen, en kan
daarom ook niet begrepen en beschreven worden. Naar zijn wezen is God
onkenbaar. Wij kunnen weten, dat Hij is, maar niet wat Hij is. Alleen het
zijn kan in eigenlijken zin Hem worden toegeschreven; de naam Ihvh is de
eenige, die zijn wezen aanduidt, Zeller, Philos. d. Gr. V³ 353 f. Dähne,
Gesch. Darstellung der jüdisch-alex. Religionsphilos. 1834 I 114 f.
Schürer, Neutest. Zeitgesch. 1874 S. 655 f. Het verst ging Plotinus.
Plato schreef aan God nog vele eigenschappen toe. Philo vulde zijne
negatieve theologie met eene positieve aan, waarin hij God omschrijft
als een persoonlijk, almachtig, volmaakt wezen. Maar bij Plotinus is er
niets van God te zeggen dan alleen negatief. God is absoluut één, boven
alle veelheid verheven en daarom ook niet door het denken, het goede,
zelfs niet door het zijn te omschrijven, want al deze bepalingen sluiten
nog eene veelheid in. God als de zuivere eenheid is wel de oorzaak van
het denken, het zijn, het goede, maar Hij is er zelf van onderscheiden
en staat er transcendent boven. Hij is onbegrensd, oneindig, zonder
gedaante, en zoozeer van alle schepsel onderscheiden, dat zelfs
werkzaamheid, leven, denken, bewustzijn, zijn, Hem niet kan worden
toegeschreven. Hij is onbereikbaar voor onze gedachte en voor onze taal.
Wij kunnen niet zeggen, wat Hij is, maar alleen wat Hij niet is. Zelfs
de benamingen van το ἑν en το ἀγαθον, waarvan Plotinus zich doorgaans
bedient, zijn geen beschrijving van Gods wezen, maar alleen van zijne
verhouding tot de schepselen, en duiden niets aan dan zijne absolute
causaliteit, Zeller, ib. 476-496. Nog grooter werd de afstand tusschen
God en zijn schepsel in het gnosticisme. Het maakte eene absolute
scheiding tusschen den hoogsten God en de wereld. In de natuur, in
Israël, in het Christendom was er geen wezenlijke openbaring van God
maar alleen van de aeonen. Er was daarom geen theologia naturalis, noch
insita noch acquisita, en evenmin eene theologia revelata. De hoogste
God was volstrekt onkenbaar en ongenaakbaar voor het schepsel; Hij was
βυθος ἀγνωστος, ἀρρητος, eeuwige σιγη, Iren., adv. haer. I 11. 24.
3. Maar deze leer van de onbegrijpelijkheid Gods en van de onkenbaarheid
van zijn wezen is ook uitgangspunt en grondgedachte der christelijke
theologie geweest. God gaat in zijne openbaring niet op, noch in de
schepping noch in de herschepping. Hij kan zich aan schepselen niet
ten volle mededeelen, wijl deze dan zelf God moesten zijn. Daarom is
er geen adaequate kennis van God. Er is geen naam, die ons zijn wezen
kennen doet. Er is geen begrip, dat Hem ten volle omvat. Er is geen
beschrijving, die Hem volledig bepaalt. Wat achter de openbaring ligt,
is ten eenenmale onkenbaar. Wij kunnen het noch met onze gedachte of
verbeelding, noch met onze taal benaderen. Reeds de brief van Barnabas
c. 5 vraagt: indien de zoon van God niet in het vleesch gekomen ware,
hoe zouden dan de menschen Hem gezien hebben en behouden zijn gebleven?
Justinus Martyr noemt God onuitsprekelijk, onbewegelijk, naamloos, Apol.
I 61; ook woorden als Vader, God, Heer zijn geen eigenlijke namen ἀλλ’
ἐκ των εὐποιϊων και των ἐργων προσρησεις, Apol. II 6. God kan niet
verschijnen, niet gaan, niet gezien worden enz., indien daarvan in het
O. Test. sprake is, slaat dit op den Zoon, die zijn gezant is, Dial.
127. Ook bij Irenaeus, adv. haer. IV 20 komt de in zijn tijd zeer gewone
maar toch onjuiste en ten deele gnostische tegenstelling voor tusschen
den Vader, die verborgen, onzichtbaar, onkenbaar is, en den Zoon, die
Hem heeft geopenbaard. Bij Clemens Alex. is God zuivere μονας, Strom.
V 11. Als wij al het creatuurlijke wegdenken, bereiken wij niet wat God
is, maar wat Hij niet is. Vorm, beweging, plaats, getal, eigenschap,
naam enz. kunnen Hem niet toegekend worden. Indien wij Hem toch één,
goed, Vader, Schepper, Heer enz. noemen, dan spreken we daarmede zijn
eigenlijk wezen niet uit maar duiden slechts zijne macht aan, Strom.
V 12. Hij is zelfs boven het ééne verheven, ὑπερ αὐτην την μοναδα,
Paedag. I 8. In één woord, God is, gelijk Athanasius, c. gent. 2 zegt,
ἐπεκεινα πασης οὐσιας και ἀνθρωπινης ἐννοιας. En evenzoo spreken
Orig., de princ. I 1, 5. sq. c. Cels. VI 65. Eusebius, Praep. Evang.
V 1. Theophilus, ad Autol. I 3. Tatianus. c. Gr. 5. Minucius Felix.
Octav. c. 18. Novatianus, de trin. 2. Cyprianus, de idol. vanit. 5.
Lactantius, Instit. div. I 6. Cf. Münscher- v. Coelln, Dogmengesch. I
132 f. Hagenbach, Dogm. § 37. Schwane, Dogmengesch. I² 72 f. Dezelfde
voorstelling treffen wij ook aan bij Augustinus en Joh. Damascenus.
Augustinus gaat bij de omschrijving Gods uit van het begrip des zijns.
Hij is de zijnde, gelijk zijn naam Ihvh ook te kennen geeft; deze is zijn
eigenlijke naam, zijn nomen in se; alle andere namen zijn ad nos, Serm. 6
n. 4. Serm. 7 n. 7. Daarom, als wij zeggen willen wat Hij is, zeggen we
alleen, wat Hij in onderscheiding van alle eindige substantiën niet is.
Hij is ineffabilis. Facilius dicemus quid non sit quam quid sit. Hij is
geen aarde, zee, hemel, engel enz., niets van al wat het schepsel is;
hoc solum potui dicere quid non sit, Enarr. in Ps. 85 n. 12. de doctr.
chr. I 6, de ord. II 47. Hij wordt zóó gedacht, ut aliquid quo nihil
melius sit atque sublimius illa cogitatio conetur attingere, de doctr.
chr. I 7. Maar Hij kan niet gedacht worden gelijk Hij is. Want Hij is boven
al het lichamelijke, veranderlijke, gewordene verheven, tract. 23 in Ev.
Joh. n. 9. Quis est autem, qui sic cogitat Deum, quemadmodum ille est?
quaest. in Jos. VI 29. Hij is onbegrijpelijk en moet dat zijn, si enim
comprehendis, non est Deus, Serm. 117 n. 5. En als wij dan ten slotte
zeggen willen wat wij van Hem denken, dan worstelen wij met de taal.
Verius enim cogitatur Deus quam dicitur, et verius est quam cogitatur,
de trin. VII 4, de doctr. chr. I 6. Zoo we toch iets aangaande Hem
uitspreken, dan is dat niet adaequaat, maar dient het alleen, om ons
iets te doen zeggen en om ons te doen denken aan een wezen, dat alles
overtreft, de doctr. chr. I 6. Sicut Deus a nullo intellectu valet
proprie cogitari, ita nulla definitione potest proprie definiri aut
determinari, de cogn. verae vitae 7. Deus scitur melius nesciendo, de
ord. II 44. Evenzoo zegt Damascenus, dat God το θειον, ἀρρητον και
ἀκαταληπτον is, de fide orth. I c. 1. Wij spreken van God op onze wijze
en weten wat God van zichzelf heeft geopenbaard; maar wat Gods wezen en
hoe Hij in allen is, weten wij niet, ib. c. 2. Dat God is, is duidelijk;
maar τι ἐστιν κατ’ οὐσιαν και φυσιν, ἀκαταληπτον τουτο παντελως και
ἀγνωστον. Dat God ongeboren, onveranderlijk, zonder aanvang is enz.,
zegt alleen wat Hij niet is. Te zeggen, wat Hij wel is, is onmogelijk. Hij
is niets van al het zijnde, niet omdat Hij niet is, maar omdat Hij is ὑπερ
παντα τα ὀντα και ὑπερ αὐτο το εἰναι. Wat wij positief van God zeggen,
duidt niet zijn natuur aan, maar de betrekkingen zijner natuur, τα περι
την φυσιν, ib. c. 4 cf. c. 9.
4. Nog sterker werd deze onkenbaarheid van Gods wezen geleerd door
Pseudodionysius, op wien Damascenus zich al beroept, en door Scotus
Erigena. Volgens den Areopagiet is er geen begrip, geene uitdrukking,
geen woord, welke Gods wezen uitspreken, de div. nom. c. 1 § 1. Met
ongewone, overdrachtelijke namen wordt God daarom aangeduid. Hij is
ὑπερουσιος ἀοριστια, suprasubstantialis infinitas, ἡ ὑπερ νῶν ἑνοτης,
supra mentem unitas, το ὑπερ διανοιαν ἑν, illud supra ratiocinationem
unum, ὑπερουσιος οὐσια και νους ἀνοητος και λογος ἀρρητος, ἀλογια
και ἀνοησια και ἀνωνυμια, κατα μηδεν των ὀντων οὐσα, ib. Wij kunnen
dat ééne, ongekende, boven het zijnde, boven het goede, boven alle
naam en woord en verstand, boven al het eindige verheven wezen niet
uitspreken noch denken, ib. c. 1 § 5. Alleen dewijl Hij de oorzaak en
het beginsel van alles is, kunnen we Hem evenals de Schrift noemen
naar zijne werkingen, ib. c. 1 § 4. Hij is dus eenerzijds ἀνωνυμος en
anderzijds πολυωνυμος, ib. 1 § 6. Maar ook de positieve namen, die wij
Gode toekennen op grond van zijne werken, doen ons Hem niet kennen in
zijn wezen, want ze komen Hem op gansch andere en oneindig volmaakter
wijze toe dan aan de schepselen, de myst. theol. c. 1 § 2. Daarom is
de negatieve theologie voortreffelijker dan de positieve, want zij
doet ons God kennen als verheven boven alle creatuur. Toch verschaft
ook zij ons geen kennis van Gods wezen. Want ten slotte overtreft God
zoowel alle negatie als alle affirmatie, alle θεσις en alle ἀφαιρεσις,
de myst. theol. c. 5. Geheel in denzelfden geest redeneert Erigena.
God is boven al het creatuurlijke, ook boven het zijn en het kennen
verheven, de div. nat. I 7 sq. II 23. Wij weten alleen dat Hij is, niet
wat Hij is, ib. I 13, II 28, V 26. Wat wij van Hem praediceeren, is Hij
slechts op oneigenlijke wijze, en Hij is het dus ook wederom niet, I 36.
De affirmatieve theologie is oneigenlijk, metaphorisch I 14 sq. 37. Zij
wordt overtroffen door de negatieve. Verius enim negatur Deus quid
eorum, quod de eo praedicatur, quam affirmatur esse, I 76, II 30, III
20. Melius nesciendo scitur, cujus ignorantia vera est sapientia I
66. Daarom worden zijne praedicaten het best door super of plusquam
aangevuld. Hij is superessentialis, plusquam veritas, plusquam sapientia
enz. I 14. Ja zoozeer gaat Hij alles wat schepsel is te boven, dat
Hij niet ten onrechte met den naam van het niets, nihilum, kan worden
aangeduid, III 19. Cf. Stöckl, Philos. des M. A. I 45 f. Baur, Die
christl. Lehre von der Dreiein. und Menschw. Gottes II 274 f. Doedes,
Inl. tot de leer van God 133 v.
