DERDE NACHTWAAK

Tijding van de familie van den archivaris Lindhorst. Veronika's

blauwe oogen. Griffier Heerbrand.

De geest zag neder op het water, toen roerde het zich en bruiste op met

schuimende golven en stortte donderend zich in de afgronden, die hun

zwarte muilen opsperden om het gulzig te verslinden. Als overwinnaars

triomfantelijk hieven de granietrotsen hare spits-kronige hoofden

omhoog, het dal beschuttend, totdat de zon het in haren moederschoot nam

en het met haar stralen als met gloeiende armen omvangend, koesterde en

warmde. Toen ontwaakten duizenden kiemen, die onder het dorre zand

gesluimerd hadden uit diepen slaap en hieven haar groene blaadjes en

stengels tot het aangezicht der moeder, terwijl als stillachende

kinderen in wieg van groen kleine bloemen rustten in de bloesems en

knoppen, totdat ook zij ontwaakten, door de moeder gewekt en zich

sierden met de lichtjes, die de moeder, om haar vreugde te bereiden, met

een bonte veelvuldigheid van tinten gekleurd had. Doch in het midden van

het dal stond een zwarte heuvel en die hief zich op en neer gelijk de

borst van een mensch, wanneer brandend smachten haar zwellen doet.

Uit de afgronden kolkten nevels omhoog en zich samenklompend tot

geweldige massa's trachtten zij boosaardig het aangezicht der moeder te

bedekken; deze riep echter den storm te hulp, die er doorheen voer en ze

verstuiven deed en toen de zuivere straal weder den zwarten heuvel

raakte, schoot uit de overvloeiende verrukking een heerlijke vuurlelie

op, de schoone bladeren openend als lieflijke lippen, om der moeder

zoete kussen te ontvangen.

Nu ging een glanzend lichten door het dal; dat was de jongeling

Phosphorus, dien de vuurlelie zag en smeekte, in ban van brandend

liefdesmachten: "O, wordt voor eeuwig de mijne, gij schoone jongeling!

Want ik min u en moet sterven, indien gij mij zoudt verlaten."

Toen zeide de jongeling Phosphorus: "De uwe wil ik zijn, schoone bloem,

maar dan zult gij, als een ontaard kind, vader en moeder verlaten, uw

speelgenooten niet meer kennen, grooter en machtiger zult gij willen

zijn dan allen, die thans als uws gelijken met u de vreugde genieten.

"Het vuur des verlangens, dat nu uw gansche wezen weldadig verwarmt, zal

in honderden stralen uitschietend u kwellen, u folteren, want de

bezinning zal de zintuigen voortbrengen, en de hoogste vervoering, die

de vonk, welke ik in u werp, ontsteekt, is hopelooze smart, waarin gij

ondergaat, om er later weer vreemd-geaard uit te ontbloeien. -- Deze

vonk is de gedachte." -- "Ach," klaagde de lelie, "kan ik dan de uwe

niet zijn in den gloed, gelijk die thans in mij brandt? Zoude ik u nog

meer kunnen minnen dan nu en zoude ik u als thans kunnen aanschouwen,

wanneer gij mij vernietigt?"

Toen kuste haar de jongeling Phosphorus en als licht doorschoten brandde

zij op in vlammen, waaruit een zonderling wezen ontsproot, dat haastig

het dal ontvliedend in de eindeloosheid rondwiekte, en zich niet meer

bekommerde om de speelgenooten der jeugd of om den geliefden jongeling.

Deze klaagde om de verloren geliefde, want louter de eindelooze min voor

de schoone lelie had hem naar het eenzame dal gevoerd en de

granietrotsen bogen in deelname hare hoofden voor des jongelings

jammerklacht. Doch eene opende haren schoot en een zwart gevleugelde

draak kwam er ruischend uitfladderen, die sprak: "Mijn broederen, de

metalen slapen daar binnen, maar ik ben steeds waakzaam en stout, ik zal

u helpen." In een wijde op-en-neder-vlucht vatte eindelijk de draak het

wezen, dat aan de lelie ontsproten was, droeg het den heuvel op en

omsloot het met zijn gevederte; toen was het de lelie weder, maar het

blijven der gedachte verscheurde haar binnenste en de liefde tot den

jongeling Phosphorus werd een snijdend wee, waardoor -- van giftigen

wasem beademd -- de kleine bloemen, anders zoo door haar blik verblijd,

verwelkten en stierven.

De jongeling Phosphorus omgordde zich met een glanzende wapenrusting,

waarin een veeltintig stralenspel was en streed tegen den draak, die met

zijn zwart gevederte tegen het pantser sloeg, zoodat het een hellen

weerklank gaf; door dat machtig geluid leefden de kleine bloemen weer op

en om fladderden als bonte vogelen den draak, wiens krachten zwonden en

die zich overwonnen in den schoot der aarde verborg. De lelie was

bevrijd, de jongeling Phosphorus omving haar vervuld van het

verlangen-branden der bovenaardsche liefde en in een jubelhellen lofzang

huldigden haar bloemen, vogelen en zelfs de hooge granietrotsen als

koningin van het dal.

