Tijding van het riddergoed, dat Anselmus als schoonzoon van
Archivaris Lindhorst betrok en hoe hij daar met Serpentina leeft.
Besluit.
"O, hoe ik in het diepst van mijn gemoedsinnerlijk het hooge geluk
medegevoelde van den student Anselmus, die in innigste verbintenis met
de beminnelijke Serpentina, thans was heengegaan naar het van geheimenis
vervulde, wonderlijke rijk, dat hij als het vaderland herkende, waarnaar
zijn van vreemde voorgevoelens overvolle borst zoo lang reeds had
gesmacht. Maar alle streven, om u, goedgunstige lezer, de prachten,
waardoor Anselmus omgeven was, ook maar flauw in woorden af te beelden,
bleef tevergeefs. Met weerzin onderging ik de matheid van elk beeldend
woord. Ik gevoelde mij bekneld in de armoede van het kleinzielig
gewoonteleven, ik werd krank van kwellende misnoegdheid, als één die
droomt sloop ik rond. Kortom, ik geraakte in den toestand van den
student Anselmus, dien ik u, genegen lezer, in de vierde nachtwaak
beschreef. Ik verkniesde mij, als ik de elf nachtwaken, die ik zonder
ongeval ter wereld gebracht had, doorliep en daarbij dacht, dat het mij
wel nooit vergund zou zijn, er de twaalfde als sluitsteen aan toe te
voegen, want zoo dikwijls ik mij ter nachttijd nederzette, om het werk
te voltooien, was het, als hielden bijzonder boosaardige geesten
(wellicht waren het verwanten -- misschien wel germain-neven van de
gedoode heks) mij een blinkend gepolijst stuk metaal voor, waarin ik
mijn Zelf zag, mat, nachtbleek en melancholiek, gelijk de griffier
Heerbrand na den punch-roes. -- Dan wierp ik de pen maar neder en ging
haastig te bed, om tenminste van den gelukkigen Anselmus en de
bekoorlijke Serpentina te droomen. Dit had reeds verscheidene dagen en
nachten geduurd, toen ik eindelijk geheel onverwachts een mededeeling
van archivaris Lindhorst ontving, waarin hij mij het volgende schreef:
""Gij hebt, weledelgeboren Heer, zooals mij is bekend geworden, de
vreemde ervaringen van mijn beminden schoonzoon, den voormaligen
student, thans dichter Anselmus, in elf nachtwaken beschreven en
kwelt u er thans zeer mede, om in de twaalfde en laatste nachtwaak
iets van zijn gelukkige leven in Atlantis te verhalen, waarheen hij
met mijn dochter, naar het aardige riddergoed, dat ik daar bezit,
is vertrokken. Ofschoon het mij niet zoo aangenaam is, dat gij mijn
eigenlijke wezen voor de lezerswereld hebt opengelegd, daar mij dit
misschien in mijn betrekking als geheim-archivaris aan duizenderlei
onaangenaamheden zal blootstellen en zelfs in de corporatie wel tot
de strijdvraag aanleiding zal geven: in hoeverre een Vuurgeest zich
in rechten en wettig aansprakelijk als staatsdienaar door den eed
verbinden kan en tot op welke hoogte hem in het algemeen gewichtige
aangelegenheden kunnen toevertrouwd worden, daar volgens Gabalis en
Swedenborg elementairgeesten in geenen deele te vertrouwen zijn --
ofschoon mijn beste vrienden thans mijn omarming mijden zullen, uit
vrees, dat ik in plotsen overmoed eens wat bliksemen mocht en hun
den haartooi of den Zondagschen jas bederven zou -- niettegenstaande
dit alles, herzeg ik, wil ik u, WelEd.Geboren Heer, toch bij de
voltooiing van het werk behulpzaam zijn, aangezien daarin veel goeds
over mij en mijn lieve, gehuwde dochter (was ik de beide anderen ook
maar kwijt) vervat is. Indien u dus de twaalfde nachtwaak wilt
schrijven, daal dan voor den drommel uw vijf trappen af, verlaat uw
vertrekje en kom tot mij. In het blauwe palmboomenvertrek, dat gij
reeds kent, zult gij het noodige schrijfgerei vinden en met weinige
woorden zult gij den lezers dan kunnen verhalen, wat gij gezien
hebt; dit zal hun welkomer zijn, dan de langwijlige beschrijving van
een leven, dat gij toch maar van hooren-zeggen kent.
Met achting,
Uw WelEd.Geborens dw.
Salamander Lindhorst.
p.t.[20] Koninkl. Arch. in bijzonderen Dienst."
[Voetnoot 20: pleno titulo.... met vollen titel.]
