VIERDE NACHTWAAK

Melancholie van den student Anselmus. De smaragden spiegel. Hoe

archivaris Lindhorst als roofgier heenvloog en de student Anselmus

niemand tegenkwam.

Mag ik niet eens ronduit uzelf, goedgunstige lezer, afvragen of gij in

uw leven geen uren, ja dagen en weken, kendet, waarin al uw gewone

handelen en streven een sterk kwellend misnoegen in u opwekte en waarin

alles, wat gij anders gewichtig achtte en waard in zin en denken te

dragen, u kinderachtig en armzalig voorkwam? Gij wist dan zelf niet, wat

gij doen en waarheen gij u keeren zoudt; het duister gevoel, dat er

ergens en te eeniger tijd een hoogen, den kring van alle aardsch genot

te buitengaanden wensch zou moeten vervuld worden, dien zelfs de geest

als een ingetoomd, schuw kind niet durfde uit te spreken, hief uw borst

op en in dit uitzien naar het onbekende, dat u overal, waar gij stondt

of gingt als een ijle droom met doorschijnende, bij scherper toezien

vernevelende gestalten, omzweefde, werdt gij gesloten voor alles, wat er

om u was. Gij sloopt rond met droeven blik als een die hopeloos bemint

en alles, wat gij de menschen op zoo velerlei wijze in bonte

dooreenwoeling zaagt verrichten, wekte bij u geen smart en geen vreugde,

als behoordet gij deze wereld niet meer toe. Is het u, goedgunstige

lezer, ooit zoo te moede geweest, dan kent gij uit eigen ervaring den

toestand, waarin zich de student Anselmus bevond. Met dit al wenschte

ik, dat het mij reeds gelukt ware u, genegen lezer, den student Anselmus

goed levendig voor oogen te stellen. Want waarlijk, mij rest in de

nachtwaken, die ik benut om zijn meer dan zonderlinge geschiedenis op te

schrijven, nog zooveel wonderlijks te verhalen, -- dat als een

opdoemende verschijning het alledaagsche leven van heel gewone menschen

in bovenzinnelijke sferen hief --, dat ik bevreesd ben, u ten slotte

nòch aan den student Anselmus, nòch aan den archivaris Lindhorst meer te

zien gelooven, ja u zelfs eenigen ongerechtvaardigden twijfel te zien

koesteren aan den conrector Paulmann en den griffier Heerbrand, terwijl

toch zeker de laatstgenoemde achtbare mannen nu nog in Dresden

rondwandelen. Beproeft eens, genegen lezer, in dat tooversprokige rijk,

vol van prachtige wonderen, die de opperste vervoering zoowel als de

diepste ontzetting met zware slagen in 't leven roepen, waarin zelfs de

ernstige godin haar sluier oplicht, zoodat wij haar aangezicht wanen te

aanschouwen -- ofschoon vaak een glimlach uit den ernstigen blik komt

schemeren, die de plaaggrage scherts is, welke door allerlei

verstrikkende tooverij met ons speelt, zooals een moeder vaak met haar

liefste kinderen te stoeien weet -- ja, beproeft eens, genegen lezer, in

dit rijk, dat de geest ons zoo dikwerf, tenminste in droom, ontsluit, de

bekende gestalten, gelijk die dagelijks, zooals men pleegt te zeggen: in

het leven van elken dag rond, u heen gaan, weder te vinden. --

Dan zult gij gaan gelooven, dat dit heerlijke rijk veel dichterbij ligt,

dan gij anders meendet, iets, wat ik nu juist zoo gaarne zien zou en u

ook door de buitengewone historie van den student Anselmus poog te

kennen te geven.

