Het lijden van den student Anselmus in de glazen flacon. -- Het
gelukkige leven van Kruisscholieren en procureursklerken. -- Het
gevecht in het bibliotheek-vertrek van archivaris Lindhorst. --
De overwinning van den Salamander en de bevrijding van den student
Anselmus.
Met recht durf ik eraan te twijfelen, goedgunstige lezer! of gij ooit in
een glazen flacon opgesloten geweest zijt, tenzij een helle kweldroom u
eens met een soortgelijke verwarrende betoovering had omvangen gehouden.
Was dit zoo, dan zult gij den jammer van den student Anselmus zeer
levendig gevoelen; hebt gij echter nimmer van iets dergelijks gedroomd,
dan wil uw beweeglijke fantazie, mij en Anselmus ten gelieve, u wel voor
enkele oogenblikken in het kristal opsluiten. -- Gij wordt door
verblindenden glans dicht omsloten, alle voorwerpen in het ronde
schijnen u door stralende regenboogkleuren verlicht en omgeven -- alles
siddert en schokt en trilt in dien luister -- bewegingloos en onmachtig
zweeft gij in een bevroren aether, die u tezamen drukt, zoodat
tevergeefs de geest over het doode lichaam gebieden wil. Steeds zwaarder
en zwaarder drukt die centenaarslast tegen uw borst -- meer en meer
verbruikt uw ademtocht de koeltjes, die in de nauwe ruimte nog af-
en aanzweefden -- uw polsaderen zwellen op en van gruwelijken angst
doorkerfd trekt iedere zenuw in verscheurenden doodsstrijd samen. Heb
medelijden, goedgunstige lezer! met den student Anselmus, wien deze
foltering in zijn glazen kerker aangreep; helaas, hij gevoelde wel dat
de dood hem niet verlossen kon, want ontwaakte hij niet uit de diepe
bezwijming, waarin hij door overmanning van pijn verzonken was, toen de
morgenzon klaar en vriendelijk in het vertrek kwam binnenschijnen en
begon toen de foltering niet van voren af aan? -- Geen lid kon hij
verroeren, doch zijn gedachten sloegen tegen het glas, hem verstompend
door hun dissoneerend weergalmen en instede van de woorden, die anders
de geest van uit zijn gevoelsinnerlijk sprak, vernam hij slechts het
doffe geruisch van den waanzin. -- Toen kreet hij in vertwijfeling:
"O Serpentina -- Serpentina, red mij uit dezen helschen nood!" En het
was als omwaaiden hem zachte zuchten, die zich rondom de flesch legden
als groene, doorzichtige vlierbladeren; het galmen hield op, de
verblindende verwarrende schijn was verdwenen en hij ademde lichter.
"Ik ben toch ook zèlf alleen de schuld van al mijn ellende, -- o, heb ik
niet tegen ù, lieve, liefste Serpentina! misdreven? -- heb ik niet een
verachtelijken twijfel jegens u gekoesterd? heb ik niet het geloof
verloren en daarmede alles, wat mij diep gelukkig maken moest? -- Ach,
nu zult gij wel nooit de mijne worden, de gouden vaas is voor mij
verloren, nooit zal ik haar wonderen mogen zien. O, kon ik u nog maar
éénmaal zien, uwe lieflijke, zoete stemme hooren, liefste Serpentina!"
-- Zoo weeklaagde de student Anselmus in felle, snijdende smart, toen er
naast hem iemand zeide: "Ik begrijp niet, wat gij toch wilt, mijnheer de
student, waarom lamenteert gij zoo bovenmatig?" -- De student Anselmus
bemerkte, dat naast hem op hetzelfde boekenrek nog vijf flacons stonden,
waarin hij drie kruisscholieren en twee procureursklerken[16] bemerkte.
