ZEVENDE NACHTWAAK

Hoe conrector Paulmann zijn pijp uitklopte en naar bed ging.

-- Rembrandt en de helsche Breughel. -- De tooverspiegel en het

voorschrift van dokter Eckstein tegen een onbekende ziekte.

Eindelijk klopte conrector Paulmann zijn pijp uit en zeide: "Het is nu

toch tijd, om ons ter ruste te begeven." "Zeker," antwoordde de door het

lange opblijven haars vaders ontruste Veronica, "want het heeft al lang

tien uur geslagen." Nauwelijks was de conrector dan ook naar zijn

studeer- en slaapvertek gegaan, nauwelijks gaf het zwaarder ademhalen

van Fransje aan, dat zij inderdaad vast ingeslapen was, of Veronica, die

zich voor den schijn ook te bed gelegd had, stond zacht, heel zacht weer

op, kleedde zich aan, wierp een mantel om en ontsloop het huis.

Van het oogenblik af, dat Veronica de oude Lize verlaten had, kwam haar

onophoudelijk Anselmus voor oogen, en zij kon zelve niet begrijpen,

welke vreemde stem in haar binnenste maar immer en immer weer zeide, dat

zijn weerstand door een haar kwaadgezind persoon veroorzaakt werd, die

hem in banden hield, welke Veronica door de mysterieuse middelen der

magische kunst zou kunnen verbreken. Haar vertrouwen in de oude Lize

groeide met den dag en zelfs stompten zich de verontrustende,

huiveringwekkende indrukken af, zoodat al het wonderlijke en

buitengewone van haar omgang met de oude terugbleef in den luister van

het niet-alledaagsche en romaneske, dat haar juist zoo aantrok. Derhalve

rustte in haar ook het voornemen, op gevaar af gemist te worden en in

velerlei onaangenaamheden verwikkeld te geraken, het avontuur der

dag-en-nachtevening door te maken. Zoo was dan eindelijk de

gevolgenrijke nacht van het Aequinoctium, waarin de oude Lize haar hulp

en troost toegezegd had, ingetreden en Veronica, al lang vertrouwd

geraakt met de gedachte aan den nachtelijken tocht, was blij gemoed.

