De vrouw van den hofraad Anselmus. Cicero de officiis. Meerkatten
en ander gespuis. De oude Lize. Het aequinoctium.[5]
[Voetnoot 5: dag-en-nachtevening.]
"Met Anselmus is nu eenmaal niets ter wereld aan te vangen," zeide
conrector Paulmann; "al mijn goede raadgevingen en vermaningen blijven
zonder vrucht, hij wil zich nergens op toeleggen, ofschoon hij de beste
schoolkennis bezit, die toch maar de basis van alles is." Maar griffier
Heerbrand antwoordde sluw en geheimzinnig glimlachend: "Laat u Anselmus
maar volle vrijheid en tijd, beste Conrector! het is een curieus
personage, maar er zit veel in hem en wanneer ik zeg véél, dan bedoel
ik: een secretaris in buitengewonen dienst of wellicht wel een
hofraad." -- "Hof" -- begon de conrector met de grootste verbazing, maar
het woord wilde hem niet over de lippen. -- "Ja, ja," ging griffier
Heerbrand door, "ik weet, wat ik weet! -- Al sedert twee dagen zit hij
bij den archivaris Lindhorst te copieeren en de archivaris zeide
gisteravond in het koffiehuis tegen mij: "U hebt mij een fikschen kerel
aanbevolen, mijn waarde!" -- uit die groeit wat en denk nu maar eens aan
's archivaris' relaties -- ja -- ja -- over een jaar spreken wij elkaar
nader!" -- Met deze woorden ging de griffier met onafgebroken sluw
glimlachen de deur uit en liet den van verbazing en nieuwsgierigheid
verstomden conrector als aan zijn stoel vastgetooverd zitten. Maar op
Veronica had het gesprek een heel bijzonderen indruk gemaakt. Heb ik het
dan niet altijd geweten, dacht zij, dat mijnheer Anselmus een echt
schrandere, beminnelijke jonge man is, die het nog tot iets groots zal
brengen? Als ik nu maar wist, of hij werkelijk van mij houdt? -- Maar
heeft hij mij dan niet, op dien avond toen wij over de Elbe voeren, tot
tweemaal toe de hand gedrukt? heeft hij mij onder het duet niet
aangezien met van die allervreemdste blikken, die tot in het hart
dringen? O ja, hij houdt heusch van mij -- en ik -- Veronica liet zich
overheeren, als jonge meisjes plegen te doen, door zoete droomen van een
zonnige toekomst. De vrouw van den hofraad was zij en bewoonde een
prachtig hotel in de Schlossgasse, of op de Neumarkt of in de
Moritzstrasse -- voortreffelijk stonden haar de moderne hoed en de
nieuwe turksche shawl -- in een elegante peignoir ontbeet zij in den
erker, terwijl zij aan de keukenmeid de noodige bevelen voor dien dag
gaf. "Maar wees voorzichtig dien schotel niet te verknoeien, want dat is
het lievelingsgerecht van Mijnheer den hofraad." -- Voorbijgaande
salonjonkers loenschen naar boven en zij kan duidelijk verstaan: "Het is
toch een engel van een vrouw, die vrouw van den hofraad en wat staat
haar dat kanten mutsje weer allerliefst." -- De vrouw van den geheimraad
Ypsilon zendt haar bediende en laat vragen of de vrouw van den hofraad
er behagen in zou hebben, vandaag mede naar het Linkesche Bad te
rijden. -- "Mijn complimenten, en dat het mij ten zeerste spijt, maar ik
ben al op de thee genoodigd door de vrouw van den president Tz." -- Daar
komt de hofraad Anselmus, die al vroeg voor zaken uitgegaan was, terug;
naar de laatste mode is hij gekleed; "waarachtig al tien uur," roept hij
uit, terwijl hij zijn gouden horloge de uren laat repeteeren en de jonge
vrouw kust. "Hoe maakt mijn lief vrouwtje het en weet zij al wat ik hier
voor haar heb?" gaat hij licht schertsend voort en haalt een paar
prachtige, naar de laatste mode gezette oorbellen uit zijn vestzak, die
hij haar inplaats van de andere in de ooren hangt. "O, wat mooie,
