Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging.
-- Rembrandt en de helsche Breughel. -- De tooverspiegel en het
voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.
Eindelijk klopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: "Het is nu
toch tijd, om ons ter ruste te begeven." "Zeker," antwoordde de door het
lange opblijven haars vaders ontruste Veronica, "want het heeft al lang
tien uur geslagen." Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn
studeer- en slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen
van Fransje aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die
zich voor den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer
op, kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.
Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar
onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen,
welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat
zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die
hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der
magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize
groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende,
huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en
buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van
het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve
rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in
velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der
dag-en-nachtevening door te maken. Zoo was dan eindelijk de
gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp
en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd
geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed.
Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm,
die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in 't gelaat
wierp. -- Met dof doordreunende klank sloeg de klok van den Kruistoren
elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. "Ha, lief kind,
lief kind, zijt gij daar al! -- wacht even, wacht maar even!" -- klonk
het van boven -- en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf
en van haar kater vergezeld, voor de deur. "Nu zullen wij dus heengaan
om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in
den nacht, die het werk gunstig gezind is;" dit zeggende greep de oude
met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen
gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen
zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was
krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een
ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken,
die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte
wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel
"licht -- maak licht, jongen!" Toen kronkelden en kruisten zich blauwe
weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar
onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd,
huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik
stil was. -- Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in
heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich
sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: "Het moet nu alles volbracht
worden, er kan gebeuren, wat er wil." "Goed zoo kind!" antwoordde de
oude, "blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en
Anselmus nog bovendien." Eindelijk stond de oude stil en zeide: "Nu zijn
wij ter plaatse." Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in
en zette er den drievoet boven, waarop zij den ketel plaatste. Dit alles
begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen
om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen
vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk
sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel
en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en
strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de
vreemde zelfstandigheden -- of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel
dieren waren, viel niet te onderscheiden -- die de oude uit den korf
genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude
liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de
gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op
haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op
Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en
een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een
ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij
onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken
uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. --
Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op
reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het
laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de
vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde
en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium
zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op,
doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen
Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in
Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg
een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze
in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een
vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van
vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en
rood-bliksemende stralen en vonken schieten, twee gedaanten zitten. De
weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en
steigeren -- de postillon vloekt en bidt -- hij striemt de paarden met
zweepslagen -- zij komen niet van de plaats. -- Onwillekeurig springt
gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu
het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den
ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange
kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie
gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder
den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar
ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en
in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich
tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn
losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar
huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen
saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren
voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij,
elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een
marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een
lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende
kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel,
dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel
lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm.
Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch
vreeze, bij het zien van dit, nu in 't werkelijke leven verplaatste,
schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren
te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in
helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw
zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den
bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den
vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam
dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting. Het kwam u voor,
als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood
beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te
voorschijn brengen, om de oude zonder meer dood te schieten. Maar,
dewijl gij dat zoo levendig dacht, riept gij luid uit: Hé daar! of: wat
gebeurt daar! of: wat doet gij daar toch!
De postillon stiet schetterend in zijn hoorn, de oude buitelde midden in
haar brouwsel en alles was opeens verdwenen in dichten damp. -- Of gij
het meisje, dat gij nu met innig verlangen in de duisternis gingt
zoeken, zoudt gevonden hebben, durf ik niet beweren, maar de spokerij
van het oude wijf hadt gij verstoord en den ban van den magischen
cirkel, waarin Veronica zich lichtzinnig begaf, gebroken. -- Noch gij,
genegen lezer, noch iemand anders, reed of ging echter den
drie-en-twintigsten September in den doorstormden, voor heksenkunst
geschikten nacht dien weg uit en Veronica moest in doodsangst bij den
ketel verbeiden, totdat het werk der voltooiïng nabijkwam. -- Zij merkte
wel, hoe het rondom haar huilde en bruiste, hoe allerlei afschuwelijke
stemmen door elkaar balkten en kwaakten, maar zij sloeg de oogen niet
op, want zij gevoelde, dat het zien van al het weerzinwekkende en
ontzettende, waardoor zij omgeven werd, haar in ongeneeslijken,
vernielenden waanzin zou kunnen storten. De oude had opgehouden in den
ketel te roeren, al lichter werd de damp en eindelijk brandde maar een
flauw alcoholvlammetje meer op den bodem van den ketel. Toen schreeuwde
de oude: "Veronica, kind, liefje, kijk eens tot diep op den bodem! --
Wat ziet gij dan -- wat ziet gij dan?" Maar Veronica kon niet
antwoorden, ofschoon het haar toescheen, alsof allerlei verwarde
gestalten in den ketel dooreendraaiden; duidelijker en duidelijker
doemden figuren op en opeens trad de student Anselmus uit des ketels
diepte, terwijl hij haar vriendelijk aanzag en de hand reikte. Toen riep
zij uit: "O, Anselmus! Anselmus!"