-- "Met uw welnemen, dat is Oostersche bombast, waarde heer archivaris,"

zeide de griffier Heerbrand, "en wij verzochten u toch, zooals u dat

anders wel pleegt te doen, ons iets uit uw hoogst eigenaardig leven,

bijvoorbeeld van uw reis-avonturen en dan iets waarlijk-gebeurds te

verhalen." "Wat wilt gij dan," antwoordde archivaris Lindhorst, "dat,

wat ik daar juist vertel, is het meest werkelijke, dat ik voor ulieden

kan opdisschen en het behoort in zekeren zin ook tot mijn leven. Want ik

stam juist uit dat dal en de vuurlelie, die daar eindelijk als Koningin

heerschte is mijn over-over-over-over-grootmoeder, zoodat ik dan ook

eigenlijk een prins ben."

Allen braken in schaterlachen uit. "Ja, lacht maar van ganscher harte,"

ging archivaris Lindhorst voort, "ulieden kan datgene, wat ik weliswaar

in gebrekkige omtrekken heb medegedeeld, zinloos en dwaas toeschijnen,

desniettegenstaande is het volstrekt niet ongerijmd of ook maar

allegorisch bedoeld, doch woordelijk waar. Hadde ik echter geweten, dat

de heerlijke liefdeshistorie, waaraan ook ik mijn ontstaan dank, u zoo

slecht bevallen zou, dan had ik liever van de verschillende nieuwigheden

verteld, waarmede mijn broeder mij gisteren bij zijn bezoek verraste."

"Kom, hoe dat? Hebt u dan een broeder, mijnheer de archivaris? -- waar

is die dan -- waar woont hij? Ook in dienst des Konings of is het

misschien een ambteloos levend geleerde?" -- vroeg men van alle

kanten. -- "Neen!" antwoordde de archivaris, heel koel en bedaard een

snuifje nemend, "die is den verkeerden weg op gegaan en heeft zich onder

de draken begeven." -- "Heb ik dat goed verstaan? beste archivaris," zoo

nam griffier Heerbrand het woord, "onder de draken?" "Onder de draken?"

weerklonk het van alle kanten als een echo.

-- "Ja, onder de draken," vertelde archivaris Lindhorst verder,

"eigenlijk geschiedde het uit wanhoop. Gij weet, heeren, dat mijn vader

voor zeer kort stierf; het is nu hoogstens driehonderd-vijf-en-tachtig

jaar geleden, waarom ik ook nog rouw draag, en die had aan mij, zijn

lieveling, een prachtige onyx vermaakt, die mijn broeder absoluut

bezitten wilde. Daarover twistten wij bij het lijk van onzen vader op

onbetamelijke wijze, totdat de overledene, die zijn geduld verloor,

opsprong en mijn slechten broeder de trappen af wierp. Dit maalde mijn

broeder door het hoofd en hij ging op staanden voet onder de draken. Nu

houdt hij zich op in een cypressenwoud dicht bij Tunis, alwaar hij een

mystischen Karbonkelsteen moet bewaken, welke een duivelskerel van een

nekromant[4], die een zomerverblijf in Lapland betrokken heeft, poogt te

bemachtigen, waarom hij dan ook maar voor een kwartiertje, juist als de

nekromant in den tuin zijn salamanderbedden verzorgt, kan uitbreken, om

mij in de gauwigheid te vertellen, welk goed nieuws er aan de bronnen

van den Nijl is."

[Voetnoot 4: eigenlijk: doodenbezweerder.]

-- Ten tweeden male braken de aanwezigen in luid schaterlachen uit, maar

de student Anselmus werd zeer onrustig te moede en hij kon den

archivaris Lindhorst nauwelijks in de strakke, ernstige oogen zien,

zonder innerlijk op een voor hemzelf onverstaanbare wijze te rillen.

Want toch al had de grove, ofschoon wonderlijk metaal-klinkende stem van

den archivaris voor hem iets geheimzinnig-doordringends, zoodat hij merg

en been doorsidderd voelde. Het eigenlijke doel, waartoe de griffier

Heerbrand hem mede in het koffiehuis genomen had, scheen vandaag

onbereikbaar te zijn. Na het gebeurde voor het huis van den archivaris

Lindhorst toch was de student Anselmus er niet toe te brengen geweest

voor de tweede maal het bezoek te wagen; want naar zijn innigste

overtuiging had het toeval hem bevrijd, zoo al niet van den dood, dan

toch van het gevaar om waanzinnig te worden. Conrector Paulmann was

juist door de straat gekomen, toen hij geheel buiten kennis voor de

huisdeur lag en een oude vrouw, die haar koek- en appelmand op zijde

gezet had, met hem doende was.