keurige oorbellen," roept Veronica hardop, en springt, terwijl zij haar
handwerkje neergooit, van haar stoel, om werkelijk in den spiegel de
oorbellen te gaan bekijken. "Wat moet dat voorstellen," zeide conrector
Paulmann, die in Cicero de officiïs verdiept, het boek bijna liet
vallen, "ook al van die aanvallen als Anselmus." Maar toen trad de
student Anselmus, die zich tegen zijn gewoonte in verscheidene dagen
niet had laten zien, de kamer binnen, zeer tot schrik en verbazing van
Veronica, want inderdaad had zich zijn gedrag geheel veranderd. Met een
zekere beslistheid, die hem anders volstrekt niet deelachtig was, sprak
hij van gansch andere bedoelingen zijns levens, die hem waren geklaard,
van verrukkende vooruitzichten, die zich hem hadden geopend, doch die
menigeen volstrekt niet vermocht te zien. Conrector Paulmann werd, het
geheimzinnig gepraat van den griffier Heerbrand indachtig, nog meer
verward en kon nauwelijks een syllabe uiten, toen de student Anselmus,
nadat hij zich eenige woorden over dringende bezigheid bij den
archivaris Lindhorst had laten ontvallen en Veronica elegantelijk de
hand had gekust, reeds de trap af en verdwenen was.
"Dat was de hofraad al," murmelde Veronica, "en hij kuste mij de hand,
zonder daarbij uit te glijden of op mijn voet te trappen, als anders! --
hij heeft mij een echt teederen blik geschonken -- hij houdt dus heusch
van mij." --
Opnieuw liet Veronica zich door die droomen overheeren, maar tegelijk
was het of voortdurend een vijandig-gezinde gestalte trad door de
bekoorlijke gezichten, die uit haar toekomstig leven als vrouw van den
hofraad opkwamen, en die gestalte lachte schamper en sprak: "Dat alles
is grove dwaasheid en leugen, want nooit wordt Anselmus hofraad en je
man; hij houdt toch niet van je, al heb je blauwe oogen, een slanke
leest en fijne handen." --
Toen stortte een ijzigen stroom zich door Veronica's wezen en rauwe
schrik brak het welbehagen, waarin zij zichzelf nog eerst met het kanten
mutsje en de elegante oorbellen gezien had. -- Bijna sprongen tranen
haar uit de oogen en hardop zeide zij: "Ach, zoo is het, hij bemint mij
niet en nooit word ik de vrouw van een hofraad."
"Die romantische kuren, o die romantische kuren," riep conrector
Paulmann, nam hoed en stok en snelde vertoornd heen! --
Dit ontbrak nu nog, zuchtte Veronica en ergerde zich zeer over haar
twaalfjarig zusje, dat zonder deelneming aan haar borduurraam gezeten,
voortgeborduurd had. Intusschen was het bijna drie uur geworden en juist
tijd om de kamer wat te redderen en de koffietafel klaar te maken; want
de jongejuffrouwen Oster hadden zich bij heur vriendin laten weten. Maar
van achter ieder kastje, dat Veronica verschoof, van achter de
muziekboeken, die zij van de piano nam, van achter ieder kopje, van
achter de koffiekan, die zij uit het buffet haalde, sprong die
verschijning als een kwel-kaboutertje op en lachte schamper en knipte
met de kleine nijdvingers en krijschte: hij wordt toch je man niet, hij
wordt toch je man niet. En toen, terwijl zij alles liet staan en liggen
en in het midden van de kamer vluchtte, keek die langgeneusd en
reuzegroot van achter de kachel en gromde en bromde: hij wordt toch je
man niet. "Hoor je dan niets, zie je dan niets, zusje," riep Veronica,
die van vrees en beven niets meer kon aanraken. Fransje rees, ernstig en
kalm, van haar borduurraam op en zeide: "Wat scheelt er vandaag toch
aan, zuster? Alles werpt gij door elkaar, dat het ervan rammelt en
kleppert; ik zal maar eens hèlpen."
