ZESDE NACHTWAAK

De tuin van den archivaris Lindhorst benevens eenige spotvogels.

-- De gouden vaas. -- Engelsch schuinschrift. -- Smadelijke

hanepooten. -- Koning der geesten.

"Het kan ook wel zijn," zeide de student Anselmus tot zichzelf, "dat de

extra-fijne en sterke maagbitter, waarvan ik bij Monsieur Conradi een

wel wat overvloedig gebruik heb gemaakt, de dwaze spookbeelden heeft

voortgebracht, die mij bij de voordeur van den archivaris Lindhorst

angst aanjoegen. Daarom blijf ik vandaag volkomen nuchter en zal dan wel

al het verdere onheil, dat mij mocht overkomen, het hoofd kunnen

bieden."

Evenals destijds, toen hij zich tot het eerste bezoek aan den archivaris

opmaakte, stak hij zijn penteekeningen en calligrafische kunststukken,

zijn staven Oost-indischen inkt en zijn goedgescherpte ganzepennen bij

zich en reeds wilde hij de deur uitgaan, toen zijn blik viel op het

fleschje met geel vocht, dat hij van den archivaris Lindhorst gekregen

had. Toen stonden hem weder al de vreemde gebeurtenissen, die hij

doorleefd had, in brand van kleuren voor den geest en een onuitzegbaar

gevoel van zaligheid en smart doorsneed zijn borst.

Onwillekeurig riep hij op deerniswekkenden toon:

