ELFDE NACHTWAAK

Conrector Paulmann's misnoegen over de in zijn gezin uitgebroken

verdwazing. -- Hoe griffier Heerbrand hofraad werd en bij het

vinnigste vriesweder met lage schoenen en zijden kousen rondliep.

-- Veronica's bekentenissen. -- Een verloving bij de dampende

soepterrine.

"Maar vertel mij toch eens, mijn beste griffier! hoe die vermaledeide

punch ons gisteren zoo naar het hoofd kon stijgen en tot allerlei

bokkesprongen kon aanzetten?" -- Aldus sprak conrector Paulmann toen hij

den anderen morgen het vertrek betrad, dat nog vol gebroken scherven lag

en in welks midden de ongelukzalige pruik, ontleed in haar

oorspronkelijke bestanddeelen, in de punch ronddreef.

Toen de student Anselmus de deur uitgestormd was, laveerden en waggelden

conrector Paulmann en griffier Heerbrand door het vertrek, schreeuwend

als bezetenen en liepen met de hoofden tegen elkaar, totdat Fransje haar

duizeligen vader met veel moeite te bed bracht en de griffier in diepe

uitputting op de sofa zakte, die Veronica, in het slaapvertrek gevlucht,

had verlaten. Griffier Heerbrand had zijn blauwen zakdoek om het hoofd

gewikkeld, hij zag er mat en melancoliek uit en steunde: "Och, beste

conrector, niet de punch, die Mejuffer Veronica voortreffelijk heeft

toebereid, neen! maar alleen die vervloekte student is de schuld van al

die onbetamelijkheid. U begrijpt toch, dat hij al lang mente captus[18]

was? En u weet toch ook wel, dat waanzin aanstekelijk is? -- Eén dwaas

maakt er vele; dit is -- vergeef mij -- een oud spreekwoord; in 't

bijzonder, wanneer men een glaasje gedronken heeft, geraakt men licht

tot dwaasheden, men manoeuvreert onwillekeurig mede en komt tot het

verrichten van de bewegingen, die de krankzinnige vleugelman voordoet.

Wilt gij wel gelooven, conrector, dat ik nog duizel, als ik aan den

grijzen papegaai denk?" -- "Kom, kom," viel de conrector hem in de rede,

"kunsten! -- dat was immers het oude, kleine factotum van den

archivaris, dat een grijzen mantel had omgeslagen en naar den student

Anselmus zocht." -- "Dat kan wel," hernam de griffier Heerbrand, "maar

ik moet bekennen, dat het mij allerellendigst te moede is; heel den

langen nacht heb ik zulk vreemd georgel en gepijp gehoord." -- "Dat ben

ik geweest," antwoordde de conrector, "want ik snork erg." -- "Nu, dat

kan dan wel," ging de griffier verder, -- "maar conrector, conrector,

niet zonder reden was ik er gisteren op uit om ons eenig vermaak te

verschaffen -- doch Anselmus heeft alles bedorven -- gij wéét niet -- o

conrector, conrector!" Griffier Heerbrand sprong van de sofa af, rukte

den doek van het hoofd, omarmde den conrector, drukte hem vurig de hand,

riep nog een keer op hartroerenden toon: "o conrector, conrector!" en

stormde, terwijl hij hoed en stok greep, heen. "Anselmus komt niet meer

over mijn drempel," sprak conrector Paulmann in zichzelf, "want ik

begrijp nu, dat hij met zijn hardnekkigen inwendigen waanzin de beste

menschen van hun weinigje verstand berooft; de griffier is er nu ook aan

koud -- zelf heb ik mij tot dusver nog staande gehouden, maar de duivel,

die gisteren in den roes al zoo krachtig aanklopte, zou ten slotte wel

kunnen inbreken en dan vrij spel hebben. -- Dus, apage Satanas![19] --

weg met Anselmus!" -- Veronica was diep nadenkend geworden, geen woord

sprak zij, slechts glimlachte zij bijwijlen op vreemde wijze en bleef

liefst alleen. "Dat heeft Anselmus ook op zijn geweten," zeide de

conrector in volheid van toorn, "het is maar goed, dat hij zich in 't

geheel niet laat zien, ik weet wel, dat hij bevreesd is voor mij --

Anselmus, en daarom komt hij niet hierheen." Overluid sprak conrector

Paulmann dit laatste en Veronica, die er juist bij was, sprongen de

tranen uit de oogen, terwijl zij zuchtte: "Ach, hoe zou Anselmus hier

ook kunnen komen, die is toch al lang in de glazen flesch opgesloten."

"Hein, wat?" riep conrector Paulmann. "O God, o God, die bazelt ook al

als de griffier, daar komt ook spoedig een uitbarsting. O, vervloekte,

ellendige Anselmus!" -- Hij stoof in éénen door naar Dr. Eckstein, die

glimlachte en weer zeide: "Zoo, zoo." Hij schreef echter niets voor,

doch voegde onder het weggaan aan het weinige, dat hij geuit had nog

toe: "Zenuwtoevallen! -- moet vanzelf overgaan -- in de lucht brengen --

gaan wandelen -- verstrooiïng -- schouwburg -- zondagskind -- zusters

van Praag -- zal vanzelf overgaan!"

