Melancholie van den student Anselmus. De smaragden spiegel. Hoe
archivaris Lindhorst als roofgier heenvloog en de student Anselmus
niemand tegenkwam.
Mag ik niet eens ronduit uzelf, goedgunstige lezer, afvragen of gij in
uw leven geen uren, ja dagen en weken, kendet, waarin al uw gewone
handelen en streven een sterk kwellend misnoegen in u opwekte en waarin
alles, wat gij anders gewichtig achtte en waard in zin en denken te
dragen, u kinderachtig en armzalig voorkwam? Gij wist dan zelf niet, wat
gij doen en waarheen gij u keeren zoudt; het duister gevoel, dat er
ergens en te eeniger tijd een hoogen, den kring van alle aardsch genot
te buitengaanden wensch zou moeten vervuld worden, dien zelfs de geest
als een ingetoomd, schuw kind niet durfde uit te spreken, hief uw borst
op en in dit uitzien naar het onbekende, dat u overal, waar gij stondt
of gingt als een ijle droom met doorschijnende, bij scherper toezien
vernevelende gestalten, omzweefde, werdt gij gesloten voor alles, wat er
om u was. Gij sloopt rond met droeven blik als een die hopeloos bemint
en alles, wat gij de menschen op zoo velerlei wijze in bonte
dooreenwoeling zaagt verrichten, wekte bij u geen smart en geen vreugde,
als behoordet gij deze wereld niet meer toe. Is het u, goedgunstige
lezer, ooit zoo te moede geweest, dan kent gij uit eigen ervaring den
toestand, waarin zich de student Anselmus bevond. Met dit al wenschte
ik, dat het mij reeds gelukt ware u, genegen lezer, den student Anselmus
goed levendig voor oogen te stellen. Want waarlijk, mij rest in de
nachtwaken, die ik benut om zijn meer dan zonderlinge geschiedenis op te
schrijven, nog zooveel wonderlijks te verhalen, -- dat als een
opdoemende verschijning het alledaagsche leven van heel gewone menschen
in bovenzinnelijke sferen hief --, dat ik bevreesd ben, u ten slotte
nòch aan den student Anselmus, nòch aan den archivaris Lindhorst meer te
zien gelooven, ja u zelfs eenigen ongerechtvaardigden twijfel te zien
koesteren aan den conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, terwijl
toch zeker de laatstgenoemde achtbare mannen nu nog in Dresden
rondwandelen. Beproeft eens, genegen lezer, in dat tooversprokige rijk,
vol van prachtige wonderen, die de opperste vervoering zoowel als de
diepste ontzetting met zware slagen in 't leven roepen, waarin zelfs de
ernstige godin haar sluier oplicht, zoodat wij haar aangezicht wanen te
aanschouwen -- ofschoon vaak een glimlach uit den ernstigen blik komt
schemeren, die de plaaggrage scherts is, welke door allerlei
verstrikkende tooverij met ons speelt, zooals een moeder vaak met haar
liefste kinderen te stoeien weet -- ja, beproeft eens, genegen lezer, in
dit rijk, dat de geest ons zoo dikwerf, tenminste in droom, ontsluit, de
bekende gestalten, gelijk die dagelijks, zooals men pleegt te zeggen: in
het leven van elken dag rond, u heen gaan, weder te vinden. --
Dan zult gij gaan gelooven, dat dit heerlijke rijk veel dichterbij ligt,
dan gij anders meendet, iets, wat ik nu juist zoo gaarne zien zou en u
ook door de buitengewone historie van den student Anselmus poog te
kennen te geven.