Maar toen kwamen reeds de blijgezinde meisjes gul lachend binnen en in
dat zelfde oogenblik bemerkte Veronica nu ook, dat zij het sierstuk op
de kachel voor een gestalte en het knarsen van het slecht-gesloten
kacheldeurtje voor de boosaardige woorden gehouden had. Door innerlijken
schrik echter heftig beroerd, kon zij zich niet zoo snel hervatten, dat
haar vriendinnen niet de buitengewone spanning, die zelfs haar
bleekheid, haar verward gelaat verried, bemerken moesten. Toen zij, al
het vroolijks, dat zij juist wilden vertellen, latende varen, der
vriendin met aandrang afvroegen, wat haar om 's Hemels wil overkomen
was, kon Veronica slechts bekennen, dat zij zich op uiterst-ongewone
gedachten had laten gaan en opeens in 't helder daglicht door een
vreemde spokenvrees, haar anders niet eigen, was overmand. Daarna
vertelde zij zoo kleurig hoe vanuit alle hoeken der kamer een grijs
manneke haar geplaagd en bespot had, dat de jongejuffrouwen Oster
schuchter naar alle zijden omzagen en dra onrustig en rillerig werden.
Toen kwam Fransje met de kokende koffie binnen en alle drie, tot
bezinning komend, lachten om eigen zotheid. Angelica, zoo heette de
oudste, was met een officier verloofd, die met het leger was
uitgetrokken en van wien zoo lang tijding uitbleef, dat men nauwelijks
aan zijn dood of ten minste aan een zware verwonding, mocht twijfelen.
Dit had Angelica tot diepe droefenis doen vervallen, maar vandaag was
zij blij gestemd tot het uitgelatene toe, iets waarover Veronica zich
niet weinig verbaasde en wat zij haar onomwonden zeide. "Beste kind,"
zei Angelica, "gelooft ge dan niet dat ik mijn Victor aldoor in mijn
hart, mijn zin en mijn gedachten heb? maar juist daarom ben ik zoo
blijde -- god -- zoo gelukkig, zoo zalig tot in mijn diepste wezen! want
mijn Victor is behouden en in weinig tijds zal ik hem weerzien als
ritmeester, gesierd met de ordeteekenen, die zijn grenzelooze dapperheid
hem hebben doen verwerven. Een zware, maar volstrekt niet gevaarlijke
verwonding van den rechterarm en wel door den sabelhouw van een huzaar
des vijands, belet hem te schrijven en de snelle wisseling van
verblijfplaats maakt het hem, daar hij volstrekt zijn regiment niet
verlaten wil, ook steeds nog onmogelijk mij tijding te zenden, maar
hedenavond zal hij de uitdrukkelijke order ontvangen, zich eerst
volkomen te laten genezen. Morgen reist hij af om hierheen te komen en
juist als hij den wagen wil bestijgen, zal hij zijn benoeming tot
ritmeester vernemen." -- "Maar, beste Angelica," viel Veronica in de
rede, "weet gij dit alles nu reeds?" -- "Lach mij niet uit, beste
vriendin," ging Angelica voort, "maar dat zult gij niet doen, want kon
niet tot straf dadelijk dat kleine manneke eens van achter den spiegel
komen uitkijken? -- Dit daargelaten, ik kan mij niet losmaken van het
geloof aan zekere geheimzinnige dingen, omdat zij vaak genoeg zichtbaar
en tastbaar, mag ik wel zeggen, in mijn leven zijn getreden. In
hoofdzaak komt het mij dan ook volstrekt niet zoo wonderlijk en
ongeloofelijk voor als aan menig ander, dat er menschen bestaan kunnen,
wien een bepaalde zienersgave eigen is, welke zij door hun bekende,
onfeilbare middelen werkzaam kunnen maken. Hier in deze plaats woont er
een oude vrouw, die deze gave in zeer bijzondere mate bezit. Niet als
anderen van haar slag, doet zij voorspellingen uit de kaart, gesmolten
lood of koffiedik, maar na zekere voorbereidende maatregelen, waaraan
