De palmboomenbibliotheek. -- Lotgevallen van een ongelukkigen
Salamander.[8] -- Hoe de zwarte ganzepen een beetwortel liefkoosde
en griffier Heerbrand zich sterk bedronk.
[Voetnoot 8: vuurgeest.]
De student Anselmus had nu reeds verscheidene dagen bij den archivaris
gearbeid; deze werkuren waren voor hem de gelukkigste zijns levens, want
staag van lieflijke klanken, van Serpentina's troostwoorden omvloten en
vaak zelfs lichtelijk door een langsvliedenden ademtocht beroerd,
doorstroomde hem een nimmer gevoelde behaaglijkheid, die dikwijls zelfs
tot een hoogtepunt van geluk steeg. Al de ellende, al de kleine zorgen
van zijn behoeftig bestaan waren uit zijn gedachte en voelen verdwenen
en in het nieuwe leven, dat hem als in zonnehellen glans was opgegaan,
verstond hij alle de wonderen van een hoogere wereld, die hem tot dusver
met verbazing, zelfs met ijzing vervuld hadden. Met het copieeren ging
het zeer vlug, dewijl het hem steeds meer voorkwam, dat hij slechts
langgekende teekens op het perkament schreef en nauwelijks naar het
origineel behoefde te zien, om alles met de meeste nauwkeurigheid na te
trekken. Behalve in het tafeluur liet de archivaris Lindhorst zich
slechts nu en dan zien, doch telkenmale verscheen hij precies op het
oogenblik, dat Anselmus de laatste teekens van een handschrift voltooid
had en gaf hem dan een ander, om hem dadelijk weder zwijgend te
verlaten, nadat hij slechts met een zwart staafje den inkt omgeroerd en
de gebruikte ganzepennen voor andere scherper gepunte verwisseld had.
Eens, toen Anselmus met het slaan van twaalven reeds de trap opgestegen
was, vond hij de deur, waardoor hij altijd was heengegaan, afgesloten en
archivaris Lindhorst kwam in zijn wonderlijken, als met schitterende
bloemen bezaaiden slaaprok van de andere zijde te voorschijn. Luide riep
hij: "Gij moet vandaag maar hier binnen komen, beste Anselmus, want wij
moeten zijn in het vertrek waar ons de meesters van Bhogovotgita[9]
wachten." Hij schreed de gang door en voerde Anselmus door dezelfde
vertrekken en zalen als de eerste maal. -- De student Anselmus verbaasde
zich opnieuw over de wonderbare schoonheid van den tuin, doch nu zag hij
duidelijk, dat vele van de vreemde bloesems, die aan de donkere struiken
hingen, eigenlijk in stralende kleuren pralende insecten waren, die met
de vleugels op en neder sloegen en door elkaar heen dansend en draaiend
elkander met de zuigslurfjes schenen te liefkozen. Daarentegen waren
weer de roos-kleurige en hemelsblauwe vogels geurige bloemen en de reuk,
dien zij verbreidden steeg uit hare kelken omhoog in zachte, lieflijke
tonen, die met het geklater van de verre fonteinen, met het gesuizel der
hooge struiken en boomen samensmolten tot de geheimzinnige accoorden van
een diep-klaaglijk verlangen. De spotvogels, die hem de eerste maal zoo
geplaagd en bespot hadden, omfladderden hem weder het hoofd en riepen
met hun fijne stemmetjes zonder ophouden: "Mijnheer de student, mijnheer
de student, loop niet zoo hard. -- Kijk niet zoo in de wolken -- gij
zoudt op uw neus kunnen vallen. -- Hé, hé, mijnheer de student -- sla
den poedermantel[10] om -- Vader Schuhu[11] moet uw paruikje krullen."
Zoo ging het voort met allerlei dwaas gebabbel, totdat Anselmus den tuin
verlaten had. Archivaris Lindhorst trad eindelijk in het azuurblauwe
vertrek; het porphier met de gouden vaas was verdwenen en inplaats
daarvan stond er een met violet fluweel belegde tafel -- waarop zich het
aan Anselmus zoo bekende schrijfgerei bevond -- in het midden der kamer
en een evenzoo bekleede leuningstoel stond ervoor.