Dus, als gezegd, de student Anselmus geraakte sedert den bewusten avond,
waarop hij den archivaris Lindhorst had gesproken, in een
dof-droomerigen toestand, die hem voor iedere uiterlijke aanraking van
het dagelijksch gewoonte-leven ongevoelig maakte. Hij werd gewaar, hoe
zich iets onbegrepens in zijn innerlijk bewoog, dat in hem de
verrukkingsvolle smart veroorzaakte, die het smachten is, hetwelk den
mensch een ander, hooger zijn belooft. Het liefst wilde hij maar door
weiden en wouden dwalen, om als vrijgemaakt van alles wat hem bond aan
zijn kommerlijk bestaan, slechts door de aanschouwing der wisselende
beelden die uit zijn wezensinnerlijk opkwamen, zichzelf als ware het te
hervinden. Zoo schikte het zich, dat hij eenmaal op den terugweg van een
verre wandeling, aan dien merkwaardigen vlierboom voorbijging, waaronder
hij toenmaals, als in betoovering verstrikt, zooveel wonderlijks
aanschouwde; machtig voelde hij zich door het groene, vertrouwd-bekende
grasplekje aangetrokken, maar nauwelijks was hij daar nedergezeten, of
alles wat hij toen als in bovenaardsche verrukking gezien had en dat als
door een vreemde macht uit zijn ziel verdrongen was, zweefde hem weder
in de zonnigste kleuren voor het oog, als zag hij het voor de tweede
maal. Ja, nog duidelijker als toen werd het hem, dat de lieflijke blauwe
oogen der goudgroene slang toebehoorden, die door het midden van den
vlierboom zich omhoog wond, en dat in de windingen van dat slanke lijf
al de heerlijke kristalklok-tonen moesten opschitteren, die hem van
zaligmakende verrukking vervulden. Evenals op Hemelvaartsdag, omvatte
hij den vlierboom en riep in de bladeren en twijgen: "O, slinger en
strengel en wind u maar eenmaal nog door de twijgen, opdat ik u zien
moge. -- En zie mij nog eenmaal aan met uw bezaligende oogen. Want ik
min u en zal in smart en rouw ondergaan, als gij niet wederkeert." Maar
alles bleef stom en onbewogen en als te voren ruischte de vlierboom
onverstaanbaar met zijn bladeren en twijgen. Maar den student Anselmus
was het, als begreep hij nu wat zich in zijn wezens-innerlijk zoo bewoog
en weerde, dat het zijn borst met de pijn van eindeloos verlangen
doorsmartte. "Is het dan iets anders," sprak hij, "als dat ik u zoo met
mijn heele hart tot stervens toe liefheb, u heerlijke goudene kleine
slang, ja zelfs niet leven kan zonder u en sterven zal in hopelooze
ellende, wanneer ik u niet wederzie, u niet verkrijg tot geliefde des
harten -- maar ik weet, gij wordt de mijne en dan zal alles, wat lichte
droomen uit andere, verhevener sferen mij beloofden, zijn vervuld."
Nu begaf zich de student Anselmus iederen avond, als de zon nog slechts
haar fonkelgoud in de toppen der boomen strooide, onder den vlierboom en
riep met diepe stem op smartelijken toon in de bladeren en twijgen om de
lieflijke beminde, de goudgroene kleine slang. Toen hij dit weer eens
naar zijn gewonen trant deed, stond er opeens een lange, schrale man in
een wijden, lichtgrijzen mantel gehuld, voor hem en riep, terwijl hij
hem met groote, gloeiende oogen toornig aanzag: "Hei daar, wat kermt en
huilt er toch zoo? -- Ha, ha, dat is Mijnheer Anselmus, die mijn
manuscripten wil copieeren!" De student Anselmus ontstelde niet weinig
van de ontzaglijke stem, want het was dezelfde, die op Hemelvaartsdag
had geroepen: Heidaar, wat is dat voor een gemompel en gefluister etc.
Van ontsteltenis en verbazing kon hij geen woord over de lippen
brengen. -- "Nu, wat scheelt u dan Mijnheer Anselmus," ging archivaris
Lindhorst voort (want geen ander was de man in den lichtgrijzen mantel)
"wat wilt u van dien vlierboom en waarom is u niet bij mij gekomen, om
met uw taak te beginnen?"
Inderdaad had de student Anselmus het nog niet over zich kunnen
verkrijgen, den archivaris Lindhorst opnieuw in zijn woning te gaan
opzoeken, ofschoon hij zich op dien bewusten avond heelemaal zoover had
opgezweept; in dit moment echter, dat hij zijn schoone droombeelden, en
nog wel door die zelfde vijandig-klinkende stem, die hem ook toen de
geliefde ontroofd had, aan flarden voelde rijten, greep een soort
wanhoop hem aan en heftiglijk uitte hij zich: "U kunt mij voor
waanzinnig houden of niet, Mijnheer de archivaris, dat blijft mij
hetzelfde, maar hier in dezen boom aanschouwde ik op Hemelvaartsdag de
goudgroene slang -- o, de eeuwige geliefde van mijn ziel en zij sprak
mij toe in heerlijke kristallen tonen, doch gij, gij, Mijnheer de
archivaris, schreeuwdet en riept zoo ontzettend van over het water."
