NEGENDE NACHTWAAK

Hoe de student Anselmus eenigszins bij zijn verstand kwam. -- De

punch-genooten. -- Hoe de student Anselmus conrector Paulmann voor

een steenuil versleet, waarover deze zich zeer boos maakte. -- De

inktvlek en hare gevolgen.

Al het vreemde en wonderlijke, dat den student Anselmus dagelijks was

overkomen, had hem volslagen aan het gewone leven ontrukt. Hij ging met

geen zijner vrienden meer om en wachtte iederen morgen gespannen en

ongeduldig op het middaguur, dat hem zijn paradijs ontsloot. En toch,

hoezeer zijn gansche innerlijk leven zich naar de lieflijke Serpentina

en de wonderen van het sprookjesrijk bij archivaris Lindhorst gericht

had, moest hij bij tijden aan Veronica denken, scheen het hem zelfs meer

dan eens toe, dat zij tot hem kwam en hem blozend bekende, hoe innig zij

hem beminde en hoe zij ernaar streefde, hem aan de phantomen, waardoor

hij slechts geplaagd en bespot werd, te ontrukken. Tusschenbeide was

het, als sleepte een vreemde, plotseling op hem aanstortende macht hem

onweerstaanbaar naar de vergetene Veronica en het was, als moest hij

haar volgen, waarheen zij zou willen, als ware hij aan haar

vastgeklonken. Juist in den nacht, nadat hij Serpentina voor de eerste

maal in de gestalte eener wonderlijk lieflijke jonkvrouw aanschouwd had,

nadat hem hetwondervol -geheim der verhuwelijking van den Salamander met

de Groene Slang was geopenbaard, kwam Veronica hem duidelijker voor

oogen, dan ooit. Sterker! -- eerst toen hij ontwaakte, werd het hem

klaar, hoe hij slechts gedroomd had, want hij was overtuigd geweest, dat

Veronica zich waarlijk bij hem bevond en er op diep-smartelijken toon,

die tot in zijn gemoedsinnerlijk doorklonk, over klaagde, dat hij haar

innige liefde aan de fantastische verschijningen, die slechts zijn

innerlijke vernietiging zouden teweegbrengen, opofferen wilde en zoo aan

zijn ongeluk en verderf zou geraken. Veronica was bekoorlijker, dan hij

haar ooit gezien had; hij kon haar bijna niet uit de gedachten houden en

deze toestand veroorzaakte hem een pijn, die hij door een

morgenwandeling hoopte te verliezen. Een onbekende, magische macht trok

hem tot voor de Pirnasche Poort en juist wilde hij een zijstraat

inslaan, toen conrector Paulmann, die achter hem aan kwam, luide riep:

"Hé hé -- beste mijnheer Anselmus! -- Amice, amice, waar zit gij in 's

Hemelsnaam toch, gij laat u in 't geheel niet meer zien -- weet gij wel,

dat Veronica er op gespitst is weer eens samen met u te zingen? -- Ga

dan nu mede, gij wildet immers toch naar mij toe?" Noodgedwongen ging de

student Anselmus met den conrector mede. Toen zij het huis binnenkwamen,

trad Veronica hun bevallig en keurig gekleed tegemoet, zoodat conrector

Paulmann vol verbazing vroeg: "Hé, waarom zoo gesmukt, werd er dan

bezoek verwacht? -- in elk geval breng ik hier mijnheer Anselmus

mede." --

Toen de student Veronica welgemanierd-bescheiden de hand kuste, voelde

hij een zachten druk, die als een warmen stroom door zijn zenuwen en

diepste roerselen schokte. Veronica was de vroolijkheid, de

bekoorlijkheid zelve en toen Paulmann naar zijn studeerkamer was gegaan,

wist zij Anselmus door allerlei plagerij en schalkschheid zoo op te

voeren, dat hij alle beschaamdheid vergat en ten slotte met het

uitgelaten meisje door de kamer ronddraafde. Toen kreeg echter opeens de

demon der onhandigheid weer vat op hem, hij stootte tegen de tafel en

Veronica's sierlijke naaidoosje viel er af. Anselmus raapte het op, het

deksel was opengesprongen en een kleine, ronde metalen spiegel blonk hem

tegen, waarin hij bijzonderlijk bekoord, kijken bleef. Veronica sloop

zacht achter hem, legde de hand op zijn arm en keek, terwijl zij zich

dicht tegen hem aan vlijde; over zijn schouder mede in den spiegel. Toen

was het Anselmus als begon in zijn binnenste een strijd -- gedachten --

beelden -- bliksemden op en vergingen weder, -- archivaris Lindhorst --

Serpentina -- de Groene Slang -- tot het eindelijk stiller werd en het

al-verwarde zich ordende en zich in klaar bewustzijn effende. Hij

begreep nu, dat hij voortdurend slechts aan Veronica gedacht had, zelfs

dat de gestalte, die hem gisteren in de blauwe kamer verschenen was, ook

slechts Veronica kon geweest zijn en dat de verbeeldingsrijke sage over

de verhuwelijking van den Salamander met de Groene Slang enkel door hem

geschreven, doch hem geenszins verteld werd. Zelf verbaasde hij zich

over zijn gedroom en schreef dit louter aan zijn, door de liefde tot

Veronica ziekelijk-opgezweepten zielstoestand toe, alsook aan het werken

bij archivaris Lindhorst, in wiens kamers het bovendien nog zoo

wonderlijk-bedwelmend rook. Hartelijk lachen moest hij over de dwaze

inbeelding, verliefd te zijn op een kleine slang en een goedgebouwden

geheim-archivaris voor een Salamander te houden.

"Ja, zeker! -- Veronica is het!" zeide hij luide, maar toen hij het

hoofd omwendde, keek hij recht in Veronica's blauwe oogen, waarin liefde

en verlangen blonk. Een dof "O!" ontvlood haar lippen, die in dat

oogenblik op de zijne gloeiden. "O, ik gelukkige," zuchtte de verrukte

student, "wat ik gisteren nog maar droomde, wordt mij vandaag nu in alle

werkelijkheid deelachtig." "En zul je nu heusch met mij trouwen, wanneer

je hofraad bent?" vroeg Veronica. "Beslist," antwoordde de student

Anselmus; toen piepte de deur en conrector Paulmann trad binnen,

zeggende: "Kom, beste mijnheer Anselmus, vandaag laat ik u niet gaan, u

stelt zich wel met een soepje tevreden en dán zal Veronica een goed

kopje koffie voor ons zetten, dat wij met den griffier Heerbrand, die

beloofd heeft te zullen komen, gaan gebruiken."

"Ja, waarde heer conrector," antwoordde de student Anselmus, "maar u

weet toch wel, dat ik naar archivaris Lindhorst moet, vanwege het

copieeren?" "Kijk eens, amice!" zeide conrector Paulmann, terwijl hij

hem zijn horloge voorhield, dat op half een stond. De student Anselmus

zag nu wel in, dat het veel te laat was om nog naar archivaris Lindhorst

te gaan en legde zich te liever bij de verlangens van den conrector

neder, omdat hij zoodoende Veronica den geheelen dag zou kunnen zien en

menigen heimelijken blik, menigen teederen handdruk hoopte te krijgen,

o, zelfs wel erop rekende een kus te bemachtigen. Zoo hoog stegen al de

wenschen van den student Anselmus en immer behagelijker werd het hem te

moede, hoe meer hij er zich van doordrong, dat hij nu spoedig bevrijd

zou zijn van alle fantastische inbeeldingen, die hem werkelijk tot een

totaal-in-ongerijmdheden-zich-verliezenden dwaas hadden kunnen maken. De

griffier Heerbrand verscheen inderdaad na tafel en toen men koffie

gedronken had en de schemering reeds was gevallen, gaf hij meesmuilend

en zich welgemoed de handen wrijvend te verstaan, dat hij iets bij zich

had, hetgeen gemengd door Veronica's mooie handjes en in den passenden

vorm gebracht, om zoo te zeggen gefolieerd en gerubriceerd, allen op

dezen koelen October-avond welkom zou zijn. "Voor den dag dan maar met

het geheimzinnige ding, dat u bij zich hebt, geachte griffier," riep

conrector Paulmann; maar griffier Heerbrand greep in den diepen zak van

zijn overjas en bracht in drie tempo's een flesch arak, citroenen en

suiker te voorschijn. Een half uur was nauwelijks verloopen, of er

dampte reeds een keurige punch op Paulmann's tafel. Veronica diende den

drank op en onder de vrienden werden allerlei vroolijke gesprekken

gevoerd. Doch zoodra de geest van den drank den student naar het hoofd

steeg, kwamen ook de beelden van het wonderbaarlijke en vreemde, dat hij

kortelings doorleefd had, weder terug. -- Hij zag archivaris Lindhorst,

in zijn damasten slaaprok, die fosforisch opglansde -- hij zag het

azuurblauwe vertrek, de gouden palmboomen, zelfs werd het hem weer zoo

te moede, als moest hij toch aan Serpentina gelooven -- het kookte en

gistte in zijn binnenste. Veronica reikte hem een glas punch en terwijl

hij het aanvatte, raakte hij even haar hand.