[Voetnoot 9: Bhagavad Gitâ.... geschriften van Hindoesche wijsheid.]
[Voetnoot 10: kleed, dat men zich in dien tijd bij het haarpoederen
omsloeg.]
[Voetnoot 11: Steenuil, nachtuil.]
"Beste mijnheer Anselmus", zeide de archivaris Lindhorst, "gij hebt nu
reeds menig handschrift snel en goed tot mijn groote tevredenheid
gecopieerd; gij hebt mijn vertrouwen weten te winnen; maar het
belangrijkste blijft nog te doen, dat is het overschrijven of juister
nateekenen van zekere in ongewone teekens vervatte werken, die ik in dit
vertrek bewaar en die slechts ter plaatse gecopieerd kunnen worden. --
Voortaan zult gij dus hier werken, maar ik moet u de grootst-mogelijke
omzichtigheid en oplettendheid aanbevelen; een verkeerde haal of wat de
Hemel verhoede, een inktvlek op het origineel gespet, stort u in 't
ongeluk." --
Anselmus bemerkte, dat uit de goudene stammen der palmboomen kleine
smaragdgroene bladeren naar voren staken, de archivaris vatte een dezer
bladeren en Anselmus werd gewaar, dat het blad eigenlijk een rol
perkament was, die de archivaris loswikkelde en voor hem op tafel
uitspreidde. Niet weinig verwonderde Anselmus zich over de vreemd
verwonden teekens, en bij het aanschouwen van de vele kleine punten,
streken, halen en sierkrullen, die nu eens planten, dan mossen en dan
weer diergestalten schenen voor te stellen, wanhoopte hij er bijna aan,
dit alles zoo getrouw na te kunnen teekenen. "Vat moed, jonge man!"
sprak luid de archivaris, "wanneer gij beproefd geloof en ware liefde
bezit, zal Serpentina u helpen." Zijn stem klonk als luidend metaal en
toen Anselmus heftig-geschrokken opkeek, stond archivaris Lindhorst voor
hem in de koninklijke gestalte, waarin hij hem bij het eerste bezoek aan
het bibliotheekvertrek verschenen was. Het werd Anselmus te moede, als
moest hij van eerbied vervuld op de knieën zinken, maar reeds steeg de
archivaris Lindhorst langs den stam van een palmboom omhoog om te
verdwijnen in de smaragden bladeren. -- De student Anselmus begreep, dat
een geestenkoning met hem gesproken had en nu in zijn studievertrek was
opgestegen, wellicht om zich met de stralen, die enkele planeten hem als
boden gezonden hadden, te beraden, wat er nu met hem en de lieflijke
Serpentina geschieden moest. -- Ook kan het zijn, dacht hij verder, dat
er hem nieuws wacht van de bronnen van den Nijl of dat een Magiër uit
Lapland hem bezoekt -- mij voegt het slechts ijverig aan den arbeid te
gaan. En alzoo begon hij de vreemde teekens van de perkamentrol te
bestudeeren. De wondervolle muziek uit den tuin klonk tot hem door en
omgaf hem met zoete streelige geuren; eveneens hoorde hij de spotvogels
snetteren, doch verstond hunne woorden niet, hetgeen hem ook zeer welkom
was. Een enkele maal was het wel of de smaragden bladeren der palmboomen
ruischten en dan de zoete kristalklanken, die Anselmus op dien
noodlottigen avond onder den vlierboom hoorde, als stralen in de kamer
waren. De student Anselmus, wonderdadig gesterkt door deze klanken en
schijnselen, vestte zijn gemoed en gedachte steeds meer op het opschrift
van de perkamentrol en weldra gevoelde hij, als komende uit zijn eigen