"Wat zeg je, waarde heer," viel archivaris Lindhorst hem in de rede,
terwijl hij vreemd glimlachend een snuifje nam. De student Anselmus
voelde zijn borst ruimer worden, toen het hem ten minste gelukt was over
dat wonderlijke avontuur te beginnen en het scheen hem volkomen in orde,
dat hij den archivaris ronduit beschuldigd had, degene geweest te zijn,
die zoo van uit de verte gebulderd had. Hij vatte al zijn moed samen,
zeggende: "Nu, dan zal ik u alles vertellen, wat mij op den avond van
Hemelvaartsdag voor noodlottigs overkomen is en dan kunt u zeggen en
doen en geheel over mij denken, wat u wilt."
Inderdaad vertelde hij nu heel de wonderlijke historie, van den
ongeluksstap in den korf met appelen af tot het ontvlieden der drie
goud-groene slangen over het water toe en ook hoe de menschen hem voor
dronken of waanzinnig hielden. "Dit alles" eindigde de student Anselmus,
"heb ik werkelijk gezien, en diep in mijn borst klinkt nog de lichte
echo na der lieflijke stemmen, die tot mij spraken; geenszins was het
een droom en wil ik niet sterven van liefde en verlangen, dan moet ik
aan de goudgroene slangen denken, ofschoon ik aan uw glimlachen, waarde
heer archivaris, wel zie, dat u juist deze slangen voor een kweeksel van
mijn verhitte en te hoog gestookte verbeelding houdt." "Niet in het
minst," hernam de archivaris met de grootste kalmte en gelatenheid, "de
goudgroene slangen, die u, Mijnheer Anselmus, in den vlierstruik gezien
hebt, waren namelijk mijn drie dochters en dat u door de blauwe oogen
van de jongste, die Serpentina heet, in liefde ontstoken bent, blijkt nu
wel voldoende. Ik wist het overigens reeds op Hemelvaartsdag en daar ik
thuis, voor mijn werktafel gezeten, genoeg kreeg van het gelispel en
getingel, riep ik de schalksche deernen toe, dat het tijd was om snel
naar huis te gaan; want de zon ging reeds onder en zij hadden zich
genoeg met zingen en het indrinken der stralen verlustigd."
Den student Anselmus was het, als werd hem in klare woorden iets gezegd,
wat hij reeds lang voorvoeld had en ofschoon hij tegelijk meende te
bemerken, dat vlierstruik, muur en grasgrond èn alle voorwerpen rondom
zachtjes begonnen te draaien, vermande hij zich toch en wilde iets
zeggen, doch de archivaris liet hem niet aan het woord komen, maar
stroopte snel den handschoen van zijn linkerhand af en terwijl hij den
student den zonderling vonken- en vlammenschietenden steen van een ring
voor oogen hield, sprak hij: "Zie eens hier, waarde Mijnheer Anselmus,
opdat gij u verblijden moogt, over wat gij aanschouwt". De student zag
toe en wonderlijk! de steen wierp als uit een brandend middelpunt
stralen rondom zich en die stralen versponnen zich tot een hel-lichten
kristallen spiegel, waarin met velerlei windingen, nu eens voor elkander
vliedend, dan weer zich ineenstrengelend, de kleine goudgroene slangen
dansten en draaiden. En wanneer de slanke, duizendvonkig schitterende
lijven elkander beroerden, weerklonken heerlijke accoorden als van
kristallen klokjes en de middelste strekte als vervuld van smachtend
verlangen het kopje ten spiegel uit, terwijl de blauwe oogen zeiden:
"Gij kent mij dus -- gij gelooft dus aan mij, Anselmus? -- in het geloof
slechts is de liefde -- gij kunt dus beminnen?" -- "O, Serpentina,
Serpentina!" riep de student in uitzinnige vervoering, maar archivaris
Lindhorst ademde haastig op den spiegel, toen voeren met electrisch
geknetter de stralen in het brandpunt terug en aan zijn hand schitterde
slechts weer een kleine smaragd, waarover de archivaris den handschoen
schoof. "Hebt u de gouden slangetjes gezien, Mijnheer Anselmus?" vroeg
archivaris Lindhorst. "God, ja," antwoordde de student, "en de
bekoorlijke liefste Serpentina." "St," ging archivaris Lindhorst voort,
"voor vandaag is het genoeg en overigens kunt u, indien u er toe besluit
bij mij te komen werken, mijn dochter vaak genoeg zien, of liever, ik
zal u dit genoegen verschaffen, wanneer u arbeidt, zooals het betaamt,
dat is: met de grootste nauwkeurigheid en vlekkeloos ieder teeken
overbrengt. Maar u komt heelemaal niet naar mij toe, ofschoon griffier
Heerbrand mij verzekerde, dat u eerstdaags verschijnen zoudt en ik
daarom verscheidene dagen vergeefs wachtte."