Conrector Paulmann had onmiddellijk een rijtuigje aangeroepen en hem zoo

naar huis getransporteerd. "Men kan van mij denken, wat men wil," zeide

de student Anselmus, "men kan mij voor een verdwaasde houden of niet --

het zij -- uit de deurklopper grijnsde mij het verdoemde gezicht van de

heks der Zwarte Poort tegen; over hetgeen verder geschiedde, wil ik

liever niet spreken, maar wanneer ik uit mijn bezwijming ontwaakt zou

zijn en ik had dat vervloekte appelwijf voor mij gezien (want de oude,

die met mij bezig was, kan natuurlijk geen ander zijn) dan zou mij

terstond een beroerte getroffen hebben of wel ware ik waanzinnig

geworden."

Alle toespraken, alle verstandelijke verklaringen van conrector Paulmann

en griffier Heerbrand bleven zonder eenige vrucht en zelfs der

blauwoogige Veronika gelukte het niet hem te brengen uit den zekeren

mijmertoestand, waarin hij geraakt was. Men hield hem nu inderdaad voor

zielsziek en zon op middelen, om hem afleiding te geven, waarbij

griffier Heerbrand betoogde, dat niets daartoe betere diensten zou

kunnen bewijzen, dan de bezigheid bij den archivaris Lindhorst, namelijk

het nateekenen der manuscripten. Het kwam er nu maar op aan, den student

Anselmus op geschikte wijze met den archivaris Lindhorst in kennis te

brengen en daar griffier Heerbrand wist, dat deze haast iederen avond

een bepaald, bekend koffiehuis bezocht, noodigde hij den student

Anselmus uit, zoolang op zijn kosten in dat koffiehuis een glas bier te

drinken en een pijp te rooken, totdat hij op deze of gene wijze met den

archivaris was in kennis gekomen en zich met hem had verstaan over het

copieeren der manuscripten, hetwelk de student Anselmus hoogst dankbaar

aannam.

"Gij verdient, dat God u zegene, beste griffier, wanneer gij den jongen

man tot rede weet te brengen," zeide conrector Paulmann. "Dat God u

zegene," herhaalde Veronika, terwijl zij vroom de oogen ten hemel hief

en blijgezind bedacht, dat de student Anselmus nù al een zeer

beminnelijke jonge man was, zij het dan zonder rede! --

Toen archivaris Lindhorst juist met hoed en stok de deur uit wilde gaan,

greep griffier Heerbrand den student Anselmus snel bij de hand en

terwijl hij gezamenlijk met hem den archivaris den weg versperde, sprak

hij: "Zeer geachte heer geheim-archivaris, hier stel ik u den student

Anselmus voor, die bijzonder bekwaam is in sierlijk schrijven en

teekenen en uwe zeldzame manuscripten copieeren wil." "Dat is mij

bijzonder aangenaam," antwoordde archivaris Lindhorst haastig, wierp

zich den driekantigen, krijgsmansachtigen hoed op het hoofd en stormde,

terwijl hij griffier Heerbrand en den student Anselmus opzijde schoof,

met veel gedruisch de trap af, zoodat beide volslagen verbluft bleven

staan en tegen de deur van het vertrek aankeken, die hij zoo hard voor

hen had dichtgeslagen, dat de hengsels rammelden.

"Dat is toch een wonderlijke oude man," zeide griffier Heerbrand. "Een

wonderlijke oude man," stotterde de student Anselmus na, voelend, hoe

een ijzige stroom door al zijn aderen kilde, die hem haast tot een

standbeeld deed verstarren. Maar de gasten lachten allen en zeiden: "De

archivaris is vandaag weer eens bijzonder slecht geluimd, morgen is hij

bepaald zachtzinniger gestemd en spreekt dan geen woord, maar staart in

de rookkringen uit zijn pijp of leest dagbladen; daaraan moet men zich

niet storen." -- "Het is eigenlijk waar," dacht de student Anselmus,

"wie stoort zich aan zoo iets! Heeft de archivaris niet gezegd, dat het

hem bijzonder aangenaam was, dat ik zijn manuscripten wilde

copieeren? -- en waarom versperde griffier Heerbrand hem ook den weg,

juist toen hij naar huis wilde gaan? Neen, neen, op de keper beschouwd,

is de geheim-archivaris Lindhorst een aardige man en verbazend gul --

alleen wat zonderling in zijn eigenaardige uitdrukkingen --. Maar wat

hindert mij dat? Morgen ga ik er heen op slag van twaalven, al verzetten

honderd gebronsde appelvrouwen zich ertegen."

De Gouden Vaas · 第 10 / 21 题