"Serpentina! Veronica!" zuchtte hij als in zichzelf. In diepte van

droomen verzonk hij, doch de griffier Heerbrand riep luide: "Het blijft

toch een wonderlijke, oude heer, waar niemand uit wijs wordt, die

archivaris Lindhorst -- Lang zal hij leven! Klinken, mijnheer Anselmus."

Toen steeg de student Anselmus boven zijn droomen uit en zeide, terwijl

hij met griffier Heerbrand aanstootte: "dat komt daardoor, hooggeschatte

Heer griffier, omdat de archivaris Lindhorst eigenlijk een Salamander

is, die den tuin van den geestenvorst Phosphorus in toorn verwoestte,

omdat de Groene Slang van hem was weggevlogen?" "Hein, wat?" vroeg

Conrector Paulmann. "Ja," ging de student Anselmus voort, "daarom moet

hij nu archivaris zijn in koninklijken dienst en hier in Dresden huizen

met zijn drie dochters, die echter niets anders zijn dan kleine

goudgroene slangen, die zich in vlierboschjes door de zon laten

koesteren, verleidelijk zingen en jonge mannen verlokken, als de

Sirenen." -- "Mijnheer Anselmus, Mijnheer Anselmus," riep conrector

Paulmann, "is u aan het malen? -- Wat voor onbeholpen nonsens gooit u er

nu toch uit?" "Hij heeft gelijk," viel de griffier Heerbrand in, "die

kerel, die archivaris is vervloekt een salamander, die uit zijn vingers

vuursnippers slaat, die iemand gaten in zijn overjas branden als

gloeiende zwam. Ja, zeker, gij hebt gelijk, kameraad Anselmus,

en wie het niet gelooven wil, beschouw ik als mijn vijand!" Tegelijk

sloeg griffier Heerbrand met de vuist op tafel, dat de glazen

rinkelden. "Griffier! -- is u dol" riep de vertoornde conrector.

"O, ongeluksstudent, ongeluksstudent, wat hebt gij nu weer uitgericht!"

"Kom," zeide de student, "U is toch ook maar een vogel -- een

steenuil[12], die de pruiken krult, mijnheer de conrector!" "Wat? -- ik

een vogel -- een steenuil -- een kapper!" riep de conrector in volsten

toorn -- "Mijnheer, u is razend, razend!" -- "Maar de oude[13] zal hem

overlast bezorgen," riep griffier Heerbrand. "Ja, de oude is machtig,"

