Hoe de student Anselmus eenigszins bij zijn verstand kwam. -- De
punch-genooten. -- Hoe de student Anselmus conrector Paulmann voor
een steenuil versleet, waarover deze zich zeer boos maakte. -- De
inktvlek en hare gevolgen.
Al het vreemde en wonderlijke, dat den student Anselmus dagelijks was
overkomen, had hem volslagen aan het gewone leven ontrukt. Hij ging met
geen zijner vrienden meer om en wachtte iederen morgen gespannen en
ongeduldig op het middaguur, dat hem zijn paradijs ontsloot. En toch,
hoezeer zijn gansche innerlijk leven zich naar de lieflijke Serpentina
en de wonderen van het sprookjesrijk bij archivaris Lindhorst gericht
had, moest hij bij tijden aan Veronica denken, scheen het hem zelfs meer
dan eens toe, dat zij tot hem kwam en hem blozend bekende, hoe innig zij
hem beminde en hoe zij ernaar streefde, hem aan de phantomen, waardoor
hij slechts geplaagd en bespot werd, te ontrukken. Tusschenbeide was
het, als sleepte een vreemde, plotseling op hem aanstortende macht hem
onweerstaanbaar naar de vergetene Veronica en het was, als moest hij
haar volgen, waarheen zij zou willen, als ware hij aan haar
vastgeklonken. Juist in den nacht, nadat hij Serpentina voor de eerste
maal in de gestalte eener wonderlijk lieflijke jonkvrouw aanschouwd had,
nadat hem hetwondervol -geheim der verhuwelijking van den Salamander met
de Groene Slang was geopenbaard, kwam Veronica hem duidelijker voor
oogen, dan ooit. Sterker! -- eerst toen hij ontwaakte, werd het hem
klaar, hoe hij slechts gedroomd had, want hij was overtuigd geweest, dat
Veronica zich waarlijk bij hem bevond en er op diep-smartelijken toon,
die tot in zijn gemoedsinnerlijk doorklonk, over klaagde, dat hij haar
innige liefde aan de fantastische verschijningen, die slechts zijn
innerlijke vernietiging zouden teweegbrengen, opofferen wilde en zoo aan
zijn ongeluk en verderf zou geraken. Veronica was bekoorlijker, dan hij
haar ooit gezien had; hij kon haar bijna niet uit de gedachten houden en
deze toestand veroorzaakte hem een pijn, die hij door een
morgenwandeling hoopte te verliezen. Een onbekende, magische macht trok
hem tot voor de Pirnasche Poort en juist wilde hij een zijstraat
inslaan, toen conrector Paulmann, die achter hem aan kwam, luide riep:
"Hé hé -- beste mijnheer Anselmus! -- Amice, amice, waar zit gij in 's
Hemelsnaam toch, gij laat u in 't geheel niet meer zien -- weet gij wel,
dat Veronica er op gespitst is weer eens samen met u te zingen? -- Ga
dan nu mede, gij wildet immers toch naar mij toe?" Noodgedwongen ging de
student Anselmus met den conrector mede. Toen zij het huis binnenkwamen,
trad Veronica hun bevallig en keurig gekleed tegemoet, zoodat conrector
Paulmann vol verbazing vroeg: "Hé, waarom zoo gesmukt, werd er dan
bezoek verwacht? -- in elk geval breng ik hier mijnheer Anselmus
mede." --
Toen de student Veronica welgemanierd-bescheiden de hand kuste, voelde
hij een zachten druk, die als een warmen stroom door zijn zenuwen en
diepste roerselen schokte. Veronica was de vroolijkheid, de
bekoorlijkheid zelve en toen Paulmann naar zijn studeerkamer was gegaan,
wist zij Anselmus door allerlei plagerij en schalkschheid zoo op te
voeren, dat hij alle beschaamdheid vergat en ten slotte met het
uitgelaten meisje door de kamer ronddraafde. Toen kreeg echter opeens de
demon der onhandigheid weer vat op hem, hij stootte tegen de tafel en
Veronica's sierlijke naaidoosje viel er af. Anselmus raapte het op, het
deksel was opengesprongen en een kleine, ronde metalen spiegel blonk hem
tegen, waarin hij bijzonderlijk bekoord, kijken bleef. Veronica sloop
zacht achter hem, legde de hand op zijn arm en keek, terwijl zij zich
dicht tegen hem aan vlijde; over zijn schouder mede in den spiegel. Toen
was het Anselmus als begon in zijn binnenste een strijd -- gedachten --
beelden -- bliksemden op en vergingen weder, -- archivaris Lindhorst --
Serpentina -- de Groene Slang -- tot het eindelijk stiller werd en het
al-verwarde zich ordende en zich in klaar bewustzijn effende. Hij
begreep nu, dat hij voortdurend slechts aan Veronica gedacht had, zelfs
dat de gestalte, die hem gisteren in de blauwe kamer verschenen was, ook
slechts Veronica kon geweest zijn en dat de verbeeldingsrijke sage over
de verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang enkel door hem
geschreven, doch hem geenszins verteld werd. Zelf verbaasde hij zich
over zijn gedroom en schreef dit louter aan zijn, door de liefde tot
Veronica ziekelijk-opgezweepten zielstoestand toe, alsook aan het werken
bij archivaris Lindhorst, in wiens kamers het bovendien nog zoo
wonderlijk-bedwelmend rook. Hartelijk lachen moest hij over de dwaze
inbeelding, verliefd te zijn op een kleine slang en een goedgebouwden
geheim-archivaris voor een Salamander te houden.