ook de vragende persoon deelneemt, verschijnt in een
glanzend-gepolijsten metalen spiegel een wonderlijke dooreenwarring van
velerlei figuren en gestalten, welke de oude verklaart en waaruit zij
het antwoord op de vraag te voorschijn brengt. Gisteravond was ik bij
haar en ontving de bewuste tijding van mijn Victor, aan welker waarheid
ik geen oogenblik twijfel." --
Angelica's verhaal bracht een vonk in Veronica's innerlijk, waaraan zich
snel de gedachte ontstak, de oude over Anselmus en over haar
verwachtingen te ondervragen. Zij vernam nu dat de oude, vrouw Rauerin
heette, in een afgelegen straat voor de Zeepoort woonde, in den regel
slechts Dinsdags, Woensdags en Vrijdags van 's avonds zeven uur af maar
dan ook den geheelen nacht door tot zonsopgang toe te treffen was en
gaarne zag, dat men alleen kwam. Juist was het Woensdag en Veronica
besloot, onder voorgeven de Osters naar huis te begeleiden, de oude te
gaan bezoeken, wat zij dan ook inderdaad ten uitvoer bracht. Nauwelijks
had zij namelijk van de vriendinnen, die in de nieuwe stad woonden,
afscheid genomen of zij snelde met gevleugelden tred naar de Zeepoort en
bevond zich in de beschrevene, afgelegene, nauwe straat, aan welker
einde zij het kleine roode huisje bemerkte, waarin vrouw Rauerin wonen
moest. Zij kon een zeker onbehagelijk gevoel en zelfs een innerlijke
siddering niet tegengaan, toen zij voor de huisdeur stond. Ten laatste
vatte zij haar moed te zamen, ondanks innerlijk wederstreven en trok aan
de schel, waarop de deur zich opende en zij door de donkere gang naar de
trap tastte, die ter bovenverdieping voerde, zooals Angelica beschreven
had. "Woont hier niet vrouw Rauerin?" riep zij in het leege voorhuis,
toen zich niemand vertoonde; in stede van antwoord weerklonk een
langaangehouden, scherp miauwen en een groote, zwarte kater schreed haar
met hooggekromden rug, den staart in golvende kronkeling heen-en-weer
zwaaiend, gewichtig voor tot aan de kamerdeur, die zich op een tweede
miauwen opende. "Zoo, zoo, kindlief, al hier? Kom binnen -- kom binnen!"
Dit riep de naar buiten komende figuur, wier aanblik Veronica aan den
grond vastklonk. Het was een lang, ontvleescht, in zwarte lompen gehuld
wijf! -- Terwijl zij sprak schudde de vooruitstekende, spitse kin heen
en weer, vertrok zich de tandelooze mond, door den beenigen haviksneus
overschaduwd, tot een grijnslachje en helle kattenoogen flakkerden
vonkspattend achter den grooten bril. Van onder den bonten om het hoofd
gewikkelden doek sprietten ruige, zwarte haren, maar het reeds
afkeerwekkend gelaat werd afzichtelijk gemaakt door twee groote
brandvlekken, die van de linkerwang af tot over den neus heen liepen. --
Veronica's adem stokte en de kreet, waardoor zij haar beklemde borst
verruimen wilde, verwerd tot een diepen zucht toen de beenderenhand der
heks haar aangreep en het vertrek binnentrok. Daar leefde en bewoog
alles, er heerschte een verbijsterend krijschen, miauwen, krassen en
piepen. Toen sloeg de oude met de vuist op tafel en schreeuwde: "Stil
zijn, gespuis!" En de meerkatten[6] klauterden jenkend naar boven langs
het hooge, ouderwetsche ledikant en de zeevarkentjes[7] kropen onder de
kachel, terwijl de raaf bovenop den ronden spiegel fladderde; slechts de
zwarte kater, als ging hem het snauwen niet aan, bleef rustig op den
grooten kussenstoel zitten, waarop hij dadelijk na zijn binnenkomst
gesprongen was.
