Conrector Paulmann's misnoegen over de in zijn gezin uitgebroken
verdwazing. -- Hoe griffier Heerbrand hofraad werd en bij het
vinnigste vriesweder met lage schoenen en zijden kousen rondliep.
-- Veronica's bekentenissen. -- Een verloving bij de dampende
soepterrine.
"Maar vertel mij toch eens, mijn beste griffier! hoe die vermaledeide
punch ons gisteren zoo naar het hoofd kon stijgen en tot allerlei
bokkesprongen kon aanzetten?" -- Aldus sprak conrector Paulmann toen hij
den anderen morgen het vertrek betrad, dat nog vol gebroken scherven lag
en in welks midden de ongelukzalige pruik, ontleed in haar
oorspronkelijke bestanddeelen, in de punch ronddreef.
Toen de student Anselmus de deur uitgestormd was, laveerden en waggelden
conrector Paulmann en griffier Heerbrand door het vertrek, schreeuwend
als bezetenen en liepen met de hoofden tegen elkaar, totdat Fransje haar
duizeligen vader met veel moeite te bed bracht en de griffier in diepe
uitputting op de sofa zakte, die Veronica, in het slaapvertrek gevlucht,
had verlaten. Griffier Heerbrand had zijn blauwen zakdoek om het hoofd
gewikkeld, hij zag er mat en melancoliek uit en steunde: "Och, beste
conrector, niet de punch, die Mejuffer Veronica voortreffelijk heeft
toebereid, neen! maar alleen die vervloekte student is de schuld van al
die onbetamelijkheid. U begrijpt toch, dat hij al lang mente captus[18]
was? En u weet toch ook wel, dat waanzin aanstekelijk is? -- Eén dwaas
maakt er vele; dit is -- vergeef mij -- een oud spreekwoord; in 't
bijzonder, wanneer men een glaasje gedronken heeft, geraakt men licht
tot dwaasheden, men manoeuvreert onwillekeurig mede en komt tot het
verrichten van de bewegingen, die de krankzinnige vleugelman voordoet.
Wilt gij wel gelooven, conrector, dat ik nog duizel, als ik aan den
grijzen papegaai denk?" -- "Kom, kom," viel de conrector hem in de rede,
"kunsten! -- dat was immers het oude, kleine factotum van den
archivaris, dat een grijzen mantel had omgeslagen en naar den student
Anselmus zocht." -- "Dat kan wel," hernam de griffier Heerbrand, "maar
ik moet bekennen, dat het mij allerellendigst te moede is; heel den
langen nacht heb ik zulk vreemd georgel en gepijp gehoord." -- "Dat ben
ik geweest," antwoordde de conrector, "want ik snork erg." -- "Nu, dat
kan dan wel," ging de griffier verder, -- "maar conrector, conrector,
niet zonder reden was ik er gisteren op uit om ons eenig vermaak te
verschaffen -- doch Anselmus heeft alles bedorven -- gij wéét niet -- o
conrector, conrector!" Griffier Heerbrand sprong van de sofa af, rukte
den doek van het hoofd, omarmde den conrector, drukte hem vurig de hand,
riep nog een keer op hartroerenden toon: "o conrector, conrector!" en
stormde, terwijl hij hoed en stok greep, heen. "Anselmus komt niet meer
over mijn drempel," sprak conrector Paulmann in zichzelf, "want ik
begrijp nu, dat hij met zijn hardnekkigen inwendigen waanzin de beste
menschen van hun weinigje verstand berooft; de griffier is er nu ook aan
koud -- zelf heb ik mij tot dusver nog staande gehouden, maar de duivel,
die gisteren in den roes al zoo krachtig aanklopte, zou ten slotte wel
kunnen inbreken en dan vrij spel hebben. -- Dus, apage Satanas![19] --
weg met Anselmus!" -- Veronica was diep nadenkend geworden, geen woord
sprak zij, slechts glimlachte zij bijwijlen op vreemde wijze en bleef
liefst alleen. "Dat heeft Anselmus ook op zijn geweten," zeide de
conrector in volheid van toorn, "het is maar goed, dat hij zich in 't
geheel niet laat zien, ik weet wel, dat hij bevreesd is voor mij --
Anselmus, en daarom komt hij niet hierheen." Overluid sprak conrector
Paulmann dit laatste en Veronica, die er juist bij was, sprongen de
tranen uit de oogen, terwijl zij zuchtte: "Ach, hoe zou Anselmus hier
ook kunnen komen, die is toch al lang in de glazen flesch opgesloten."
"Hein, wat?" riep conrector Paulmann. "O God, o God, die bazelt ook al
als de griffier, daar komt ook spoedig een uitbarsting. O, vervloekte,
ellendige Anselmus!" -- Hij stoof in éénen door naar Dr. Eckstein, die
glimlachte en weer zeide: "Zoo, zoo." Hij schreef echter niets voor,
doch voegde onder het weggaan aan het weinige, dat hij geuit had nog
toe: "Zenuwtoevallen! -- moet vanzelf overgaan -- in de lucht brengen --
gaan wandelen -- verstrooiïng -- schouwburg -- zondagskind -- zusters
van Praag -- zal vanzelf overgaan!"