"Maar, mijne Heeren, metgezellen in het ongeluk," riep hij uit, "hoe is
het u mogelijk zoo berustend, en zelfs vergenoegd te zijn, gelijk ik aan
uw vroolijke gezichten bemerk? Gij zit toch even goed als ik in glazen
flacons opgesloten en kunt u nòch bewegen nòch verplaatsen, ja zelfs
niet eens iets redelijks uitdenken, zonder dat er een helsch lawaai van
klinken en galmen ontstaat en zonder dat het op verschrikkelijke wijze
kookt en ruischt in uw hoofd. Maar gij gelooft zeker niet aan den
Salamander en de Groene Slang?" "Gij bazelt maar wat, mijnheer de
student," antwoordde een kruisscholier, "nimmer bevonden wij ons beter,
dan thans, want de klinkende thalers, die wij van den dwazen archivaris
krijgen voor al die zinnelooze copieën, bekomen ons best; wij behoeven
nu geen Italiaansche koorgezangen meer uit het hoofd te leeren, iederen
dag gaan wij naar Joseph of een andere kroeg, wij laten ons het donkere
bier goed smaken, kijken wel eens een lief meisje in de oogen, zingen
als echte studenten: "gaudeamus igitur[17]" en zijn oerfideel." "De
heeren hebben groot gelijk," viel een procureursklerk in, "ook ik ben
rijkelijk van zilveren thalers voorzien, evenals mijn waarde collega
hiernaast en bewandel dapper den "Weinberg" inplaats van bij die
verwenschte actenschrijverij tusschen vier muren te zitten." "Maar
beste, waarde heeren!" zeide de student Anselmus, "bemerkt gij dan niet,
dat gij den een voor den ander in glazen flacons zit en u verplaatsen
nòch verroeren kunt, laat staan rondwandelen?" -- Toen lachten de
kruisscholieren en procureursklerken luid-op en riepen: "die student is
gek, hij verbeeldt zich in een glazen flesch te zitten, terwijl hij op
de Elbebrug recht in het water staat te kijken. Laat ons toch verder
gaan." "Helaas," zuchtte de student, "die hebben de lieve Serpentina
nooit aanschouwd, die weten niet wat leven en vrijheid in geloof en
liefde is, daarom bemerken zij den druk van hun kerker niet, waarin de
Salamander hen om hun onverstand, hun oppervlakkige gezindheid heeft
gebannen, maar ik, rampzalige, zal vergaan in schande en jammer, als
zij, die ik zoo onzegbaar liefheb, mij niet redt." -- Toen waaide
zachtkens suizelend Serpentina's stemme door het vertrek: "Anselmus,
geloof, bemin, hoop!" -- En iedere toon blonk tot binnen Anselmus
kerker, zoodat het kristal voor zijn macht moest wijken en zich
verwijden, waardoor de borst van den gevangene zich bewegen, zich
uitzetten kon. -- Het pijnende van zijn toestand nam voortdurend af en
hij begreep, dat Serpentina hem nog liefhad en dat _zij_ het slechts
was, die hem het verblijf in het kristal dragelijk maakte. Hij
bekommerde zich niet meer om zijn lichtzinnige genooten in het ongeluk,
maar richtte al zijn voelen en denken op de beminnelijke Serpentina.
Doch plotseling kwam van de andere zijde een dof, weerzinwekkend
gemompel op. Spoedig werd hij duidelijk gewaar, dat dit gemompel
afkomstig was van een oude koffiekan met halfgebroken deksel, die
tegenover hem op een kastje geplaatst was. Zoodra hij scherper toekeek,
ontwikkelden zich steeds meer de stuitende trekken van een oud,
verschrompeld vrouwengezicht en weldra stond het appelwijf van de Zwarte
Poort voor het boekenrek. Zij grijnsde hem tegen en lachte om hem en
riep met schelle gilstem: "Zoo, zoo, kindlief! -- moet je hier zoo
zitten? -- In 't kristal kwam je ten val! -- heb ik dat niet al lang
voorspeld?" -- "Hoon maar en spot maar, vervloekt heksenwijf," zeide de
student Anselmus, "gij zijt van alles de schuld, doch de Salamander zal
u weten te treffen, leelijke beetwortel." "Wacht even!" antwoordde de
oude, "Wees niet zoo hoogmoedig! Mijn zoontjes hebt gij in 't gelaat
geschopt, mij hebt gij den neus verbrand, maar toch ben ik u nog
genegen, schelm, omdat gij overigens een welgemanierd mensch waart en
mijn kleine dochter ziet u ook gaarne. Maar uit het kristal komt gij nu
eenmaal niet, als ik u niet help; ik kan niet tot u omhoogreiken, maar
mijn meter, de rat, die vlak over u, gelijkvloers woont, zal het plankje
doorknagen, waarop gij staat, dan buitelt gij naar beneden en ik vang u
op in mijn schort, zoodat ge uw neus niet stukvalt, doch mooi uw gave
gezicht behoudt en ik breng u fluks naar het juffertje Veronica, dat gij
zult huwen, zoodra gij hofraad zijt."