[Voetnoot 18: waanzinnig, zonder verstand.]

[Voetnoot 19: Achteruit of weg van mij, Satan.]

"Zoo spraakzaam is de dokter zelden," dacht conrector Paulmann, "hij is

zuiver breedsprakig." -- Verscheidene dagen, weken en maanden waren

verloopen, sedert Anselmus verdwenen was, doch ook griffier Heerbrand

liet zich niet zien, tot op 4 Februari, toen betrad hij in een nieuw

costuum van het fijnste laken, in lage schoenen en zijden kousen --

ondanks den strengen vorst -- met een grooten ruiker levende bloemen in

de hand, des middags op slag van twaalven het vertrek van conrector

Paulmann, die niet weinig verbaasd was over zijn uitgedosten vriend.

Plechtiglijk schreed griffier Heerbrand op conrector Paulmann toe,

omarmde hem met uitgezochte hoffelijkheid en sprak toen: "Heden, op den

geboortedag van uwe lieve, geachte dochter, mejuffer Veronica, zal ik

zonder omwegen alles zeggen, wat mij al lang op het hart lag. Destijds,

op dien rampzaligen avond, toen ik de ingrediënten voor den noodlottigen

punch in de zakken van mijn overjas medebracht, was het mijn voornemen,

u een blijde tijding te brengen en den vreugdevollen dag vroolijk te

vieren, want toen reeds wist ik, dat ik hofraad was geworden, voor welke

rangsverhooging ik thans het brevet cum nomine et sigillo principis heb

ontvangen en in den zak draag. Doch gij, geachte conrector," ging de

nieuwe hofraad voort, "eerst gij kunt de kroon op mijn geluk zetten.

Reeds lang bemin ik in stilte mejuffer Veronica en ik mag mij beroemen

op menigen vriendelijken blik, dien zij mij toewierp en die mij

duidelijk toonde, dat zij mij zeker niet ongenegen is. Om kort te gaan,

geachte conrector! -- ik, hofraad Heerbrand, vraag u om de hand van uwe

beminnelijke dochter, mejuffer Veronica, die ik, mits gij u niet

daartegen verzet, spoedig in eigen huis hoop binnen te leiden." -- Vol

verbazing sloeg conrector Paulmann de handen te zamen en riep: "Zoo,

zoo, zoo -- mijnheer de griff -- hofraad, wil ik zeggen, wie had dat

kunnen denken! -- Ja, als Veronica u waarlijk bemint, heb ik er niets

tegen; wellicht is haar zwaarmoedigheid van den laatsten tijd slechts

aan heimelijke genegenheid voor u toe te schrijven, geachte hofraad!

zulke kuren komen voor."