Zoodra archivaris Lindhorst den naam Heerbrand noemde werd het den
student Anselmus weder te moede, als stond hij met beide voeten op den
grond en als was hij werkelijk de student Anselmus en de voor hem
staande persoon de archivaris Lindhorst. De onverschillige toon, waarop
deze sprak, had in schrille tegenstelling met de wonderlijke
verschijnselen, die hij als een baarlijke nekromant te voorschijn riep,
iets huiveringwekkends, dat door den stekenden blik van de fonkel-oogen,
die uit de beenige holten in het magere, doorgroefde gezicht als uit een
zaadhuis straalden, nog verhoogd werd en machtig beving den student
hetzelfde verontrustende gevoel, dat hem reeds in het koffiehuis
overmand had, toen de archivaris zooveel avontuurlijkheden vertelde.
Slechts moeizaam kwam hij tot zichzelf en toen de archivaris nog eens
vroeg: "Nu, waarom is u dan niet bij mij gekomen?" vatte hij den moed,
alles te verhalen wat hem aan de voordeur overkomen was. "Beste Mijnheer
Anselmus," zeide de archivaris, toen de student zijn verhaal beëindigd
had, "beste Mijnheer Anselmus, ik ken die appelvrouw wel, waarover u het
hadt; het is een ongeluksschepsel, dat allerlei streken tegen mij
uithaalt, maar dat zij zich heeft laten bronzen om als deurklopper de
mij aangename bezoeken te verjagen, dat is inderdaad ergerlijk en niet
te verdragen. Als u maar, beste Mijnheer Anselmus, wanneer u morgen om
twaalf uur naar mij toekomt en u merkt weer iets van dat aangrijnzen en
dat geratel, haar een weinig van dit vocht op den neus zoudt willen
druppelen, dan komt alles dadelijk in het reine. En nu, gegroet, beste
Mijnheer Anselmus, ik ga wat sneller heen en wil daarom niet van u
vergen, dat u met mij medegaat naar de stad. Gegroet, tot ziens, morgen
om twaalf uur."
De archivaris had den student Anselmus een klein fleschje met goudgeel
vocht gegeven en schreed nu haastig heen, zoodat hij in de diepe
schemering, die intusschen gezonken was, meer in het dal neder scheen te
zweven, dan te gaan. Reeds was hij in de nabijheid van den Koselschen
tuin, toen de wind onder zijn wijden mantel kwam en de einden uit elkaar
dreef, zoodat zij als een paar groote vleugels in de ruimte fladderden
en het den student Anselmus, die vol verwondering den archivaris nazag,
toescheen, als breidde een groote vogel de vlerken uit tot een snelle
vlucht. En toen de student daar zoo staarde in de schemering, verhief
zich met krassend schreeuwen een grauw-witte gier hoog in de lucht en nu
zag hij, hoe het witte gefladder, dat hij nog steeds voor den
voortschrijdenden archivaris gehouden had, al die gier moest geweest
zijn, ofschoon hij niet begrijpen kon, waar de archivaris dan opeens
verdwenen was. "Hij kan ook wel in eigen persoon weggevlogen zijn, die
archivaris Lindhorst," zeide de student tot zichzelf, "want ik zie en
voel nu wel, dat al de vreemde gedaanten uit de verre, wonderenrijke
wereld, die ik anders slechts in zeer enkele merkwaardige droomen
aanschouwde, in mijn bewogen waakbestaan zijn getreden en hun spel met
mij drijven. Dit zij hoe het zij. Gij leeft en gloeit in mijn hart,
lieflijke, liefste Serpentina en slechts gij kunt het eindelooze
smachten koelen, dat mij verteert.
"Wanneer zal ik u in de bezaligende oogen zien -- lieve, lieve
Serpentina!" ---- Aldus riep de student Anselmus hardop. -- "Wat een
verachtelijke, onchristelijke naam," bromde een basstem naast hem, welke
die van een huiswaarts-keerenden wandelaar was. De student Anselmus, er
ter rechter tijd aan herinnerd, waar hij zich bevond, snelde haastig
vandaar, terwijl hij dacht: "Zou het niet een echte rampspoed zijn, als
ik nu conrector Paulmann of griffier Heerbrand eens tegenkwam? --"
Doch hij ontmoette geen van die beiden.