viel de student Anselmus bij, "ofschoon zij maar van geringe afkomst is,

want haar vader was slechts een voddige ganzevleugel en haar moeder een

verachtelijke beetwortel, doch haar grootste macht dankt zij aan

allerlei vijandige schepselen -- giftig uitvaagsel -- waardoor zij

omgeven is." "Dat is gruwelijke lasterpraat," riep Veronica met

boosglanzende oogen, "de oude Lize is een verstandige vrouw en de zwarte

kater géén vijandig schepsel, doch een beschaafde jonge man met hoofsche

manieren en haar germain-neef." "Kan die Salamanders eten, zonder zich

den baard te schroeien en jammerlijk om te komen?" zeide griffier

Heerbrand. "Neen, neen," riep de student Anselmus, "nooit ofte nimmer

zal hij dat kunnen; en de groene slang heeft mij lief, want ik ben een

kinderlijk gemoed en heb Serpentina's oogen aanschouwd." "De kater zal

die uitkrabben," riep Veronica. "De Salamander, de Salamander, kan ze

allen bedwingen, allen," brulde conrector Paulmann in een paroxysme van

woede -- "-- maar ben ik dan in een gekkenhuis? ben ik zelf gek? -- wat

kraam ik dan toch voor ongerijmde praat uit? -- zeker, ik ben ook gek --

ook gek!" Tegelijk sprong conrector Paulmann op, rukte zich de pruik van

het hoofd en slingerde die tegen de zoldering, zoodat de platgeslagen

lokken een klaaglijk geluid gaven en in ganschelijke vernieling het

poeder wijd in de rondte deden stuiven. Toen grepen de student Anselmus

en griffier Heerbrand de kom met punch en de glazen, om die onder

gejuich en gejubel tegen de zoldering te werpen, zoodat de scherven

klinkend en kletterend rondsprongen. "Vivat Salamander -- pereat --

pereat de oude -- slaat den metalen spiegel stuk, rijt den kater de

oogen uit! -- Vogeltje -- vogeltje uit hooge luchten -- eheu[14] -- eheu

-- evoe[15] -- Salamander!" -- Zoo schreeuwden en krijschten de drie als

bezetenen dooreen. Luid schreiend ijlde Fransje weg, doch Veronica bleef

kermend van smartepijn op de sofa liggen. Toen ging de deur open, alles

werd plotseling stil en er trad een klein mannetje in een grijs

manteltje binnen. Zijn gelaat had iets vreemd gewild-ernstigs en de

kromgebogen neus, waarop zich een groote bril bevond, onderscheidde

zich bijzonderlijk van alle tot dusver geziene. Ook droeg hij zulk een

eigenaardige pruik, dat het meer een muts van veeren scheen te zijn.

"Ah, vriendelijk goeden avond," rettelde het potsierlijke mannetje,

"mijnheer de student Anselmus is zeker wel hier? Beleefde groeten van

Mijnheer den archivaris Lindhorst en hij heeft Mijnheer Anselmus vandaag

vergeefs gewacht, doch hij laat vriendelijk vragen, morgen toch niet het

gewone uur te willen verzuimen." Daarop stapte hij de deur weer uit en

allen zagen nu zeer goed, dat het gewild-deftige mannetje eigenlijk een

grijze papegaai was. Conrector Paulmann en griffier Heerbrand stootten

een schaterlach uit, die dreunde door het vertrek, en daartusschendoor

kermde en steunde Veronica als verscheurd door onuitsprekelijke ellende,

maar de student Anselmus voelde zich doorschokt van den waanzin der

innerlijke ontzetting en zonder bewustzijn stormde hij de deur uit en de

straten door. Werktuigelijk hervond hij zijn woning, zijn klein vertrek.

Spoedig daarna trad Veronica vredig en vriendelijk tot hem en vroeg,

waarom hij haar in zijn roes zoo'n schrik aangejaagd had en dat hij

zich toch voor nieuwe inbeeldingen mocht hoeden, wanneer hij bij den

archivaris aan het werk was. "Goeden nacht, goeden nacht, mijn liefste

vriend" murmelde Veronica zacht, terwijl zij zijn lippen in vluchtigen

kus beroerde. Hij wilde haar met de armen omvangen, doch de

droomgestalte was verdwenen en hij ontwaakte monter en verjongd. Nu

moest hij zelf smakelijk om de uitwerking van den punch lachen, doch

terwijl hij aan Veronica dacht, voelde hij toch hoe een behaaglijke

aandoening hem doordrong. Aan haar alleen, zeide hij tot zichzelf, heb

ik het te danken, dat ik van mijn zotte kuren ben teruggekomen. --

Waarlijk, het ging mij al niet beter, als zeker iemand, die geloofde,

dat hij van glas was, of als hem, die het vertrek niet durfde te

verlaten, uit vrees door de hoenders te zullen worden opgegeten, omdat

hij zich verbeeldde een gerstekorrel te zijn. Doch zoodra ik hofraad

ben, huw ik eenvoudig Mejuffrouw Paulmann en ik word gelukkig. -- Toen

hij nu 's middags door den tuin van archivaris Lindhorst ging, kon hij

er zich niet genoeg over verbazen, hoe dat alles hem anders zoo vreemd

en vol wonderen had kunnen toeschijnen. Hij zag niets dan wat gewone

kamerplanten, verschillende soorten geraniums, myrtenstammen en

dergelijke. Inplaats van de schitterende, bonte vogels, die hem

anders plaagden, fladderden enkel wat musschen heen en weer, die

een onverstaanbaar onaangenaam gekwetter begonnen, toen zij Anselmus

bemerkten. Het blauwe vertrek kwam hem ook geheel anders voor en hij

begreep niet, hoe het schelle blauw en de onnatuurlijk-gouden stammen

der palmboomen met de onooglijke blinkende bladeren hem een oogenblik

hadden kunnen bekoren.