[Voetnoot 18: waanzinnig, zonder verstand.]
[Voetnoot 19: Achteruit of weg van mij, Satan.]
"Zoo spraakzaam is de dokter zelden," dacht conrector Paulmann, "hij is
zuiver breedsprakig." -- Verscheidene dagen, weken en maanden waren
verloopen, sedert Anselmus verdwenen was, doch ook griffier Heerbrand
liet zich niet zien, tot op 4 Februari, toen betrad hij in een nieuw
costuum van het fijnste laken, in lage schoenen en zijden kousen --
ondanks den strengen vorst -- met een grooten ruiker levende bloemen in
de hand, des middags op slag van twaalven het vertrek van conrector
Paulmann, die niet weinig verbaasd was over zijn uitgedosten vriend.
Plechtiglijk schreed griffier Heerbrand op conrector Paulmann toe,
omarmde hem met uitgezochte hoffelijkheid en sprak toen: "Heden, op den
geboortedag van uwe lieve, geachte dochter, mejuffer Veronica, zal ik
zonder omwegen alles zeggen, wat mij al lang op het hart lag. Destijds,
op dien rampzaligen avond, toen ik de ingrediënten voor den noodlottigen
punch in de zakken van mijn overjas medebracht, was het mijn voornemen,
u een blijde tijding te brengen en den vreugdevollen dag vroolijk te
vieren, want toen reeds wist ik, dat ik hofraad was geworden, voor welke
rangsverhooging ik thans het brevet cum nomine et sigillo principis heb
ontvangen en in den zak draag. Doch gij, geachte conrector," ging de
nieuwe hofraad voort, "eerst gij kunt de kroon op mijn geluk zetten.
Reeds lang bemin ik in stilte mejuffer Veronica en ik mag mij beroemen
op menigen vriendelijken blik, dien zij mij toewierp en die mij
duidelijk toonde, dat zij mij zeker niet ongenegen is. Om kort te gaan,
geachte conrector! -- ik, hofraad Heerbrand, vraag u om de hand van uwe
beminnelijke dochter, mejuffer Veronica, die ik, mits gij u niet
daartegen verzet, spoedig in eigen huis hoop binnen te leiden." -- Vol
verbazing sloeg conrector Paulmann de handen te zamen en riep: "Zoo,
zoo, zoo -- mijnheer de griff -- hofraad, wil ik zeggen, wie had dat
kunnen denken! -- Ja, als Veronica u waarlijk bemint, heb ik er niets
tegen; wellicht is haar zwaarmoedigheid van den laatsten tijd slechts
aan heimelijke genegenheid voor u toe te schrijven, geachte hofraad!
zulke kuren komen voor."
In dit oogenblik kwam Veronica binnen, vaal en ontrust, zooals zij in
den laatsten tijd altijd was. Toen ging hofraad Heerbrand naar haar toe,
bracht in goed gekozen bewoordingen haar geboortedag in herinnering en
overhandigde haar den geurigen ruiker alsook een klein pakketje, waaruit
haar bij het openen een paar schitterende oorhangers tegenstraalden. Een
vluchtig, vliegend rood tintte haar wangen, warmer blonken haar oogen en
zij riep uit: "Ach, God, dat zijn dezelfde oorbellen, die ik voor
verscheidene weken al droeg en waaraan ik mij zoo verlustigde." -- "Hoe
kan dat dan," viel hofraad Heerbrand haar wat ontsteld en gekwetst in de
rede, "want ik heb dit sieraad eerst sedert een uur in de Schlossgasse
schandeduur gekocht?" -- Doch Veronica luisterde daar niet naar, maar
stond al voor den spiegel, om te zien, hoe het kleinood, dat zij reeds
in de kleine oortjes had gehangen, haar sierde. Conrector Paulmann deed
haar met verdeftigd gelaat op ernstigen toon kond van de rangsverhooging
huns vriends Heerbrand en van zijn aanzoek. Veronica zag den hofraad met
doordringenden blik aan, zeggende: "Reeds lang wist ik, dat gij mij
huwen wildet -- Het zij zoo -- ik geef u mijn hart en hand, maar
tegelijk moet ik u -- u beiden namelijk, mijn vader en verloofde,
velerlei bekennen, dat mijn geest en gemoed drukt -- juist nu, al zou
daarbij de soep koud worden, die Fransje, zooals ik zie, juist ter tafel
brengt." Zonder het antwoord van den conrector of den hofraad af te
wachten, ofschoon de woorden hun zichtbaar op de lippen lagen, ging
Veronica verder: "Dit kunt gij gelooven, beste vader! dat ik Anselmus
van ganscher harte liefhad en toen griffier Heerbrand, die thans zelf
hofraad geworden is, verzekerde, dat Anselmus het best zoover brengen
kon, besloot ik, dat hij en geen ander, mijn man zou worden. Toen scheen
