Dienzelfden avond nóg was Geerten terug bij zijn geliefde en liet zich

heur streelingen welgevallen, want ook in zijn gemoed was alles rustig

geworden na lang nadenken. Waarom zou hij jaloersch zijn, waarom als 't

misschien niet eens waar was, wat de babbelkousen rammelden ... en al was

't nu zóo, hém kon 't niet schelen, als hij maar de bovenste bleef ...

Meer mocht hij immers niet verlangen van iemand met een estaminet als

die van Lowis ... Zijn motorboot vulde thans veel meer zijn zinnen, dan

de vleeschelijke vrouw.

Toen Geerten terug aan de ponton verscheen, waar gedienstige tongen

reeds alles aan het klokzeel gehangen hadden, werd hij begroet als de

"Vijg", iets waaraan hij zich niet stoorde, en, om het te toonen, ging

hij met Franske en de anderen om zooals vroeger. Lowis mocht tevreden

zijn over Geerten, want stipt volgde hij haren raad: 't was maar om de

klanten niet te verliezen ...

In zijn hart bleef Geerten Franske haat toedragen, maar hij toonde het

niet, vast besloten in 't geniept wraak te nemen, want dat dien

flierefluiter terug komen zou, wist hij omtrent zeker, vooral wijl de

rosse als vredesvoorwaarde gesteld had, niet elken avond meer te blijven

slapen ... omdat het te ... moeilijk was voor ... 't opstaan, 's morgens,

wanneer Geerten al heel vroeg vertrekken moest, hetgeen de nachtrust der

plezante bazin stoorde, en dan ... de taterende geburen ... en 't belang

der zaak!...

Och, daar maalde hij niet om, vooral nu hij toch om den anderen nacht

bij zijn zieken vader waken zou ...

Op een namiddag, heel onverwacht, ontmoette hij 't lief van Franske,

Fientje, met haren mosselwagen ... Hij groette vriendelijk joviaal, deed

haar stoppen, bestelde voor vijf centjes mosselen ... Met volle handen

grabbelde ze in den hoog-opgetorenden, zwart-slijkerigen stapel, waaruit

hier en daar besmeurd wier-groen opstak, nam eenige schelpen in de

linkerhand, maakte met handige mesbeweging de schalen open ... Geerten

pakte de mosselen aan, slurpte gulzig het vette, witte mollige vleesch

naar binnen ...

"'t Zijn er goeï" lachte hij ...

Met voorzichtige, sluwe woordjes bracht hij 't gesprek op Franske. 't

Mooi-slanke, blonde Fientje, kloeg dat hij zoo weinig geld afgaf, laat

thuis kwam, soms 's nachts in 't geheel niet omzag ... Waarom trouwt ge

niet? vroeg Geert ... 't Meisje gibberde luid-op ... "Zijt ge zot?... Dan

heb ik in 't geheel niets meer aan hem ... nu is hij nog bang, dat ik hem

zal laten stikken, maar dan ben ik gebonden ... 'k zou u bedanken,

zulle ... zoolang er geen kinderen komen, kamer ik liever." Geerten moest

toegeven, met spijt, dat het huwelijk Franske zeker niet verbeteren

zou ... "Hij is te schoon," bemerkte hij, sarcastisch ... "Wat kunt g'er

aan doen," zuchtte Fientje. De roeier had er een heimelijk plezier in

zijn wraak stillekens-aan voor te bereiden ... "Ja, wat kunt g'er aan

doen? 't Is zonde, dat hij niet begrijpt wat 'n lief ding gij zijt ...

enne ... naar ..."

"Wat zegt ge" hijgde 't mosselvrouwken ... "naar?..."

... "een wijf als rosse Lowis ziet," voleindde Geert, traag opslurpend

de laatste vette mossel, die Fientje hem aangeboden had.

De tranen sprongen in haar klare oogen. "Dát had ze nooit gedacht!...

Zonder verder te talen, zette zij zich schrap, stootte heur wagen voort.

Geerten hoorde hoe, na een wijle, haar stem, schor en

tranerig-onduidelijk klonk bij 't roepen van 't gewone "kêpeleê."

