TIENDE NACHTWAAK

Het lijden van den student Anselmus in de glazen flacon. -- Het

gelukkige leven van Kruisscholieren en procureursklerken. -- Het

gevecht in het bibliotheek-vertrek van archivaris Lindhorst. --

De overwinning van den Salamander en de bevrijding van den student

Anselmus.

Met recht durf ik eraan te twijfelen, goedgunstige lezer! of gij ooit in

een glazen flacon opgesloten geweest zijt, tenzij een helle kweldroom u

eens met een soortgelijke verwarrende betoovering had omvangen gehouden.

Was dit zoo, dan zult gij den jammer van den student Anselmus zeer

levendig gevoelen; hebt gij echter nimmer van iets dergelijks gedroomd,

dan wil uw beweeglijke fantazie, mij en Anselmus ten gelieve, u wel voor

enkele oogenblikken in het kristal opsluiten. -- Gij wordt door

verblindenden glans dicht omsloten, alle voorwerpen in het ronde

schijnen u door stralende regenboogkleuren verlicht en omgeven -- alles

siddert en schokt en trilt in dien luister -- bewegingloos en onmachtig

zweeft gij in een bevroren aether, die u tezamen drukt, zoodat

tevergeefs de geest over het doode lichaam gebieden wil. Steeds zwaarder

en zwaarder drukt die centenaarslast tegen uw borst -- meer en meer

verbruikt uw ademtocht de koeltjes, die in de nauwe ruimte nog af-

en aanzweefden -- uw polsaderen zwellen op en van gruwelijken angst

doorkerfd trekt iedere zenuw in verscheurenden doodsstrijd samen. Heb

medelijden, goedgunstige lezer! met den student Anselmus, wien deze

foltering in zijn glazen kerker aangreep; helaas, hij gevoelde wel dat

de dood hem niet verlossen kon, want ontwaakte hij niet uit de diepe

bezwijming, waarin hij door overmanning van pijn verzonken was, toen de

morgenzon klaar en vriendelijk in het vertrek kwam binnenschijnen en

begon toen de foltering niet van voren af aan? -- Geen lid kon hij

verroeren, doch zijn gedachten sloegen tegen het glas, hem verstompend

door hun dissoneerend weergalmen en instede van de woorden, die anders

de geest van uit zijn gevoelsinnerlijk sprak, vernam hij slechts het

doffe geruisch van den waanzin. -- Toen kreet hij in vertwijfeling:

"O Serpentina -- Serpentina, red mij uit dezen helschen nood!" En het

was als omwaaiden hem zachte zuchten, die zich rondom de flesch legden

als groene, doorzichtige vlierbladeren; het galmen hield op, de

verblindende verwarrende schijn was verdwenen en hij ademde lichter.

"Ik ben toch ook zèlf alleen de schuld van al mijn ellende, -- o, heb ik

niet tegen ù, lieve, liefste Serpentina! misdreven? -- heb ik niet een

verachtelijken twijfel jegens u gekoesterd? heb ik niet het geloof

verloren en daarmede alles, wat mij diep gelukkig maken moest? -- Ach,

nu zult gij wel nooit de mijne worden, de gouden vaas is voor mij

verloren, nooit zal ik haar wonderen mogen zien. O, kon ik u nog maar

éénmaal zien, uwe lieflijke, zoete stemme hooren, liefste Serpentina!"

-- Zoo weeklaagde de student Anselmus in felle, snijdende smart, toen er

naast hem iemand zeide: "Ik begrijp niet, wat gij toch wilt, mijnheer de

student, waarom lamenteert gij zoo bovenmatig?" -- De student Anselmus

bemerkte, dat naast hem op hetzelfde boekenrek nog vijf flacons stonden,

waarin hij drie kruisscholieren en twee procureursklerken[16] bemerkte.