innerlijk, dat die teekens niets anders konden beduiden dan de woorden:
"Over de verbintenis van den Salamander met de groene Slang." -- Toen
weerklonk krachtig een drievoudig accoord van heldere kristalklokjes. --
"Anselmus, lieve Anselmus" zuchtte het hem uit de bladeren tegen en
wonderlijk! langs den stam van den palmboom wond zich de groene slang
naar omlaag. -- "Serpentina, liefste Serpentina!" riep Anselmus in de
vervoering der hoogste verrukking, want toen hij scherper toekeek, was
het een lieftallig, heerlijk meisje, dat hem -- onder een aanzien met de
donkerblauwe oogen, zooals zij in zijn gedachte-innerlijk leefden --
tegemoet zweefde. De bladeren schenen zich te laten vallen en zich te
vergrooten, alom sprongen doornen uit de stammen, doch Serpentina wond
en kronkelde zich behendig er doorheen, terwijl zij haar fladderend, als
van weerschijn-gevende tinten schitterend gewaad achter zich aan trok,
zóó, dat het om haar slanke lichaam werd gewikkeld en nergens bleef
haken aan de uitstekende punten en doornen der palmboomen. Zij zette
zich naast Anselmus op denzelfden stoel, terwijl zij hem met de armen
omvatte en tegen zich aan drukte, zoodat hij den adem die haar van de
lippen stroomde en de electrische warmte van haar wezen voelde. "Lieve
Anselmus!" begon Serpentina, "nu zult gij spoedig geheel de mijne zijn,
door uw geloof, door uwe liefde wint gij mij en ik zal u de gouden vaas
brengen, die ons beiden gelukkig maakt voor altijd." --
"Mijn schoone, liefste Serpentina," zeide Anselmus, "wanneer ik u
slechts bezit, wat deert mij dan al het overige; als gij maar de mijne
wordt, wil ik gaarne ondergaan in al het wonderlijke en ongekende, dat
mij omvangt sedert het oogenblik, waarop ik u zag." "Ik weet wel," ging
Serpentina voort, "dat het vreemde en wonderrijke, waarmede mijn vader u
vaak slechts uit grilligheid omgaf, huiver en afkeer in u verwekt heeft,
doch thans zal het, hoop ik, niet meer geschieden, want ik ben hier in
dit oogenblik slechts, om u, mijn lieve Anselmus, alles en alles uit het
diepst van mijn gemoed, het diepst van mijn ziel haarfijn te verhalen,
wat gij noodig hebt om mijn vader geheel te kennen en ganschelijk te
verstaan, hoe het tusschen hem en mij is gesteld."
Het scheen Anselmus, als ware hij door de teere, lieflijke gestalte zoo
geheel omringd en omwonden, dat hij zich slechts mèt haar zou kunnen
verroeren of bewegen en als ware het haar polsslag alleen, die zijn
zenuwen en diepste roerselen doortrilde; gespannen aanhoorde hij ieder
harer woorden, die tot zijn diepste innerlijk doorklonken en als
schitterende stralen hemelsche gelukzaligheid in hem ontstaken. Hij had
den arm om haar slanker dan slanke lijfje gelegd, doch de tintspelige,
glanzige stof van haar kleed was zoo glad, zoo smijdig, dat het hem
scheen, als kon zij, door zich snel van hem los te wikkelen,
onweerhoudbaar ontglippen en hij ontroerde bij die gedachte. "Verlaat
mij toch niet, liefste Serpentina," riep hij onwillekeurig uit, "want in
u slechts leef ik!" -- "Vandaag niet," zeide Serpentina, "voor ik u
alles verhaald zal hebben, wat gij door uw liefde tot mij verstaan
kunt."
