De tuin van den archivaris Lindhorst benevens eenige spotvogels.
-- De gouden vaas. -- Engelsch schuinschrift. -- Smadelijke
hanepooten. -- Koning der geesten.
"Het kan ook wel zijn," zeide de student Anselmus tot zichzelf, "dat de
extra-fijne en sterke maagbitter, waarvan ik bij Monsieur Conradi een
wel wat overvloedig gebruik heb gemaakt, de dwaze spookbeelden heeft
voortgebracht, die mij bij de voordeur van den archivaris Lindhorst
angst aanjoegen. Daarom blijf ik vandaag volkomen nuchter en zal dan wel
al het verdere onheil, dat mij mocht overkomen, het hoofd kunnen
bieden."
Evenals destijds, toen hij zich tot het eerste bezoek aan den archivaris
opmaakte, stak hij zijn penteekeningen en calligrafische kunststukken,
zijn staven Oost-indischen inkt en zijn goedgescherpte ganzepennen bij
zich en reeds wilde hij de deur uitgaan, toen zijn blik viel op het
fleschje met geel vocht, dat hij van den archivaris Lindhorst gekregen
had. Toen stonden hem weder al de vreemde gebeurtenissen, die hij
doorleefd had, in brand van kleuren voor den geest en een onuitzegbaar
gevoel van zaligheid en smart doorsneed zijn borst.
Onwillekeurig riep hij op deerniswekkenden toon:
"Maar ga ik dan niet naar den archivaris alleen om u te zien, aanvallige
lieflijke Serpentina?" -- In dat oogenblik scheen het hem toe, alsof de
liefde van Serpentina de belooning was voor een zwaar gevaarvol werk,
dat hij moest aanvatten, een werk, dat niets anders was, dan het
copieeren van Lindhorst's manuscripten. -- Dat hem bij het betreden van
het huis of zelfs daarvoor nog, wel allerlei vreemds zou overkomen,
evenals laatst, daarvan was hij overtuigd. Hij dacht niet meer aan
Conradi's maagbitter, maar stak snel het vocht in zijn vestzak, om
geheel volgens het voorschrift van den archivaris te handelen, wanneer
het gebronsde appelwijf zich mocht verstouten, hem toe te grijnzen. En
spitste zich waarachtig niet dadelijk de puntige neus, fonkelden niet de
kattenoogen hem uit den deurklopper tegen, toen hij dezen met klokslag
twaalf wilde grijpen? Doch hij sproeide, zonder zich verder te bedenken,
het vocht midden in het ongeluksgezicht, waarop het oogenblikkelijk
inzonk en omgepolijst werd tot een blinkenden, kogelronden
keurklopper. -- De deur ging open en liefelijk luidden kleine klokken
door het heele huis. Klingeling -- jongeling -- snel -- snel --
spring -- spring -- klingeling. -- Wakker steeg hij de prachtige breede
trap op en vermeide zich in den geur van het vreemde reukwerk, die het
huis doorstroomde. Onzeker bleef hij in het voorhuis staan, want hij
wist niet, aan welke van de vele prachtige deuren hij kloppen moest, tot
archivaris Lindhorst in een wijd damasten morgengewaad te voorschijn
trad en uitriep: "Kom, dat doet mij genoegen, Mijnheer Anselmus, dat u
eindelijk woord houdt, volg mij maar, want ik wil u nu maar dadelijk in
het werkvertrek brengen." Toen schreed hij snel het lange voorhuis door
en opende een kleine zijdeur, die in een gang voerde. Anselmus stapte
moedig achter den archivaris aan; van uit de gang kwamen zij in een zaal
of eigenlijk in een prachtige plantenkas, want aan weerszijden tot aan
het dak verhieven zich allerlei zeldzame, wonderlijke bloemen en zelfs
groote boomen met vreemdaardig gevormde bladeren en bloesems. Rondom
ontspreidde zich een verblindend wonderlicht, zonder dat men zien kon
vanwaar het kwam, want er viel géén venster te ontdekken. En toen de
student Anselmus tusschen struiken en boomen inkeek, schenen lange
doorgangen zich tot in verre verte te verlengen. -- In het diepe duister
van cypressenstruiken schemerden marmerbekkens, waaruit zich vreemde
gestalten verhieven, stralen van kristal opspuitend, die klaterend
nedervielen in glanzende leliekelken; ongewone stemmen fluisterden en
suisden in het woud der wonderlijke gewassen en heerlijke geuren
stroomden af en aan. Verdwenen was de archivaris en Anselmus zag slechts
een forschen struik gloeiende vuurlelies voor zich. Door dit gezicht en
door de zoete geuren van den toovertuin bedwelmd, bleef Anselmus aan de
plaats gebonden staan. Toen begon alom een zacht gegrinnik en gelach en
fijne stemmetjes plaagden en spotten: Ha, Mijnheer de student, Mijnheer
de student! Waar komt u toch vandaan? Waarom heeft u zich zoo mooi
gemaakt, mijnheer Anselmus? Wilt u er met ons wat over babbelen, hoe
grootmoeder met haar achterste het ei stuk drukte en de jonker een kwak
op zijn Zondagsche vestje kreeg? Kent u de nieuwe aria al van buiten,
die u van papa Starmatz geleerd hebt, mijnheer Anselmus? -- Wat ziet u
er potsierlijk uit met uw glazen pruik en uw bordpapieren kaplaarzen.