[Voetnoot 6: een langstaartige apensoort uit de oude wereld
(Cercopi thecidae)]
[Voetnoot 7: een staarteloos knaagdier (Cavia).]
Zoodra het rustiger werd, kreeg Veronica meer moed; zij gevoelde zich
niet meer zoo onbehagelijk, als buiten in het voorhuis, ja zelfs het
wijf scheen haar niet meer zoo mismaakt toe. Nu eerst zag zij in het
vertrek rond. Allerlei leelijke, opgezette dieren hingen van de
zoldering neer, onbekende, vreemdsoortige werktuigen lagen op den grond
dooreen en in den haard brandde een blauw onbeteekenend vuur, dat nu en
dan in gele vonking opknetterde; maar toen ruischte er iets van boven
neer en verfoeilijke vleermuizen als met vertrokken lachende
menschengezichten zwierden heen en weer, terwijl van tijd tot tijd de
vlam langs den berookten muur oplekte, waarna schrille, snijdende
klaagtonen weerklonken, zoodat Veronica van vrees en huivering bevangen
werd.
"Vergun mij, juffertje," zeide de oude meesmuilend, nam een grooten
kwast en besprenkelde, nadat zij dien in een koperen ketel gedoopt had,
den schoorsteen. Toen doofde het vuur en of het met zwaren rook gevuld
werd, was het strak duister in het vertrek; doch spoedig trad de oude,
die een kamertje binnengegaan was, weder binnen met een ontstoken kaars
en Veronica werd niets meer gewaar van de dieren of de werktuigen; zij
zag een gewoon, armoedig ingericht verblijf. De oude trad nader tot haar
en zeide met ratelstem: "Ik weet wel, wat ge van mij wilt, kindlief;
duizend tegen een dat gij zoudt willen weten, of gij met Anselmus zult
trouwen, wanneer hij hofraad zal zijn." --
Veronica verstijfde van verbazing en schrik, maar de oude ging voort:
"Gij hebt mij alles reeds gezegd bij uw vader thuis, toen de koffiekan
voor u stond, want _ik_ was die koffiekan, kendet gij mij dan niet?
Luister, kindlief! Laat af, laat af van dien Anselmus, want dat is een
laagstaand mensch, hij heeft mijn kindertjes in 't gezicht geschopt,
mijn lieve zoontjes, de appeltjes met de roode wangen, die, als de
menschen ze gekocht hebben, steeds weer uit hun zakken in mijn korf
terugrollen. Hij heeft zich met den ouden verstaan, eergisteren heeft
hij mij dat vervloekte operment in 't gezicht gedruppeld, zoodat ik er
bijna blind van geworden ben, gij kunt de brandvlekken er nog van zien,
lief kind! Laat af van hem, laat af. -- Hij heeft u niet lief, want hij
bemint de goudgroene slang, nooit zal hij hofraad worden, omdat hij zich
onder de salamanders begeven wil en de groene slang huwen, laat af van
hem, laat af."
Veronica, die feitelijk een besliste, standvastige natuur bezat en haar
meisjesachtige ontsteltenis spoedig meester wist te worden, trad een
schrede terug en sprak met ernstigen nadruk: "Oude, ik heb gehoord van
uwe gave, om in de toekomst te zien en wilde daarom, misschien te
nieuwsgierig en voorbarig, van u weten of Anselmus, dien ik liefheb en
hoogacht, wel ooit de mijne zal worden. Wanneer gij mij echter, inplaats
van mijn wensch te vervullen, met uw dwaas zinneloos geklap sarren wilt,
handelt gij verkeerd, want ik verlangde slechts, wat gij anderen, naar
ik weet, verleendet. En aangezien gij, naar het schijnt, mijn teerste
gedachten kent, zou het u wellicht niet zwaar gevallen zijn, mij
velerlei te openbaren, dat mij nu kwelt en beangstigt, maar na uw zotte
lasteringen omtrent den besten Anselmus, wil ik van u niets meer hooren.