"Weet dan, liefste! dat mijn vader uit het wonderlijke geslacht der
Salamanders stamt en dat ik mijn bestaan dank aan zijn liefde tot de
Groene Slang. In oerouden tijd heerschte over het wonderrijk van
Atlantis de machtige geestenvorst Phosphorus, die door de geesten der
elementen gediend werd. Eens ging de Salamander, dien hij boven allen
liefhad (dit was mijn vader) in den schitterenden tuin rond, dien de
moeder van Phosphorus met haar schoone gaven zoo heerlijk getooid had,
toen hij hoorde hoe een hooge lelie in zachte tonen zong: "Druk de
kleine oogen toe, tot mijn geliefde, de morgenwind, u wekt." Hij trad
dichterbij; door zijn vurigen adem beroerd, ontsloot de lelie hare
bladen en hij aanschouwde haar dochter, de groene slang, die in de kelk
sluimerde. Toen werd de Salamander door gloeiende liefde voor de schoone
slang overweldigd en hij ontroofde haar der lelie, wier geuren als een
sprakelooze klacht vergeefs in den ganschen tuin naar de verloren
dochter uitgingen. Want de Salamander had haar in Phosphorus' slot
gedragen en smeekte hem: huw mij met de geliefde, dat zij mijn worde
voor altijd. "Verdwaasde, wat verlangt gij!" sprak de Koning der
geesten, "weet, dat de lelie eens mijn geliefde was en met mij
heerschte, maar de vonk, die ik in haar wierp, dreigde haar te vernielen
en slechts de zegepraal over den zwarten draak, dien de geesten der
aarde nu in ketenen gebonden houden, kon de lelie behouden, zoodat hare
bladen sterk genoeg bleven om de vonk in zich op te sluiten en te
bewaren. Doch, wanneer gij de groene slang omarmt, zal uw gloed haar
lichaam verzengen en een nieuw wezen snel opwassend zich van u
loswinden." De Salamander achtte de waarschuwing van den vorst der
geesten niet; van brandend verlangen vervuld sloot hij de Groene Slang
in de armen, zij verteerde tot asch en een gevleugeld wezen aan de asch
ontstegen ruischte heen door de lucht. Toen werd de Salamander door
wanhoops waanzin gegrepen, vuur en vlammen schietend ijlde hij door den
tuin en verdelgde dien met wilde woede, zoodat de schoonste bloemen en
bloesems verbrand neerzonken en haar klacht de lucht vervulde. In
oppersten toorn greep de koning der geesten den Salamander aan en zeide:
"Nu heeft uw vuur uitgewoed -- uw vlammen zijn gedoofd, uw stralen
verdofd -- zink thans neder tot de geesten der aarde, dat zij u kwellen
en hoonen en in gevangenschap houden, tot aan het oogenblik, dat de
vuurstof zich weder ontsteekt en met u in nieuwe gedaante aan de aarde
ontstraalt." Glansloos verzonk de arme Salamander, maar toen kwam de
oude, knorrige aardgeest, die de hovenier van Phosphorus was, naderbij
en sprak: "Heer! wie zoude meer zich over den Salamander beklagen, dan
ik. -- Heb ik niet alle de schoone bloemen, die hij verzengd heeft, met
mijn mooiste metalen gesierd, heb ik hare kiemen niet wakker gekoesterd
en verzorgd, en zoo menige kostelijke kleur aan haar besteed en toch
trek ik mij het lot van den armen Salamander aan, dien slechts de
liefde, die ook u, Heer, zoo vaak beving, -- tot wanhoop dreef, welke
hem den tuin deed verwoesten. -- Scheldt hem de te harde straf
kwijt. --"
""Thans is zijn vuur gedoofd," sprak de Koning der geesten, "maar in den
rampzaligen tijd, wanneer de sprake der natuur voor het ontaarde
geslacht der menschen niet meer verstaanbaar zal zijn, wanneer de
geesten der elementen binnen hunne regionen gebannen, slechts uit
eindelooze verte door doffe herinneringen tot de menschen zullen
spreken, wanneer aan den harmonischen kringloop ontrukt, enkel een
oneindig verlangen hem de duistere konde brengen zal van het wondervolle
rijk, dat hij eens mocht bewonen, toen geloof en liefde zijn gemoed nog