[Voetnoot 16: in dit geval "volontairs."]
[Voetnoot 17: "Daarom laat ons vroolijk zijn" (begin van een
studentenlied).]
"Laat af van mij, Satansgebroed," riep de student Anselmus vol
verbittering, "uw helsche kunsten alleen hebben mij aangezet tot het
misdrijf, waarvoor ik nu boete moet doen. Maar gelaten zal ik alles
dragen, want ik kan nergens anders wijlen dan hier, waar de liefste
Serpentina mij met liefde troostend omgeeft! -- Versta dit oude en
vertwijfel! Uw macht zal ik trotseeren, ik bemin Serpentina tot in
eeuwigheid -- nooit zal ik hofraad worden -- nooit Veronica meer zien,
die mij door u tot het kwade verleidt! Kan de Groene Slang niet de mijne
worden, dan wil ik sterven van smart en verlangen! -- Pak je weg, pak je
weg, verachtelijk duivelskind!"
Toen lachte de oude, dat het schrilde door het vertrek en riep: "Blijf
dan en sterf, voor mij is het tijd aan het werk te gaan, want mijn taak
hier omvat nog meer." -- Zij wierp den zwarten mantel af en stond in
afgrijzenwekkende naaktheid, toen zwierde zij in kringen rond en groote
folianten stortten neer, waaruit zij perkamenten bladen scheurde; die
hechtte zij snel tot een kunstig maaksel aaneen, dat zij zich over het
lichaam trok en was weldra als in een vreemd, bont, schubbenharnas
gekleed. Vonkspattend sprong de zwarte kater uit den inktkoker, die op
de schrijftafel stond en huilde de oude tegen, die luid juichte en met
hem door de deur verdween. Anselmus zag, dat zij naar het blauwe vertrek
waren gegaan en weldra hoorde hij in de verte gesis en gebruis, de
vogels in de tuin kreten, de papegaai relde: "help, help, roof, roof."
Op dat oogenblik sprong de oude in de kamer terug, terwijl zij de gouden
vaas op den arm droeg en met een afgrijselijk gebaar woest rondkreet:
"Ter zege! -- ter zege! -- zonen -- doodt de groene slang! Komt,
kinderen. Komt!"
Het was Anselmus als hoorde hij een diep steunen, als hoorde hij
Serpentina's stem. Toen greep ontzetting en wanhoop hem aan. -- Hij
spande al zijn krachten in, met een geweld of zijn zenuwen en aderen
bersten moesten, stiet hij tegen het kristal -- daar voer een snijdende
toon door het vertrek en de archivaris stond in de deuropening in zijn
schitterenden, damasten slaaprok: "Hei, ho! gespuis, dwaas spooksel --
heksenmaaksel -- hier -- vooruit!" Zoo donderde hij. Toen richtten zich
de zwarte haren van de oude als stekels op, haar gloeiend-roode oogen
glansden vol hellevuur en terwijl zij de puntige tanden in den wijden
muil vast opeen beet siste zij: "flink, flink er op los maar, vooruit,
vooruit," en lachte blerrend vol hoon en spot en drukte de gouden vaas
vast tegen zich aan en wierp daaruit handenvol glinsteraarde op den
archivaris, doch zoodra de aarde den slaaprok raakte, verwerd zij tot
neervallende bloemen. Toen flakkerden en vlamden de lelieën van den
slaaprok op en de archivaris slingerde de vurig knetter-brandende
bloemen naar de heks, die huilde van pijn; doch als zij in de hoogte
sprong en het perkamenten harnas schudde, doofden de lelies en vielen
tot asch ineen. "Flink aangepakt, jongen," krijschte de oude en de kater
schoot door de lucht en stoof voort naar de deur boven den archivaris,
doch de grijze papegaai fladderde hem tegen en greep hem met den krommen
snavel in den nek, dat vurig-rood bloed eruit sprong, terwijl