Pijlsnel vloog zij door de eenzame straten en lette niet op den storm,

die de lucht doorwoelde en haar zwaren regendroppen in 't gelaat

wierp. -- Met dof doordreunende klank sloeg de klok van den Kruistoren

elf, toen Veronica doornat voor het huis der oude stond. "Ha, lief kind,

lief kind, zijt gij daar al! -- wacht even, wacht maar even!" -- klonk

het van boven -- en dadelijk daarna stond de oude, beladen met een korf

en van haar kater vergezeld, voor de deur. "Nu zullen wij dus heengaan

om te beginnen en te volvoeren, wat geschieden moet en vrucht draagt in

den nacht, die het werk gunstig gezind is;" dit zeggende greep de oude

met kille hand de rillende Veronica, die zij den zwaren korf te dragen

gaf, terwijl zij zelf een ketel, een drievoet en een spade opnam. Toen

zij in het veld kwamen regende het niet meer, maar de storm was

krachtiger geworden; een veelstemmig gehuil vervulde de lucht. Een

ontzettende, hart-doorsnijdende klacht weerklonk uit de zwarte wolken,

die zich snel-varend tezamendichtten en alles in dikke donkerte

wikkelden. Doch haastig schreed de oude voort en riep galmend-schel

"licht -- maak licht, jongen!" Toen kronkelden en kruisten zich blauwe

weerlichten voor hen uit en Veronica werd gewaar, hoe de kater haar

onder knetterend vonkgesproei voordanste, terwijl zij zijn benauwd,

huiveringwekkend wanhoopsgeschreeuw hoorde, als de storm een oogenblik

stil was. -- Haar adem begaf haar, het was of ijzige klauwen grepen in

heur binnenste, doch met kracht hervatte zij zich en terwijl zij zich

sterker aan de oude vastklemde, sprak zij: "Het moet nu alles volbracht

worden, er kan gebeuren, wat er wil." "Goed zoo kind!" antwoordde de

oude, "blijf maar flink standvastig, dan zal ik u iets moois geven en

Anselmus nog bovendien." Eindelijk stond de oude stil en zeide: "Nu zijn

wij ter plaatse." Zij groef een gat in den grond, schudde daar kolen in

en zette er den drievoet boven, waarop zij den ketel plaatste. Dit alles

begeleidde zij door bijzondere gebaren, terwijl de kater zich in kringen

om haar heen bewoog. Vonken spetten uit zijn staart, een smallen

vuurring vormend. Spoedig begonnen de kolen te glimmen en eindelijk

sloegen blauwe vlammen van onder den drievoet uit. Veronica moest mantel

en sluier afleggen en bij de oude neerhurken, die hare handen greep en

strak vasthield, het meisje met fonkeloogen aanstarend. Nu begonnen de

vreemde zelfstandigheden -- of het bloemen, metalen, kruiden, dan wel

dieren waren, viel niet te onderscheiden -- die de oude uit den korf

genomen en in den ketel geworpen had, te koken en te bruisen. De oude

liet Veronica los, zij greep een ijzeren lepel, die zij midden in de

gloeiende massa stak en die daarmede doorroerde, terwijl Veronica op

haar gebod met onafgewenden blik in den ketel zien en haar gedachten op

Anselmus richten moest. Opnieuw wierp nu de oude blinkende metalen en

een haarlok, die Veronica zich van de kruin geknipt had, alsook een

ringetje, dat zij langen tijd had gedragen, in den ketel, terwijl zij

onverstaanbare, den nacht huiver-aanjagend schel-doorgalmende klanken

uitstiet en de kater rusteloos rondrennend krijschte en steunde. --

Ik wou, dat gij, genegen lezer, den drie-en-twintigsten September op

reis naar Dresden geweest waart; tevergeefs had men beproefd u, toen het

laat op den avond werd, ter laatste pleisterplaats te doen blijven; de

vriendelijke waard betoogde, dat het toch àl te hard regende en stormde

en dat het tòch al niet geraden was in den nacht van het aequinoctium

zoo maar de duisternis in te rijden, maar daar lettet gij niet op,

doordat gij zeer terecht aannaamt: ik zal aan den postillon een vollen

Thaler drinkgeld geven en dan ben ik op zijn laatst om één uur in

Dresden, waar mij in den Gouden Engel of bij Helm of in De Stad Naumburg

een smakelijk avondmaal en een zacht bed wachten. Als gij op deze wijze

in het donker voortrijdt, ziet gij in de verte opeens een

vreemd-flakkerend licht. Naderbij gekomen ontwaart gij een ring van

vuur, te midden waarvan, bij een ketel, waaruit dichten damp welt en

rood-bliksemende stralen en vonken schieten, twee gedaanten zitten. De

weg voert recht door dat vuur, maar de paarden proesten en trappelen en

steigeren -- de postillon vloekt en bidt -- hij striemt de paarden met

zweepslagen -- zij komen niet van de plaats. -- Onwillekeurig springt

gij uit den wagen en stormt eenige passen voorwaarts. Klaar ziet gij nu

het slanke, liefste meisje, dat in een dun, wit nachtgewaad bij den

ketel knielt. De storm heeft haar vlechten losgewoeld en het lange

kastanjebruine haar fladdert ongehinderd in den wind. Het engelmooie

gelaat wordt geheel omgeven door den verblindenden gloed der van onder

den drievoet opflakkerende vlammen, maar in de ontzetting, die haar

ijzigen stroom eroverheen goot, werd het tot doodsbleekheid verstard en

in den staarblik, in de opgesperde wenkbrauwen, in den mond, die zich

tevergeefs tot den kreet van doodsangst opent, welke zich niet kàn

losscheuren van de door namelooze pijn gefolterde borst, ziet gij haar

huiver, haar ontsteltenis; krampachtig houdt zij de kleine handen

saamgevouwen omhoog, als bad zij de beschermengelen, haar te bewaren

voor de gedrochten der hel, die gehoorzaam aan de macht der toovenarij,

elk oogenblik kunnen opdoemen! Zij ligt daar onbewegelijk geknield, een

marmerbeeld gelijk. Tegenover haar neergehurkt op den grond zit een

lang, schraal, kopergeel wijf met een scherpen haviksneus en vonkelende

kattenoogen; de naakte, knokige armen strakken uit den zwarten mantel,

dien zij omgeworpen heeft en terwijl zij roert in het helsche brouwsel

lacht zij en roept met krijschende stem in den bruisend woedenden storm.