5. Hoewel nu de Scholastiek op onderscheidene punten zich voorzichtiger
uitdrukte en met name aan de positieve theologie eene hoogere waarde
toekende dan Pseudodionysius en Erigena; toch stemde ook zij geheel
in met de leer dat het wezen Gods an sich voor den mensch onkenbaar
was. Anselmus zegt, dat de namen Gods wezen slechts aanduiden per
similitudinem, Monol. c. 63, dat de relatieve eigenschappen van zijn
wezen niet kunnen gepraediceerd worden, en de absolute slechts in
quidditatieven, niet in qualitatieven zin, Monol. c. 15-17. Volgens
Albertus Magnus is God boven alle zijn en denken verheven. Hij kan
door het menschelijk denken niet bereikt worden, attingitur sed non
capitur per comprehensionem. Geen naam drukt zijn wezen uit. Hij is
onbegrijpelijk en onnoembaar, cf. Stöckl, Philos. des M. A. II 370.
Thomas onderscheidt drieërlei kennisse Gods, visio Dei per essentiam,
cognitio per fidem en cognitio per rationem naturalem. De eerste gaat
de natuurlijke kennis van den mensch ver te boven en is alleen te
verkrijgen door bovennatuurlijke genade. Ze is voor den hemel weggelegd,
wordt hier op aarde slechts eene enkele maal geschonken, en maakt toch
ook nooit een begrijpen van God mogelijk, S. Theol. I qu. 12 art. 1-11.
Hier op aarde is de kennisse Gods middellijk. Wij kunnen God niet kennen,
gelijk Hij in zichzelven is, maar alleen secundum quod omnium prima et
eminentissima causa is. Uit de werkingen kunnen wij opklimmen tot de
oorzaak, ib. art. 12. En evenzoo is het gesteld met de kennis, die wij
van God krijgen uit zijne bijzondere openbaring door het geloof. Wij kennen
Hem hierdoor beter, in quantum plures et excellentiores effectus ejus
nobis demonstrantur, ib. art. 13. Maar zij geeft geen kennis van God
per essentiam. Er is geen kennis van Gods wezen, van zijne quidditas,
per speciem propriam; maar wij kennen alleen habitudinem ipsius ad
creaturas, ib. art. 12. Er is geen naam, die zijn wezen adaequate
uitdrukt. Zijne essentia staat hoog supra id, quod de Deo intelligimus
et voce significamus, ib. qu. 13 art. 1. De positieve namen mogen Gods
wezen aanduiden, zij doen het toch op zeer onvolmaakte wijze, evenals de
schepselen, waaraan ze ontleend zijn, Hem onvolmaakt vertegenwoordigen.
God is slechts kenbaar, secundum quod repraesentatur in perfectionibus
creaturarum, ib. art. 2. Maar bij de verdere ontwikkeling der
scholastiek werd deze waarheid van de onbegrijpelijkheid Gods naar den
achtergrond gedrongen. De leer van God werd hoe langer hoe breeder
ontvouwd. Bestaan, namen, wezen, personen, eigenschappen werden zoo
fijn en nauwkeurig ontwikkeld, dat er voor de onbegrijpelijkheid Gods
geene plaats overbleef. Zij werd eene gewone eigenschap naast de andere,
even breedvoerig en dialectisch behandeld. Duns Scotus beweerde tegen
Thomas, dat er wel eene quidditatieve, zij het ook onvolkomene, kennisse
Gods was, Sent. I dist. 3 qu. 2. Daartegen kwam reeds het nominalisme
in verzet en werd min of meer skeptisch. Durandus zei, dat er geen
cognitio abstractiva was van het goddelijk wezen. En Occam verklaarde:
nec divina essentia, nec divina quidditas nec aliquid intrinsecum
Deus, nec aliquid, quod est realiter Deus, potest hic cognosci a
nobis, ita quod nihil aliud a Deo occurrat in ratione objecti, Stöckl,
Philos. des M. A. II 1009. De mystiek zocht nog eene andere kennis
van God te verkrijgen dan langs den weg der dialectiek. En tegen het
einde der Middeleeuwen betoogde Nic. Cusanus in zijn geschrift de docta
ignorantia, dat er door de rede geen waarheid te verkrijgen was, maar
alleen door het geloof, hetwelk mystiek opgevat werd als een nieuw
orgaan in den mensch. Na de Hervorming is de Roomsche theologie tot de
scholastiek teruggekeerd en heeft zij ook de leer van de onkenbaarheid
van Gods wezen in den zin van Thomas opgenomen, bijv. Sylvius, Comm. in
Thomam, ed. 4 Antv. 1693 I p. 96 sq. Billuart, Cursus theol. I 1747 p.
228 sq. Petavius, Theol. dogm. I c. 5 VIII c. 6. Theol. Wirceb. ed.
Paris. 1880 III 73 sq. Jansen, Praelect. Theol. II 78 sq. C. Pesch,
Praelect. dogm. 1895 II p. 46 sq. enz. Op het Lateraanconcilie onder
Innocentius III werd deze leer door Rome zelfs kerkelijk vastgesteld en
uitgesproken: Deus ineffabilis est.
6. De reformatorische theologie heeft hierin geen verandering gebracht.
Luther maakte in zijn werk de servo arbitrio onderscheid tusschen
Deus absconditus en revelatus, tusschen Deus ipse en verbum Dei. En
hij kwam er later hoe langer hoe meer toe, om zich alleen aan het
laatste vast te houden, d. i. aan God gelijk Hij zich in Christus heeft
geopenbaard; quod supra nos, nihil ad nos. Maar toch ging daarin
het volle wezen Gods niet voor hem op. En bleef in God een donkere,
verborgen achtergrond, n.l. Deus ut est in sua natura et majestate,
Deus absolutus. En deze was volgens Luther plane incognoscibilis,
incomprehensibilis, inaccessibilis, Köstlin, Luthers Theol. I 47.
76 f. 314 f. Latere Luthersche theologen spraken niet van zulk eene
scherpe onderscheiding tusschen Gods wezen en zijne openbaring, maar
allen leeren toch, dat er geen adaequate naam en geen eigenlijke
definitie van God gegeven kan worden, Gerhard, Loci theol. II c. 5. cf.
Schmid, Dogm. der ev. luth. K. § 17. Bretschneider, Dogm. I⁴ 443. De
Gereformeerden dachten hiermede eenstemmig. Hun diepe afkeer van alle
creatuurvergoding deed hen overal scherp onderscheiden tusschen wat
Godes en wat van het schepsel is. Zij maakten meer dan eenige andere
theologie ernst met de stelling, dat finitum non est capax infiniti.
Zwingli zei: quid Deus sit, tam _ex nobis ipsis_ (deze woorden mogen
niet worden weggelaten, gelijk Hoekstra doet, Wijsg. Godsd. II 14)
ignoramus, quam ignorat scarabeus, quid sit homo, Opera III 157. Calvijn
achtte het eene ijdele speculatie, te onderzoeken quid sit Deus; voor
ons is het genoeg te weten, qualis sit et quid ejus naturae conveniat,
Inst. I 2, 2. I 5,-9. Comm. in Rom. 1:19. Latere theologen spraken
nog veel sterker de onkenbaarheid van het goddelijke wezen uit. Wijl
het eindige het oneindige niet vatten kan, dienen alle namen Gods,
niet om ons zijn wezen te doen kennen, maar om eenigermate naar onze
bevatting dat van God aan te duiden, wat wij te kennen noodig hebben.
De stellingen: Deus definiri nequit, Deo nomen non est, finitum non
est capax infiniti, keeren bij alle theologen terug. Zij leeren allen
eenparig, dat God ons begrip, onze voorstelling, onze taal oneindig
verre te boven gaat. Zoo zegt bijv. Polanus, de attributen, die in
de H. Schrift aan God worden toegekend, verklaren zijn natuur en
wezen niet. Ze doen ons veel meer kennen quis et quomodo non sit,
quam quis et quomodo sit. Quidquid de Deo dicitur, non est Deus,
quia est ineffabilis. Nulla attributa divina essentiam naturamque
Dei sufficienter explicant, quia illa est infinita. Infinitum autem
per id quod finitum est digne satis pleneque explicari non potest,
Synt Theol. II c. 6 p. 137, cf. ook Zanchius, de natura Dei seu de
attributis, Op. II col. 9-10. Hyperius, Methodus theol. 1574 p. 83-84.
Ursinus, Tract. theol. 1584. p. 35, 36, 49. Synopis par. theol. VI 2.
Maresius, Syst. theol. p. 48. Alsted, Theol. schol. did. p. 56 sq.
Moor, Comm. in Marckii Comp. I 505 sq.
7. Maar ook in de reformatorische theologie werd de beteekenis dezer
onbegrijpelijkheid Gods hoe langer hoe minder ingezien. Ze werd nog
wel geleerd maar stond geheel op zichzelve en oefende geen invloed.
Het schema, waarin de leer van God behandeld werd, stond spoedig
bijna onveranderlijk vast. Veel erger was het nog bij andere richtingen
gesteld. Het Socinianisme ging op de vraag naar de kenbaarheid Gods
in het geheel niet in. Het stelde niet het minste belang in de
kennis van Gods wezen. God te kennen stond ongeveer gelijk met te
weten, dat Hij absoluut Heer is, Fock, Der Socin. S. 414-416. Crell
schreef een werk de Deo ejusque attributis, en bewees daarin wel
Gods bestaan met allerlei argumenten, maar onthield zich van alle
vragen naar Gods wezen, kenbaarheid enz. Conr. Vorstius schreef een
Tractatus de Deo s. de natura et attributis Dei 1610, dat in dezelfde
sociniaansche dwalingen verviel, cf. Acta Syn. Dord. sess. 149 sq. Ook
de Remonstranten gevoelden geen behoefte, om op metaphysische kwesties
in te gaan; zij waarschuwden veeleer tegen ijdele speculatie en drongen
op eenvoud aan. Datgene, wat strikt noodig was te kennen, was alleen
de wil van God. De cultus Dei is veel meer noodzakelijk dan de cognitio
Dei, Episc., Instit. theol. Lib. 4 sect. 2 cap. 1. Limborch, Theol.
Chr. Lib. II c. 1. Het Rationalisme meende van Gods bestaan zeker te
zijn en hechtte aan de kennis van zijn wezen weinig waarde. Het is, alsof
de majesteit en de grootheid Gods in het geheel niet meer wordt beseft.
Alle zoogenaamde metaphysische kwestiën ter zijde latend, haast men zich
naar den wil Gods, om dien te kennen en te doen. Niet in het kennen van
God, maar in het doen van zijn wil ligt het eeuwige leven. Bretschneider
noemt de vraag geheel overbodig, of God kan gedefinieerd worden, Dogm.
I⁴ 443. Syst. Entw. 341.
Maar toen deze waarheid van de onkenbaarheid van het goddelijk wezen
door de theologie schier geheel was vergeten, is ze door de philosophie
wederom in herinnering gebracht. Het Rationalisme meende, met zijne
bewijzen voor Gods bestaan en met zijne leer van Gods eigenschappen op
hechten, wetenschappelijken bodem te staan. Maar Kant, ofschoon met
zijne leer van God, deugd en onsterfelijkheid nog geheel in rationalisme
en moralisme bevangen, bracht toch eene groote verandering in den
grondslag, waarop deze leer rustte. Evenals de Sinnlichkeit de vormen
van ruimte en tijd, en het verstand de kategorieën apriorisch meebrengt,
zoo bevat ook de rede apriorische, synthetische Grundsätze und Regeln,
vooral dezen Grundsatz, dat zij uit het Bedingte tot het Unbedingte
opklimt, Kr. d. r. Vern. ed. Kirchmann S. 300. Daardoor vormt zij drie
transcendente ideeën, ziel, wereld, God, S. 308-318. Maar deze drie
ideeën kunnen niet objectief worden aangetoond, maar slechts subjectief
uit de natuur der rede worden afgeleid, S. 319. Het object dier ideeën
kunnen wij niet waarnemen; wij kunnen er dus ook geen wetenschappelijke
kennis van bekomen, S. 321, 322. Wetenschappelijk beoordeeld, zijn ze
paralogismen, antinomieën, idealen, S. 322. Onze kennis reikt niet
verder dan het gebied der ervaring, S. 469, 475, 508. Deze ideeën
vermeerderen dan ook onze kennis niet, maar regelen ze alleen; zij
brengen eenheid in onze begrippen en doen ons alles beschouwen,
_alsof_ er God, de ziel, de wereld was, S. 512, 530, 537, 541. De
wetenschap kan de realiteit dier ideeën noch bewijzen noch loochenen,
S. 532. Psychologie, kosmologie (teleologie) en theologie zijn dus
geen wetenschap, S. 547. De kritiek der zuivere rede eindigt met een
negatief resultaat. Nu doet de practische Vernunft ons wel de realiteit
dier ideeën aannemen, Kr. der prakt. Vern. ed. Kirchmann S. 149 f. En
wel schrijft Kant aan God verstand en wil en andere eigenschappen toe,
S. 150, 157, maar toch blijft het wezen Gods verborgen. De praktische
rede weet wel, dat die drie ideeën objectieve realiteit hebben, maar
meer ook niet. Zij vermeerdert den inhoud onzer wetenschappelijke kennis
niet. De speculatieve rede kan met die ideeën niets doen dan onze
kennis regelen en louteren, en bedient zich van de Godsidee, om het
anthropomorphisme als bron der superstitie en het fanatisme tegentegaan
en af te weren, S. 162 f. Als verstand en wil aan God worden
toegeschreven, dan is dat slechts eene kennis Gods in praktischer
Beziehung, maar in geen enkel opzicht eene speculatieve kennis, S. 165.