Dus, als gezegd, de student Anselmus geraakte sedert den bewusten avond,

waarop hij den archivaris Lindhorst had gesproken, in een

dof-droomerigen toestand, die hem voor iedere uiterlijke aanraking van

het dagelijksch gewoonte-leven ongevoelig maakte. Hij werd gewaar, hoe

zich iets onbegrepens in zijn innerlijk bewoog, dat in hem de

verrukkingsvolle smart veroorzaakte, die het smachten is, hetwelk den

mensch een ander, hooger zijn belooft. Het liefst wilde hij maar door

weiden en wouden dwalen, om als vrijgemaakt van alles wat hem bond aan

zijn kommerlijk bestaan, slechts door de aanschouwing der wisselende

beelden die uit zijn wezensinnerlijk opkwamen, zichzelf als ware het te

hervinden. Zoo schikte het zich, dat hij eenmaal op den terugweg van een

verre wandeling, aan dien merkwaardigen vlierboom voorbijging, waaronder

hij toenmaals, als in betoovering verstrikt, zooveel wonderlijks

aanschouwde; machtig voelde hij zich door het groene, vertrouwd-bekende

grasplekje aangetrokken, maar nauwelijks was hij daar nedergezeten, of

alles wat hij toen als in bovenaardsche verrukking gezien had en dat als

door een vreemde macht uit zijn ziel verdrongen was, zweefde hem weder

in de zonnigste kleuren voor het oog, als zag hij het voor de tweede

maal. Ja, nog duidelijker als toen werd het hem, dat de lieflijke blauwe

oogen der goudgroene slang toebehoorden, die door het midden van den

vlierboom zich omhoog wond, en dat in de windingen van dat slanke lijf

al de heerlijke kristalklok-tonen moesten opschitteren, die hem van

zaligmakende verrukking vervulden. Evenals op Hemelvaartsdag, omvatte

hij den vlierboom en riep in de bladeren en twijgen: "O, slinger en

strengel en wind u maar eenmaal nog door de twijgen, opdat ik u zien

moge. -- En zie mij nog eenmaal aan met uw bezaligende oogen. Want ik

min u en zal in smart en rouw ondergaan, als gij niet wederkeert." Maar

alles bleef stom en onbewogen en als te voren ruischte de vlierboom

onverstaanbaar met zijn bladeren en twijgen. Maar den student Anselmus

was het, als begreep hij nu wat zich in zijn wezens-innerlijk zoo bewoog

en weerde, dat het zijn borst met de pijn van eindeloos verlangen

doorsmartte. "Is het dan iets anders," sprak hij, "als dat ik u zoo met

mijn heele hart tot stervens toe liefheb, u heerlijke goudene kleine

slang, ja zelfs niet leven kan zonder u en sterven zal in hopelooze

ellende, wanneer ik u niet wederzie, u niet verkrijg tot geliefde des

harten -- maar ik weet, gij wordt de mijne en dan zal alles, wat lichte

droomen uit andere, verhevener sferen mij beloofden, zijn vervuld."

Nu begaf zich de student Anselmus iederen avond, als de zon nog slechts

haar fonkelgoud in de toppen der boomen strooide, onder den vlierboom en

riep met diepe stem op smartelijken toon in de bladeren en twijgen om de

lieflijke beminde, de goudgroene kleine slang. Toen hij dit weer eens

naar zijn gewonen trant deed, stond er opeens een lange, schrale man in

een wijden, lichtgrijzen mantel gehuld, voor hem en riep, terwijl hij

hem met groote, gloeiende oogen toornig aanzag: "Hei daar, wat kermt en

huilt er toch zoo? -- Ha, ha, dat is Mijnheer Anselmus, die mijn

manuscripten wil copieeren!" De student Anselmus ontstelde niet weinig

van de ontzaglijke stem, want het was dezelfde, die op Hemelvaartsdag

had geroepen: Heidaar, wat is dat voor een gemompel en gefluister etc.

Van ontsteltenis en verbazing kon hij geen woord over de lippen

brengen. -- "Nu, wat scheelt u dan Mijnheer Anselmus," ging archivaris

Lindhorst voort (want geen ander was de man in den lichtgrijzen mantel)

"wat wilt u van dien vlierboom en waarom is u niet bij mij gekomen, om

met uw taak te beginnen?"

Inderdaad had de student Anselmus het nog niet over zich kunnen

verkrijgen, den archivaris Lindhorst opnieuw in zijn woning te gaan

opzoeken, ofschoon hij zich op dien bewusten avond heelemaal zoover had

opgezweept; in dit moment echter, dat hij zijn schoone droombeelden, en

nog wel door die zelfde vijandig-klinkende stem, die hem ook toen de

geliefde ontroofd had, aan flarden voelde rijten, greep een soort

wanhoop hem aan en heftiglijk uitte hij zich: "U kunt mij voor

waanzinnig houden of niet, Mijnheer de archivaris, dat blijft mij

hetzelfde, maar hier in dezen boom aanschouwde ik op Hemelvaartsdag de

goudgroene slang -- o, de eeuwige geliefde van mijn ziel en zij sprak

mij toe in heerlijke kristallen tonen, doch gij, gij, Mijnheer de

archivaris, schreeuwdet en riept zoo ontzettend van over het water."