vervulden, -- in dezen rampzaligen tijd zal de vuurkracht van den
Salamander zich opnieuw ontsteken, doch slechts tot mensch wast hij op
en hij moet, geheel opgaand in zijn kommervol bestaan, diens droefenis
dragen. Doch niet slechts de herinnering aan zijn oertoestand blijft hem
bij, opnieuw zal hij opleven in heilige samenstemming met de geheele
natuur, haar wonderen verstaand en met de macht der vermaagschapte
geesten te zijnen dienste. In een leliestruik vindt hij dan de Groene
Slang weder en de vrucht van zijn echt met haar, zal een drietal
dochters zijn, die den menschen in de gestalte der moeder zullen
verschijnen. In den lentetijd zullen zij zich door den donkeren
vlierstruik slingeren en hare lieflijke kristallen stemmetjes doen
klinken. Wanneer dan in dien dorren, rampzaligen tijd van innerlijke
versteening een jongeling gevonden wordt, die haar gezang hoort, in
wien, wanneer een der kleine slangen hem met haar bezaligende oogen
aanziet, die blik het voorvoelen ontsteekt van dat verre, wondervolle
land, tot waartoe hij zich stout kan verheffen, als hij slechts den last
van het alledaagsche afwerpt en in hem met de liefde voor de slang het
geloof wast aan de wonderen der natuur en vol gloed en leven aan zijn
eigen bestaan te midden van die wonderen, dan wordt die slang de zijne.
Doch niet aleer er drie zulke jongelingen gevonden zijn en zich met de
drie dochters verhuwelijkt hebben, mag de Salamander zijn drukkenden
last afwerpen en tot zijn broederen gaan." "Veroorloof mij, heer," zeide
de aardgeest, "dat ik de drie dochters een geschenk geef, dat heur leven
met den gevonden gemaal zal opluisteren. Elke zal van mij een vaas
ontvangen van het schoonste metaal dat ik bezit en die ik wil polijsten
met stralen, aan den diamant ontleend; in haar glans zal zich ons
wonderlijk rijk, zooals het in harmonie met de geheele natuur bestaat,
in verblindend-heerlijken weerschijn afspiegelen, uit haar binnenste
echter in het oogenblik der verhuwelijking een vuurlelie opbloeien, wier
eeuwige bloesem den beproefd gevondenen jongeling met haar zoete roke
omgeeft. Dra zal hij dan haar sprake en de wonderen van ons rijk
verstaan om zelf met de geliefde in Atlantis te wonen." -- Gij weet nu
wel, lieve Anselmus! dat mijn vader juist die Salamander is, waarvan ik
u vertelde. Ondanks zijn hoogere afstamming moest hij zich aan de engste
benauwingen van het gewoonte-leven onderwerpen en daaruit komt vaak het
grillige leedvermaak voort, waarmede hij velen kwelt. Hij heeft mij bij
herhaling gezegd, dat men voor de innerlijke geestesgesteldheid, die de
geestenvorst Phosphorus eertijds als voorwaarde voor de uithuwelijking
aan mij en mijne zusters bepaald heeft, thans eene uitdrukking kent, die
echter te vaak op zeer ongepaste wijze misbruikt wordt; men noemt die
een kinderlijk, dichterlijk gemoed. -- Dikwijls vindt men dit gemoed bij
jongelingen, die om den hoogen eenvoud van zeden en omdat het hun gansch
aan zoogenoemde wereldlijke vorming ontbreekt, door het gemeen bespot
worden. O, liefste Anselmus -- gíj verstondt onder den vlierstruik mijn
gezang -- mijn blik -- gij hebt de Groene Slang lief, gij gelooft aan
mij en wilt de mijne zijn voor altijd! De schoone lelie zal uit de
gouden vaas opbloeien en wij zullen gelukkig en vereend in Atlantis
wonen. Doch ik mag u niet verbergen, dat in een gruwelijken kamp met
de Salamanders en aardgeesten de zwarte draak zich losrukte en door de
lucht wegsuisde. Wel houdt Phosphorus hem weder geketend, doch uit de
zwarte pennen, die in den strijd op de aarde stoven, ontsproten
vijandige geesten, die overal de Salamanders en aardgeesten weerstaan.