"Ja, zeker! -- Veronica is het!" zeide hij luide, maar toen hij het
hoofd omwendde, keek hij recht in Veronica's blauwe oogen, waarin liefde
en verlangen blonk. Een dof "O!" ontvlood haar lippen, die in dat
oogenblik op de zijne gloeiden. "O, ik gelukkige," zuchtte de verrukte
student, "wat ik gisteren nog maar droomde, wordt mij vandaag nu in alle
werkelijkheid deelachtig." "En zul je nu heusch met mij trouwen, wanneer
je hofraad bent?" vroeg Veronica. "Beslist," antwoordde de student
Anselmus; toen piepte de deur en conrector Paulmann trad binnen,
zeggende: "Kom, beste mijnheer Anselmus, vandaag laat ik u niet gaan, u
stelt zich wel met een soepje tevreden en dán zal Veronica een goed
kopje koffie voor ons zetten, dat wij met den griffier Heerbrand, die
beloofd heeft te zullen komen, gaan gebruiken."
"Ja, waarde heer conrector," antwoordde de student Anselmus, "maar u
weet toch wel, dat ik naar archivaris Lindhorst moet, vanwege het
copieeren?" "Kijk eens, amice!" zeide conrector Paulmann, terwijl hij
hem zijn horloge voorhield, dat op half een stond. De student Anselmus
zag nu wel in, dat het veel te laat was om nog naar archivaris Lindhorst
te gaan en legde zich te liever bij de verlangens van den conrector
neder, omdat hij zoodoende Veronica den geheelen dag zou kunnen zien en
menigen heimelijken blik, menigen teederen handdruk hoopte te krijgen,
o, zelfs wel erop rekende een kus te bemachtigen. Zoo hoog stegen al de
wenschen van den student Anselmus en immer behagelijker werd het hem te
moede, hoe meer hij er zich van doordrong, dat hij nu spoedig bevrijd
zou zijn van alle fantastische inbeeldingen, die hem werkelijk tot een
totaal-in-ongerijmdheden-zich-verliezenden dwaas hadden kunnen maken. De
griffier Heerbrand verscheen inderdaad na tafel en toen men koffie
gedronken had en de schemering reeds was gevallen, gaf hij meesmuilend
en zich welgemoed de handen wrijvend te verstaan, dat hij iets bij zich
had, hetgeen gemengd door Veronica's mooie handjes en in den passenden
vorm gebracht, om zoo te zeggen gefolieerd en gerubriceerd, allen op
dezen koelen October-avond welkom zou zijn. "Voor den dag dan maar met
het geheimzinnige ding, dat u bij zich hebt, geachte griffier," riep
conrector Paulmann; maar griffier Heerbrand greep in den diepen zak van
zijn overjas en bracht in drie tempo's een flesch arak, citroenen en
suiker te voorschijn. Een half uur was nauwelijks verloopen, of er
dampte reeds een keurige punch op Paulmann's tafel. Veronica diende den
drank op en onder de vrienden werden allerlei vroolijke gesprekken
gevoerd. Doch zoodra de geest van den drank den student naar het hoofd
steeg, kwamen ook de beelden van het wonderbaarlijke en vreemde, dat hij
kortelings doorleefd had, weder terug. -- Hij zag archivaris Lindhorst,
in zijn damasten slaaprok, die fosforisch opglansde -- hij zag het
azuurblauwe vertrek, de gouden palmboomen, zelfs werd het hem weer zoo
te moede, als moest hij toch aan Serpentina gelooven -- het kookte en
gistte in zijn binnenste. Veronica reikte hem een glas punch en terwijl
hij het aanvatte, raakte hij even haar hand.