"Maar ga ik dan niet naar den archivaris alleen om u te zien, aanvallige

lieflijke Serpentina?" -- In dat oogenblik scheen het hem toe, alsof de

liefde van Serpentina de belooning was voor een zwaar gevaarvol werk,

dat hij moest aanvatten, een werk, dat niets anders was, dan het

copieeren van Lindhorst's manuscripten. -- Dat hem bij het betreden van

het huis of zelfs daarvoor nog, wel allerlei vreemds zou overkomen,

evenals laatst, daarvan was hij overtuigd. Hij dacht niet meer aan

Conradi's maagbitter, maar stak snel het vocht in zijn vestzak, om

geheel volgens het voorschrift van den archivaris te handelen, wanneer

het gebronsde appelwijf zich mocht verstouten, hem toe te grijnzen. En

spitste zich waarachtig niet dadelijk de puntige neus, fonkelden niet de

kattenoogen hem uit den deurklopper tegen, toen hij dezen met klokslag

twaalf wilde grijpen? Doch hij sproeide, zonder zich verder te bedenken,

het vocht midden in het ongeluksgezicht, waarop het oogenblikkelijk

inzonk en omgepolijst werd tot een blinkenden, kogelronden

keurklopper. -- De deur ging open en liefelijk luidden kleine klokken

door het heele huis. Klingeling -- jongeling -- snel -- snel --

spring -- spring -- klingeling. -- Wakker steeg hij de prachtige breede

trap op en vermeide zich in den geur van het vreemde reukwerk, die het

huis doorstroomde. Onzeker bleef hij in het voorhuis staan, want hij

wist niet, aan welke van de vele prachtige deuren hij kloppen moest, tot

archivaris Lindhorst in een wijd damasten morgengewaad te voorschijn

trad en uitriep: "Kom, dat doet mij genoegen, Mijnheer Anselmus, dat u

eindelijk woord houdt, volg mij maar, want ik wil u nu maar dadelijk in

het werkvertrek brengen." Toen schreed hij snel het lange voorhuis door

en opende een kleine zijdeur, die in een gang voerde. Anselmus stapte

moedig achter den archivaris aan; van uit de gang kwamen zij in een zaal

of eigenlijk in een prachtige plantenkas, want aan weerszijden tot aan

het dak verhieven zich allerlei zeldzame, wonderlijke bloemen en zelfs

groote boomen met vreemdaardig gevormde bladeren en bloesems. Rondom

ontspreidde zich een verblindend wonderlicht, zonder dat men zien kon

vanwaar het kwam, want er viel géén venster te ontdekken. En toen de

student Anselmus tusschen struiken en boomen inkeek, schenen lange

doorgangen zich tot in verre verte te verlengen. -- In het diepe duister

van cypressenstruiken schemerden marmerbekkens, waaruit zich vreemde

gestalten verhieven, stralen van kristal opspuitend, die klaterend

nedervielen in glanzende leliekelken; ongewone stemmen fluisterden en

suisden in het woud der wonderlijke gewassen en heerlijke geuren

stroomden af en aan. Verdwenen was de archivaris en Anselmus zag slechts

een forschen struik gloeiende vuurlelies voor zich. Door dit gezicht en

door de zoete geuren van den toovertuin bedwelmd, bleef Anselmus aan de

plaats gebonden staan. Toen begon alom een zacht gegrinnik en gelach en

fijne stemmetjes plaagden en spotten: Ha, Mijnheer de student, Mijnheer

de student! Waar komt u toch vandaan? Waarom heeft u zich zoo mooi

gemaakt, mijnheer Anselmus? Wilt u er met ons wat over babbelen, hoe

grootmoeder met haar achterste het ei stuk drukte en de jonker een kwak

op zijn Zondagsche vestje kreeg? Kent u de nieuwe aria al van buiten,

die u van papa Starmatz geleerd hebt, mijnheer Anselmus? -- Wat ziet u

er potsierlijk uit met uw glazen pruik en uw bordpapieren kaplaarzen.

Zoo werd geroepen, gegrinnikt en gespot van uit alle hoeken -- zelfs van

vlak naast den student, die nu eerst zag, hoe allerlei bontgekleurde

vogels hem omfladderden en hem op die wijze volop lachend te schande

maakten.

In dit oogenblik schreed de vuurleliestruik naar hem toe en hij zag, dat

het archivaris Lindhorst was, wiens gebloemd, schitterend geel-en-rood

morgenkleed hem misleid had. "Verontschuldig mij, waarde heer Anselmus,"

zeide de archivaris, "dat ik u liet staan, maar ik moest in 't

voorbijgaan even naar mijn mooien cactus zien, die vannacht zijn

bloesems zal ontsluiten -- en hoe bevalt u nu mijn kleinen binnentuin?"

"Goede Hemel, wat is het hier buitengewoon mooi, geachte heer

archivaris," antwoordde de student, "maar die bontgekleurde vogels maken

zich wel wat al te vroolijk over mijn persoontje." "Wat beteekent dat

gekwebbel?" riep de archivaris vertoornd in de struiken. Toen kwam er

een groote grijze papegaai uitfladderen en terwijl hij zich naast den

archivaris op een myrthentak zette, waarbij hij hem zonderling ernstig

en gewichtigdoend aanstaarde door een bril, die op den krommen snavel

zat, rettelde hij: "Neem het mij niet kwalijk, mijnheer de archivaris,

maar mijn baldadige knapen zijn weer zoo uitgelaten, doch mijnheer de

student heeft daar zelf schuld aan, want" -- "Sst, sst!" viel de

archivaris den oude in de rede, "ik ken de snaken, maar gij moest ze

beter in toom houden, mijn vriend! -- laat ons verder gaan, Mijnheer

Anselmus!" De archivaris doorschreed nog menig op vreemde wijze

ingericht vertrek, zoodat de student hem nauwelijks volgen en een blik

werpen kon op al de glimmende, vreemdvormige meubelstukken en andere

onbekende dingen, waarvan alles overvol was.