"Maar, mijne Heeren, metgezellen in het ongeluk," riep hij uit, "hoe is

het u mogelijk zoo berustend, en zelfs vergenoegd te zijn, gelijk ik aan

uw vroolijke gezichten bemerk? Gij zit toch even goed als ik in glazen

flacons opgesloten en kunt u nòch bewegen nòch verplaatsen, ja zelfs

niet eens iets redelijks uitdenken, zonder dat er een helsch lawaai van

klinken en galmen ontstaat en zonder dat het op verschrikkelijke wijze

kookt en ruischt in uw hoofd. Maar gij gelooft zeker niet aan den

Salamander en de Groene Slang?" "Gij bazelt maar wat, mijnheer de

student," antwoordde een kruisscholier, "nimmer bevonden wij ons beter,

dan thans, want de klinkende thalers, die wij van den dwazen archivaris

krijgen voor al die zinnelooze copieën, bekomen ons best; wij behoeven

nu geen Italiaansche koorgezangen meer uit het hoofd te leeren, iederen

dag gaan wij naar Joseph of een andere kroeg, wij laten ons het donkere

bier goed smaken, kijken wel eens een lief meisje in de oogen, zingen

als echte studenten: "gaudeamus igitur[17]" en zijn oerfideel." "De

heeren hebben groot gelijk," viel een procureursklerk in, "ook ik ben

rijkelijk van zilveren thalers voorzien, evenals mijn waarde collega

hiernaast en bewandel dapper den "Weinberg" inplaats van bij die

verwenschte actenschrijverij tusschen vier muren te zitten." "Maar

beste, waarde heeren!" zeide de student Anselmus, "bemerkt gij dan niet,

dat gij den een voor den ander in glazen flacons zit en u verplaatsen

nòch verroeren kunt, laat staan rondwandelen?" -- Toen lachten de

kruisscholieren en procureursklerken luid-op en riepen: "die student is

gek, hij verbeeldt zich in een glazen flesch te zitten, terwijl hij op

de Elbebrug recht in het water staat te kijken. Laat ons toch verder

gaan." "Helaas," zuchtte de student, "die hebben de lieve Serpentina

nooit aanschouwd, die weten niet wat leven en vrijheid in geloof en

liefde is, daarom bemerken zij den druk van hun kerker niet, waarin de

Salamander hen om hun onverstand, hun oppervlakkige gezindheid heeft

gebannen, maar ik, rampzalige, zal vergaan in schande en jammer, als

zij, die ik zoo onzegbaar liefheb, mij niet redt." -- Toen waaide

zachtkens suizelend Serpentina's stemme door het vertrek: "Anselmus,

geloof, bemin, hoop!" -- En iedere toon blonk tot binnen Anselmus

kerker, zoodat het kristal voor zijn macht moest wijken en zich

verwijden, waardoor de borst van den gevangene zich bewegen, zich

uitzetten kon. -- Het pijnende van zijn toestand nam voortdurend af en

hij begreep, dat Serpentina hem nog liefhad en dat _zij_ het slechts

was, die hem het verblijf in het kristal dragelijk maakte. Hij

bekommerde zich niet meer om zijn lichtzinnige genooten in het ongeluk,

maar richtte al zijn voelen en denken op de beminnelijke Serpentina.

Doch plotseling kwam van de andere zijde een dof, weerzinwekkend

gemompel op. Spoedig werd hij duidelijk gewaar, dat dit gemompel

afkomstig was van een oude koffiekan met halfgebroken deksel, die

tegenover hem op een kastje geplaatst was. Zoodra hij scherper toekeek,

ontwikkelden zich steeds meer de stuitende trekken van een oud,

verschrompeld vrouwengezicht en weldra stond het appelwijf van de Zwarte

Poort voor het boekenrek. Zij grijnsde hem tegen en lachte om hem en

riep met schelle gilstem: "Zoo, zoo, kindlief! -- moet je hier zoo

zitten? -- In 't kristal kwam je ten val! -- heb ik dat niet al lang

voorspeld?" -- "Hoon maar en spot maar, vervloekt heksenwijf," zeide de

student Anselmus, "gij zijt van alles de schuld, doch de Salamander zal

u weten te treffen, leelijke beetwortel." "Wacht even!" antwoordde de

oude, "Wees niet zoo hoogmoedig! Mijn zoontjes hebt gij in 't gelaat

geschopt, mij hebt gij den neus verbrand, maar toch ben ik u nog

genegen, schelm, omdat gij overigens een welgemanierd mensch waart en

mijn kleine dochter ziet u ook gaarne. Maar uit het kristal komt gij nu

eenmaal niet, als ik u niet help; ik kan niet tot u omhoogreiken, maar

mijn meter, de rat, die vlak over u, gelijkvloers woont, zal het plankje

doorknagen, waarop gij staat, dan buitelt gij naar beneden en ik vang u

op in mijn schort, zoodat ge uw neus niet stukvalt, doch mooi uw gave

gezicht behoudt en ik breng u fluks naar het juffertje Veronica, dat gij

zult huwen, zoodra gij hofraad zijt."