"Wat zeg je, waarde heer," viel archivaris Lindhorst hem in de rede,

terwijl hij vreemd glimlachend een snuifje nam. De student Anselmus

voelde zijn borst ruimer worden, toen het hem ten minste gelukt was over

dat wonderlijke avontuur te beginnen en het scheen hem volkomen in orde,

dat hij den archivaris ronduit beschuldigd had, degene geweest te zijn,

die zoo van uit de verte gebulderd had. Hij vatte al zijn moed samen,

zeggende: "Nu, dan zal ik u alles vertellen, wat mij op den avond van

Hemelvaartsdag voor noodlottigs overkomen is en dan kunt u zeggen en

doen en geheel over mij denken, wat u wilt."

Inderdaad vertelde hij nu heel de wonderlijke historie, van den

ongeluksstap in den korf met appelen af tot het ontvlieden der drie

goud-groene slangen over het water toe en ook hoe de menschen hem voor

dronken of waanzinnig hielden. "Dit alles" eindigde de student Anselmus,

"heb ik werkelijk gezien, en diep in mijn borst klinkt nog de lichte

echo na der lieflijke stemmen, die tot mij spraken; geenszins was het

een droom en wil ik niet sterven van liefde en verlangen, dan moet ik

aan de goudgroene slangen denken, ofschoon ik aan uw glimlachen, waarde

heer archivaris, wel zie, dat u juist deze slangen voor een kweeksel van

mijn verhitte en te hoog gestookte verbeelding houdt." "Niet in het

minst," hernam de archivaris met de grootste kalmte en gelatenheid, "de

goudgroene slangen, die u, Mijnheer Anselmus, in den vlierstruik gezien

hebt, waren namelijk mijn drie dochters en dat u door de blauwe oogen

van de jongste, die Serpentina heet, in liefde ontstoken bent, blijkt nu

wel voldoende. Ik wist het overigens reeds op Hemelvaartsdag en daar ik

thuis, voor mijn werktafel gezeten, genoeg kreeg van het gelispel en

getingel, riep ik de schalksche deernen toe, dat het tijd was om snel

naar huis te gaan; want de zon ging reeds onder en zij hadden zich

genoeg met zingen en het indrinken der stralen verlustigd."

Den student Anselmus was het, als werd hem in klare woorden iets gezegd,

wat hij reeds lang voorvoeld had en ofschoon hij tegelijk meende te

bemerken, dat vlierstruik, muur en grasgrond èn alle voorwerpen rondom

zachtjes begonnen te draaien, vermande hij zich toch en wilde iets

zeggen, doch de archivaris liet hem niet aan het woord komen, maar

stroopte snel den handschoen van zijn linkerhand af en terwijl hij den

student den zonderling vonken- en vlammenschietenden steen van een ring

voor oogen hield, sprak hij: "Zie eens hier, waarde Mijnheer Anselmus,

opdat gij u verblijden moogt, over wat gij aanschouwt". De student zag

toe en wonderlijk! de steen wierp als uit een brandend middelpunt

stralen rondom zich en die stralen versponnen zich tot een hel-lichten

kristallen spiegel, waarin met velerlei windingen, nu eens voor elkander

vliedend, dan weer zich ineenstrengelend, de kleine goudgroene slangen

dansten en draaiden. En wanneer de slanke, duizendvonkig schitterende

lijven elkander beroerden, weerklonken heerlijke accoorden als van

kristallen klokjes en de middelste strekte als vervuld van smachtend

verlangen het kopje ten spiegel uit, terwijl de blauwe oogen zeiden:

"Gij kent mij dus -- gij gelooft dus aan mij, Anselmus? -- in het geloof

slechts is de liefde -- gij kunt dus beminnen?" -- "O, Serpentina,

Serpentina!" riep de student in uitzinnige vervoering, maar archivaris

Lindhorst ademde haastig op den spiegel, toen voeren met electrisch

geknetter de stralen in het brandpunt terug en aan zijn hand schitterde

slechts weer een kleine smaragd, waarover de archivaris den handschoen

schoof. "Hebt u de gouden slangetjes gezien, Mijnheer Anselmus?" vroeg

archivaris Lindhorst. "God, ja," antwoordde de student, "en de

bekoorlijke liefste Serpentina." "St," ging archivaris Lindhorst voort,

"voor vandaag is het genoeg en overigens kunt u, indien u er toe besluit

bij mij te komen werken, mijn dochter vaak genoeg zien, of liever, ik

zal u dit genoegen verschaffen, wanneer u arbeidt, zooals het betaamt,

dat is: met de grootste nauwkeurigheid en vlekkeloos ieder teeken

overbrengt. Maar u komt heelemaal niet naar mij toe, ofschoon griffier

Heerbrand mij verzekerde, dat u eerstdaags verschijnen zoudt en ik

daarom verscheidene dagen vergeefs wachtte."