Ten laatste betraden zij een groot vertrek, waar de archivaris met

omhoog-gewenden blik staan bleef en Anselmus gelegenheid vond zich in

den verrukkenden aanblik, dien de sobere versiering dezer zaal bood, te

vermeien. Uit de azuurblauwe wanden traden de goudbronzen stammen van

hooge palmen, die hunne immense, als vonkelende smaragden glinsterende

bladeren in de hoogte tot een zoldering welfden; in het midden der kamer

rustte op drie uit donker brons gegoten Egyptische leeuwen een porphyren

plaat, waarop een eenvoudige gouden vaas stond, waarvan, eenmaal gezien,

Anselmus de oogen niet meer kon afkeeren. Het was als speelden met

duizenden weerschijnschemeringen allerlei gestalten op het glanzend

gepolijste goud -- menigmaal zag hij zichzelf met smachtend-open

armen -- o, naast den vlierstruik -- en Serpentina wond zich omhoog en

omlaag hem aanziend met haar bezaligende oogen. Anselmus vergat zich in

waanzin van vervoering. "Serpentina, Serpentina," riep hij luide, tot

archivaris Lindhorst zich snel omwendde en sprak: "Wat bedoelt u, waarde

heer Anselmus? -- Ik geloof, dat het u behaagde mijn dochter te roepen,

maar die bevindt zich aan de andere zijde van het huis in haar kamer en

ontvangt juist klavier-onderricht, gaat u maar verder mee." Anselmus

volgde den weggaanden archivaris haast zonder bewustzijn, hij zag nòch

hoorde iets meer, totdat de archivaris hem krachtig bij de hand vatte en

sprak: "Nu zijn wij ter plaatse." Anselmus ontwaakte als uit een droom

en bemerkte nu, dat hij zich in een hooge, rondom met boekenkasten

bezette kamer bevond, die zich door niets van een gewone bibliotheek of

studeerkamer onderscheidde. In het midden stond een groote werktafel met

een bekleede leuningstoel ervoor. "Dit," zeide archivaris Lindhorst,

"zal voorloopig uw werkkamer zijn. Of u later nog in de andere blauwe

bibliotheekzaal, waar u zoo opeens den naam van mijn dochter aanriep,

zult werken, weet ik nog niet; -- maar nu wilde ik mij wel eens van uw

bekwaamheid, om den u toegedachten arbeid werkelijk naar mijn wensch en

behoefte uit te voeren, overtuigen." De student Anselmus hervond nu zijn

moed geheel en haalde, niet zonder zelfvoldaanheid en in de overtuiging,

den archivaris door zijn buitengewoon talent hoogelijk tot blijdschap te

stemmen, zijne teekeningen en schrifturen uit den zak. De archivaris had

nauwelijks het eerste blad, een oorkonde in de sierlijkste, Engelsche

schrijfwijze, bezien of hij glimlachte allervreemdst en schudde het

hoofd. Dit herhaalde zich bij ieder blad, zoodat den student Anselmus

het bloed naar het hoofd steeg en hij, toen de glimlach eindelijk zuiver

spotachtig en verachtelijk werd, vol wrevel uitbarstte: "Mijnheer de

archivaris schijnt over mijn gering talent niet bijster tevreden."

"Beste Mijnheer Anselmus," zeide archivaris Lindhorst, "u bezit een

voortreffelijken aanleg voor de kunst van het schoonschrijven, maar ik

zie wel in, dat ik voorshands meer op uw vlijt, op uw goeden wil zal

moeten rekenen, dan op uw bekwaamheid. Het kan ook wel aan het

ondeugdelijk materiaal liggen, dat u gebruikte."