[Voetnoot 16: in dit geval "volontairs."]

[Voetnoot 17: "Daarom laat ons vroolijk zijn" (begin van een

studentenlied).]

"Laat af van mij, Satansgebroed," riep de student Anselmus vol

verbittering, "uw helsche kunsten alleen hebben mij aangezet tot het

misdrijf, waarvoor ik nu boete moet doen. Maar gelaten zal ik alles

dragen, want ik kan nergens anders wijlen dan hier, waar de liefste

Serpentina mij met liefde troostend omgeeft! -- Versta dit oude en

vertwijfel! Uw macht zal ik trotseeren, ik bemin Serpentina tot in

eeuwigheid -- nooit zal ik hofraad worden -- nooit Veronica meer zien,

die mij door u tot het kwade verleidt! Kan de Groene Slang niet de mijne

worden, dan wil ik sterven van smart en verlangen! -- Pak je weg, pak je

weg, verachtelijk duivelskind!"

Toen lachte de oude, dat het schrilde door het vertrek en riep: "Blijf

dan en sterf, voor mij is het tijd aan het werk te gaan, want mijn taak

hier omvat nog meer." -- Zij wierp den zwarten mantel af en stond in

afgrijzenwekkende naaktheid, toen zwierde zij in kringen rond en groote

folianten stortten neer, waaruit zij perkamenten bladen scheurde; die

hechtte zij snel tot een kunstig maaksel aaneen, dat zij zich over het

lichaam trok en was weldra als in een vreemd, bont, schubbenharnas

gekleed. Vonkspattend sprong de zwarte kater uit den inktkoker, die op

de schrijftafel stond en huilde de oude tegen, die luid juichte en met

hem door de deur verdween. Anselmus zag, dat zij naar het blauwe vertrek

waren gegaan en weldra hoorde hij in de verte gesis en gebruis, de

vogels in de tuin kreten, de papegaai relde: "help, help, roof, roof."

Op dat oogenblik sprong de oude in de kamer terug, terwijl zij de gouden

vaas op den arm droeg en met een afgrijselijk gebaar woest rondkreet:

"Ter zege! -- ter zege! -- zonen -- doodt de groene slang! Komt,

kinderen. Komt!"