Ik geloof wel, dat u, genegen lezer, al kendet gij ook anders angst noch

vreeze, bij het zien van dit, nu in 't werkelijke leven verplaatste,

schilderij van Rembrandt of den helschen Breughel, van ijzing de haren

te berge gerezen zouden zijn. Maar uw blik kon niet aflaten van het in

helsche doening bevangen meisje en de electrische schok, die al uw

zenuwen en fijnste vezelen doorsidderde, ontstak met de snelheid van den

bliksem in u het stoute denkbeeld de geheimzinnige machten van den

vuurkring te trotseeren; daarin verging uw ijzing, neen, eigenlijk kwam

dat denkbeeld juist op uit die ijzing en ontzetting. Het kwam u voor,

als waart gij zelf een van de beschermengelen, die het tot den dood

beangste meisje aanriep en als moest gij nu dadelijk uw zakpistool te

voorschijn brengen, om de oude zonder meer dood te schieten. Maar,

dewijl gij dat zoo levendig dacht, riept gij luid uit: Hé daar! of: wat

gebeurt daar! of: wat doet gij daar toch!

De postillon stiet schetterend in zijn hoorn, de oude buitelde midden in

haar brouwsel en alles was opeens verdwenen in dichten damp. -- Of gij

het meisje, dat gij nu met innig verlangen in de duisternis gingt

zoeken, zoudt gevonden hebben, durf ik niet beweren, maar de spokerij

van het oude wijf hadt gij verstoord en den ban van den magischen

cirkel, waarin Veronica zich lichtzinnig begaf, gebroken. -- Noch gij,

genegen lezer, noch iemand anders, reed of ging echter den

drie-en-twintigsten September in den doorstormden, voor heksenkunst

geschikten nacht dien weg uit en Veronica moest in doodsangst bij den

ketel verbeiden, totdat het werk der voltooiïng nabijkwam. -- Zij merkte

wel, hoe het rondom haar huilde en bruiste, hoe allerlei afschuwelijke

stemmen door elkaar balkten en kwaakten, maar zij sloeg de oogen niet

op, want zij gevoelde, dat het zien van al het weerzinwekkende en

ontzettende, waardoor zij omgeven werd, haar in ongeneeslijken,

vernielenden waanzin zou kunnen storten. De oude had opgehouden in den

ketel te roeren, al lichter werd de damp en eindelijk brandde maar een

flauw alcoholvlammetje meer op den bodem van den ketel. Toen schreeuwde

de oude: "Veronica, kind, liefje, kijk eens tot diep op den bodem! --

Wat ziet gij dan -- wat ziet gij dan?" Maar Veronica kon niet

antwoorden, ofschoon het haar toescheen, alsof allerlei verwarde

gestalten in den ketel dooreendraaiden; duidelijker en duidelijker

doemden figuren op en opeens trad de student Anselmus uit des ketels

diepte, terwijl hij haar vriendelijk aanzag en de hand reikte. Toen riep

zij uit: "O, Anselmus! Anselmus!"

Snel opende de oude de aan den ketel zich bevindende kraan en gloeiend

metaal stroomde sissend en spetterend in een vormpje, dat zij erbij had

gezet. Daarna sprong het wijf op en krijschte met woeste, gruwelijke

gebaren zich draaiend: "Het werk is volbracht -- Dank zij u, jongen! --

gij hieldt wacht. -- Heu -- Heu -- daar komt hij! -- bijt hem dood --

bijt hem dood!" Maar toen werd de lucht hevig doorbruist, het was, of

een ontzachbre adelaar omlaagruischte, terwijl hij met de vlerken in 't

ronde sloeg en een verschrikkelijke stem riep: "Hé, hé, -- gespuis! nu

is 't uit, -- nu is 't uit -- weg naar huis!" Jammerend stortte de oude

neer, maar Veronica verloor haar bezinning.