"Die heeft beet," grinnikte hij, zeker zijn doel te hebben bereikt ...

's Anderdaags kwam Schoon Franske, tot groote vreugde van al de

bootjesroeiers, met een koppel blauwe oogen, en een gezicht gestriemd

door nijdig-rood-bekorste krabben, naar de vlot-brug ...

--"Dag blauwe-geschelpte," spotte Geerten, uitschaterend zijn dolle

leute ...

--"Vijg!" beet Franske kort-af, terug.

* * * * *

Den heelen voor-winter door, sukkelde de H. Jozef, steeds afnemend in

krachten, en nu was elk uur het einde te verwachten. "God zij geloofd"

had Sophie--zijn dochter--gezegd, "want dat lijden is niet meer om ná te

zien," en hierbij dacht ze vooral aan 't geld, dat ze daarná niet meer

hoefde te geven en waardoor reeds zooveel ruzie met haar man in huis

geweest was ..."

"Geerten zal dezen nacht tot twaalf uur waken," had Pruttige Trees

gezegd, ... "dan kom ik zelf, want hij moet van-avond, gelijk alle jaren

met nieuwjaarnacht, naar 't feest van "'t Kasken" in de maatschappij"

... Om zes uur was Geerten zelf gekomen, op zijn paasch-best gekleed.

't Sneeuwde buiten ... De lucht was éene grijsheid van schommelende

donspluisjes en beneden, op de achterplaats, zongen kinderen ...

/*

"Deezeken schudt zijn beddeken uit

en laat zijn pluimekens vliegen" ...

*/

De vlokken plekten tegen de bedompte ruiten der krankenkamer. Een

olielampken brandde zacht-pinkelend op de kale schouw, waarop een gladde

spiegel het twinkelend lichtje weerkaatste. Het vuur in de potkachel

smeulde, nu en dan viel een gloeiende sintel met luid tikken in den

aschbak, wierp even een ras-verstervende oranje-klaarte op den donkeren

vloer ...

--"Niet te hard stoken, fluisterde Trees bezorgd, "ánders heeft hij het

te benauwd" ... en ging dan heen ... De duisterte hing dik in de hoeken,

vulde de gansche kamer, waarin alleen wit-vlekten de lakens op 't

ledikant ... De zieke sluimerde: zijn oude, gele, ingevallen gelaat, met

diepe kuilen aan de slapen en onder de diep-liggende oogen bezijden den

grooten scherp-belijnden arendsneus, scheen klein midden de blanke

bolling van het kussen. Alleen de ring-baard, weeldrig-wit krullend,

leefde nog ... de gerimpelde wassen handen lagen roerloos op het

omgeslagen laken. Beweegloos zat Geerten bij het bed, in kalmte

afwachtend, het gebeuren dat nakend was. De sneeuw geruischloos en zacht

viel steeds in pure blankheid ... De uren gingen voorbij, trage weggetikt

minuut na minuut ... Soms galmde boven 't doffe straat-rumoer uit, de

torenklok, afbrokkelend de laatste stonden van het stervende jaar ...

Dichtbij beierde 't klokje van 't naburige klooster. Dan kwamen alleen

maar de geruchten der straat, dempig en ver-af tot in de kamer

doordringen: het wanluidend gekletter van metalen balken op een

hotsenden wagen, het schelle hoornblazen van een krantenjongen. In 't

aangrenzend kroegje, klonken onophoudend zeurige harmonicadeuntjes.

Geerten trok even een venstervoorhang op: Het sneeuwde niet meer ... Het

kleine achterplaatsje, beneden, lag wit en verlaten in den maneschijn,

die wondere tintelingen leven deed in de kristaliseerende blankheid.

Pelsranden lagen op elk vooruitstekend deel der zilvrig belichte gevels,

en de daken kropen weg onder hermelijnen mantel ... Geerten liet het

rolgordijn terug af: in 't vertrekje werd het donkerder, en op den

neergelaten voorhang, stond klaar afgeteekend het kruishout der ramen.