Wie het anthropomorphistische ervan abstraheert, houdt niets dan het
woord over, S. 166. De Godsidee hoort niet thuis in de metaphysiek,
die er niet is, maar in de moraal, S. 166 f. Fichte stond eerst geheel
op hetzelfde standpunt als Kant. In zijn Versuch einer Kritik aller
Offenbarung, Königsberg 1792, laat hij het geloof aan God rusten op
de postulaten der rede, schrijft Gode ook bepaalde eigenschappen toe
zooals heiligheid, zaligheid, almacht, rechtvaardigheid, alwetendheid,
eeuwigheid, S. 3 f. 104. Maar daarmee hebben we nog geen bepaald
begrip van God, en kennen zijn wezen niet, gelijk het an sich is; dat
zou de zuivere zedelijkheid ook niet bevorderen maar schaden, S. 105.
De religie stelt God altijd menschelijk, in tijd en ruimte, en zelfs
lichamelijk voor, en doet daaraan geen kwaad, als het maar niet in
strijd komt met de moraliteit en als deze zinnelijke voorstelling maar
niet voor objectief geldig gehouden wordt, S. 124 f. Het moet alles
opgevat worden als Herablassung zu unserm subjectiven Bedürfniss, S.
127. Nur eine solche Offenbarung also kann göttlichen Ursprungs seyn,
die einen anthropomorphisirten Gott, nicht als objectiv sondern blos
für subjectiv gültig giebt, S. 129. En ook Schleiermacher, schoon in
veel opzichten van Kant en Fichte afwijkende en nauwer bij Spinoza zich
aansluitende, kwam toch met hen overeen in de leer van de onkenbaarheid
Gods. De idee van de eenheid van zijn en denken, van ’t reëele en het
ideale, d. i. de idee Gods, is de onderstelling van al ons weten,
Dialektik herausg. von Jonas 1839 S. 397, de grond van ons denken,
S. 60, 163; maar is niet in gedachte te vatten en blijft hinter dem
Vorhang, S. 78, 79. Zoodra wij het Absolute ons nader willen brengen,
wordt het in ons denken vereindigd, S. 69 en spreken wij in beeld. S.
78. Het is in één woord onbereikbaar voor het weten, S. 87. In zijne
Glaubenslehre droeg Schleiermacher dezelfde gedachten voor, zij het ook
in meer religieusen en minder uitgewerkten vorm. God is het Woher van
ons Daseyn; en als zulk eene absolute causaliteit is Hij geen voorwerp
van ons weten maar slechts inhoud van het gevoel van volstrekte
afhankelijkheid, § 4, 4.
8. Sedert is de leer van de onkenbaarheid Gods hoe langer hoe meer
doorgedrongen in het bewustzijn van den nieuweren tijd. Hegel stond
wel is waar op een ander standpunt. Erkennende, dat de godsdienstige
voorstelling inadaequaat en alleen voor het volk geschikt was,
achtte hij toch de wijsbegeerte in staat, om deze voorstelling van
haar zinnelijken vorm te ontdoen, en alzoo te verheffen tot een
adaequaat begrip. De rede verhief zich naar zijne meening allengs door
verschillende trappen heen tot het absolute wezen, ziet de waarheid
dan van aangezicht tot aangezicht, en kent als haar wezen de rede, het
denken, het begrip zelf. De philosophie, de zuivere wetenschap, of
bepaaldelijk de logika is de beschrijving Gods in zijn wezen, an sich. Zij
begrijpt het Absolute in zijn passenden, adaequaten vorm, als denken, in
den vorm van het begrip, Werke III, S. 33 f. In zijn geest beproefden
velen, zooals Strauss, Gl. I 523 f. 547 f. 609 f., Biedermann, Chr.
Dogm. II² S. 516 f. Hartmann, Philos. des Unbew. II⁹ 155 f. 175 f.
Religionsphilos. 608 f., Scholten, Initia p. 109 sq. L. H. K. II 199,
200, om door zuivering en verdieping der begrippen de transcendente
werkelijkheid steeds nader te komen. Maar bij anderen leidde Hegels
philosophie tot eene geheel andere uitkomst; zij beweerden, dat in de
Godsidee de voorstelling nooit overwonnen kon worden, en kwamen daarom
tot atheisme. Feuerbach zeide, dat de persoonlijke God niets anders
was dan het wezen van den mensch zelf, en de theologie niets dan
anthropologie. Al wat van God wordt gepraediceerd, is aan den mensch
ontleend, niet alleen persoonlijkheid maar alle eigenschappen en namen.
Religie is eene vergoding van den mensch zelf. De mensch kan niet boven
zijn eigen wezen uitkomen en daarom is en blijft God altijd een zinnelijk,
menschelijk wezen, niet alleen in de Christ. dogmatiek maar ook in
de philosophie, Wesen des Christ. 1841. En velen spraken evenzoo en
wierpen met de menschvormige voorstelling heel de Godsidee weg, b.v.
Büchner, Kraft u. Stoff¹⁶ S. 392 f. Id. Der Gottesbegriff und dessen
Bedeutung in der Gegenwart² 1874. Haeckel, Nat. Schöpfungsgesch.⁵ S.
30 f. Strauss, Der alte u. d. neue Glaube² S. 122. 144 f. Friedrich
Nietzsche, Zur Genealogie der Moral S. 179. Maar dit atheisme ging
anderen te ver. Lettende op de beperktheid van het menschelijk
kenvermogen, dat altijd binnen het eindige zich bewegen blijft, meenden
dezen, dat de mensch zich tot het onder de waarneming gegevene bepalen
(positivisme), van alle uitspraak omtrent bestaan en natuur van
het bovenzinlijke zich onthouden (abstentionisme), en dus te dezen
aanzien alleen zijne volstrekte onkunde belijden moest (agnosticisme).
In Frankrijk werd de taak der wetenschap tot het constateeren en
verklaren der verschijnselen beperkt door Auguste Comte, die daarom
de theologie ook buiten den kring der wetenschappen sloot, cf. I
151 v. In Engeland was het vooral Herbert Spencer, die met allerlei
argumenten de kenbaarheid Gods bestreed, First Principles, 5th ed. 1887
p. 68-97. En in Duitschland keerde men, na verzadigd te zijn van Hegels
panlogisme, tot de kritische wijsbegeerte van Kant terug. Zoo is het
agnosticisme in de laatste helft dezer eeuw schier algemeen heerschende
geworden. Alle metaphysica wordt gewantrouwd; van speculatie heeft men
een afkeer; vast staat alleen, wat positief is en tot het domein der
sciences exactes behoort. De theologie is zoozeer onder de vrees voor
dit agnosticisme gekomen, dat zij het schier niet meer waagt te spreken
van kennisse Gods; zij tracht zooveel mogelijk alle metaphysica buiten te
sluiten en tot het religieuse zich te beperken; zij schaamt zich voor
haar eigen naam en heeft zich in een wetenschap van den godsdienst
laten herdoopen. Want, ofschoon het agnosticisme eigenlijk de dood is
voor de theologie, zoo is deze toch nog door velen onder een anderen
vorm gehandhaafd. Kant herwon door de practische rede, wat hij door de
theoretische verloren had. Spencer laat plaats voor eene religieuse
vereering van the Unknowable. Reeds voor hem hadden Sir William
Hamilton, in zijn geschrift On the philosophy of the unconditioned,
Edinb. Rev. Oct. 1829, en Dr. Henry Longueville Mansel in zijn werk The
limits of religious thought examined in eight lectures, preached before
the university of Oxford 1858, beweerd, dat ons denken, wijl altijd aan
ruimte, tijd, onderscheiding, tegenstelling enz. gebonden, nooit tot
het absolute doordringen kan, al is het ook dat op religieuse gronden
de voorstelling van God als een persoonlijk wezen moet vastgehouden,
cf. Dorner, Jahrb. f. deutsche Theol. VI 1861 S. 320 f. 347 f. Tot een
soortgelijk dualisme kwamen ook de Neokantianen in Duitschland. Het
denken moge ons op zijn best tot het begrip van het Absolute brengen, in
de religie hebben wij daaraan toch niet genoeg. Hier hebben wij behoefte
aan een God, die ons gelijk is, dien wij als een persoon voorstellen, en
die als een Vader voor zijne kinderen zorgt. Wel is zulk eene religieuse
voorstelling dan altijd aan kritiek van de zijde der wetenschap
onderhevig; zij is het hoogste en het ware niet, maar er is niet meer
te bereiken, Lipsius, Dogm. § 229 f. 243 f. Ritschl, Metaph. u. Rel.
8 f. Rechtf. u. Vers. III² 211 f. Rauwenhoff, Wijsb. v. d. godsd.
611 v. Hoekstra, Wijsg. godsd. II 11 v. En evenzoo hebben anderen in
humaniteit, zedelijk idealisme, ideaalvorming, spiritisme, theosophie,
buddhisme enz. eene vergoeding gezocht voor wat de wetenschap in de
christelijke theologie hun ontnomen had, cf. I 156. 202.
9. De gronden, waarop dit agnosticisme zich beroepen kan, zijn van
zeer groot gewicht. Vooreerst kan het zich bedienen van het argument,
dat door de sophisten en sceptici van oudsher tegen de mogelijkheid
van alle kennis werd ingebracht, n.l. dat alle menschelijke kennis
subjectief en relatief is. Niets in de wereld staat los op zichzelf,
object en subject zijn van elkaar afhankelijk. De dingen en hunne
eigenschappen bestaan eerst dan en zoo, als ze in betrekking staan
tot iemands waarneming; iets wordt eerst iets door de relatie tot de
zintuigen van het subject. Wij kunnen dus nooit zeggen, wat een ding
in zijn wezen, onafhankelijk van onze waarneming is; alleen kunnen wij
uitspreken, dat iets op een gegeven oogenblik ons alzoo toeschijnt;
ἀνθρωπος μετρον παντων. Dit argument is wel van groote beteekenis; maar
het bewijst te veel; het zou indien het van kracht ware, niet alleen
de kennis van God maar alle kennis van mensch en wereld onmogelijk
maken; bovendien is dit idealisme reeds in deel I 145-151 besproken en
kan hier dus verder buiten beschouwing blijven. Maar het agnosticisme
heeft verschillende gronden, die speciaal tegen de kenbaarheid Gods
worden aangevoerd. Philosophie en theologie waren wel, gelijk boven
bleek, ten allen tijde van het inadaequate onzer Godskennis overtuigd.
Negatieve praedicaten zeggen alleen, wat God niet is, en positieve
komen Hem op een gansch andere wijze toe dan ze in schepselen worden
gevonden. De beperktheid, de eindigheid, de menschvormigheid onzer
Godskennis werd door allen erkend. Maar in den nieuweren tijd is de
onbereikbaarheid der kennisse Gods nog op andere en krassere wijze
betoogd. Subjectief n.l. is er gewezen op de beperkte natuur van het
menschelijk kenvermogen; en objectief op de innerlijke tegenstrijdigheid,
waaraan elk Godsbegrip lijdt. Het eerste deed Kant, het tweede Fichte.
Kant onderzocht het menschelijk kenvermogen en kwam tot de slotsom, dat
de vormen der aanschouwing en de kategorieën des verstands door het
subject zelf werden meegebracht, in de wereld der phaenomena geldigheid
hadden, maar ook alle ware kennis der noumena ons onmogelijk maakten.