Toen zij weder tot bewustzijn kwam, was het klaar dag, in bed lag zij en

Fransje stond voor haar met een geurend kop thee, zeggende: "Maar vertel

toch eens, zuster, wat u scheelt, ik sta nu al een uur of langer voor u

en gij ligt maar bewusteloos als in de hitte van de koorts, terwijl gij

steunt en zucht, dat wij er bevreesd door worden. Vader is om uwentwil

vandaag niet naar school gegaan en komt dadelijk terug met den dokter."

Zwijgend nam Veronica de thee aan; terwijl zij die gebruikte, kwamen al

de schrikbeelden van den nacht haar weder kleurrijk voor oogen. "Dan was

dit dus toch maar een benauwde droom, die mij gekweld heeft? -- Maar ik

ben toch gisterenavond werkelijk naar de oude toegegaan en het was toch

den drie-en-twintigsten September? Ik moet dan gisteren al wel zwaar

ziek zijn geworden en heb mij dit alles maar ingebeeld en ik kan van

niets anders ziek zijn geworden, dan van het eeuwige denken aan Anselmus

en de wonderlijke oude vrouw, die zich voor Lize uitgaf en mij daarmede

slechts wilde beetnemen." Fransje, die weggegaan was, kwam weer binnen

met Veronica's doornatten mantel in de hand. "Zie eens zuster," zeide

zij, "wat er met uw mantel gebeurd is; de storm heeft vannacht het

venster opengerukt en den stoel, waarop de mantel lag, omgeworpen; daar

heeft het toen zeker ingeregend, want de mantel is heelemaal nat." --

Dit drukte Veronica zeer terneer, want zij zag nu wel in, dat haar geen

droom gekweld had, doch dat zij werkelijk bij de oude geweest was. Angst

en siddering bevingen haar en koortskoude trok haar door de leden.

Bevend en geschokt haalde zij den deken vast over zich heen; doch toen

voelde zij hoe iets hards haar op de borst drukte en toen zij er met de

hand naar tastte, scheen het haar een medaillon te zijn; zij bracht het

te voorschijn, toen Fransje met den mantel was heengegaan en het bleek

een kleine, ronde, glanzend-gepolijste spiegel van metaal. "Dat is een

geschenk van de oude," riep zij blij gezind uit en het scheen, of vurige

stralen uit den spiegel schoten, die in haar gemoed drongen en het

weldadig verwarmden. De koortskoude was gevloden en een onbeschrijfelijk

gevoel van welbehagen en voldoening doorstroomde haar. -- Zij moèst aan

Anselmus denken en toen zij sterker en sterker haar gedachten op hem

vestte, glimlachte hij haar vriendelijk tegen van uit den spiegel, die

als een levend miniatuur-portret was. Doch spoedig scheen het, als zag

zij niet meer de afbeelding -- neen -- den student Anselmus zelf in

levenden lijve. Hij zat in een hoog vreemd-ingericht vertrek en schreef

vol vlijt. Veronica wilde tot hem gaan, hem op den schouder kloppen en

zeggen: "Mijnheer, Anselmus, kijkt toch eens om, ìk ben er!" Maar dat

was volstrekt ondoenlijk, want hij was als van een stralenden vuurstroom

omgeven, doch toen Veronica scherper toezag, bleken het slechts groote

boeken met vergulde snede. Maar eindelijk gelukte het Veronica in den

kring van Anselmus' blik te komen, toen was het alsof hij bij het

aanzien zich harer eerst herinneren moest, doch ten slotte glimlachte

hij en zeide: "Ah! -- is u het, beste Mademoiselle Paulmann? Waarom

behaagt het u toch zoo van tijd tot tijd als een kleine slang op te

treden?" Veronica moest luid lachen om deze zonderlinge woorden;

daardoor ontwaakte zij als uit diepen droom en snel verborg zij den

kleinen spiegel, toen de deur openging en conrector Paulmann met dokter

Eckstein de kamer betrad. Dokter Eckstein ging dadelijk naar het bed

toe, hield, langen tijd in diep nadenken verzonken, Veronica's pols vast

en zeide toen: "Zoo! -- Zoo!" Daarna schreef hij een recept, nam nog

eens haar pols, zeide nog eens: "Zoo! Zoo!" en verliet de patiënte. Uit

deze ontboezemingen van dokter Eckstein kon conrector Paulmann waarlijk

niet nauwkeurig opmaken, wat Veronica dan toch wel scheelde. --

De Gouden Vaas · 第 14 / 21 题