Snel opende de oude de aan den ketel zich bevindende kraan en gloeiend
metaal stroomde sissend en spetterend in een vormpje, dat zij erbij had
gezet. Daarna sprong het wijf op en krijschte met woeste, gruwelijke
gebaren zich draaiend: "Het werk is volbracht -- Dank zij u, jongen! --
gij hieldt wacht. -- Heu -- Heu -- daar komt hij! -- bijt hem dood --
bijt hem dood!" Maar toen werd de lucht hevig doorbruist, het was, of
een ontzachbre adelaar omlaagruischte, terwijl hij met de vlerken in 't
ronde sloeg en een verschrikkelijke stem riep: "Hé, hé, -- gespuis! nu
is 't uit, -- nu is 't uit -- weg naar huis!" Jammerend stortte de oude
neer, maar Veronica verloor haar bezinning.
Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was het klaar dag, in bed lag zij en
Fransje stond voor haar met een geurend kop thee, zeggende: "Maar vertel
toch eens, zuster, wat u scheelt, ik sta nu al een uur of langer voor u
en gij ligt maar bewusteloos als in de hitte van de koorts, terwijl gij
steunt en zucht, dat wij er bevreesd door worden. Vader is om uwentwil
vandaag niet naar school gegaan en komt dadelijk terug met den dokter."
Zwijgend nam Veronica de thee aan; terwijl zij die gebruikte, kwamen al
de schrikbeelden van den nacht haar weder kleurrijk voor oogen. "Dan was
dit dus toch maar een benauwde droom, die mij gekweld heeft? -- Maar ik
ben toch gisterenavond werkelijk naar de oude toegegaan en het was toch
den drie-en-twintigsten September? Ik moet dan gisteren al wel zwaar
ziek zijn geworden en heb mij dit alles maar ingebeeld en ik kan van
niets anders ziek zijn geworden, dan van het eeuwige denken aan Anselmus
en de wonderlijke oude vrouw, die zich voor Lize uitgaf en mij daarmede
slechts wilde beetnemen." Fransje, die weggegaan was, kwam weer binnen
met Veronica's doornatten mantel in de hand. "Zie eens zuster," zeide
zij, "wat er met uw mantel gebeurd is; de storm heeft vannacht het
venster opengerukt en den stoel, waarop de mantel lag, omgeworpen; daar
heeft het toen zeker ingeregend, want de mantel is heelemaal nat." --
Dit drukte Veronica zeer terneer, want zij zag nu wel in, dat haar geen
droom gekweld had, doch dat zij werkelijk bij de oude geweest was. Angst
en siddering bevingen haar en koortskoude trok haar door de leden.
Bevend en geschokt haalde zij den deken vast over zich heen; doch toen
voelde zij hoe iets hards haar op de borst drukte en toen zij er met de
hand naar tastte, scheen het haar een medaillon te zijn; zij bracht het
te voorschijn, toen Fransje met den mantel was heengegaan en het bleek
een kleine, ronde, glanzend-gepolijste spiegel van metaal. "Dat is een
geschenk van de oude," riep zij blij gezind uit en het scheen, of vurige
stralen uit den spiegel schoten, die in haar gemoed drongen en het
weldadig verwarmden. De koortskoude was gevloden en een onbeschrijfelijk
gevoel van welbehagen en voldoening doorstroomde haar. -- Zij moèst aan
Anselmus denken en toen zij sterker en sterker haar gedachten op hem
vestte, glimlachte hij haar vriendelijk tegen van uit den spiegel, die
als een levend miniatuur-portret was. Doch spoedig scheen het, als zag
zij niet meer de afbeelding -- neen -- den student Anselmus zelf in
levenden lijve. Hij zat in een hoog vreemd-ingericht vertrek en schreef
vol vlijt. Veronica wilde tot hem gaan, hem op den schouder kloppen en
zeggen: "Mijnheer, Anselmus, kijkt toch eens om, ìk ben er!" Maar dat
was volstrekt ondoenlijk, want hij was als van een stralenden vuurstroom
omgeven, doch toen Veronica scherper toezag, bleken het slechts groote
boeken met vergulde snede. Maar eindelijk gelukte het Veronica in den
kring van Anselmus' blik te komen, toen was het alsof hij bij het
aanzien zich harer eerst herinneren moest, doch ten slotte glimlachte
hij en zeide: "Ah! -- is u het, beste Mademoiselle Paulmann? Waarom
behaagt het u toch zoo van tijd tot tijd als een kleine slang op te
treden?" Veronica moest luid lachen om deze zonderlinge woorden;
daardoor ontwaakte zij als uit diepen droom en snel verborg zij den
kleinen spiegel, toen de deur openging en conrector Paulmann met dokter
Eckstein de kamer betrad. Dokter Eckstein ging dadelijk naar het bed
toe, hield, langen tijd in diep nadenken verzonken, Veronica's pols vast
en zeide toen: "Zoo! -- Zoo!" Daarna schreef hij een recept, nam nog
eens haar pols, zeide nog eens: "Zoo! Zoo!" en verliet de patiënte. Uit
deze ontboezemingen van dokter Eckstein kon conrector Paulmann waarlijk
niet nauwkeurig opmaken, wat Veronica dan toch wel scheelde. --