De transcendente ideeën van God, wereld, ziel zijn wel regelen voor ons
handelen, en een zedelijk mensch kan niet anders handelen dan alsof er
aan die drie ideeën eene objectieve werkelijkheid beantwoordt; maar
te bewijzen is dit niet. Fichte voegde daaraan nog het bezwaar toe,
dat de begrippen van absoluut en persoonlijkheid nooit met elkander te
vereenigen zijn. Reeds Spinoza zeide, dat alle bepaling eene negatie
was, Epist. 50, dat een ding dus, naarmate het meer bepaald en concreet
werd, ook des te meer eindig en beperkt was. Daardoor houdt het toch
op datgene te zijn, wat andere dingen zijn: als iets wit is, kan het
niet meer rood of zwart zijn. God kan daarom niet iets bepaalds naast
en in onderscheiding van de schepselen zijn, maar Hij is de substantie
van alle schepselen, het ééne, oneindige zijn, zoodat al wat is, in
Hem is, Eth. I prop. 14. 15. Deze wijsgeerige praemisse werd door
Fichte op het begrip der persoonlijkheid toegepast; persoonlijkheid en
zelfbewustzijn waren dingen, die wij in ons zelf gevonden hadden en die
niet zonder beperktheid en eindigheid te denken zijn. Indien wij ze op
God overbrengen, maken wij Hem tot een eindig, beperkt, menschelijk
wezen. De zedelijke wereldorde is dan ook het ééne wezenlijk noodige in
de religie; meer behoeven wij niet; een bijzonder, persoonlijk bestaan
Gods is onnoodig voor de religie, en het is ook onbewijsbaar, ja
onmogelijk en met zichzelf in strijd; wie zulk een God verlangt, is nog
in het eudaemonisme bevangen, Ueber den Grund unseres Glaubens an
eine göttliche Weltregierung 1798, Werke V 184 f. cf. Kuno Fischer,
Gesch. der neuern Philos. V² 628 f. Deze redeneering is dan in wijden
kring verbreid, en keert ieder oogenblik terug, cf. Schelling in zijne
eerste periode, Werke I 1 S. 200, Hegel, Werke V 18, Schleiermacher,
Reden über die Religion³ S. 167 f. Schopenhauer, Parerga und Paral. I⁵
123 f. Hartmann, Philos. des Unbew. II⁹ 175 f. Id. Religionsphil. II
145-163, Id. Lotzes Philos. 1888 S. 168 f. Strauss, Christl. Gl. I 502
f. Biedermann, Dogm. II² 457-472, 537-547 enz. In het wezen der zaak is
deze tegenstelling tusschen absoluut en persoonlijk geen andere, dan die
in de christelijke theologie altijd werd gevoeld en uitgedrukt werd in de
negatieve en positieve, de apophatische en de kataphatische theologie.
Hoezeer de bewijzen tegen de kenbaarheid Gods telkens in een anderen
vorm worden voorgedragen, feitelijk zijn ze altoos dezelfde en komen ze
steeds hierop neer. De mensch is aan de zinlijke waarneming gebonden
en ontleent de stof zijner gedachte altijd aan de zienlijke wereld; hij
aanschouwt het geestelijke niet en kan zich niet opheffen tot de wereld
der onzienlijke dingen, wijl hij altijd gebonden blijft aan ruimte en tijd.
Ook zijn denken is stoffelijk en eindig en beperkt; gelijk de adelaar
binnen den dampkring (Hamilton) en de visch binnen den vijver (Lange)
besloten blijft, zoo beweegt zich ons denken altijd binnen den kring van
het eindige. Meer nog, het denken is van die natuur, dat het vanzelf
een scheiding onderstelt tusschen subject en object, welke tegenover
elkander staande en elkander beperkende geen van beide absoluut kunnen
zijn. To think is to condition, zeide daarom Hamilton; en Mansel drukte
hetzelfde aldus uit: distinction is necessarily limitation; kennis
van het absolute is dus eene contradictie, want het duidt aan dat men
kennis heeft aangaande iets, dat absoluut is, alzoo in geen relatie
staat, en juist als gekend door een subject toch weer wel in relatie
staat. Indien nu de natuur van het denken zoo ingericht is, en indien
we dan toch nog God willen denken en kennen, dan doen wij altijd één van
beide: òf wij trekken het absolute naar beneden binnen den kring van het
eindige en we maken God tot een persoonlijk, beperkt, menschelijk wezen;
òf wij trachten ons in ons denken boven alle perken van ruimte en tijd te
verheffen, ontdoen onze gedachte aangaande God van alle gelijkvormigheid
aan het eindige schepsel, maar houden dan ook niets in ons denken over
dan een ledig, abstract, inhoudloos begrip, dat voor de religie niet
de minste waarde heeft. Ja zelfs dat begrip ontgaat ons; onder ons
denken wordt het absolute tot niets. Absoluutheid en persoonlijkheid,
oneindigheid en causaliteit, onveranderlijkheid en mededeelbaarheid,
absolute verhevenheid boven en gelijkvormigheid aan het schepsel
schijnen in het Godsbegrip onvereenigbaar te zijn. Wij verkeeren in eene
onoplosbare antinomie. Het is alsof ons slechts de keuze gelaten is
tusschen een grof realisme en een ijl idealisme, tusschen een God, die
niets is dan een mensch in het groot, of eene koude abstractie, die de
religie des harten bevriezen en sterven doet.
10. Tot eene aanmerkelijke hoogte kan deze leer van de onkenbaarheid
Gods worden toegestemd en van heeler harte beaamd. Schrift en kerk
handhaven beide met nadruk de onnaspeurlijke majesteit en de souvereine
hoogheid Gods. Er is geen kennis van God, gelijk Hij in zichzelven is.
Wij zijn menschen en Hij is de Heere onze God. Er is geen naam die zijn
wezen ten volle uitdrukt; geen bepaling, die Hem omschrijft. Hij is
boven onze voorstelling, boven onze gedachte, boven onze taal oneindig
verre verheven. Hij is bij geen schepsel te vergelijken; alle volken zijn
bij Hem geacht minder dan niet en ijdelheid. Deo nomen non est. Deus
definiri nequit. Hij kan apprehendi, niet comprehendi. Er is eenige
γνωσις maar geene καταληψις van God. Zoo heet het door heel de Schrift
en door de gansche christelijke theologie heen. En als een oppervlakkig
rationalisme eene adaequate kennis van God mogelijk achtte, heeft
de christelijke theologie dit altijd ten sterkste bestreden. Volgens
Socrates, Hist. Eccl. IV 7, zou Eunomius, een volgeling van Arius,
geleerd hebben, dat hij God evengoed kende als zichzelven. Gods wezen
bestond volgens hem alleen in de ἀγεννησια, en daarin had hij van het
Goddelijk wezen een klaar, duidelijk, adaequaat begrip; God was zichzelf
niet meer en den mensch niet minder bekend dan in dit praedicaat werd
uitgedrukt. Later zeide Spinoza, dat hij van God een even klaar begrip
had als van een driehoek, ofschoon hij daarmee niet beweren wilde
Deum omnino cognoscere, Epist. 60. En in deze eeuw leeraarde Hegel,
dat het absolute in de begripsphilosophie tot volkomen zelfbewustzijn
kwam en dus door den wijsgeer volkomen en adaequaat werd gekend; het
Godsbewustzijn in ons is niets dan het bewustzijn Gods van zichzelven.
God is, zoover Hij door ons gekend wordt, d. i. zoover Hij zichzelven
kent in ons. Dit rationalisme is in de christelijke kerk met alle
kracht bestreden en verworpen, Basilius, Hexaem. hom. 1. Gregor. Naz.
Orat. 28 enz. cf. Schwane, D. G. II 27 f. Zelfs is hier een diep
religieus belang mee gemoeid. Augustinus gaf er eens op deze wijze
uitdrukking aan: de Deo loquimur, quid mirum si non comprehendis? _Si
enim comprehendis, non est Deus._ Sit pia confessio ignorantiae magis,
quam temeraria professio scientiae. Attingere aliquantum mente Deum,
magna beatitudo est; comprehendere autem, omnino impossibile, Serm.
38 in Ev. Joan. Daarom is God juist het eenige voorwerp van al onze
liefde, omdat Hij de Oneindige en Onbegrijpelijke is. Ofschoon echter
Schrift en kerk alzoo als het ware de praemissen van het agnosticisme
aanvaarden en zelfs nog dieper dan Kant of Spencer van de beperktheid
des menschen en de onvergelijkelijke grootheid Gods doordrongen zijn,
toch leiden ze daaruit eene andere conclusie af, eene conclusie, die
door Hilarius de trin. II 7 aldus werd uitgedrukt: perfecta scientia
est, sic Deum scire, ut licet non ignorabilem, tamen inenarrabilem
scias. De kennis die wij van God hebben is eene geheel eigenaardige.
Zij kan positief heeten, inzoover wij door haar een wezen erkennen, dat
oneindig en van alle eindige schepselen wezenlijk onderscheiden is. Zij
is aan de andere zijde negatief, omdat wij geen enkel praedicaat aan God
kunnen toekennen, gelijk wij het in schepselen denken. En zij is daarom
eene analogische, wijl zij de kennis is van een wezen, dat in zichzelf
onkenbaar, desniettemin in schepselen iets van zichzelven bekend maken
kan.
Hierin ligt inderdaad iets van eene antinomie; of liever het
agnosticisme lijdt aan eene verwarring van begrippen en ziet hier dus
eene onverzoenlijke tegenstrijdigheid, maar de christelijke theologie
aanschouwt hier een aanbiddelijk mysterie. Het is volkomen onbegrijpelijk
voor ons, dat en hoe God in het schepsel, de eeuwigheid in den tijd,
de onmetelijkheid in de ruimte, de oneindigheid in het eindige, de
onveranderlijkheid in de wisseling, het zijn in het worden, het al
als het ware in het niet zich openbaren en eenigermate bekendmaken
kan. Dit mysterie is niet te begrijpen, het kan alleen dankend worden
erkend. Maar mysterie is iets ander dan tegenstrijdigheid. Dat heeft
de pantheistische philosophie er van gemaakt. Als zij het absolute
met het onbepaalde vereenzelvigt en alle bepaling eene beperking en
ontkenning noemt, dan maakt zij zich schuldig aan eene verwarring van
begrippen. Er is een hemelsbreed onderscheid tusschen oneindig en
eindeloos, tusschen almachtig en de som van alle macht, tusschen het
volstrekte zijn en de som van alle zijn, tusschen eeuwigheid en het
inbegrip van alle tijdsmomenten enz., en zoo ook tusschen het absolute
en het onbepaalde, onbegrensde, grenzelooze. Het pantheisme legt
eerst in deze woorden zijn eigen Godsbegrip in en kan dan gemakkelijk
het theisme beschuldigen, daarmede in strijd te zijn. Dat God de
Oneindige is en desniettemin in eindige schepselen zich kan openbaren
en zich ook werkelijk geopenbaard heeft, is wel de erkenning van eene
onbegrijpelijke geheimenis, immers van het wonder der schepping, maar
geenszins de toelating van een tastbare ongerijmdheid. Het eindige zijn
kan aan de oneindigheid Gods niet te kort doen, indien het maar in het
zijn Gods absoluut zijn bestand heeft. En zoo ook is onze kennis geen
beperking van God, omdat ze in Hem zelven gegrond is, door Hem alleen
bestaanbaar is, en Hemzelven juist als Oneindige tot voorwerp en inhoud
heeft. Bovendien, indien het absolute alle beperking uitsluit en alle
bepaling eene ontkenning is, dan is het niet alleen ongeoorloofd, om
van God als persoonlijkheid te spreken, maar dan is het even verkeerd,
Hem nog het absolute, het ééne, het goede, het zijnde, de substantie
enz. te noemen. Het pantheisme verkeert in den waan, dat het met het
Godsbegrip gereed is, als het de persoonlijkheid en de zelfbewustheid
als tegenstrijdige elementen eruit verwijderd heeft. En de theïstische
wijsgeeren uit de eerste helft dezer eeuw, zooals J. H. Fichte, Carus,
Steffens, Weisse, Ulrici e. a. hebben uit reactie al te zeer aan dit
begrip der persoonlijkheid zich gehecht, en meenden, dat zij in het
begrip van absolute persoonlijkheid eene adaequate beschrijving van het
wezen Gods bezaten. Zeker zijn er vele goede opmerkingen tegenover het
pantheisme gemaakt ten bewijze, dat persoonlijkheid met het absolute
wezen Gods niet in strijd is. Indien absoluut niet opgevat wordt als
grenzeloos, als eindeloos uitgebreid naar alle zijden, dan is niet in
te zien, hoe persoonlijkheid daarmede in strijd zou wezen. Er ligt dan
alleen in opgesloten, dat het zelfbewustzijn Gods even rijk en diep, even
oneindig is als zijn zijn. Persoonlijkheid moge dan ook bij ons menschen
ontwaken tegenover een niet-ik, bij God is zij de eeuwige samenvatting
van zich met zichzelven, de oneindige zelfkennis en zelfbepaling en
daarom niet van een niet-ik afhankelijk, J. H. Fichte, Die Idee der
Persönlichkeit u. der indiv. Fortdauer, 1855 S. 52 f. J. W. Hanne, Die
Idee der absol. Persönl. 2e Aufl. 1865. Weisse, Philos. Dogm. I 552
f. Lotze, Mikrok. III³ 549-580. Rothe, Theol. Ethik § 39. Ritschl,
Rechtf. u. Vers. III² 213-223. Kaftan, das Wesen der Chr. Religion
378 f. Lipsius, Dogm. § 229. Martensen, Dogm. 75. Thomasius, Christi
Person u. Werk I³ 11 f. Lange, Dogm. I 167 II 53. Bruch, Lehre v. d.
göttl. Eigensch. 122 f. Philippi, Kirchl. Gl. II 53 f. Hodge, Syst.