Die vrouw, die u zoo vijandig gezind is, liefste Anselmus en gelijk mijn
vader zeer goed weet, het bezit van de gouden vaas nastreeft, heeft haar
bestaan aan de liefde van zulk een uit den vlerk van den draak gestoven
pen tot een beetwortel te danken. Zij is zich haar oorsprong en macht
bewust, want uit het steunen, uit de stuiptrekkingen van den gevangen
draak werden haar de geheimenissen van menige wonderlijke constellatie
openbaar en zij neemt alle middelen te baat, om van buiten af op het
innerlijke te werken, waartegenover mijn vader haar met de bliksems, die
uit het binnenste van den Salamander schieten, bestrijdt. Alle vijandige
oerkrachten, die in schadelijke planten en giftige diersoorten huizen,
gaart zij bijeen en verwekt, door ze bij gunstigen sterrestand te
mengen, menige booze verschijning, die het verstand der menschen met
huiver en ontzetting slaat en hen aan de macht der demonen, die de in
den strijd bezwijkenden draak baarde, onderwerpt. Neem u in acht voor de
oude, lieve Anselmus, zij is u vijandig gezind, omdat uw
kinderlijk-vroom gemoed reeds verscheidene harer booze tooverijen heeft
vernietigd. -- Blijf trouw, trouw aan mij, weldra bereikt gij het doel."
"O, mijn eigen, mijn eigen Serpentina," riep de student Anselmus, "hoe
zou ik u ooit kunnen laten, wat kan ik anders dan u eeuwig liefhebben."
-- Een kus gloeide op zijn mond, als uit een diepen droom ontwaakte hij.
Serpentina was verdwenen en het sloeg zes uur; toen viel het hem als een
zwaarte in, dat hij hoegenaamd niets gecopieerd had; bezorgd, wat de
archivaris wel zeggen zou, blikte hij neer op het blad en -- wonderlijk!
de copie van het geheimzinnige manuscript was gelukkig ten einde
gebracht en hij geloofde, toen hij de teekens scherper beschouwde,
Serpentina's verhaal over haren vader, den lieveling van den
geestenvorst Phosphorus in het wonderland van Atlantis, te hebben
overgeschreven. Nu trad de archivaris in zijn lichtgrijzen rokjas, den
hoed op het hoofd en den stok in de hand, binnen. Hij keek het door
Anselmus beschreven perkament in, nam een flink snuifje en zeide
glimlachend: "dat dacht ik wel. Nu, hier is de thaler, mijnheer
Anselmus, thans zullen wij nog wat naar het Linkesche Bad gaan -- volgt
u mij maar!"
Snel schreed de archivaris door den tuin, waar zulk een tumult van
zingen, fluiten en spreken doorelkander was, dat de student Anselmus
versufte en den Hemel dankte, toen hij zich op straat bevond. Nauwelijks
hadden zij eenige schreden gedaan, of zij ontmoetten den griffier
Heerbrand, die zich vriendschappelijk bij hen aansloot. Voor de poort
stopten zij de meegenomen pijpen; griffier Heerbrand klaagde erover geen
tonder bij zich te hebben, toen riep archivaris Lindhorst nukkig: "Wat,
tonder! hier is vuur, zooveel u wilt." En tegelijk knipte hij met de
vingers, waaruit groote vonken vlogen, die de pijpen spoedig ontstaken.
"Ziet u dat scheikundige kunststukje," zeide de griffier Heerbrand, maar
de student Anselmus dacht niet zonder innerlijken huiver aan den
Salamander.
In het Linkesche Bad dronk de griffier Heerbrand zooveel van het zware,
donkere bier, dat hij, anders een goedmoedig, ingetogen man, met
schreeuwerige tenorstem studentenliederen begon te zingen, kittelig aan
iedereen vroeg, of hij nu zijn vriend was of niet en ten slotte door den
student Anselmus moest worden thuisgebracht, toen archivaris Lindhorst
reeds lang en breed was verdwenen.