Zoo werd geroepen, gegrinnikt en gespot van uit alle hoeken -- zelfs van
vlak naast den student, die nu eerst zag, hoe allerlei bontgekleurde
vogels hem omfladderden en hem op die wijze volop lachend te schande
maakten.
In dit oogenblik schreed de vuurleliestruik naar hem toe en hij zag, dat
het archivaris Lindhorst was, wiens gebloemd, schitterend geel-en-rood
morgenkleed hem misleid had. "Verontschuldig mij, waarde heer Anselmus,"
zeide de archivaris, "dat ik u liet staan, maar ik moest in 't
voorbijgaan even naar mijn mooien cactus zien, die vannacht zijn
bloesems zal ontsluiten -- en hoe bevalt u nu mijn kleinen binnentuin?"
"Goede Hemel, wat is het hier buitengewoon mooi, geachte heer
archivaris," antwoordde de student, "maar die bontgekleurde vogels maken
zich wel wat al te vroolijk over mijn persoontje." "Wat beteekent dat
gekwebbel?" riep de archivaris vertoornd in de struiken. Toen kwam er
een groote grijze papegaai uitfladderen en terwijl hij zich naast den
archivaris op een myrthentak zette, waarbij hij hem zonderling ernstig
en gewichtigdoend aanstaarde door een bril, die op den krommen snavel
zat, rettelde hij: "Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de archivaris,
maar mijn baldadige knapen zijn weer zoo uitgelaten, doch mijnheer de
student heeft daar zelf schuld aan, want" -- "Sst, sst!" viel de
archivaris den oude in de rede, "ik ken de snaken, maar gij moest ze
beter in toom houden, mijn vriend! -- laat ons verder gaan, Mijnheer
Anselmus!" De archivaris doorschreed nog menig op vreemde wijze
ingericht vertrek, zoodat de student hem nauwelijks volgen en een blik
werpen kon op al de glimmende, vreemdvormige meubelstukken en andere
onbekende dingen, waarvan alles overvol was.
Ten laatste betraden zij een groot vertrek, waar de archivaris met
omhoog-gewenden blik staan bleef en Anselmus gelegenheid vond zich in
den verrukkenden aanblik, dien de sobere versiering dezer zaal bood, te
vermeien. Uit de azuurblauwe wanden traden de goudbronzen stammen van
hooge palmen, die hunne immense, als vonkelende smaragden glinsterende
bladeren in de hoogte tot een zoldering welfden; in het midden der kamer
rustte op drie uit donker brons gegoten Egyptische leeuwen een porphyren
plaat, waarop een eenvoudige gouden vaas stond, waarvan, eenmaal gezien,
Anselmus de oogen niet meer kon afkeeren. Het was als speelden met
duizenden weerschijnschemeringen allerlei gestalten op het glanzend
gepolijste goud -- menigmaal zag hij zichzelf met smachtend-open
armen -- o, naast den vlierstruik -- en Serpentina wond zich omhoog en
omlaag hem aanziend met haar bezaligende oogen. Anselmus vergat zich in
waanzin van vervoering. "Serpentina, Serpentina," riep hij luide, tot
archivaris Lindhorst zich snel omwendde en sprak: "Wat bedoelt u, waarde
heer Anselmus? -- Ik geloof, dat het u behaagde mijn dochter te roepen,
maar die bevindt zich aan de andere zijde van het huis in haar kamer en
ontvangt juist klavier-onderricht, gaat u maar verder mee." Anselmus
volgde den weggaanden archivaris haast zonder bewustzijn, hij zag nòch
hoorde iets meer, totdat de archivaris hem krachtig bij de hand vatte en
sprak: "Nu zijn wij ter plaatse." Anselmus ontwaakte als uit een droom
en bemerkte nu, dat hij zich in een hooge, rondom met boekenkasten
bezette kamer bevond, die zich door niets van een gewone bibliotheek of
studeerkamer onderscheidde. In het midden stond een groote werktafel met
een bekleede leuningstoel ervoor. "Dit," zeide archivaris Lindhorst,
"zal voorloopig uw werkkamer zijn. Of u later nog in de andere blauwe
bibliotheekzaal, waar u zoo opeens den naam van mijn dochter aanriep,
zult werken, weet ik nog niet; -- maar nu wilde ik mij wel eens van uw
bekwaamheid, om den u toegedachten arbeid werkelijk naar mijn wensch en
behoefte uit te voeren, overtuigen." De student Anselmus hervond nu zijn
moed geheel en haalde, niet zonder zelfvoldaanheid en in de overtuiging,
den archivaris door zijn buitengewoon talent hoogelijk tot blijdschap te
stemmen, zijne teekeningen en schrifturen uit den zak. De archivaris had
nauwelijks het eerste blad, een oorkonde in de sierlijkste, Engelsche
schrijfwijze, bezien of hij glimlachte allervreemdst en schudde het
hoofd. Dit herhaalde zich bij ieder blad, zoodat den student Anselmus
het bloed naar het hoofd steeg en hij, toen de glimlach eindelijk zuiver
spotachtig en verachtelijk werd, vol wrevel uitbarstte: "Mijnheer de
archivaris schijnt over mijn gering talent niet bijster tevreden."