De zieke bewoog, mompelde iets onverstaanbaars ... Geerten boog zich over

hem heen: "Eens drinken, vader?" ... Hij schonk een glaasje vol van den

wijn, dien Sophie gebracht had, wilde het den kranke geven: hij

weigerde. Dan dronk Geerten het zelf maar uit, tongsmakkend, deed ook

nog een flinken teug aan de flesch! Bah, ze hebben wijn genoeg ...

Ziende dat vader hem toch niet meer herkende, nam Geerten zijn plaats

terug in en wachtte ... Buiten werd het leven woeliger ... Er drongen

gezangen dóor tot in de stille kamer en hij zag, in verbeelding, de

hossende en dansende benden, die nu juichend de straten van 't

Schipperskwartier doorliepen, om hoopvol-feestelijk te begroeten den

nieuwen tijd ... Wellicht zou hij dit jaar zijn droom verwezenlijkt zien

en eindelijk een motorbootje bezitten. Misschien!--Half-soezend zat hij

te tobben.--Veel geluk had hij in de laatste tijden niet gehad. Het

gescharrel van Lowis met Franske, kon hij niet verduwen en steeds ging

hij gedrukt onder dien spotnaam van hoorndrager. Openlijk heette hij

alleen "de vijg," maar hoe gewoon zijn omgang met de overige roeiers ook

was, toch wist hij dat ze hem achterduims bespotten. Hij liet ze begaan,

beloofde zich groote vreugde, wanneer hij een moteurken bezitten zou.

Dat wás zijn levensdoel en éenige bekommering geworden. En, nádenkend,

wikkend en wegend, begon hij uit te cijferen hoeveel vader wel kon

gespaard hebben. Moeder was nu vijf jaar dood en dan had de oûwe 't

kleine snoepwinkeltje en 't koffie opschenken voor een gering sommetje

overgedaan aan een buurvrouw, 't Was juist voldoende geweest om den

doctor te betalen, want Moeders langdurige ziekte had heel wat geld

gekost ... "Ja, ja", overlegde Geerten ... "en toch met het beetje dat

overbleef en met de tweehonderd vijftig frankskens, die Sophie ieder

jaar afdokte, kon zoo'n oud man leven, ... en zelfs wat wegleggen ... of

had hij soms alles opgedaan?... Alles!... 't was onmogelijk: immers

Vader was gierig, dronk weinig, rookte niet meer bijna ... Er moest toch

nog wat overblijven ... al was het maar een honderd frank of twee ..."

Werktuigelijk stond Geerten op ...

't Gewoel in de straten was aangegroeid. Duidelijk klonk het roezemoezen

der stemmen in de aangrenzende kroeg. Met den opstekenden wind, die

buiten de versche sneeuw deed opwirrelen en verstuiven, kwamen bij

vlagen, brokken van zeurige straatliedjes aanwaaien ... Behoedzaam nam

Geerten de lamp van de schouw, hield ze dan een stonde boven 't steeds

meer invallende gelaat van vader ...

... 't Gele doodsgezicht was effen en stil in den zachten lichtgloor, de

oogen waren geloken, de adem reutelde, doende opstreuvelen--heel even

maar--kleine haartjes van den baard ... Alleen de handen, groot en

beenderig, met lange knokkelige vingers en vuil-zwarte nagels, liepen

als spinnen over 't omgevouwen blanke laken, plooiend en herplooiend ...

"'t Zal afloopen" peinsde Geerten kalm, berustend: die dood, waaraan ze

zich allen zoo lang reeds verwachtten, kon hem niet meer schokken. Het

zou enkel zijn de verlossing uit het lijden van een arm-verlaten

grijsaard, en 't ophouden van slapelooze nachten voor den forschen

Geert ... "Ieder moet sterven en als men al meer dan tachtig jaar geleefd

heeft, is men in de wieg niet versmacht" ...

Op de teenen schoof Geerten naar de kleine in eik-geschilderde kast, die

in de donkerte van een hoek, achter 't bed, scheen weg te kruipen, zette

de lamp op het blad, trok een schuif open, en zocht ...