Theol. I 391. Bovon, Dogm. Chrét. I 229 s. Doedes, Inl. tot de Leer
van God 74 v. Maar toch is het waar, wat de oudere Fichte zei, dat
persoonlijkheid een begrip is aan onszelven ontleend en daarom, op God
overgedragen, altijd iets onvolkomens bevat. Het begrip persoonlijkheid,
van God gebezigd, is inadaequaat en in beginsel niets beter dan alle
andere anthropomorphismen, waarin wij van God spreken. De christelijke
kerk en theologie heeft dit woord ook nooit voor het wezen Gods
gebruikt en heeft bij de drie modi subsistendi in dat wezen niet dan
aarzelend en bij gebrek aan beter van personen gesproken. Maar tegelijk
is hierdoor duidelijk, dat het pantheïsme nog niets gewonnen heeft, als
het op de incongruentie van dit begrip wijst. De tegenstelling tusschen
absoluutheid en persoonlijkheid is wezenlijk dezelfde als die tusschen de
negatieve en positieve theologie. Ook al is het woord persoonlijkheid
verkeerd, daarmede is feitelijk nog niets beslist. Dezelfde vraag komt
daarom telkens weer terug. Indien alle bepaling eene ontkenning is, dan
mag God ook niet de ééne, de zijnde, de absolute worden genoemd. Dan
is alle denken en spreken over God verboden. Indien wij, die menschen
zijn, van God niet op analoge, menschelijke wijze mogen spreken, dan blijft
ons niets anders over dan te zwijgen. Want op goddelijke wijze over God
denken en spreken, kunnen wij niet. Maar dan valt ook alle religie.
Als God niet kan gekend worden, kan Hij ook niet gevoeld en in het
gevoel genoten worden. Het gevoel is even eindig als het verstand,
en vereindigt en vermenschelijkt God op dezelfde wijze. Er is dan geen
mogelijkheid, dat God zich objectief in zijne schepselen openbaart of
dat wij subjectief Hem door eenig orgaan waarnemen. Alle religie is dan
heiligschennis, en alle theologie is dan lastering Gods.
11. De vraag naar de kenbaarheid Gods is daarmede herleid tot deze
andere, of God zich heeft willen en kunnen openbaren in de wereld der
schepselen. Want het is volkomen waar, wat Kant zegt, dat onze kennis
zich niet verder uitstrekt dan onze ervaring, Kr. der r. Vern. ed.
Kirchmann 508. Als God zich niet heeft geopenbaard, dan is er ook geen
kennis van Hem. Maar indien Hij zich heeft geopenbaard, dan is er iets,
hoe weinig dan ook, dat onder onze waarneming valt en alzoo tot kennis
leiden kan. Dan spreekt het echter vanzelf, dat de loochening van de
kenbaarheid Gods geheel samenvalt met de ontkenning, dat God zich heeft
geopenbaard in de werken zijner handen. Het agnosticisme valt terug in
de dwaling van het oude gnosticisme. God is ὁ Βυθος ἀρρητος, eeuwige
σιγη; er is geene gemeenschap en geen verwantschap tusschen Hem en
zijne schepselen. De gansche wereld is in volstrekten zin ἀθεος; er is
geen spoor van God in de wereld op te merken; de wereld is het product
van een lageren God, van een demiurg, van een toeval; de mensch is
niet naar Gods beeld geschapen maar is eenvoudig een natuurproduct
zonder God in de wereld; er is geen religio, geen theologia mogelijk,
noch uit de schepping noch uit de herschepping. God en wereld zijn
absoluut gescheiden. Ja, erger nog, het agnosticisme kan niet ontkomen
aan de consequentie, dat God zich niet kan openbaren. Het sluit Hem
in zichzelf op, het maakt Hem tot eene onbekende, onzichtbare macht,
die geen bewustzijn heeft en geen wil, die zich in geenerlei wijze kan
meedeelen, die eeuwige σιγη is. En de wereld wordt evenals in het
manichaeisme verheven tot eene macht naast en tegenover God, welke
Hem in geenerlei wijze in zich opnemen kan, en volkomen ongeschikt is,
om iets van zijne heerlijkheid uit te stralen. Het agnosticisme eindigt
alzoo feitelijk in atheïsme, waarvan het slechts de negentiende-eeuwsche
vorm en naam is. Toch gaat het agnosticisme meestal zoover niet, en
handhaaft het nog het bestaan van The Unknowable. Maar dan lijdt het
ook terstond aan eene innerlijke inconsequentie, die onhoudbaar is:
Augustinus merkte reeds op, dat de stelling, dat we niets van God
weten, reeds eene groote mate van kennis aangaande God onderstelt,
en dat er alzoo was eene pugna verborum. Want als wij God ineffabilis
noemen, dan zeggen wij op datzelfde oogenblik iets en veel van Hem,
zoodat Hij wederom niet ineffabilis is, de doctr. chr. I 6. Non enim
parvae notitiae pars est.... si antequam scire possimus quid sit Deus,
possumus jam scire quid non sit, de trin. VIII 2. Het niet-weten is
zelf een positief, een veelomvattend weten, het is non parva inchoatio
cognitionis Dei, Ep. ad Consent. Het zegt al zoo veel, te weten, dat
Hij niets is van al datgene wat schepsel is. En zoo is het ook bij de
agnostici. Spencer bijv. zegt, dat wij door ons denken gedrongen worden,
om het bestaan van een absoluut wezen aan te nemen als grond van het
universum, ofschoon wij wegens onze eindigheid en beperktheid er geen
begrip van kunnen vormen. Maar indien wij zoo eindig en beperkt zijn,
hoe komen wij er dan toe, om de gedachte van zulk een absoluut wezen
te vormen en het bestaan daarvan aan te nemen. En indien wij werkelijk
het bestaan van zulk een absoluut wezen moeten aannemen, waarom zou
dan eenige kennis van dat wezen geheel onmogelijk zijn? Geen enkel
agnosticus bepaalt zich daarom ook tot het non liquet. Spencer zegt
bijv. ieder oogenblik, dat wij het absolute niet kennen, en toch heeft
hij er een idee van, bewijst hij zijn bestaan en schrijft er ook allerlei
eigenschappen aan toe. Hij zegt, dat het niet een negatief maar een
positief begrip is, dat het de oorzaak is van alles, dat het eene
kracht is, meest analoog aan onzen wil, dat het oneindig, eeuwig,
alomtegenwoordig is enz. Dit is toch waarlijk geen agnosticisme
meer maar eene zeer bepaalde kennis en een vrij wel omschreven
Godsbegrip. Het agnosticisme, in zich zelf onhoudbaar en voor atheisme
bevreesd, doet ten slotte dienst, om een pantheistisch Godsbegrip te
rechtvaardigen. Cf. over en tegen het agnosticisme: Flint, Antitheistic
theories 3 ed. 1885 p. 14. James Orr, The christ. view of God and the
world 1893 p. 96. A. B. Bruce, Apologetics, Edinb. Clark 1892 p. 146.
John Caird, An introduction to the philos. of religion, Glasgow 1880
p. 8-38. G. J. Lucas, Agnosticism and religion, being an examination
of Spencers religion of the unknowable preceded by a history of
agnosticism. Baltimore, Murphy and Cº. 1895. Art. Sekularismus in
Herzog².
§ 21. DE KENBAARHEID GODS. (Cognitio Dei insita.)
1. Evenals vroeger bij de religie I 209 v., zoo bleek ook thans bij
de kennisse Gods, dat ze haar oorsprong niet hebben kan dan in
openbaring. Indien God niet in zijne schepselen openbaar wordt, dan is
er ook vanzelf geen kennis van Hem mogelijk. Maar als Hij zijne deugden
in de wereld der schepselen ten toon spreidt, dan kan de kenbaarheid
Gods ook niet meer bestreden worden. Natuurlijk is daarmede de aard
en de mate dier kennis niet bepaald. Allen, die de kenbaarheid Gods
leeren, stemmen gaarne toe, dat die kennis geheel eigensoortig en van
zeer beperkten omvang is. Immers, al wordt God eenigermate in zijne
schepselen openbaar, er blijft in Hem eene oneindige volheid van kracht
en leven achter, welke niet aan het licht treedt. Zijne kennis en macht
valt niet met de wereld samen en stort daarin niet ten volle zich uit.
Hij kan zelfs aan en in schepselen zich niet volkomen openbaren, want
het eindige vat het oneindige niet, niemand kent den Vader dan de Zoon,
Mt. 11:27 cf. Deut. 29:29. Bovendien, datgene, wat God van zichzelven
in en door schepselen openbaart is reeds zoo rijk en zoo diep, dat
het nooit ten volle door eenig mensch kan worden gekend. Wij begrijpen
in zoo menig opzicht de wereld der geschapene dingen niet en staan
ieder oogenblik aan alle zijden voor raadselen en geheimenissen, hoe
zouden wij dan de openbaring Gods in al haar rijkdom en diepte verstaan?
Maar daarmede wordt de kenbaarheid Gods toch niet te niet gedaan. De
onbegrijpelijkheid Gods doet deze kenbaarheid zoo weinig te niet, dat zij
haar veeleer onderstelt en bevestigt; de alle kennis te bovengaande
rijkdom van het Goddelijk wezen maakt juist een noodzakelijk en belangrijk
element onzer Godskennis uit. Het blijft vast staan, dat God op
diezelfde wijze en in diezelfde mate voor ons kenbaar is, als Hij zich in
schepselen aan ons openbaart.
Dat er nu eene openbaring Gods in de wereld is, kan eigenlijk moeilijk
worden ontkend. Vooreerst laat de H. Schrift ons dienaangaande geen
oogenblik in twijfel. Zij richt geen altaar op voor den onbekenden God,
maar verkondigt dien God, die de wereld gemaakt heeft, Hd. 17:23, wiens
kracht en goddelijkheid uit de schepselen door den menschelijken νους
kan worden aanschouwd, Rom. 1:19, die bovenal den mensch schiep naar
zijn beeld en gelijkenis, Gen. 1:26, als zijn geslacht, dat in Hem leeft
en zich beweegt, Hd. 17:28, door profeten en apostelen, bovenal door
zijn Zoon zelf tot hem heeft gesproken, Hebr. 1:1, en nu voortdurend
door Woord en Geest zich aan en in hem openbaart, Mt. 16:17, Joh. 14:23
enz. Volgens de H. Schrift is de gansche wereld eene schepping en dus
ook eene openbaring Gods; er is in absoluten zin niets atheistisch.