"Dit weliswaar wat ongelikte, maar toch vriendelijk bedoelde schrijven
van archivaris Lindhorst was mij hoogst aangenaam. Wel scheen het zeker,
dat de wonderlijke oude van de vreemde wijze, waarop mij de lotgevallen
van zijn schoonzoon ter kennis waren gekomen -- en die ik, zelf tot
geheimhouding verplicht, zelfs u, goedgunstige lezer, verzwijgen
moest --, volkomen op de hoogte was, doch hij had dit niet zoo kwalijk
opgenomen, als ik had moeten vreezen. Zelfs bood hij mij de behulpzame
hand, om mijn werk te voltooien en daaruit durfde ik met recht
besluiten, hoe hij het in den grond der zaak gaarne zag, dat zijn
wonderbaarlijk bestaan in de geestenwereld door de pers bekend werd.
Hetis wel mogelijk, dacht ik, dat hij zelf daaruit de hoop put, zooveel
teeerder zijn beide overgebleven dochters aan den man te brengen, want
allicht valt er een vonkje in de borst van dezen of genen jongeling,
dathet verlangen naar de Groene Slang ontsteekt, welke hij dan in
hetvlierboschje op Hemelvaartsdag zoeken gaat en vindt. Uit het leed,
datAnselmus getroffen had, toen hij in de glazen flesch werd gebannen,
zalhij dan waarschuwing putten, zich voor elken twijfel, voor ieder
ongeloof zeer ernstig te hoeden. Met het slaan van elven doofde ik mijn
studeerlamp en ging behoedzaam naar archivaris Lindhorst, die mij reeds
in het voorhuis wachtte. "Zijt gij daar, zeer geachte Heer, welaan,
hetdoet mij genoegen, dat gij mijn goede bedoelingen niet miskent --
wilt umaar binnenkomen." -- En tegelijk leidde hij mij door den van
verblindenden glans vervulden tuin naar het azuurblauwe vertrek, waarin
ik de violette schrijftafel ontwaarde, waaraan Anselmus had gewerkt. --
Archivaris Lindhorst verdween, doch verscheen dadelijk weer met een
prachtigen gouden bokaal in de hand, waaruit een blauwe vlam hoog
opknetterde. "Hier," sprak hij, breng ik u den lievelingsdrank van uw
vriend, den kapelmeester Johannes Kreisler.[21] -- Dit is brandende
arak, waarin ik wat suiker heb gedaan. Drink een weinig daaruit,
dadelijk zal ik mij van mijn slaaprok ontdoen, èn tot eigen vermaak èn
ook om, terwijl gij daar zit te kijken en te schrijven, van uw geacht
gezelschap te genieten, in den bokaal op en neder gaan. "Geheel zooals
uwilt, geachte Heer archivaris," gaf ik ten antwoord, maar als ik van
dendrank zal gebruiken, zult gij toch niet.... "Wees maar niet bezorgd,
mijn beste," riep de archivaris, wierp snel zijn slaaprok af, stapte tot
mijn niet geringe verbazing in den bokaal en verdween in de vlammen. --
Zonder blooheid proefde ik, terwijl ik zacht de vlam wegademde van den
drank; hij was prachtig! -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- -- --
[Voetnoot 21: De gedenkschriften van Johannes Kreisler vormen een
der merkwaardigste werken van Hoffmann.]
"Roeren zich daar in suizeling teeder en met ruischen de smaragdene
blaadren der palmboomen, als gestreeld door den adem des morgenwinds?
Opkomend uit den slaap heffen zij zich en bewegen en fluisteren
geheimzinnig van de wonderen, die zalige harptonen als uit verre verte
verkonden. -- Van de wanden zinkt het azuur en golft als een geurigen
damp op en neder, doch verblindende stralen doorschieten den damp, die
zich als in kinderlijk-juichende blijheid wentelt en draait en opstijgt
tot de onmetelijke hoogte, welke boven de palmboomen zich welft. -- En
steeds verblindender hoopt straal op straal zich, tot in hellen
zonneglans de onafzienbare wering opdoemt, binnen dewelke ik Anselmus
aanschouw. Gloeiende hyacinthen en tulpen en rozen heffen haar schoone
hoofden en heur geuren zeggen den Gelukzalige in lieflijke klanken:
"Woon, o woon met ons, geliefde, gij, die ons verstaat -- ons geuren is
het zachte-smachten der liefde -- wij minnen u en behooren u
eeuwiglijk! -- De goudene stralen branden in felle tonen: vuur zijn wij,
door de liefde ontstoken. -- De geur is het stille smachten, doch het
verlangen is vuur; wonen wij dan niet in uw borst? Wij zijn toch deel
van u!" Nu ritselen en ruischen de donkere bosschages -- de hooge
boomen: "Kom tot òns! Gelukzalige -- Beminde! -- Het verlangen is vuur,
doch hoop onze koele schaduw! liefkoozend suizelen wij om uw hoofd, want
gij verstaat ons, omdat de liefde uw boezem bewoont." Bronnen en beekjes
borrelen en klateren: "Beminde, ga niet zoo snel voorbij, zie in ons
kristal, -- uw beeld leeft in ons, minnend bewaren wij het, want gij
hebt ons verstaan!" -- In jubileerende koren zingen en kwetteren kleine
bonte vogelen. "Hoor naar ons, hoor naar ons, wij zijn de vreugde, de
zaligheid, de verrukking der liefde!" -- Doch smachtend ziet Anselmus
uit naar den heerlijken tempel, die zich ver in de verte verheft. Boomen
schijnen de kunstige zuilen en de kapiteelen en kroonlijsten,
acanthusbladeren, die door wondervolle windingen en figuren een
luisterrijke versiering vormen. Anselmus schrijdt op den tempel toe, met
innerlijke vervoering beschouwt hij het bonte marmer, de vreemdaardig
bemoste treden. "O neen," roept hij als in een overvloeiïng van
verrukking, "zij kan niet ver meer zijn!" Daar treedt in hooge
schoonheid en rankheid Serpentina uit het binnenste van den tempel; zij
draagt de gouden vaas, waaruit een heerlijke lelie is ontsproten. De
onzegbare vervoering van het eindeloos verlangen brandt in de
bezaligende oogen; zoo ziet zij Anselmus aan, zeggende: "Mijn geliefde!