"Serpentina! Veronica!" zuchtte hij als in zichzelf. In diepte van
droomen verzonk hij, doch de griffier Heerbrand riep luide: "Het blijft
toch een wonderlijke, oude heer, waar niemand uit wijs wordt, die
archivaris Lindhorst -- Lang zal hij leven! Klinken, mijnheer Anselmus."
Toen steeg de student Anselmus boven zijn droomen uit en zeide, terwijl
hij met griffier Heerbrand aanstootte: "dat komt daardoor, hooggeschatte
Heer griffier, omdat de archivaris Lindhorst eigenlijk een Salamander
is, die den tuin van den geestenvorst Phosphorus in toorn verwoestte,
omdat de Groene Slang van hem was weggevlogen?" "Hein, wat?" vroeg
Conrector Paulmann. "Ja," ging de student Anselmus voort, "daarom moet
hij nu archivaris zijn in koninklijken dienst en hier in Dresden huizen
met zijn drie dochters, die echter niets anders zijn dan kleine
goudgroene slangen, die zich in vlierboschjes door de zon laten
koesteren, verleidelijk zingen en jonge mannen verlokken, als de
Sirenen." -- "Mijnheer Anselmus, Mijnheer Anselmus," riep conrector
Paulmann, "is u aan het malen? -- Wat voor onbeholpen nonsens gooit u er
nu toch uit?" "Hij heeft gelijk," viel de griffier Heerbrand in, "die
kerel, die archivaris is vervloekt een salamander, die uit zijn vingers
vuursnippers slaat, die iemand gaten in zijn overjas branden als
gloeiende zwam. Ja, zeker, gij hebt gelijk, kameraad Anselmus,
en wie het niet gelooven wil, beschouw ik als mijn vijand!" Tegelijk
sloeg griffier Heerbrand met de vuist op tafel, dat de glazen
rinkelden. "Griffier! -- is u dol" riep de vertoornde conrector.
"O, ongeluksstudent, ongeluksstudent, wat hebt gij nu weer uitgericht!"
"Kom," zeide de student, "U is toch ook maar een vogel -- een
steenuil[12], die de pruiken krult, mijnheer de conrector!" "Wat? -- ik
een vogel -- een steenuil -- een kapper!" riep de conrector in volsten
toorn -- "Mijnheer, u is razend, razend!" -- "Maar de oude[13] zal hem
overlast bezorgen," riep griffier Heerbrand. "Ja, de oude is machtig,"
viel de student Anselmus bij, "ofschoon zij maar van geringe afkomst is,
want haar vader was slechts een voddige ganzevleugel en haar moeder een
verachtelijke beetwortel, doch haar grootste macht dankt zij aan
allerlei vijandige schepselen -- giftig uitvaagsel -- waardoor zij
omgeven is." "Dat is gruwelijke lasterpraat," riep Veronica met
boosglanzende oogen, "de oude Lize is een verstandige vrouw en de zwarte
kater géén vijandig schepsel, doch een beschaafde jonge man met hoofsche
manieren en haar germain-neef." "Kan die Salamanders eten, zonder zich
den baard te schroeien en jammerlijk om te komen?" zeide griffier
Heerbrand. "Neen, neen," riep de student Anselmus, "nooit ofte nimmer
zal hij dat kunnen; en de groene slang heeft mij lief, want ik ben een
kinderlijk gemoed en heb Serpentina's oogen aanschouwd." "De kater zal
die uitkrabben," riep Veronica. "De Salamander, de Salamander, kan ze
allen bedwingen, allen," brulde conrector Paulmann in een paroxysme van
woede -- "-- maar ben ik dan in een gekkenhuis? ben ik zelf gek? -- wat
kraam ik dan toch voor ongerijmde praat uit? -- zeker, ik ben ook gek --
ook gek!" Tegelijk sprong conrector Paulmann op, rukte zich de pruik van
het hoofd en slingerde die tegen de zoldering, zoodat de platgeslagen
lokken een klaaglijk geluid gaven en in ganschelijke vernieling het
poeder wijd in de rondte deden stuiven. Toen grepen de student Anselmus
en griffier Heerbrand de kom met punch en de glazen, om die onder