In dit oogenblik kwam Veronica binnen, vaal en ontrust, zooals zij in

den laatsten tijd altijd was. Toen ging hofraad Heerbrand naar haar toe,

bracht in goed gekozen bewoordingen haar geboortedag in herinnering en

overhandigde haar den geurigen ruiker alsook een klein pakketje, waaruit

haar bij het openen een paar schitterende oorhangers tegenstraalden. Een

vluchtig, vliegend rood tintte haar wangen, warmer blonken haar oogen en

zij riep uit: "Ach, God, dat zijn dezelfde oorbellen, die ik voor

verscheidene weken al droeg en waaraan ik mij zoo verlustigde." -- "Hoe

kan dat dan," viel hofraad Heerbrand haar wat ontsteld en gekwetst in de

rede, "want ik heb dit sieraad eerst sedert een uur in de Schlossgasse

schandeduur gekocht?" -- Doch Veronica luisterde daar niet naar, maar

stond al voor den spiegel, om te zien, hoe het kleinood, dat zij reeds

in de kleine oortjes had gehangen, haar sierde. Conrector Paulmann deed

haar met verdeftigd gelaat op ernstigen toon kond van de rangsverhooging

huns vriends Heerbrand en van zijn aanzoek. Veronica zag den hofraad met

doordringenden blik aan, zeggende: "Reeds lang wist ik, dat gij mij

huwen wildet -- Het zij zoo -- ik geef u mijn hart en hand, maar

tegelijk moet ik u -- u beiden namelijk, mijn vader en verloofde,

velerlei bekennen, dat mijn geest en gemoed drukt -- juist nu, al zou

daarbij de soep koud worden, die Fransje, zooals ik zie, juist ter tafel

brengt." Zonder het antwoord van den conrector of den hofraad af te

wachten, ofschoon de woorden hun zichtbaar op de lippen lagen, ging

Veronica verder: "Dit kunt gij gelooven, beste vader! dat ik Anselmus

van ganscher harte liefhad en toen griffier Heerbrand, die thans zelf

hofraad geworden is, verzekerde, dat Anselmus het best zoover brengen

kon, besloot ik, dat hij en geen ander, mijn man zou worden. Toen scheen

het echter, alsof vreemde vijandelijke wezens hem mij ontrukken wilden

en ik nam mijn toevlucht tot de oude Lize, die destijds mijn voedster

was, doch nu een vroede vrouw, een machtige toovenares is. _Zij_

beloofde mij hulp te zullen verleenen en mij Anselmus ganschelijk over

te leveren. In het middernachtelijk uur bij de dag-en-nachtevening

gingen wij naar den Kruisweg, waar zij de helsche geesten bezwoer en met

behulp van den zwarten kater wisten wij een kleinen metalen spiegel te

vervaardigen, waarin ik -- daarbij mijn gedachten op Anselmus

richtend -- slechts behoefde te zien, om hem naar geest en gemoed geheel

te beheerschen. -- Doch thans heb ik diep berouw over dit alles en zweer

ik alle duivelskunsten af. De Salamander heeft over de oude gezegevierd,

ik hoorde haar noodgeschrei, doch er was geen hulp mogelijk; zoodra zij

als beetwortel door den papegaai verslonden werd, brak mijn metalen

spiegel met een snijdenden toon." Veronica haalde de beide stukken van

den gebroken spiegel en een haarlok uit het naaidoosje en terwijl zij

beiden aan den hofraad Heerbrand overhandigde, zeide zij verder nog:

"Neem gij, geliefde hofraad, de stukken van den spiegel en werp die

hedennacht van de Elbebrug en wel van de plaats, waar het kruis staat,

in de rivier, die daar niet is toegevroren; de lok moet gij echter op

uwe trouwe borst bewaren. Nogmaals zweer ik alle satanskunsten af en van

harte gun ik Anselmus zijn geluk, hem, die thans met de Groene Slang is

verbonden, welke veel mooier en rijker is, dan ik. Ik zal u, beminde

hofraad, eeren en liefhebben als een rechtschapen vrouw." -- "O, God, o

God!" -- riep conrector Paulmann smartelijk, "zij is waanzinnig, zij is

waanzinnig, nooit kan zij de vrouw van een hofraad worden." -- "Niets

daarvan," viel hofraad Heerbrand in, "ik weet heel goed, dat mejuffer

Veronica eenige genegenheid voor dien verwenschten Anselmus heeft

gekoesterd en het is mogelijk, dat zij zich wellicht in een zekere

overspanning tot de wijze vrouw gewend heeft, die, naar ik begrijp, geen

andere kan zijn, dan de kaartlegster en koffiekijkster van de Zwarte

Poort -- ik meen de oude Rauerin. Nu valt het weliswaar niet te

ontkennen, dat er werkelijk geheime kunsten bestaan, die maar al te

sterk op de menschen hun invloed oefenen -- in de klassieken leest men

er al van -- doch alles wat mejuffer Veronica over de zegepraal van den

Salamander en de verbintenis van Anselmus met de Groene Slang gezegd

heeft, is toch zeker maar een dichterlijke allegorie -- als het ware een

gedicht, waarin zij het afscheid van den student bezong." "Gij moogt het

houden, waarvoor gij wilt, beste hofraad!" kwam Veronica ertusschen

"desnoods voor een allerdwaasten droom." "Dat zal ik in geen geval

doen," gaf hofraad Heerbrand terug, "want ik weet te goed, hoe Anselmus

ook door ongekende machten is bevangen, die hem tot allerlei dwaze

verrichtingen prikkelen en drijven." Toen kon conrector Paulmann het

niet langer verkroppen en hij barstte uit "Houdt op, houdt in Godsnaam

op, hebben wij dan soms weer teveel van dien verdoemden punch gedronken

of oefent Anselmus' waanzin ook op _ons_ invloed uit? Mijnheer de

hofraad, ik zal maar aannemen, dat het de liefde is, die ulieden door

het brein spookt en dat gaat in het huwelijk wel over, want anders zou

ik moeten vreezen, dat ook gij eenigszins door waanzin bevangen waart en

mij dan bezorgd maken vanwege de afstammelingen, die de kwaal der ouders

konden erven. -- Kom, thans geef ik mijn vaderlijken zegen op de goede

verbintenis en sta toe, dat gij elkander als bruid en bruidegom kust."

Dit geschiedde onverwijld en zoo was, voor de opgebrachte soep koud

werd, de verloving formeel gesloten. Weinige weken daarna zat de vrouw

van hofraad Heerbrand waarlijk, zooals zij zich vroeger reeds in de

verbeelding gezien had, in den erker van een prachtig huis op de

Nieuwmarkt en keek glimlachend neder op de saletjonkers, die in 't

voorbijgaan met lorgnetbeweeg naar boven zagen en zeiden: "Wat een

goddelijke vrouw is toch die van hofraad Heerbrand!" --

De Gouden Vaas · 第 18 / 21 题