't Sloeg elf uren ... "Trees zal gaan komen," dacht hij. Zijn ruige,

bruine eelthanden scharrelden zenuwachtig rond in den kleinen lichtkring

die van onder de lampkap uitkegelde ... Gejaagd verlegde hij doosjes en

ledigde een ouwe draad-versleten geldbeugel van moeder zaliger ...

"Niks!" Hij doorsnuffelde ijlings elk hoekje, neusde nieuwsgierig

tusschen elk blad ... "Dat 's 't huishuurboekje ... Hier in dien kerkboek"

... Er lagen sokken, met groote gaten, opgerold in de schuif. Geerten

doorzocht ze, trok ze om, drie, vier keer, werd nijdig en vloekte boos,

niet vindend den gewenschten schat. De zieke ademde moeilijk: de lucht

reutelde in zijn keel ... zijn handen bewogen krampig, zijn mond hing

open, schuim-lippend. De lijnen van 't ingevallen gelaat stonden

scherper en hoekiger, de rimpels dieper-gegroefd, de oogleden nauw open

op de reeds gebroken oogen ... Hijgend, jachtend-verlangend, grabbelde

Geerten in de half-neerhangende schuif, alles vergetend in zijn zucht

naar geld. Al wat hem hinderde liet hij ten gronde vallen ... Nu hurkte

hij neder voor de wijd-open deuren. In de duisterste hoeken morrelde hij

met grijp-grage vingers. Zijn oogen brandden onder de borstelige

wenkbrauwen ... Plots, stroomde zijn hart vol warme vreugd, deed het

feller hameren van blijde verwachting: hij had een zakje ontdekt, opende

het ras ... De inhoud rolde met kleine tokkelgeluidjes over den grond,

verspreidde zich ... Geerten vloekte luid: 't waren de lotonummerkens,

die hij gevonden had ...

Zou vader iets gehoord hebben?... Aarzelend trad hij op het bed toe, zag

hoe onbeweeglijk daar neerlag het uitgeleefde lichaam ... bevoelde

haastig de stil-gevallen handen. Geerten schrok hevig ... sprong weg ...

boog zich voorover ... de adem ging niet meer ... 't Ging rauw en snijdend

door zijn brein: hij is dood ... De stilte viel drukkend om hem. Nu

durfde Geerten niet meer zoeken naar geld. Zijn kop werd als voos, bij

't eenvoudig denkbeeld aan vaders toch-nog-onverwachts-gekomen dood, die

hem wonderbaar voorkwam: een vertrek zonder afscheid of tot

weerziens-zeggen, een verraderlijk wegsluipen op onhoorbare voeten ...

Wat kon hij nu doen ... Trees bleef maar weg, en in heel het kleine huis

was geen levende ziel meer ... Mocht hij nu naar Lowis gaan om mede te

feesten?... Alles was betaald ... hij moest ... of Franske zou weer ... Als

Trees nu maar kwam ... misschien was de Pruttige weer zat!...

In-eens, bruusk-geweldig, verscheurend de grootsche stilte, de

plechtig-wachtende geruischloosheid der ijl-wordende minuten, vulde 't

schorre toeten van honderd stoomers, 't hel-metalen galm-tingelen der

jubelende klokken aan boord der zeilers en 't scheurend-gieren van luide

mistseinen, de vorstdoortintelde winterlucht, daverend van geluiden

heenvlagend over de feestvierende stad, aan flarden rukkend de laatste

stonde van 't heen snellende oude-jaar, juichend-begroetend den

jeugdigen, hoop-rijken, nieuwen tijd ... De geruchten werden grooter,

omvangrijker, overal opstijgend, alles door-dringend ... In 't kroegje

brulden dronkaards een gekke "brabançonne", en in de straat joelden en

tierden de pretmakende benden.

En Geerten dacht in eens aan Lowis, die door ieder nu gekust werd in 't

donker, wanneer, klokslag twaalf, de gaspitten uitgedraaid werden. Zijn

bloed liep warm en heftig door zijn lijf ... hij vloekte ... ô die

Trees!...