gejuich en gejubel tegen de zoldering te werpen, zoodat de scherven
klinkend en kletterend rondsprongen. "Vivat Salamander -- pereat --
pereat de oude -- slaat den metalen spiegel stuk, rijt den kater de
oogen uit! -- Vogeltje -- vogeltje uit hooge luchten -- eheu[14] -- eheu
-- evoe[15] -- Salamander!" -- Zoo schreeuwden en krijschten de drie als
bezetenen dooreen. Luid schreiend ijlde Fransje weg, doch Veronica bleef
kermend van smartepijn op de sofa liggen. Toen ging de deur open, alles
werd plotseling stil en er trad een klein mannetje in een grijs
manteltje binnen. Zijn gelaat had iets vreemd gewild-ernstigs en de
kromgebogen neus, waarop zich een groote bril bevond, onderscheidde
zich bijzonderlijk van alle tot dusver geziene. Ook droeg hij zulk een
eigenaardige pruik, dat het meer een muts van veeren scheen te zijn.
"Ah, vriendelijk goeden avond," rettelde het potsierlijke mannetje,
"mijnheer de student Anselmus is zeker wel hier? Beleefde groeten van
Mijnheer den archivaris Lindhorst en hij heeft Mijnheer Anselmus vandaag
vergeefs gewacht, doch hij laat vriendelijk vragen, morgen toch niet het
gewone uur te willen verzuimen." Daarop stapte hij de deur weer uit en
allen zagen nu zeer goed, dat het gewild-deftige mannetje eigenlijk een
grijze papegaai was. Conrector Paulmann en griffier Heerbrand stootten
een schaterlach uit, die dreunde door het vertrek, en daartusschendoor
kermde en steunde Veronica als verscheurd door onuitsprekelijke ellende,
maar de student Anselmus voelde zich doorschokt van den waanzin der
innerlijke ontzetting en zonder bewustzijn stormde hij de deur uit en de
straten door. Werktuigelijk hervond hij zijn woning, zijn klein vertrek.
Spoedig daarna trad Veronica vredig en vriendelijk tot hem en vroeg,
waarom hij haar in zijn roes zoo'n schrik aangejaagd had en dat hij
zich toch voor nieuwe inbeeldingen mocht hoeden, wanneer hij bij den
archivaris aan het werk was. "Goeden nacht, goeden nacht, mijn liefste
vriend" murmelde Veronica zacht, terwijl zij zijn lippen in vluchtigen
kus beroerde. Hij wilde haar met de armen omvangen, doch de
droomgestalte was verdwenen en hij ontwaakte monter en verjongd. Nu
moest hij zelf smakelijk om de uitwerking van den punch lachen, doch
terwijl hij aan Veronica dacht, voelde hij toch hoe een behaaglijke
aandoening hem doordrong. Aan haar alleen, zeide hij tot zichzelf, heb
ik het te danken, dat ik van mijn zotte kuren ben teruggekomen. --
Waarlijk, het ging mij al niet beter, als zeker iemand, die geloofde,
dat hij van glas was, of als hem, die het vertrek niet durfde te
verlaten, uit vrees door de hoenders te zullen worden opgegeten, omdat
hij zich verbeeldde een gerstekorrel te zijn. Doch zoodra ik hofraad
ben, huw ik eenvoudig Mejuffrouw Paulmann en ik word gelukkig. -- Toen
hij nu 's middags door den tuin van archivaris Lindhorst ging, kon hij
er zich niet genoeg over verbazen, hoe dat alles hem anders zoo vreemd
en vol wonderen had kunnen toeschijnen. Hij zag niets dan wat gewone
kamerplanten, verschillende soorten geraniums, myrtenstammen en
dergelijke. Inplaats van de schitterende, bonte vogels, die hem
anders plaagden, fladderden enkel wat musschen heen en weer, die
een onverstaanbaar onaangenaam gekwetter begonnen, toen zij Anselmus
bemerkten. Het blauwe vertrek kwam hem ook geheel anders voor en hij
begreep niet, hoe het schelle blauw en de onnatuurlijk-gouden stammen
der palmboomen met de onooglijke blinkende bladeren hem een oogenblik
hadden kunnen bekoren.