het echter, alsof vreemde vijandelijke wezens hem mij ontrukken wilden
en ik nam mijn toevlucht tot de oude Lize, die destijds mijn voedster
was, doch nu een vroede vrouw, een machtige toovenares is. _Zij_
beloofde mij hulp te zullen verleenen en mij Anselmus ganschelijk over
te leveren. In het middernachtelijk uur bij de dag-en-nachtevening
gingen wij naar den Kruisweg, waar zij de helsche geesten bezwoer en met
behulp van den zwarten kater wisten wij een kleinen metalen spiegel te
vervaardigen, waarin ik -- daarbij mijn gedachten op Anselmus
richtend -- slechts behoefde te zien, om hem naar geest en gemoed geheel
te beheerschen. -- Doch thans heb ik diep berouw over dit alles en zweer
ik alle duivelskunsten af. De Salamander heeft over de oude gezegevierd,
ik hoorde haar noodgeschrei, doch er was geen hulp mogelijk; zoodra zij
als beetwortel door den papegaai verslonden werd, brak mijn metalen
spiegel met een snijdenden toon." Veronica haalde de beide stukken van
den gebroken spiegel en een haarlok uit het naaidoosje en terwijl zij
beiden aan den hofraad Heerbrand overhandigde, zeide zij verder nog:
"Neem gij, geliefde hofraad, de stukken van den spiegel en werp die
hedennacht van de Elbebrug en wel van de plaats, waar het kruis staat,
in de rivier, die daar niet is toegevroren; de lok moet gij echter op
uwe trouwe borst bewaren. Nogmaals zweer ik alle satanskunsten af en van
harte gun ik Anselmus zijn geluk, hem, die thans met de Groene Slang is
verbonden, welke veel mooier en rijker is, dan ik. Ik zal u, beminde
hofraad, eeren en liefhebben als een rechtschapen vrouw." -- "O, God, o
God!" -- riep conrector Paulmann smartelijk, "zij is waanzinnig, zij is
waanzinnig, nooit kan zij de vrouw van een hofraad worden." -- "Niets
daarvan," viel hofraad Heerbrand in, "ik weet heel goed, dat mejuffer
Veronica eenige genegenheid voor dien verwenschten Anselmus heeft
gekoesterd en het is mogelijk, dat zij zich wellicht in een zekere
overspanning tot de wijze vrouw gewend heeft, die, naar ik begrijp, geen
andere kan zijn, dan de kaartlegster en koffiekijkster van de Zwarte
Poort -- ik meen de oude Rauerin. Nu valt het weliswaar niet te
ontkennen, dat er werkelijk geheime kunsten bestaan, die maar al te
sterk op de menschen hun invloed oefenen -- in de klassieken leest men
er al van -- doch alles wat mejuffer Veronica over de zegepraal van den
Salamander en de verbintenis van Anselmus met de Groene Slang gezegd
heeft, is toch zeker maar een dichterlijke allegorie -- als het ware een
gedicht, waarin zij het afscheid van den student bezong." "Gij moogt het
houden, waarvoor gij wilt, beste hofraad!" kwam Veronica ertusschen
"desnoods voor een allerdwaasten droom." "Dat zal ik in geen geval
doen," gaf hofraad Heerbrand terug, "want ik weet te goed, hoe Anselmus
ook door ongekende machten is bevangen, die hem tot allerlei dwaze
verrichtingen prikkelen en drijven." Toen kon conrector Paulmann het
niet langer verkroppen en hij barstte uit "Houdt op, houdt in Godsnaam
op, hebben wij dan soms weer teveel van dien verdoemden punch gedronken
of oefent Anselmus' waanzin ook op _ons_ invloed uit? Mijnheer de
hofraad, ik zal maar aannemen, dat het de liefde is, die ulieden door
het brein spookt en dat gaat in het huwelijk wel over, want anders zou
ik moeten vreezen, dat ook gij eenigszins door waanzin bevangen waart en
mij dan bezorgd maken vanwege de afstammelingen, die de kwaal der ouders
konden erven. -- Kom, thans geef ik mijn vaderlijken zegen op de goede
verbintenis en sta toe, dat gij elkander als bruid en bruidegom kust."
Dit geschiedde onverwijld en zoo was, voor de opgebrachte soep koud
werd, de verloving formeel gesloten. Weinige weken daarna zat de vrouw
van hofraad Heerbrand waarlijk, zooals zij zich vroeger reeds in de
verbeelding gezien had, in den erker van een prachtig huis op de
Nieuwmarkt en keek glimlachend neder op de saletjonkers, die in 't
voorbijgaan met lorgnetbeweeg naar boven zagen en zeiden: "Wat een
goddelijke vrouw is toch die van hofraad Heerbrand!" --