Hij hoorde stommelen op de trap ... Daar was ze! Ze trad binnen, wierp

haar bont-geruiten sjaal achteloos neer op een stoel ...

--"Ehwel?" ...

--"Dood," zei Geerten ... "Ga roep iemand om hem te lijken ... hij is al

bijkans koud ..."

--"'k Zal 't wel alleen doen ... een ander moet er zijn neus niet

insteken ... en Sophie ook niet ..."

--"Niks gevonden?" vroeg ze ná een poos, naar de in wanorde liggende

kast gaande om de lamp te nemen.

--"Niks," antwoordde Geerten norsch ... "'k trek er uit ... Zijt ge niet

bang?" ...

--"Bang, begod,!" ... schamperde Trees, een slok zuigend uit haar

fleschje, terwijl ze de kachel opkoterde en water opzette ... "Zie, als

de moor maar al kookte, dan was 't gauw gedaan ..."

De deur draaide dicht achter Geerten ...

De straten waren slijkerig. De witte sneeuw van den vooravond was

vertrapt tot vuil-gore massa, waarin de voorbij rijdende karren diepe

sporen hadden gedrukt, glimmend in den blauwen maneschijn. De daken

zilvrig belicht blankten hel tegen de ijl-donkere lucht, waarin de

twinkelende sterren geprikt stonden ... Beenend langs heen de huizen,

spoedde Geerten zich voort ...

Achter de hel-oranje stralende vensters der talrijke drankhuizen klonken

vroolijke stemmen en luidruchtige orgelmuziek, en in 't voorbijgaan

gluurde hij een danszaal binnen, waar in het verblindende licht van

electrische gloeilampen, tusschen de schreeuwerige pracht der

goud-omrande spiegels in de wanden, rondzwierden tollende paren. In de

verte zag hij de opspichtende masten van een zeilschip; fel-wit op de

stalenlucht teekenden de sneeuw-belijnde-ra's. Nog een straatje ... Hoe

meer hij naderde, hoe grooter de drukte werd ... Zingende en zwijmelende

matrozen liepen gearmd met liefde-deernen; pretmakers met volksvrouwen,

dik gerokt en hoog gekapt sprongen in 't opsprinkelende slijk voor de

deur eener herberg.

Aan den hoek der straat, waar Lowis woonde, bespeurde Geerten in de

kringende klaarte van een lantaarn, een blikkerend voorwerp in 't slijk.

Hij bukte zich en vond een hoefijzer ... Dat 's geluk peinsde hij en zijn

mistevreden gezicht verhelderde: hij zou zijn motor hebben dat jaar ...

Bij Lowis waren de rolbeluiken neergelaten. Van wijd reeds, hoorde hij

de luide stemmen der feestvierenden ... De deur stond op een kier.

Geerten wierp ze open, stond in de hel-verlichte zaal ...

Onder 't pletsend licht van den vergulden gas-luchter, juist voor de

schenkbank, stond de groote ronde tafel, waarom al de leden zaten van

het Spaarfonds der Ware Varensvrienden. Lowis troonde nevens Franske.

Geerten deed of hij 't niet merkte ...

--"Ne gelukkige zulle" ... wenschte hij, de uitgestoken handen

schuddend ... Van Lowis kreeg hij een fatsoenlijken zoen op de

stekelig-bebaarde wang ...

--"Zoo laat" zei ze ...

--"Vader is dood" ...

--"Is de H. Jozef dood?" wonderde Suske van Loock.

--Uitgeleefd, antwoordde koel-kalm Geerten ... uitgegaan gelijk een

keersken ... Gulzig begon hij te smikkelen van hetgeen Käthe hem

voorschoof, niet gewaar-wordend hoe de glanzige oogen der plezante bazin

op hem rustten. Al zijn denken concentreerde zich op 't aankoopen van

een moteurken, want nu had hij zekerheid dat vader wèl wat zou

achterlaten ... wat kón dat hoefijzer anders beduiden?...