En dit getuigenis der Schrift wordt van alle zijden bevestigd. Er is
geen atheistische wereld, er zijn geen atheistische volken, er zijn
ook geen atheistische menschen. De wereld kan niet als ἀθεος worden
gedacht, wijl ze dan niet het werk Gods kon zijn maar de schepping van
een ἀντιθεος moest wezen. En nu heeft het dualisme, dat in religie
en philosophie telkens is opgetreden, in de stof wel een daemonisch
principe aanschouwd, maar in de wereld toch altijd eene verbinding van
idee en stof, een strijd van licht en duisternis erkend. Er is niemand,
die in volstrekten zin en consequent de kenbaarheid Gods, en dus Zijne
openbaring in de wereld geheel en al loochenen kan. Het agnosticisme is
zelf daarvoor ten bewijze, evenals het scepticisme zich niet handhaven
kan dan met behulp van wat het bestrijdt. En juist daarom, wijl de
wereld niet ἀθεος te denken is, daarom zijn er ook geen atheistische en
godsdienstlooze volken. Wel is dit door Socinus, Tract. Theol. c. 2,
de auctor. Script. c. 2, Locke, Essay on human understanding I ch. 4
§ 8, en door velen in deze eeuw, b. v. Büchner, Kraft u. Stoff¹⁶ 380
f., Darwin, Afst. des menschen 1884 I 127, beweerd. Maar dit gevoelen
is genoegzaam weerlegd en thans schier algemeen prijs gegeven, Moor,
Comm. I 57. M. Vitringa, Comm. I 16. Flint, Antitheïstic theories,
3 ed. p. 250-289, 519-532. Peschel, Völkerkunde S 260. Zöckler, Das
Kreuz Christi 1875 S. 417 f. De bekende uitspraak van Cicero, dat er
geen volk zoo barbaarsch is of het gelooft aan de goden, is eeuw aan
eeuw bevestigd. Dit feit is van groote beteekenis. Datgene, waarin
alle menschen krachtens hunne natuur overeenstemmen, kan niet valsch
zijn, Cic. de nat. deor. I 17. Opinionum enim commenta delet dies,
naturae judicia confirmat, ib. II 2. En zoo zijn er ten slotte ook geen
atheistische menschen. Er is niet zoozeer verschil over het bestaan
als wel over het wezen Gods. Wel is er een practisch atheïsme, een
leven zonder God in de wereld, Ps. 14:1, 53:2, Ef. 2:12. Maar het
bewuste theoretische atheisme in absoluten zin is zeldzaam, indien
het ooit voorkomt. Het woord atheisme is echter dikwerf in relatieven
zin gebezigd, niet als loochening van de Godheid überhaupt, maar van
eene bepaalde Godheid. De Grieken klaagden Socrates van atheisme
aan, Xenophon, Memor. I 1. Cicero rekende Protagoras, Prodicus tot
de atheisten, wijl zij de volksgoden loochenden, de nat. deor. I 42.
De Christenen werden daarom menigmaal door de Heidenen van atheisme
beschuldigd, Suicerus s. v. ἀθεος. En de Christenen bezigden op hunne
beurt dien naam voor wie den God der openbaring loochenden, ib. De
Roomschen hebben Luther, Melanchton, Calvijn soms tot de atheisten
gerekend, Buddeus, de Atheismo 1747 p. 116 sq. In den nieuweren tijd
werd J. G. Fichte openlijk van atheisme aangeklaagd, wijl hij de zedelijke
wereldorde zelve voor God hield. En nog wordt de naam van atheist
wel gegeven aan hen, die geen andere macht kennen dan de stof, zooals
Feuerbach, Strauss, Büchner, Haeckel, Czolbe, Dühring, cf. A. Drews,
Die deutsche Spekulation seit Kant II 235 f. En inderdaad, als de
materialisten niets anders erkennen dan stof en wisseling der stof, dan
zijn ze atheisten en willen daar zelf voor gehouden worden. Maar dit
komt bijna nooit voor. In absoluten zin genomen, als loochening van eene
absolute macht, dan is het atheisme bijna ondenkbaar. Allen erkennen
ten slotte weer eene macht, die als God wordt vereerd. Strauss vraagt
voor zijn universum eene piëteit, als de geloovige voor zijn God, Der
alte u. d. neue Gl². 141 f. Het atheisme en materialisme slaat telkens
in pantheisme om, Büchner, Kraft u. Stoff¹⁶ 3, 70, 71 f., Haeckel,
Nat. Schöpfungsgesch. 20, 32, 64 Id. Der Monismus als Band zw. Rel.
u. Wiss. 1893. Dat komt, omdat de mensch aan de erkenning van eene
hoogste macht zich niet kan onttrekken. Op hetzelfde oogenblik dat hij
den waren God loochent, versiert hij zich een valschen God. De religie
zit daartoe te diep in ’s menschen natuur en de openbaring Gods spreekt
te luide. Zelfs als in sommige tijden het religieuse indifferentisme en
scepticisme diep en ver om zich heen grijpt, zooals b. v. in de eeuw
van Pericles, van keizer Augustus, van de Renaissance, en ook in deze
eeuw, dan komt toch altijd de godsdienst weer boven. Veeleer grijpt de
mensch het grofste bijgeloof aan, dan dat hij op den duur bij het naakte,
koude ongeloof het uithouden kan. Maar we kunnen zelfs verder gaan.
Niet alleen komt het atheisme in absoluten zin bijna nimmer voor, maar
zelfs in dien zin is het zeldzaam, dat het een persoonlijk God zou
loochenen, die aanspraak heeft op onze vereering. Het naturalisme, het
hylozoïsme, het pantheisme zijn zonder twijfel richtingen, die telkens
zich voordoen. Maar het zijn richtingen, niet zoozeer op godsdienstig
als wel op wijsgeerig gebied. Ze zijn nooit van zelf, spontaan opgekomen,
maar danken haar ontstaan aan kritiek op de religieuse voorstellingen
bij anderen. Ze zijn niet dogmatisch maar kritisch; en ze dienen daarom
altijd maar voor een tijd en in een beperkten kring. Een volk, eene
maatschappij, eene kerk, eene gemeente van zulke naturalisten en
pantheisten is ondenkbaar en onbestaanbaar; de pantheïsten erkennen
dit zelf, de godsdienstige voorstelling is voor den minderen man
noodzakelijk, maar alleen de wijsgeer verheft zich tot het zuivere
begrip. Daaruit volgt, dat het geloof aan een persoonlijk God natuurlijk
en normaal is; het komt overal vanzelf en bij alle menschen op. Maar het
atheisme, zelfs als loochening van een persoonlijk God, is uitzondering.
Het is wijsbegeerte, geen godsdienst. Er ligt waarheid in het scherpe
woord van Schopenhauer: ein unpersönlicher Gott ist gar kein Gott,
sondern bloss ein missbrauchtes Wort, ein Unbegriff, eine contradictio
in adjecto, ein Shiboleth für Philosophieprofessoren, welche, nachdem
sie die Sache haben aufgeben mussen, mit dem Worte durchzuschleichen
bemüht sind, Par. u. Parel. I⁵ 123. cf. Welt als Wille u. Vorst.
II⁶ 398, 406, 739. Daarom is er ook een zekere wil noodig, om niet
aan een God, aan een persoonlijk God, te gelooven. Deum non esse non
credit, nisi cui Deum non esse expedit. Er zijn geen athei, die vast
en zeker, tot den marteldood toe, van hun ongeloof overtuigd zijn. Wijl
het abnormaal en onnatuurlijk is, niet op de onmiddellijke beseffen
maar op middellijke bewijzen en feilbare redeneeringen steunt, daarom
is het nooit zeker van zijne zaak. De bewijzen voor het bestaan van een
persoonlijk God mogen zwak zijn, ze zijn altijd nog sterker dan die voor de
loochening. Te bewijzen, dat er geen God is, is zelfs onmogelijk; daartoe
zou men alwetend en alomtegenwoordig, d. i. zelf God moeten zijn, cf.
Voetius, de atheismo, Disp. I 114-225. G. J. Vossius, de origine et
progressu idol. I c. 3. Leydecker, Fax Veritatis III controv. 3.
Turretinus, Theol. El. III qu. 2. Maresius, Syst. Theol. 1673 p. 44.
Buddeus, Theses theol. de atheismo et superst., ed. Lulofs L. B. 1747.
Hodge, Syst. Theol. I 198, 242. Flint, Antith. theories³, lecture I,
Hoekstra, Des Christens godsvrucht bl. 6. Doedes, Inl. tot de leer v.
God. 57v.
2. Deze natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid van religie
en Godskennis heeft reeds vroeg tot de gedachte geleid, dat deze den
mensch van nature was ingeschapen en aangeboren. Het feit ligt er toch,
dat alle menschen van de prilste jeugd af bewustzijn hebben niet alleen
van eene physische maar ook van eene psychische, geestelijke, onzienlijke
wereld. Waar en valsch, goed en kwaad, recht en onrecht, schoon en
leelijk zijn wel geen weeg- en meetbare grootheden en kunnen niet
waargenomen worden met de vijf zintuigen, maar ze zijn eene werkelijkheid,
die voor ons bewustzijn nog veel vaster staat dan die van stof en
van kracht. Het materialisme moge alleen rekenen met zwaartekracht
en warmte en electriciteit; maar geloof en hoop en liefde zijn nog
gansch andere krachten, die de menschheid hebben beheerscht en voor
het wegzinken in bestialiteit hebben behoed. Augustinus heeft terecht
gezegd, dat de waarheid der geestelijke dingen eigenlijk veel zekerder
en vaster is dan die van de zienlijke. Nihil absurdius dici potest,
quam ea esse quae oculis videmus, ea vero non esse quae intelligentia
cernimus, cum dubitare dementis sit intelligentiam incomparabiliter
oculis anteferri, de immort. an. c. 10 n. 17. de civ. XIX c. 18. De
waarheden der mathesis, der logika, de grondbeginselen van ethiek,
recht, religie staan voor allen ontwijfelbaar vast. Zij dragen een
karakter van natuurlijkheid, algemeenheid en noodzakelijkheid, dat door
niemand kan worden ontkend. Zij schijnen als ideae innatae in ’s menschen
natuur besloten, met zijne geboorte gegeven te zijn.
De leer der aangeboren begrippen wortelt reeds in de Grieksche
philosophie. Daar maakte het een groot probleem voor het denken uit,
hoe leeren toch mogelijk is. Want een van beide scheen toch het geval
te zijn: òf wij weten iets al en dan kunnen wij het niet meer leeren, òf
wij weten het niet, maar hoe is het dan te verklaren dat wij er naar
streven, om het te leeren, Zeller, Philos. d. Gr. I⁴ 996, II⁴ 823, III
189. Plato loste dit probleem op door zijne leer van de herinnering;
de ziel had voor hare verbinding met het lichaam de ideeën in al hare
schoonheid aanschouwd en de beelden daarvan diep in haar geheugen
bewaard. Hij bewees dit vooral met de wiskunde, die wij geheel uit onzen
geest kunnen opbouwen zonder hulp der zinnelijke waarneming, maar meende
overigens dat alle leeren de praeexistentie der ziel onderstelde,
Zeller, ib. II⁴ 639, 643 f. 823 f. Aristoteles achtte wel de zinnelijke
waarneming den weg tot kennis, maar oordeelde toch, dat de rede
potentieel eenige hoogste, algemeene beginselen meebracht, die door
zichzelve vaststaan, aan alle bewijzen ten grondslag liggen en door
allen worden erkend, ib. III 188 f. De Stoicijnen spraken van κοιναι
ἐννοιαι, φυσικαι ἐννοιαι, ἐμφυτοι προληψεις, d. i. zulke begrippen,
welke krachtens de natuur van ons denken door allen uit de waarneming
worden afgeleid, ib. IV³ 74 f. 389 f. Bij al deze wijsgeeren is er van
aangeboren ideeën in strikten zin nog geen sprake. Plato beperkt de
herinnering niet tot enkele aangeboren begrippen maar breidt ze tot
alle kennis uit; en Aristoteles en anderen spreken wel van algemeene
beginselen maar leeren uitdrukkelijk dat deze niet als ideeën met de
geboorte gegeven zijn maar bepaaldelijk door middel van waarneming en
denken gevonden worden, maar zoo, dat elk normaal mensch ze dan ook
vinden moet. In eigenlijken zin komt de leer der aangeboren begrippen
eerst bij Cicero voor. Hij spreekt van notiones impressae, cogitationes
insitae, innatae en neemt een weten aan van allerlei waarheden voor
alle ervaring en onderzoek. Er zijn volgens hem semina innata virtutum,
Tusc. III 1, 2, notitiae parvae rerum maximarum, die de natuur sine
doctrina in onze ziel plantte, de fin. V 21, 59, een aangeboren
Godskennis, Deos esse natura opinamur, Tusc. I 16, 36. Nat. D. I 1, 2
enz. Zeller, IV³ 659 f.