Veel sprak de student Anselmus over zijn van andere zijde erkende

vaardigheid in de kunst, over Oost-Indischen inkt en uitgezochte

ganzepennen. Toen reikte archivaris Lindhorst hem het Engelsche blad toe

en zeide: "Oordeel zelf!" -- Anselmus stond als van den bliksem geraakt,

toen hem zijn eigen handschrift zoo hoogst erbarmelijk voorkwam. Daar

was geen ronding in de ophalen, geen neerhaal zuiver, geen goede

verhouding tusschen groote en kleine letters, schoolknaapachtige,

smadelijke hanepooten bedierven de anders behoorlijk rechte regels. "En

bovendien," voer archivaris Lindhorst voort, "is uw inkt ook niet

duurzaam." Hij doopte den vinger in een glas met water en door maar even

op de letters te tippen was alles verdwenen. Het was den student

Anselmus of een gedrocht hem de keel toesnoerde -- hij kon geen woord

uiten. Zoo bleef hij staan, met het ongeluksblad in de hand, maar de

archivaris lachte luid-uit en zeide: "Laat u hierdoor niet verontrusten,

waarde heer Anselmus; hetgeen gij tot nog toe niet kondt volbrengen, zal

zich hier bij mij wellicht beter voegen; daarenboven vindt u beter

materiaal, dan waarover u vroeger beschikte! -- Begint u maar

goedsmoeds!" -- Archivaris Lindhorst haalde eerst een vloeibare, zwarte

zelfstandigheid, die een hoogst eigenaardigen reuk verbreidde, vreemd

gekleurde scherp-gesneden pennen en een blad van een buitengewone

blankheid en gladheid, daarna een Arabisch manuscript uit een gesloten

kast en zoodra Anselmus zich aan den arbeid gezet had, verliet hij de

kamer. De student had reeds verscheidene malen Arabisch schrift

gecopieerd, zoodat de eerste taak hem niet zwaar toescheen.

"Hoe die hanepooten in mijn mooi Engelsch schuinschrift gekomen zijn,

mogen God en archivaris Lindhorst weten," sprak hij, "maar dat zij niet

van mijn hand zijn, daar geef ik mijn leven op." -- Met ieder woord, dat

nu welgeslaagd op het perkament kwam, wies zijn moed en daarbij zijn

vaardigheid. Het was ook waarlijk een genot om met die pennen te

schrijven en de geheimzinnige inkt vloeide ravenzwart en gewillig uit

over het blinkend-witte perkament. Terwijl hij zoo volhardend en met

strak-gespannen aandacht voortwerkte, werd het hem immer beter te moede

in de eenzame kamer en hij was reeds volkomen met de onderneming, die

hij tot een goed einde hoopte te brengen, vertrouwd geraakt, toen met

klokslag van drieën de archivaris hem in de aangrenzende kamer tot het

welbereide middagmaal riep. Aan tafel was de archivaris in een bijzonder

opgewekte stemming; hij vroeg belangstellend naar de vrienden van den

student Anselmus, conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, en wist

voornamelijk van den laatste veel vermakelijks te vertellen. De goede

oude Rijnwijn smaakte Anselmus uitnemend en maakte hem spraakzamer, dan

hij anders gewoon was te zijn. Met het slaan van vieren stond hij op, om

aan zijn werk te gaan en die nauwgezetheid scheen archivaris Lindhorst

wel te bevallen. Was hem voor het maal het copieeren der Arabische

teekens reeds gelukt, nu ging hem het werk nog zooveel beter van de

hand, zelfs kon hij zich de vlugheid en het gemak niet meer begrijpen,

waarmede hij de krullige halen van het vreemde schrift vermocht na te

teekenen. --

Doch het scheen hem toe, alsof uit zijn diepste innerlijk een stem

duidelijke woorden fluisterde: "Ach, hoe zoudt gij dàt kunnen

volbrengen, indien gij _haar_ niet in zin en denken droegt, als gij

niet aan _haar_ en aan hare liefde geloofdet?"

En door de kamer waaide als in zachte, zachte, lispende kristallen

tonen: "Ik ben u nabij -- nabij -- nabij! ik help u -- wees wakker --

blijf standvastig, lieve Anselmus! -- ik zorg voor u, opdat gij de mijne

wordt!" En waar hij innerlijk-verrukt die tonen vernam, werden hem de

onbekende teekens steeds vertrouwder -- nauwelijks behoefde hij meer

naar het oorspronkelijke te zien -- zelfs scheen het, als stonden de

teekens reeds in een bleek schrift op het perkament, zoodat hij ze maar

met vaardige hand zwart hoefde over te halen. Zoo werkte hij voort, door

liefelijke troost-tonen, als door een zoet, teeder ademen omsloten, tot

de klok zes sloeg en archivaris Lindhorst de kamer betrad. Zonderling

glimlachend trad hij op de tafel toe, Anselmus stond zwijgend op, steeds

nog zag archivaris Lindhorst hem als met hoonend spotten onhoorbaar

lachend aan, nauwelijks had hij echter het afschrift ingezien of de

glimlach verging in den diepen, plechtigen ernst, waartoe zich alle

spieren van zijn gelaat vertrokken. Dra scheen hij niet meer dezelfde.