[Voetnoot 12: toespeling op vader Schuhu uit het achtste hoofdstuk.]
[Voetnoot 13: de oude "vrouw" n.l.]
[Voetnoot 14: uitroep van smart = O, ach (Plautus)]
[Voetnoot 15: juichkreet der Bacchanten = "dat het hem welga."]
De archivaris zag hem met een zeer eigenaardigen, ironischen glimlach
aan en vroeg: "Nu, hoe smaakte u gisteren de punch, beste Anselmus?"
"Ja, de papegaai heeft u zeker," antwoordde de student Anselmus
beschaamd, doch hij stokte, want hij moest er aan denken, dat ook de
verschijning van den papegaai slechts een begoocheling van zijn bevangen
zinnen geweest was. "Kom, ik was immers zelf in het gezelschap," viel de
archivaris Lindhorst hem in de rede, "hebt u mij dan niet gezien? Maar
door de dwaze onbetamelijkheden, die gij bedreeft, was ik haast leelijk
gekwetst, want juist in het oogenblik, dat de griffier ernaar greep, om
haar tegen de zoldering te slingeren, zat ik nog in de kom en ik moest
mij snel in den pijpenkop van den conrector terugtrekken. En thans, het
ga u goed, mijnheer Anselmus! Arbeidt maar vlijtig door; ik zal u ook
voor den gisteren verzuimden dag een zilveren Thaler geven, omdat gij
totnutoe zoo flink gewerkt hebt." "Hoe kan de archivaris nu toch zulke
dwaasheden uitkramen," zeide de student Anselmus tot zichzelf, en hij
zette zich aan tafel om met het copieeren van het manuscript te
beginnen, dat de archivaris als gewoonlijk voor hem ontrold had. Maar
hij ontwaarde op de perkamenten rol zooveel wonderlijke krullerige halen
en slingers door elkaar heen, die, zonder het oog een enkel rustpunt te
bieden, den blik verwarden, dat het hem bijna onmogelijk scheen, dit
alles getrouw na te teekenen. En zelfs, als men het geheel even overzag
geleek het perkament slechts een bontgeaderd stuk marmer of een met mos
bespikkelden steen. -- Desniettegenstaande zou hij al het mogelijke doen
en doopte wakker zijn pen in, doch de inkt wilde in het geheel niet
vloeien, ongeduldig schudde hij de pen uit en -- Hemelsche Goedheid --
daar viel een groote inktvlek op het uitgespreide handschrift. Sissend
en bruisend schoot een blauwe bliksemstraal uit de vlak op en slingerde
zich krakend door het vertrek tot aan de zoldering. Toen brak uit de
wanden een dikke damp, de bladeren begonnen te ruischen als door storm
bewogen en met vurige flakkering schoten er schitterende hagedissen uit
neder die den damp ontstaken, totdat de vlammende massa's zich
knetterend om Anselmus wentelden. De gouden stammen der palmboomen
werden reuzenslangen, die haar afgrijselijke koppen met doordringend
metaalgeluid tegen elkander stieten en Anselmus met de geschubde
lichamen omwonden.
"Waanzinnige, onderga thans de straf voor hetgeen gij in onbeschaamden
moedwil misdreeft." -- Dit riep de geweldige stem van den gekroonden
Salamander, die boven de slangen als een verblindend stralen te midden
der vlammen opkwam en nu spoten uit haar opengesperde muilen watervallen
van vuur op Anselmus neder tot het was als verdichtten zich deze
vuurstroomen om zijn lichaam tot een vaste, ijskoude massa. Doch terwijl
de ledematen van Anselmus in al nauwer en nauwer samentrekking
verstarden, brak zijn denken. Toen hij weder bijkwam, kon hij zich niet
meer bewegen, hij was, als door een glanzige helderheid omgeven, waaraan
hij zich als hij slechts de hand heffen of zich anders verroeren wilde,
stiet. Helaas! hij zat in een goedgesloten kristallen flacon op een
boekenrek in de bibliotheek van archivaris Lindhorst. --