Zoodra archivaris Lindhorst den naam Heerbrand noemde werd het den

student Anselmus weder te moede, als stond hij met beide voeten op den

grond en als was hij werkelijk de student Anselmus en de voor hem

staande persoon de archivaris Lindhorst. De onverschillige toon, waarop

deze sprak, had in schrille tegenstelling met de wonderlijke

verschijnselen, die hij als een baarlijke nekromant te voorschijn riep,

iets huiveringwekkends, dat door den stekenden blik van de fonkel-oogen,

die uit de beenige holten in het magere, doorgroefde gezicht als uit een

zaadhuis straalden, nog verhoogd werd en machtig beving den student

hetzelfde verontrustende gevoel, dat hem reeds in het koffiehuis

overmand had, toen de archivaris zooveel avontuurlijkheden vertelde.

Slechts moeizaam kwam hij tot zichzelf en toen de archivaris nog eens

vroeg: "Nu, waarom is u dan niet bij mij gekomen?" vatte hij den moed,

alles te verhalen wat hem aan de voordeur overkomen was. "Beste Mijnheer

Anselmus," zeide de archivaris, toen de student zijn verhaal beëindigd

had, "beste Mijnheer Anselmus, ik ken die appelvrouw wel, waarover u het

hadt; het is een ongeluksschepsel, dat allerlei streken tegen mij

uithaalt, maar dat zij zich heeft laten bronzen om als deurklopper de

mij aangename bezoeken te verjagen, dat is inderdaad ergerlijk en niet

te verdragen. Als u maar, beste Mijnheer Anselmus, wanneer u morgen om

twaalf uur naar mij toekomt en u merkt weer iets van dat aangrijnzen en

dat geratel, haar een weinig van dit vocht op den neus zoudt willen

druppelen, dan komt alles dadelijk in het reine. En nu, gegroet, beste

Mijnheer Anselmus, ik ga wat sneller heen en wil daarom niet van u

vergen, dat u met mij medegaat naar de stad. Gegroet, tot ziens, morgen

om twaalf uur."

De archivaris had den student Anselmus een klein fleschje met goudgeel

vocht gegeven en schreed nu haastig heen, zoodat hij in de diepe

schemering, die intusschen gezonken was, meer in het dal neder scheen te

zweven, dan te gaan. Reeds was hij in de nabijheid van den Koselschen

tuin, toen de wind onder zijn wijden mantel kwam en de einden uit elkaar

dreef, zoodat zij als een paar groote vleugels in de ruimte fladderden

en het den student Anselmus, die vol verwondering den archivaris nazag,

toescheen, als breidde een groote vogel de vlerken uit tot een snelle

vlucht. En toen de student daar zoo staarde in de schemering, verhief

zich met krassend schreeuwen een grauw-witte gier hoog in de lucht en nu

zag hij, hoe het witte gefladder, dat hij nog steeds voor den

voortschrijdenden archivaris gehouden had, al die gier moest geweest

zijn, ofschoon hij niet begrijpen kon, waar de archivaris dan opeens

verdwenen was. "Hij kan ook wel in eigen persoon weggevlogen zijn, die

archivaris Lindhorst," zeide de student tot zichzelf, "want ik zie en

voel nu wel, dat al de vreemde gedaanten uit de verre, wonderenrijke

wereld, die ik anders slechts in zeer enkele merkwaardige droomen

aanschouwde, in mijn bewogen waakbestaan zijn getreden en hun spel met

mij drijven. Dit zij hoe het zij. Gij leeft en gloeit in mijn hart,

lieflijke, liefste Serpentina en slechts gij kunt het eindelooze

smachten koelen, dat mij verteert.

"Wanneer zal ik u in de bezaligende oogen zien -- lieve, lieve

Serpentina!" ---- Aldus riep de student Anselmus hardop. -- "Wat een

verachtelijke, onchristelijke naam," bromde een basstem naast hem, welke

die van een huiswaarts-keerenden wandelaar was. De student Anselmus, er

ter rechter tijd aan herinnerd, waar hij zich bevond, snelde haastig

vandaar, terwijl hij dacht: "Zou het niet een echte rampspoed zijn, als

ik nu conrector Paulmann of griffier Heerbrand eens tegenkwam? --"

Doch hij ontmoette geen van die beiden.

De Gouden Vaas · 第 11 / 21 题