3. In de nieuwere philosophie werd de leer der ideae innatae
voorgedragen door Cartesius, die ook het eerst dezen term gebruikte
en idee dus in een tot dien tijd toe ongewonen zin ging bezigen. Bij
Cartesius hing deze leer samen met zijn dualisme tusschen ziel en
lichaam. De cognitio intellectualis is niet uit de zinlijke waarneming
af te leiden; deze geeft alleen de occasio, waarbij onze geest per
innatam facultatem de voorstellingen en begrippen vormt, Renati
Descartes, Notae p. 185. De cognitio komt uit een eigen beginsel,
d. i. uit ideae innatae, voort. Onder die ideae innatae is die van God
de voornaamste, welke als het ware is eene nota artificis, operi suo
impressa. Medit. tertia p. 24. Maar het aangeboren zijn dier ideeën
vat hij zoo op, dat de ziel van nature de kracht, de facultas, de
dispositio bezit, om ze uit zichzelve voort te brengen. De ideeën zijn
dus niet actueel maar potentieel in onzen geest, Object. et Respons.
p. 102, Notae p. 184, 185. Ook volgens Leibniz komen de noodzakelijke
en algemeene waarheden niet van buiten tot ons, maar zij komen uit
onszelven voort, zooals bijv. die van substantie, duur, verandering,
oorzaak, de mathematische waarheden en vooral ook de Godsidee.
Samen vormen deze waarheden het natuurlijk licht der rede. Maar het
aangeboren zijn dier waarheden wordt door Leibniz breedvoeriger en
duidelijker verklaard dan door Cartesius. Deze zeide alleen, dat die
ideeën potentieel in onzen geest waren. Leibniz echter zegt, dat ze
virtualiter zijn aangeboren, comme des inclinations, des dispositions,
des habitudes ou des virtualités naturelles et non pas comme des
actions. De geest des menschen heeft maar niet de vatbaarheid om ze te
kennen, want dan kon alle kennis aangeboren heeten, maar hij is de bron
dier waarheden, hij kan ze uit zichzelf te voorschijn brengen, les tirer
lui-même de son fond. De ideeën liggen dus als ’t ware gepraeformeerd
in ’s menschen ziel. En dit is mogelijk, wijl er een voorstellen en
denken is zonder bewustheid. Tot bewustheid komen ze, als de zinlijke
waarneming er aanleiding toe geeft. Deze brengt de virtueel in ons
aanwezige ideeën ook actueel in onzen geest, cf. Spruijt, Proeve van
de leer der aangeb. begrippen 144, Stöckl, Gesch. d. n. Phil. I 426,
Malebranche meende het leeren en weten bij den mensch niet anders te
kunnen verklaren dan door de onderstelling, dat wij de ideeën in God
zien en dat God dus als het algemeene en oneindige zijn in ons verstand
onmiddellijk present is. Op zijn voetspoor leerde het ontologisme van
Gioberti, Gratry, Ubaghs e. a. dat wij God in onzen geest onmiddellijk
aanschouwen als het absolute zijn en dat er dus eene intuitieve kennis
van God in den mensch aanwezig is, Stöckl, Gesch. d. neuern Philos.
II 568 f. 620 f. Door Kant werd deze leer der aangeboren begrippen
belangrijk gewijzigd. In aansluiting aan de terminologie van Wolff sprak
hij van kennis apriori en aposteriori, en leerde nu geen aangeboren
begrippen maar wel aangeboren vormen, nl. vormen der aanschouwing,
d. i. ruimte en tijd, vormen des verstands, d. i. kategorieën, en vormen
der rede, d. i. de ideeën God, deugd en onsterfelijkheid. Het idealisme
van Fichte en Hegel dreef deze leer zoo op de spits, dat zij niet alleen
de kennis der noodzakelijke en algemeene waarheden, maar alle kennis,
en zelfs alle zijn, heel de stoffelijke wereld construeerden uit het
denken. De gronden, waarop deze leer der ideae innatae voornamelijk
steunt, zijn deze: Het leeren, het kunnen leeren, onderstelt dat
hetgeen geleerd wordt reeds op eenige wijze in onzen geest aanwezig is.
De redeneering en het bewijs zijn gebouwd op principia, die per se en
apriori moeten vaststaan. De ervaring geeft alleen δοξα, toevallige
waarheden; algemeene en noodzakelijke waarheden kunnen alleen uit
den geest des menschen zelf voortkomen. Dat er zulke algemeene en
noodzakelijke waarheden zijn, wordt bewezen door den consensus gentium.
En bovenal is de tegenstelling tusschen ziel en lichaam van dien
aard, dat voorstellingen en begrippen niet in de zinlijke waarneming
hun oorsprong kunnen hebben; zij moeten of uit den geest des menschen
worden verklaard of uit den Geest Gods, in wien de mensch alle ideeën
aanschouwt. Daarentegen werd de leer der aangeboren begrippen bestreden
door de Socinianen, die de natuurlijke religie verwierpen, Fock, Der
Socin. 307 f., cf. ook Episcopius, Inst. theol. I c. 3, Locke, Essay
concerning human understanding I ch. 2-4, Hobbes, de cive c. 14 n. 19
enz. Zij beriepen zich op de volgende overwegingen: De leer der ideae
innatae is volkomen overbodig, omdat het ontstaan dier ideeën ook langs
anderen weg zich goed laat verklaren. De geschiedenis leert, dat geen
enkele voorstelling en geen enkel begrip bij alle menschen en volken
gelijk is. Zelfs aangeboren zedelijke beginselen zijn er niet; over goed
en kwaad heerscht het grootst mogelijke verschil; en het Godsbegrip is
zoo weinig aangeboren, dat er zelfs atheistische menschen en volken
bestaan. Kinderen, idioten, krankzinnigen weten dan ook van zulke
aangeboren begrippen niets af. Alle kennis stamt bij den mensch uit
de zinlijke waarneming; nihil est in intellectu quod non prius fuerit
in sensu. Deze bestrijding van de ideae innatae maakte in Engeland en
Frankrijk in de vorige eeuw veel opgang. Het materialisme van deze eeuw
sloot er zich bij aan. De leer der aangeboren begrippen is algemeen
prijsgegeven en vervangen door de theorie van de overerving der
eigenschappen, Darwin, Afst. v. d. mensch, hoofdst. 3, 4. Spencer, bij
Spruyt Proeve 342. Büchner, Kraft u. Stoff¹⁶ S. 344 f.
4. Van belang is het te weten, welke houding de christelijke theologie
tegenover deze leer der ideae innatae heeft aangenomen. Prof. Spruyt
vindt het vreemd, dat de scholastieken zich met zeldzame eenstemmigheid
tegen die leer hebben verklaard, en vermoedt dat daarvoor eene
theologische reden heeft bestaan, die hij echter niet aangeven kan,
Proeve bl. 60. Dit is inderdaad het geval en zal in het vervolg
duidelijk worden. Ofschoon de christelijke theologie algemeen aannam,
dat er waarheden waren, niet door openbaring maar van nature bekend,
en niet door opzettelijk onderzoek en nadenken maar als het ware
onwillekeurig verkregen, heeft ze toch de leer der aangeboren begrippen
beslist verworpen. Wel beriepen de voorstanders van de ideae innatae
in lateren tijd, zooals Thomassinus, Theol. dogm. I c. 4, Staudenmaier,
Chr. Dogm. II 57 f. Kuhn, Gotteslehre 2te Aufl. 542 f., Klee, Dogm.
II 1-4 en de ontologisten zooals Malebranche, Gioberti, Ubaghs enz.
zich op sommige kerkvaders, maar ten onrechte. Justinus Martyr, Apol.
II 6 spreekt wel van de Godsidee als eene πραγματος δυσεξηγητου
ἐμφυτος τῃ φυσει των ἀνθρωπων δοξα, maar zegt verder niet, hoe hij
dit ἐμφυτος bedoelt. Irenaeus, adv. haer. II 1 sq. betoogt wel tegen
de Gnostieken, dat de wereld door God is geschapen en Hem openbaart
en kennen doet maar gewaagt niet van eene cognitio innata. Clemens
Alexandrinus zegt ook, dat de Vader en Schepper aller dingen door allen
van nature en zonder onderricht, ἐμφυτως και ἀδιδακτως wordt gekend,
maar hij verklaart zelf meermalen, dat die kennis uit de beschouwing van
Gods werken verkregen wordt, Strom. V 13. 14. Tertullianus legt zeer
sterken nadruk op de natuurlijke Godskennis. Alle menschen roepen in
weerwil van hun afgodendienst in gevaar en nood den éénen God aan. En
dit hebben zij niet van Mozes of de Profeten geleerd, maar hun eigene
ziel onderwees hen daarin. Animae enim a primordio conscientia Dei dos
est. Deze is onder alle volken gelijk, adv. Marc. 10. De ziel is van
nature christin, Apol. 17. Daarmede bedoelt Tertullianus niets anders,
dan dat sommige waarheden, zooals die van het bestaan en de eenheid
Gods, niet eerst door bijzondere openbaring maar van nature bekend zijn:
quaedam enim et natura nota sunt, ut immortalitas animae penes plures,
ut Deus noster penes omnes, de resurr. 3. Met meer recht beroept men
zich op Augustinus, die in veel opzichten onder Plato’s invloed stond
en dit zelf ook erkent, de beata vita 4. Inderdaad hecht hij veel meer
waarde aan het denken dan aan de zinnelijke waarneming. De zintuigen
nemen slechts veranderlijke dingen waar, maar de rede, ofschoon in
ieder mensch onderscheiden, ziet en kent algemeene, noodzakelijke,
onveranderlijke waarheden. En dat is alleen daardoor te verklaren,
dat de rede van ieder mensch die algemeene waarheden ziet in de ééne
algemeene rede, de ééne onveranderlijke waarheid, welke God zelf is. En
zoo verklaart Augustinus dan telkens, dat wij, evenals we de zinnelijke
voorwerpen zien door het licht der zon, zoo de intelligibele waarheden
aanschouwen in ’t licht Gods, de civ. VIII 7, de trin. XII 15. Hij is
ons meer nabij dan de schepselen en gemakkelijker te vinden dan deze,
de Gen. ad litt. V 16. Hij is de veritas super omnia praesidens, Conf.
X 41. Zelfs zegt hij, Deus et Dominus rerum omnium humanis mentibus,
nulla natura interposita, praesidet, de musica VI 1. Hieruit blijkt
duidelijk, dat Augustinus het veel beter en lichter acht, om door het
indenken van de eeuwige waarheden tot God op te klimmen dan door de
beschouwing der uitwendige natuur. Maar er mag toch niet uit afgeleid
worden, dat de ziel des menschen hier op aarde reeds God rechtstreeks
en onmiddellijk aanschouwen zou en dan op deze wijze tot de kennis der
eeuwige waarheden zou komen. Want hij zegt elders duidelijk, dat de visio
Dei voor den hemel is weggelegd, de trin. II 17, dat ons hier op aarde
de cognitio vespertina is toebedeeld, de Gen. ad litt. IV 32, dat de
eeuwige waarheden, die de mensch erkent, van God als de waarheid zelve
te onderscheiden zijn, de lib. arb. II 13, Solil. I 5, dat de mensch
allengs van de beschouwing der natuur, van de kennis der rede en haar
wetten tot God opklimt, Conf. VII 10. de lib. arb. II c. 3-13 Cf.
Kleutgen, Philos. der Vorzeit, I² 756 f. Schwane, D. G. II² 54-67,
Gangauf, Aug. Lehre v. Gott dem Dreieinigen 1883 S. 137 f. Spruyt,
Proeve 43-57. De mystiek had echter in Augustinus een machtigen steun,
en zij leerde dat de mensch oorspronkelijk behalve een oculus carnis
en een oculus rationis ook nog een oculus contemplationis ontvangen
had, hetwelk, door de genade hersteld, God hier reeds bij oogenblikken
en in de heerlijkheid volmaakt aanschouwen zou, Bonaventura, Brevil.