de lelie heeft haar kelk ontsloten -- het hoogste is vervuld, kan er een
zaligheid zijn, die de onze nabij komt?" Anselmus omvat haar met de
vurigheid van het hevigst verlangen -- met stralende vlammen brandt de
lelie boven zijn hoofd. En luider roeren zich boomen en bosschages,
klaarder en vreugderijker juichen de bronnen -- vogels -- allerlei bonte
insecten dansen in duizellucht -- een jubileerend gewoel in de lucht --
in de wateren -- op aarde viert liefde feest.
"Alom schichten bliksems lichtend door de bosschages -- diamanten zien
als vonkende oogen uit de aarde! -- hooge springbeken stralen uit de
bronnen -- vreemde reuken waaien met ruischenden vleugelslag over -- het
zijn de geesten der elementen, die de lelie huldigen en Anselmus' geluk
verkonden. -- Daar heft Anselmus het hoofd als door de glansstraling
eener verheerlijking omstroomd. -- Zijn het blikken? -- Zijn het
woorden? -- is het een zingen? -- Duidelijk klinkt het: "Serpentina, het
geloof aan u, de liefde heeft mij de ziel der natuur ontsloten! De lelie
bracht gij mij, die uit het goud, uit de oerkracht der aarde kiemde,
nog aleer Phosphorus de gedachte ontstak, -- zij is het begrip van de
heilige harmonie aller wezens en door dit begrip zal ik eeuwiglijk
leven in opperst geluk. Ja, ik hoogbegenadigde heb het Allerhoogste
verstaan -- eeuwiglijk zal ik u minnen, Serpentina, -- nimmer verbleeken
de gouden stralen der lelie, want eeuwig als Geloof en Liefde is het
Begrip." --
"Het visioen, waarin ik Anselmus waarachtiglijk op zijn riddergoed in
Atlantis aanschouwde, dankte ik louter aan de Kunst van den Vuurgeest en
een verrukking was het, toen ik het -- nadat alles als in nevel gevloden
was -- op het papier ter violette tafel, keuriglijk en oogenschijnlijk
door mij zelf nedergeschreven, wedervond. -- Doch nu werd ik door beten
van smart gekweld en vaneengereten. O gij gelukkige Anselmus, die daar
den druk des dagelijkschen levens hebt afgeworpen en in liefde tot de
bekoorlijke Serpentina krachtig uw vleugels uitslaat en nu in geluk en
vreugde woont op uw riddergoed in Atlantis! Dan ik, arme! -- weldra --
in weinige minuten zal ik zelfs uit deze heerlijke zaal, die nog làng
geen riddergoed in Atlantis is, verplaatst zijn naar mijn dakkamertje,
de armtierigheden van het kommervolle leven bevangen mijn geest en mijn
blik wordt door opeenhooping van ellende als door dichten nevel omhuld,
zoodat ik wel nooit de lelie aanschouwen zal!"
Toen klopte archivaris Lindhorst mij zacht op den schouder en zeide:
"Sst, sst, mijn beste, zóó moogt gij niet klagen! -- Zijt gij dan
zooeven niet zelf in Atlantis geweest en ligt daar voor u niet
minstens een bekoorlijke meierij als dichterlijke bezitting van uw
geestesinnerlijk? Wat is Anselmus' zaligheid in wezen anders dan het
leven in de schoonheid, waaraan zich de heilige harmonie van al het
bestaande als opperste geheimenis der Natuur openbaart?"