Serpentina's stem riep: "Gered, gered." De oude wierp zich in opperste
woede en wanhoop op den archivaris, de vaas liet zij achter zich en
wilde hem in een openspreiding van de lange vingers der dorre handen
omklauwen, doch deze rukte haastig den slaaprok af en slingerde die der
oude tegen. Toen sisten en spatten en bruisten blauwe knettervlammen uit
de perkamenten bladen en de oude wentelde zich in smartgehuil; zij
trachtte steeds weer aarde uit de vaas te grijpen, steeds meer
perkamenten bladen uit de boeken te bemachtigen, om de flakkerende
vlammen te verstikken, want als het haar gelukte zich met aarde of
perkamentbladen te bestrooien, doofde het vuur. Doch nu schoten als uit
het innerlijk van den archivaris hel-brandende, sissende stralen op de
oude neer. "Vooruit, vooruit, dood en verderf, -- den Salamander de
zege!" daverde de stem van den archivaris door het vertrek en honderden
bliksems slingerden zich in kringen van vuur om de krijschende oude.
Grommend en stuivend vlogen de kater en de papegaai in woedenden strijd
rond, tot eindelijk de papegaai den kater met zijn krachtige vlerken
naar den grond sloeg en terwijl hij hem met de klauwen doorspietste en
bedwong, zoodat hij in den angst des doods schrikbaarlijk huilde en
steunde, reet hij hem met den scherpen snavel de gloeiende oogen uit,
dat brandend schuim er in stralen uitspoot. -- Een dikke walm welde op,
daar waar de neergestorte oude onder den slaaprok lag; haar gehuil, haar
doordringend, ontzettend smartgekrijt verklonk in wijde verte. De rook,
die zich met doordringenden stank verspreidde, vervloog, de archivaris
hief den slaaprok op en daaronder lag een smerige beetwortel.
"Hooggeachte Heer Archivaris, hier breng ik u den overwonnen vijand,"
sprak de papegaai, terwijl hij archivaris Lindhorst in zijn snavel een
zwarte haar overreikte. "Uitstekend, mijn beste," antwoordde de
archivaris, "hier ligt ook mijn overwonnen vijandin, wees zoo goed om nu
ook voor het overige te zorgen; vandaag nog schenk ik u als kleine
tegemoetkoming zes kokosnoten en een nieuwen bril, want ik zie, dat die
schandelijke kater uw glazen gebroken heeft." "Mijn leven lang zal ik u
dienen, hooggeëerde vriend en beschermer!" gaf de papegaai
hoogst-voldaan terug, nam den beetwortel in den snavel en fladderde
daarmede het raam uit, dat door archivaris Lindhorst geopend was. Deze
greep de gouden vaas en riep krachtiglijk: "Serpentina, Serpentina!" --
En toen nu de student Anselmus hoogelijk verblijd over den ondergang der
verachtelijke vrouw, die hem in het verderf gestort had, den archivaris
aanzag, was het wederom de koninklijk-hooge gestalte van den
geestenvorst, die hem met onbeschrijflijke goedheid en waardigheid
beschouwde. -- "Anselmus," sprak de Koning der geesten, "niet gij, doch
slechts een vijandig beginsel, dat vernielend in uw innerlijk trachtte
door te dringen en u met uzelf in tweespalt te brengen, was oorzaak van
uw ongeloof. -- Gij hebt uw trouw bewezen, wees vrij en leef gelukkig."
Een schicht doorschoot Anselmus' gemoed, de heerlijke drieklank der
kristallen klokjes weerklonk sterker en machtiger, dan hij ooit had
gehoord -- het sidderde door zijn nerven en diepste roerselen -- en
steeds zwellender daverde het accoord door het vertrek, het kristal, dat
Anselmus omsloten hield, sprong en hij wierp zich in de armen der
lieflijke, liefste Serpentina.