--Nu gaat ge erven? meesmuilde Franske ...

--Peeschijven, jokte Geerten terug ... Ze zouden 't nooit weten, besloot

hij, Lowis ook niet ... 't Leek hem of hij 't geld al vast had. Al de

teleurstellingen der vorige uren, 't vruchteloos zoeken, scheen hij

vergeten, nu hij het heil-voorspellende hoefijzer in zijn zak droeg.

De luidruchtigheid nam toe ... De oogen der smullers glommen in de

roodgloeiende gezichten. Nog enkelen peuzelden aan 't laatste beetje van

't opgediende konijn.

--"Wat kat, Vijg?" plaagde venijnige Charel, schoof de schaaltjes met

kluifjes toe, deed de moe-gekauwde monden even vertrekken tot een

glimlach.

't Bier klokte in de dorstige kelen ... Käthe deed het orgel spelen, en

weer zong Franske met zijn neus-tenor een sentimenteel

tingel-tangelliedje. Geert knabbelde voort. 't Vet droop hem in den

baard. Met groote teugen spoelde hij 't schuimende dikke gersten naar

binnen: zijn oogen flikkerden genotvol.

--"Alló Geert, laat eens zien wat dat gij kunt of Franske doet u nog den

baard af," gichelde Käthe, wierp hem een stukje koek toe, dat hij in den

wijd-opengespannen mond opving ... "Wat 'n bakoven" schertste Franske.

Toen Geerten nog een konijnenkop had af gekloven, dronken ze allen hun

glas leeg, en werd de tafel op zij gezet, want Lowis en Käthe wilden

dansen.

Franske walste lustig met de plezante bazin ... Geerten zag hoe hij ze

dicht tegen zich aan prangde, en 't liet hem koud. Van heel den nacht,

keek hij naar Lowis niet meer om en dronk lustig al wat men hem

voorzette, trakteerde Käthe, die nevens hem was komen zitten, neep haar

tersluiks in de mollige armen en kriebelde ze onder de oksels dat ze

stuiplachte en de overigen mee kwamen helpen ... De rosse gierde van

pret, liet zich in stilte zoenen door Franske ... Käthe ging van den

eenen naar den anderen, werd door de bedronken mannen op bier en wijn

onthaald ...

Geerten voelde zich moê en ijlhoofdig: hij werd het gewaar dat hij toch

zou moeten heengaan, dat Lowis nu alleen naar Franske verlangde en hem

wegsturen zou ... Kwaadaardig besloot hij het langst mogelijk te toeven.

't Deed hem toch leed, te beseffen hoe heel anders het nu was tegen 't

vorige jaar, toen ná uitbundige uitspattingen, Lowis nog vuriger dan

anders naar hem verlangde en ze heur rond-mollig-, warm lijf tegen 't

zijne vlijen kwam, daarna ... wanneer ze alleen bleven ... Tot den

laatsten roeier, zwijmelend en lallend vertrokken was, talmde Geerten,

en 't werd hem tot een wrang-genot toen hij er in slaagde Franske mee te

troonen ... Ze durfde hem niet openlijk bedriegen!

Vóór hij zich te bed begaf, bestaarde hij nog eens het vuile oude

hoefijzer, en in zijn binnenste bloeide open de blijde hoop ...

* * * * *

"De H. Jozef" was begraven. 't Loopen achter de vergulde lijkkoets,

langs de vuile slijkstraten in den vroegen ochtend, had op Geerten een

pijnlijken indruk gemaakt. Op de begraafplaats, wanneer de lange smalle

kist in den verschen kuil, donker-gapend te midden der tintelende

blankheid van de hier nog ongerepte sneeuw, verdween, was zijn

hard-omkorst gemoed volgeschoten en 't schupken beefde in zijn ruwe

eelthanden wanneer de aardklompkens op de kist neerdoften ...