De oogen, die anders vonkelend vuur spatten, zagen Anselmus nu met

onzegbare zachtheid aan, een teer rood tintte de bleeke wangen en

instede van de ironie, die anders den mond samenkneep, schenen de

weekgevormde, aantrekkelijke lippen zich te openen tot een wijs, het

gevoels-innerlijk rakend spreken. -- De heele gestalte werd hooger,

waardiger; het wijde morgenkleed legde zich als een koningsmantel in

breede plooien om borst en schouders en door de witte lokjes, die over

het hooge, opene voorhoofd lagen, wond zich een dunne, gouden band.

"Jonge man," ving de archivaris plechtiglijk aan, "jonge man, ik had

voor gij het nog kondt vermoeden, al de geheime betrekkingen geduid, die

u met wat mij het liefste en heiligste is, verbinden! -- Serpentina

heeft u lief en een vreemde betoovering, welker noodlottige draden door

vijandige machten gesponnen werden, wordt opgeheven, als zij de uwe

wordt en gij als onafwijsbare huwelijksgift, de gouden vaas ontvangt,

die haar eigendom is. Maar slechts uit den strijd ontspringt uw geluk in

het hoogere leven. Vijandige elementen zullen u aanvallen en slechts de

innerlijke kracht, waarmede gij de aanslagen weerstaat, kan u redden van

smaad en ondergang. Door hier te werken, maakt gij uw leertijd door;

geloof en inzicht voeren u het doel nabij; als gij u maar vasthoudt

aan datgene, wat gij beginnen moest. Blijf haar innerlijk trouw,

_haar_, die gij liefhebt en gij zult het prachtig wonder der gouden

vaas aanschouwen en gelukkig zijn voor altijd. -- Het ga u goed!

archivaris Lindhorst verwacht u morgen om twaalf uur in uw werkkamer!

Het ga u goed!"

De archivaris schoof den student Anselmus zachtjes de deur uit, die hij

daarop toesloot en hij bevond zich in de kamer, waar hij gegeten had, en

welker eenige deur naar het voorhuis voerde. Verdoofd door de

wonderlijke verschijningen bleef hij voor de voordeur staan, tot boven

hem een venster openging. Hij zag op; het was archivaris Lindhorst;

volkomen de oude man met grijswitten mantel, zooals hij hem bereids

gezien had. -- Hij riep hem toe: "Wel, waarde heer Anselmus, waarover

peinst u zoo, ik wed, dat het Arabisch niet uit uw hoofd wil? Wees zoo

goed, mijnheer den conrector Paulmann te groeten, wanneer u hem wellicht

bezoekt en komt u morgen met klokslag van twaalven terug. De bezoldiging

voor vandaag bevindt zich al in uw rechter vestzak." -- De student

Anselmus vond inderdaad den blanken, gemunten Thaler in den aangewezen

zak, maar hij verheugde er zich volstrekt niet over. --

"Wat er van dit alles worden moet, weet ik niet," sprak hij tot

zichzelf, "moge mij ook slechts begoocheling en spokerij omstrikt

houden, in mijn binnenste leeft en heerscht toch de liefste Serpentina

en liever dan van haar af te laten, wil ik geheel en al ondergaan, want

ik weet immers, dat de gedachte in mij eeuwig is en door geen vijandig

element kan vernietigd worden; maar is die gedachte ook wel iets anders,

dan Serpentina's liefde?"

De Gouden Vaas · 第 13 / 21 题