II c. 12. Door Bonaventura wordt dan ook de stelling bestreden, dat
omnis cognitio sit a sensu; de ziel kent God en zichzelve zonder hulp
der zintuigen, Sent. II dist. 39 art. 1 qu. 2. Toch blijft de mystiek
bij Bonaventura, schoon op dit punt van Thomas afwijkende, binnen de
grenzen. Quamvis Deus sit praesens, tamen propter caecitatem et
caliginem intellectus nostri, in qua sumus, ipsum cognoscimus ut
absentem, Sent. II dist. 10 art. 1 qu. 1. De aanschouwing Gods is
niet gegeven aan ieder mensch, maar is alleen eene gave der genade,
welke een Paulus daartoe opheffen kan, Sent. II dist. 23 art. 2 qu.
3. En zelfs wat de kennis der prima principia betreft, deze heet bij
Bonaventura wel aangeboren, maar hij verklaart daarbij, quia lumen illud
sufficit ad illa cognoscenda post receptionem specierum sine aliqua
persuasione superaddita propter sui evidentiam.... Naturale enim habeo
lumen, quod sufficit ad cognoscendum quod parentes sunt honorandi,
et quod proximi non sunt laedendi, non tamen habeo naturaliter mihi
impressam speciem patris vel speciem proximi, Sent. II dist. 39 art. 1
qu. 2. Hoewel Bonaventura dus ook aanneemt, dat er waarheden zijn, die
we niet door de zinnelijke waarneming bekomen maar door de inwendige
aanschouwing en door de gemeenschap met God, toch is er ook bij hem van
aangeboren ideeën in eigenlijken zin geen sprake, cf. de Freiburgsche
editie van het Breviloquium, 1881 p. 79 sq. 148 sq. Schwane, D. G.
III 111 f. Sanseverino, Philos. Christ. Neap. III art. 41. Heel de
scholastiek verwierp eenstemmig de leer der aangeboren begrippen.
Zij leerde in onderscheiding daarvan, dat het wezen der dingen het
eigenlijk object der intellectueele kennis is. Alle kennis begint met
de zinlijke waarneming. Maar als deze de dingen ziet, dan heeft het
verstand de geschiktheid, om daaruit het algemeene te abstraheeren en
wel allereerst de zoogenaamde aangeboren begrippen. Deze worden dus
niet kant en klaar door den intellectus meegebracht maar overeenkomstig
zijne natuur uit de waarneming der zinlijke dingen geabstraheerd. Dat
geldt ook van de idee Gods. God is niet de substantie der dingen maar
hun causa, en daarom kan Hij uit zijne werken door waarneming en denken
eenigermate worden gekend in zijn bestaan en in zijne deugden. Aangeboren
kennis is er slechts in zooverre, als aan ons verstand een natuurlijke
habitus is ingeschapen, om uit het eindige tot het oneindige, uit
het bijzondere tot het algemeene op te klimmen, cf. deel I 158 v., en
voorts Thomas, S. Theol. I qu. 2 art. 1, c. Gent. I c. 10, 11. Theol.
Wirceb. III 5 sq. C. Pesch, Theol. dogm. II 10-13, Kleutgen, Philos.
der Vorzeit I² 67 f. 587 f., Beilagen, 3tes Heft S. 3-47, Denzinger,
Vier Bücher v. d. relig. Erk. II 28 f. Het ontologisme van Gioberti en
Ubaghs werd 18 Sept. 1861 en 21 Sept. 1866 te Rome veroordeeld.
5. Bij de Lutherschen kon het goede en ware element, dat er in de leer
der aangeboren begrippen lag opgesloten, niet tot zijn recht komen. De
theologia naturalis, zoo insita als acquisita, vond weinig genade bij
hen, cf. reeds deel I 222. Door de bestrijding der scholastieke leer,
naturalia adhuc esse integra, liet Luther zich tot een tegenovergesteld
uiterste verleiden. Het beeld Gods was geheel verloren. Ratio sine
Spiritu Sancto est simpliciter sine cognitione Dei. Homo in rebus
divinis nihil habet quam tenebras. Eigenlijk is den mensch alleen
overgebleven de aptitudo passiva, d. i. de mogelijkheid om gered te
worden. Overigens is zijn verstand, wil, genegenheid alleen tot de
civilia beperkt; in het geestelijke is hij geheel blind en dood. Wel
erkent Luther, dat God zich nog in zijne werken openbaart, de schepping
is eene Larve Gottes; maar de mensch kent Hem daaruit niet meer. Zelfs
gaat Luther soms zoo ver, dat hij de zonde essentia hominis noemt, en
dat de mensch nihil quam peccatum is; uitdrukkingen, die men zeker niet
onbillijk mag persen en drukken, maar die toch voor zijne beschouwing
van de cognitio Dei insita en acquisita van beteekenis zijn, Köstlin,
Luthers Theol. II 244 f. 287 f. 367 f. Hetzelfde negatieve standpunt
wordt ingenomen door de Luthersche symbolen, ed. Müller⁵ 522, 585,
589, 594; en sommige theologen zooals Flacius en Chemniz gingen zoo
ver, dat ze heel de cognitio Dei naturalis verwierpen, Zöckler, Theol.
Natur. 1860 S. 64. Maar weldra kwam men toch van deze eenzijdigheid
terug. Luther zelf sprak dikwerf anders, en zag en prees in de natuur
een werk Gods, Zöckler, ib. 60 f. Melanchton leerde eene cognitio Dei
zoowel insita als acquisita; er zijn sporen van God in al zijne werken,
maar deze zouden onvoldoende zijn, nisi etiam insita esset menti quaedam
notitia seu προληψις de Deo, Corpus Ref. XIII 137 sq. En dit voorbeeld
wordt door de latere theologen gevolgd. Gerhard, Loci Theol. Prooemium
§ 17, Loc. II c. 4, Quenstedt, Theol. did. polem. I 250 sq., Hollaz,
Exam. Theol. p. 187 sq., Calovius, Isag. ad S. Theol. c. 4, Buddeus,
de atheismo 1767 p. 225 sq. enz. bespreken de theologia naturalis
en verdedigen haar uitdrukkelijk tegen de Socinianen. Later werd ze
zelfs door sommigen, zooals Jaeger e. a., afzonderlijk behandeld. De
cognitio Dei insita werd nu door de Luthersche theologen verschillend
omschreven, als een facultas of dispositio of habitus of perfectio of
lumen congenitum et habitui analogum. Maar hierover waren allen het
eens, dat zij niet bestond in een species impressa, welke reeds voor
alle gebruik der rede in den mensch aanwezig zou zijn, Hollaz 189,
Quenstedt 253, Calovius 77. Daarom werd Cartesius’ leer van de ideae
innatae verworpen, Hollaz 195, en evenzoo de mystieke leer van het
inwendig licht en van de contemplatie, ib. 198-220. En daartegenover
werd dan de theologia insita opgevat als eene den intellectus humanus
ingeplante, natuurlijke geschiktheid en geneigdheid, om sine discursu
et mentis ratiocinatione tot kennisse Gods te komen en aan deze een
ongetwijfeld, vast en zeker getuigenis te geven, Hollaz 188-190,
Quenstedt 253. Ante sensualem perceptionem nihil est in intellectu,
quoad idealem rerum repraesentationem, est tamen aliquid in intellectu,
quoad notitiam habitualem, Hollaz, Ex. theol. 193. Quenstedt, Theol.
did. pol. I 260.
De Gereformeerden namen van den aanvang af tegenover de theologia
naturalis eene vriendelijker houding aan. Calvijn onderscheidde tusschen
eene algemeene en bijzondere genade en verklaarde uit de eerste alle
goeds, dat ook in den zondigen mensch nog is overgebleven, cf. mijne
rede over De Algem. Genade bl. 27 v. Bepaaldelijk nam hij ook aan,
dat den menschelijken geest een sensus divinitatis was ingeplant, en
wel naturali instinctu. God heeft numinis sui intelligentiam allen
ingeplant, cujus memoriam assidue renovans, novas subinde guttas
instillat, Inst. I 3, 1. Hij noemt dit ook semen religionis, en
verklaart daaruit de algemeenheid der religie, ib. De overtuiging,
dat er een God is, is naturaliter ingenita; ze kan nooit worden
uitgeroeid, I 3, 3. Maar toch wordt er nauwelijks een op de honderd
gevonden, qui conceptum in suo corde foveat, nullus autem in quo
maturescat, I, 4, 1. En bij dat semen religionis komt nu de openbaring
Gods in zijne werken, zoodat aperire oculos nequeant quin aspicere
eum cogantur, I 5, 1. Er is geen stukske der wereld, nulla mundi
particula, in qua non scintillae saltem aliquae gloriae ipsius emicare
cernantur, I 5, 1. Allereerst is de mensch zelf als mikrokosmos eene
officina innumeris Dei operibus nobilis, I 5, 3, 4, maar dan voorts
heel de natuur, die vromelijk zelfs God genoemd worden kan, 1 5, 5.
Cf. II, 2, 18 en comm. op Ps. 8; 19; Hd. 17:27, 28. Rom. 1:19. Hebr.
11:3. En zoo spreken alle Geref. symbolen en theologen. Ursinus,
Tract. Theol. 1584 zegt, dat God zich aan den mensch openbaart cum
notitiis de se menti hominum impressis, tum creaturis omnibus tanquam
speculis et documentis suae divinitatis propositis p. 35, en onder
de notitiae nobiscum nascentes rekent hij ook den sensus, dat er een
God is, gelijk de algemeenheid der religie bewijst, p. 39. Zanchius,
Op. III 636 sq. verwerpt beide Plato en Aristoteles en leert met de
Stoa en Cicero, dat de κοιναι ἐννοιαι nobiscum nasci, non autem usu
comparari; kinderen weten terstond, dat drie meer is dan twee, dat er
onderscheid is van goed en kwaad enz. Polanus, Synt. Theol. p. 325
verstaat onder de recta ratio de vera notitia voluntatis et operum
Dei, ut et ordinis judiciique divini, a Deo menti humanae inscripta;
wier auteur de Logos is, wier forma en norma de principia naturalia
zijn, en die door de beschouwing van Gods werken vermeerderd wordt; cf.
verder P. Martyr, Loci Comm. p. 2 sq. Maresius, Syst. theol. p. 41.
H. Alting, Theol. elenctica 1654 p. 2 sq. Leydecker, Fax Verit. Loc.
3 contr. 1. Alsted, Theol. polem. 1620 p. 185-187. Turretinus, Theol.
El. I qu. 3 n. 2. Moor, Comm. I 41 enz. En toch werd, in weerwil dat
de theologia insita zoo krachtig werd bepleit, Cartesius’ leer van
de ideae innatae door Voetius beslist verworpen, Disp. V 477-525. Hij
beschuldigt Cartesius vooral van drie dingen, dat hij het woord idea
in een ongewonen zin bezigt en alzoo vervalscht; dat hij niet duidelijk
zegt, wat onder die idea Dei innata moet worden verstaan, of ze behoort
tot de theologia insita of acquisita, of ze een facultas of actus, een
ens reale of ens intentionale is enz.; en dat hij de kennis, die door
de zintuigen ons toekomt, van haar waarde en zekerheid berooft. In
welken zin de theologia insita dan te verstaan zij, wordt door Voetius
klaar omschreven. Zij is eene facultas seu vis seu aptitudo facultatum
rationalium, seu lumen naturale in eo, quod intellectus veritatem
principiorum potest sine ullo labore, praevio studio aut ratiocinatione
comprehendere, et positis ponendis (cognitione scil. terminorum) de
facto sic comprehendit, ex naturali quadam necessitate et insito sibi
pondere in hunc veritatis sensum atque assensum dilatus et inclinans;
op dezelfde wijze, als de wil door eene natuurlijke geaardheid het goede
najaagt en het oog vanzelf het licht en het zichtbare aanschouwt,
Disp. I 141 cf. V 516, 525. De bekende spreuk: nihil est in intellectu
quod non prius fuerit in sensu wordt dan ook in zoover als waarheid
erkend, dat de wereld om ons heen op de eene of de andere zijde, als
rechtstreeksch object of als product of als deel of als tegenstelling
enz. noodzakelijk is, om ons tot bewuste kennis te brengen, ib. V 525.