"Beste Mijnheer Anselmus," zeide archivaris Lindhorst, "u bezit een
voortreffelijken aanleg voor de kunst van het schoonschrijven, maar ik
zie wel in, dat ik voorshands meer op uw vlijt, op uw goeden wil zal
moeten rekenen, dan op uw bekwaamheid. Het kan ook wel aan het
ondeugdelijk materiaal liggen, dat u gebruikte."
Veel sprak de student Anselmus over zijn van andere zijde erkende
vaardigheid in de kunst, over Oost-Indischen inkt en uitgezochte
ganzepennen. Toen reikte archivaris Lindhorst hem het Engelsche blad toe
en zeide: "Oordeel zelf!" -- Anselmus stond als van den bliksem geraakt,
toen hem zijn eigen handschrift zoo hoogst erbarmelijk voorkwam. Daar
was geen ronding in de ophalen, geen neerhaal zuiver, geen goede
verhouding tusschen groote en kleine letters, schoolknaapachtige,
smadelijke hanepooten bedierven de anders behoorlijk rechte regels. "En
bovendien," voer archivaris Lindhorst voort, "is uw inkt ook niet
duurzaam." Hij doopte den vinger in een glas met water en door maar even
op de letters te tippen was alles verdwenen. Het was den student
Anselmus of een gedrocht hem de keel toesnoerde -- hij kon geen woord
uiten. Zoo bleef hij staan, met het ongeluksblad in de hand, maar de
archivaris lachte luid-uit en zeide: "Laat u hierdoor niet verontrusten,
waarde heer Anselmus; hetgeen gij tot nog toe niet kondt volbrengen, zal
zich hier bij mij wellicht beter voegen; daarenboven vindt u beter
materiaal, dan waarover u vroeger beschikte! -- Begint u maar
goedsmoeds!" -- Archivaris Lindhorst haalde eerst een vloeibare, zwarte
zelfstandigheid, die een hoogst eigenaardigen reuk verbreidde, vreemd
gekleurde scherp-gesneden pennen en een blad van een buitengewone
blankheid en gladheid, daarna een Arabisch manuscript uit een gesloten
kast en zoodra Anselmus zich aan den arbeid gezet had, verliet hij de
kamer. De student had reeds verscheidene malen Arabisch schrift
gecopieerd, zoodat de eerste taak hem niet zwaar toescheen.