Goeden nacht!" --
Veronica wilde haastig heengaan, toen viel de oude weenend en jammerend
op de knieën en riep uit, terwijl zij het meisje bij haar kleed
vasthield: "Kleine Veronica! Kent gij dan de oude Lize niet meer, die u
zoo vaak op haar armen gedragen, gekoesterd en vertroeteld heeft?"
Nauwelijks vertrouwde Veronica hare oogen; want zij herkende hare,
weliswaar door hoogen ouderdom en in 't bijzonder door de brandvlekken
misvormde voormalige voedster, die voor vele jaren uit het huis van
conrector Paulmann verdwenen was. De oude zag er nu ook geheel anders
uit; inplaats van den leelijken, bontgevlekten doek droeg zij een zedige
muts en voor de zwarte lompen had zij een grofgebloemd jakje aan, zooals
zij vroeger ook wel gekleed was geweest. Zij stond van den vloer op en
ging, terwijl zij Veronica in de armen nam, voort: "Al schijnt hetgeen
ik verteld heb, u ook onzinnig toe, helaas is het alles waar. Anselmus
heeft mij zeer geschaad, maar tegen zijn wil; hij is in handen van den
archivaris Lindhorst gevallen en die wil hem aan zijn dochter
uithuwelijken. De archivaris is mijn grootste vijand en velerlei zaken
kon ik u van hem verhalen, die gij echter niet verstaan zoudt, maar u
toch zeer zouden doen ontstellen. Hij is de man, die weet, maar ik ben
de vrouw, die weet. --
"-- Ik zie nu wel, dat gij Anselmus zeer liefhebt en ik wil u met alle
macht ter zijde staan, opdat gij gelukkig wordt en keurig tot den
trouwdag komt, zooals gij dat verlangt." "Maar zeg mij in Godsnaam,
Lize" -- onderbrak Veronica. -- "Stil kind, stil!" viel haar de oude in
de rede, "ik weet, wat gij zeggen wilt; dat wat ik werd, ben ik
geworden, omdat ik moest, ik kon niet anders. Dus! -- ik ken het middel,
dat Anselmus van de dwaze liefde voor de groene slang geneest en hem u
als den beminnelijksten hofraad in de armen voert; maar gij moet mij
helpen." "Zeg het maar ronduit, Lize, ik ben tot alles bereid, want ik
houd zooveel van Anselmus," lispte Veronica nauw hoorbaar.
"Ik ken je," voer de oude voort, "als een stoutmoedig kind, vergeefs
trachtte ik je met den wafwaf in slaap te brengen, want dan juist deed
je de oogen open om den wafwaf te zien; zonder licht ging je in de
achterste kamer en vaak liet je de kinderen van de buren schrikken in je
vaders kapmantel. Dus! -- wanneer het je ernst is, door mijn kunst den
archivaris Lindhorst en de groene slang te overwinnen, wanneer het je
ernst is, Anselmus als hofraad je man te noemen, verlaat dan bij de
eerstkomende dag-en-nachtevening in stilte des avonds om elf uur je
vaders huis om naar mij toe te komen; ik zal dan met je naar den
kruisweg gaan, die niet ver van hier het veld doorsnijdt, wij bereiden
het noodige en je laat je door al het wonderlijke, dat je wellicht zien
zult, maar niet verontrusten. En nu, kindlief, goeden nacht, papa wacht
al met de soep."
Veronica snelde heen en in haar was het vaste besluit den avond van het
aequinoctium niet te laten voorbijgaan, want, dacht zij, Lize heeft
gelijk, Anselmus is verstrikt in vreemdsoortige banden, maar daaruit
verlos ik hem en noem hem de mijne voor altijd en eeuwig; de mijne is en
blijft hij, hofraad Anselmus.