Het was Anselmus als hoorde hij een diep steunen, als hoorde hij

Serpentina's stem. Toen greep ontzetting en wanhoop hem aan. -- Hij

spande al zijn krachten in, met een geweld of zijn zenuwen en aderen

bersten moesten, stiet hij tegen het kristal -- daar voer een snijdende

toon door het vertrek en de archivaris stond in de deuropening in zijn

schitterenden, damasten slaaprok: "Hei, ho! gespuis, dwaas spooksel --

heksenmaaksel -- hier -- vooruit!" Zoo donderde hij. Toen richtten zich

de zwarte haren van de oude als stekels op, haar gloeiend-roode oogen

glansden vol hellevuur en terwijl zij de puntige tanden in den wijden

muil vast opeen beet siste zij: "flink, flink er op los maar, vooruit,

vooruit," en lachte blerrend vol hoon en spot en drukte de gouden vaas

vast tegen zich aan en wierp daaruit handenvol glinsteraarde op den

archivaris, doch zoodra de aarde den slaaprok raakte, verwerd zij tot

neervallende bloemen. Toen flakkerden en vlamden de lelieën van den

slaaprok op en de archivaris slingerde de vurig knetter-brandende

bloemen naar de heks, die huilde van pijn; doch als zij in de hoogte

sprong en het perkamenten harnas schudde, doofden de lelies en vielen

tot asch ineen. "Flink aangepakt, jongen," krijschte de oude en de kater

schoot door de lucht en stoof voort naar de deur boven den archivaris,

doch de grijze papegaai fladderde hem tegen en greep hem met den krommen

snavel in den nek, dat vurig-rood bloed eruit sprong, terwijl

Serpentina's stem riep: "Gered, gered." De oude wierp zich in opperste

woede en wanhoop op den archivaris, de vaas liet zij achter zich en

wilde hem in een openspreiding van de lange vingers der dorre handen

omklauwen, doch deze rukte haastig den slaaprok af en slingerde die der

oude tegen. Toen sisten en spatten en bruisten blauwe knettervlammen uit

de perkamenten bladen en de oude wentelde zich in smartgehuil; zij

trachtte steeds weer aarde uit de vaas te grijpen, steeds meer

perkamenten bladen uit de boeken te bemachtigen, om de flakkerende

vlammen te verstikken, want als het haar gelukte zich met aarde of

perkamentbladen te bestrooien, doofde het vuur. Doch nu schoten als uit

het innerlijk van den archivaris hel-brandende, sissende stralen op de

oude neer. "Vooruit, vooruit, dood en verderf, -- den Salamander de

zege!" daverde de stem van den archivaris door het vertrek en honderden

bliksems slingerden zich in kringen van vuur om de krijschende oude.

Grommend en stuivend vlogen de kater en de papegaai in woedenden strijd

rond, tot eindelijk de papegaai den kater met zijn krachtige vlerken

naar den grond sloeg en terwijl hij hem met de klauwen doorspietste en

bedwong, zoodat hij in den angst des doods schrikbaarlijk huilde en

steunde, reet hij hem met den scherpen snavel de gloeiende oogen uit,

dat brandend schuim er in stralen uitspoot. -- Een dikke walm welde op,

daar waar de neergestorte oude onder den slaaprok lag; haar gehuil, haar

doordringend, ontzettend smartgekrijt verklonk in wijde verte. De rook,

die zich met doordringenden stank verspreidde, vervloog, de archivaris

hief den slaaprok op en daaronder lag een smerige beetwortel.

"Hooggeachte Heer Archivaris, hier breng ik u den overwonnen vijand,"

sprak de papegaai, terwijl hij archivaris Lindhorst in zijn snavel een

zwarte haar overreikte. "Uitstekend, mijn beste," antwoordde de

archivaris, "hier ligt ook mijn overwonnen vijandin, wees zoo goed om nu

ook voor het overige te zorgen; vandaag nog schenk ik u als kleine

tegemoetkoming zes kokosnoten en een nieuwen bril, want ik zie, dat die

schandelijke kater uw glazen gebroken heeft." "Mijn leven lang zal ik u

dienen, hooggeëerde vriend en beschermer!" gaf de papegaai

hoogst-voldaan terug, nam den beetwortel in den snavel en fladderde

daarmede het raam uit, dat door archivaris Lindhorst geopend was. Deze

greep de gouden vaas en riep krachtiglijk: "Serpentina, Serpentina!" --

En toen nu de student Anselmus hoogelijk verblijd over den ondergang der

verachtelijke vrouw, die hem in het verderf gestort had, den archivaris

aanzag, was het wederom de koninklijk-hooge gestalte van den

geestenvorst, die hem met onbeschrijflijke goedheid en waardigheid

beschouwde. -- "Anselmus," sprak de Koning der geesten, "niet gij, doch

slechts een vijandig beginsel, dat vernielend in uw innerlijk trachtte

door te dringen en u met uzelf in tweespalt te brengen, was oorzaak van

uw ongeloof. -- Gij hebt uw trouw bewezen, wees vrij en leef gelukkig."

Een schicht doorschoot Anselmus' gemoed, de heerlijke drieklank der

kristallen klokjes weerklonk sterker en machtiger, dan hij ooit had

gehoord -- het sidderde door zijn nerven en diepste roerselen -- en

steeds zwellender daverde het accoord door het vertrek, het kristal, dat

Anselmus omsloten hield, sprong en hij wierp zich in de armen der

lieflijke, liefste Serpentina.

De Gouden Vaas · 第 17 / 21 题