[Voetnoot 12: toespeling op vader Schuhu uit het achtste hoofdstuk.]

[Voetnoot 13: de oude "vrouw" n.l.]

[Voetnoot 14: uitroep van smart = O, ach (Plautus)]

[Voetnoot 15: juichkreet der Bacchanten = "dat het hem welga."]

De archivaris zag hem met een zeer eigenaardigen, ironischen glimlach

aan en vroeg: "Nu, hoe smaakte u gisteren de punch, beste Anselmus?"

"Ja, de papegaai heeft u zeker," antwoordde de student Anselmus

beschaamd, doch hij stokte, want hij moest er aan denken, dat ook de

verschijning van den papegaai slechts een begoocheling van zijn bevangen

zinnen geweest was. "Kom, ik was immers zelf in het gezelschap," viel de

archivaris Lindhorst hem in de rede, "hebt u mij dan niet gezien? Maar

door de dwaze onbetamelijkheden, die gij bedreeft, was ik haast leelijk

gekwetst, want juist in het oogenblik, dat de griffier ernaar greep, om

haar tegen de zoldering te slingeren, zat ik nog in de kom en ik moest

mij snel in den pijpenkop van den conrector terugtrekken. En thans, het

ga u goed, mijnheer Anselmus! Arbeidt maar vlijtig door; ik zal u ook

voor den gisteren verzuimden dag een zilveren Thaler geven, omdat gij

totnutoe zoo flink gewerkt hebt." "Hoe kan de archivaris nu toch zulke

dwaasheden uitkramen," zeide de student Anselmus tot zichzelf, en hij

zette zich aan tafel om met het copieeren van het manuscript te

beginnen, dat de archivaris als gewoonlijk voor hem ontrold had. Maar

hij ontwaarde op de perkamenten rol zooveel wonderlijke krullerige halen

en slingers door elkaar heen, die, zonder het oog een enkel rustpunt te

bieden, den blik verwarden, dat het hem bijna onmogelijk scheen, dit

alles getrouw na te teekenen. En zelfs, als men het geheel even overzag

geleek het perkament slechts een bontgeaderd stuk marmer of een met mos

bespikkelden steen. -- Desniettegenstaande zou hij al het mogelijke doen

en doopte wakker zijn pen in, doch de inkt wilde in het geheel niet

vloeien, ongeduldig schudde hij de pen uit en -- Hemelsche Goedheid --

daar viel een groote inktvlek op het uitgespreide handschrift. Sissend

en bruisend schoot een blauwe bliksemstraal uit de vlak op en slingerde

zich krakend door het vertrek tot aan de zoldering. Toen brak uit de

wanden een dikke damp, de bladeren begonnen te ruischen als door storm

bewogen en met vurige flakkering schoten er schitterende hagedissen uit

neder die den damp ontstaken, totdat de vlammende massa's zich

knetterend om Anselmus wentelden. De gouden stammen der palmboomen

werden reuzenslangen, die haar afgrijselijke koppen met doordringend

metaalgeluid tegen elkander stieten en Anselmus met de geschubde

lichamen omwonden.

"Waanzinnige, onderga thans de straf voor hetgeen gij in onbeschaamden

moedwil misdreeft." -- Dit riep de geweldige stem van den gekroonden

Salamander, die boven de slangen als een verblindend stralen te midden

der vlammen opkwam en nu spoten uit haar opengesperde muilen watervallen

van vuur op Anselmus neder tot het was als verdichtten zich deze

vuurstroomen om zijn lichaam tot een vaste, ijskoude massa. Doch terwijl

de ledematen van Anselmus in al nauwer en nauwer samentrekking

verstarden, brak zijn denken. Toen hij weder bijkwam, kon hij zich niet

meer bewegen, hij was, als door een glanzige helderheid omgeven, waaraan

hij zich als hij slechts de hand heffen of zich anders verroeren wilde,

stiet. Helaas! hij zat in een goedgesloten kristallen flacon op een

boekenrek in de bibliotheek van archivaris Lindhorst. --

De Gouden Vaas · 第 16 / 21 题