"Hoe die hanepooten in mijn mooi Engelsch schuinschrift gekomen zijn,
mogen God en archivaris Lindhorst weten," sprak hij, "maar dat zij niet
van mijn hand zijn, daar geef ik mijn leven op." -- Met ieder woord, dat
nu welgeslaagd op het perkament kwam, wies zijn moed en daarbij zijn
vaardigheid. Het was ook waarlijk een genot om met die pennen te
schrijven en de geheimzinnige inkt vloeide ravenzwart en gewillig uit
over het blinkend-witte perkament. Terwijl hij zoo volhardend en met
strak-gespannen aandacht voortwerkte, werd het hem immer beter te moede
in de eenzame kamer en hij was reeds volkomen met de onderneming, die
hij tot een goed einde hoopte te brengen, vertrouwd geraakt, toen met
klokslag van drieën de archivaris hem in de aangrenzende kamer tot het
welbereide middagmaal riep. Aan tafel was de archivaris in een bijzonder
opgewekte stemming; hij vroeg belangstellend naar de vrienden van den
student Anselmus, conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, en wist
voornamelijk van den laatste veel vermakelijks te vertellen. De goede
oude Rijnwijn smaakte Anselmus uitnemend en maakte hem spraakzamer, dan
hij anders gewoon was te zijn. Met het slaan van vieren stond hij op, om
aan zijn werk te gaan en die nauwgezetheid scheen archivaris Lindhorst
wel te bevallen. Was hem voor het maal het copieeren der Arabische
teekens reeds gelukt, nu ging hem het werk nog zooveel beter van de
hand, zelfs kon hij zich de vlugheid en het gemak niet meer begrijpen,
waarmede hij de krullige halen van het vreemde schrift vermocht na te
teekenen. --
Doch het scheen hem toe, alsof uit zijn diepste innerlijk een stem
duidelijke woorden fluisterde: "Ach, hoe zoudt gij dàt kunnen
volbrengen, indien gij _haar_ niet in zin en denken droegt, als gij
niet aan _haar_ en aan hare liefde geloofdet?"
En door de kamer waaide als in zachte, zachte, lispende kristallen
tonen: "Ik ben u nabij -- nabij -- nabij! ik help u -- wees wakker --
blijf standvastig, lieve Anselmus! -- ik zorg voor u, opdat gij de mijne
wordt!" En waar hij innerlijk-verrukt die tonen vernam, werden hem de
onbekende teekens steeds vertrouwder -- nauwelijks behoefde hij meer
naar het oorspronkelijke te zien -- zelfs scheen het, als stonden de
teekens reeds in een bleek schrift op het perkament, zoodat hij ze maar
met vaardige hand zwart hoefde over te halen. Zoo werkte hij voort, door
liefelijke troost-tonen, als door een zoet, teeder ademen omsloten, tot
de klok zes sloeg en archivaris Lindhorst de kamer betrad. Zonderling
glimlachend trad hij op de tafel toe, Anselmus stond zwijgend op, steeds
nog zag archivaris Lindhorst hem als met hoonend spotten onhoorbaar
lachend aan, nauwelijks had hij echter het afschrift ingezien of de
glimlach verging in den diepen, plechtigen ernst, waartoe zich alle
spieren van zijn gelaat vertrokken. Dra scheen hij niet meer dezelfde.
De oogen, die anders vonkelend vuur spatten, zagen Anselmus nu met
onzegbare zachtheid aan, een teer rood tintte de bleeke wangen en
instede van de ironie, die anders den mond samenkneep, schenen de
weekgevormde, aantrekkelijke lippen zich te openen tot een wijs, het
gevoels-innerlijk rakend spreken. -- De heele gestalte werd hooger,
waardiger; het wijde morgenkleed legde zich als een koningsmantel in
breede plooien om borst en schouders en door de witte lokjes, die over
het hooge, opene voorhoofd lagen, wond zich een dunne, gouden band.
"Jonge man," ving de archivaris plechtiglijk aan, "jonge man, ik had
voor gij het nog kondt vermoeden, al de geheime betrekkingen geduid, die
u met wat mij het liefste en heiligste is, verbinden! -- Serpentina
heeft u lief en een vreemde betoovering, welker noodlottige draden door
vijandige machten gesponnen werden, wordt opgeheven, als zij de uwe
wordt en gij als onafwijsbare huwelijksgift, de gouden vaas ontvangt,
die haar eigendom is. Maar slechts uit den strijd ontspringt uw geluk in
het hoogere leven. Vijandige elementen zullen u aanvallen en slechts de
innerlijke kracht, waarmede gij de aanslagen weerstaat, kan u redden van
smaad en ondergang. Door hier te werken, maakt gij uw leertijd door;
geloof en inzicht voeren u het doel nabij; als gij u maar vasthoudt
aan datgene, wat gij beginnen moest. Blijf haar innerlijk trouw,
_haar_, die gij liefhebt en gij zult het prachtig wonder der gouden
vaas aanschouwen en gelukkig zijn voor altijd. -- Het ga u goed!
archivaris Lindhorst verwacht u morgen om twaalf uur in uw werkkamer!
Het ga u goed!"
De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij
daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en
welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de
wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven
hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst;
volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids
gezien had. -- Hij riep hem toe: "Wel, waarde heer Anselmus, waarover
peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo
goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht
bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging
voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak." -- De student
Anselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen
zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. --
"Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet," sprak hij tot
zichzelf, "moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt
houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina
en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want
ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig
element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders,
dan Serpentina's liefde?"