Nadat hij in de tegenover het kerkhof liggende herbergen, met eenige

zeupkens klare zijn emotie doorgespoeld had, toog Geerten te voet naar

de stad terug, heel-alleen, wijl de anderen zich per rijtuig naar het

sterfhuis lieten voeren, waar Sophie en Trees cognac zouden schenken:

hij wilde niet terug naar vaders kamer. De koude lucht deed hem goed,

verfrischte zijn zwoele gedachten. Drie dagen reeds liep hij rond met de

zekerheid dat vader geen duit had nagelaten. Met Nieuwjaarsdag zegde

Trees, dat ze niets gevonden had, ondanks heur lange zoeken en Sophie,

zijn zuster, had schertsend gelachen toen hij naar geld vroeg.

--"Waar zou vader de centjes vandaan gehaald hebben! Had ze hem niet

moeten onderhouden sedert moeders dood?"

Toch was Geerten niet heelemaal overtuigd. Eens toch had vader een

bankje naar Jef, zijn petekind, gestuurd, en dan het hoefijzer! Aan die

geluks-voorspelling klampte hij zich wanhopig vast, en in hem leefde

soms lichtend op het voorgevoel, welhaast de noodige centjes voor een

motorbootje te bezitten.

Vóór hij naar huis ging, wipte hij even bij Lowis binnen. Ze deed heel

vriendelijk want ze behoefde zijne hulp om een mand champagnewijn aan

boord van een Fransch schip te gaan afhalen. Heur frissche

vleeschelijkheid kittelde hem plezierig, zijn onwil bezweek voor de

lieftalligheid van haren blik en 't was laat in den namiddag eer hij

vertrok, met de belofte 's nachts, na 't vervullen der opdracht, bij

haar te komen.

't Donkerde toen Geerten thuis kwam. In de kamer waarin somber hing de

duisterte van den nakenden nacht stapte hij een oogenblik heen en weer.

De geruchten der plaats: het scherpe zware blaffen van een hond, het

kermend schreien van een zuigeling of 't rauwe hoorn-toeten van den

dagbladventer drongen dof tot hem door ... Traag begon hij zich uit te

kleeden, wierp jas en broek wanordelijk-slordig over een stoelleuning,

fluitend een straatdeuntje, trok zijn weeksche kleeren weer aan en zette

zijn verkleurde pet, met het bengelend kwastje op de ver-vooruitstekende

klep, op zijn ruigen kop.

Dan eerst stak hij de smerig-besmeurde olielamp op, die in 't trieste

vertrek zijpelen liet heur gele klaarte, onheimlijk-begloorend, de manke

meubels en de vuile tafel waarop nog glommen bruine koffieplasjes naast

ongewasschen wit-blinkende kopjes van 's morgens. Een nog onaangesneden

brood lag nevens een droge korst ... Geerten grommelde, schonk zich een

bakje koude koffie in, beproefde de korst te breken, smeet ze dan kwaad

op de teil terug; en het versche brood vattend, maakte hij er met de

mespunt machinaal een kruis op, sneed zich een dikke homp.

Koffie-slokkend verduwde hij 't brood met groote brokken, die zijn

wangen uitpuilen deden.

"Verdomme, nu is dat wijf nog niet thuis ... en 't is bij zessen ...

Ongeduldig was hij, nieuwsgierig te weten of er nu toch in 't geheel

geen geld was, want weer hoopte hij, heel vagelijk en onvast ... Zijn

blik boorde in de toekomst, waar op de goudig-doorzonde blauwheid der

golven zijner droomenzee, licht-veerend danste het vurig-begeerde

motorbootje, blank van kiel als een zwaan, met donker-fluweelen

zitbankjes en een mooi-puntig wimpeltje, rood en wit, en op den

stevig-scherpen boeg in gouden letters ... de naam ... ja, wiens naam?...

de zijne?... die van Lowis?... Als ze dan al lang niet met een ander,

met Fransken ...?!... was weggetrokken ... Had hij maar 't geld, dan kon

hij ze vaster aan zich binden, want tegen een motorbootje had ze zich

vroeger alleen gekant uit vrees centen te moeten bijleggen ... en 's

nachts kon het roeibootje nog steeds gebruikt worden als 't noodig

bleek ... wanneer hij 't geld had, zou hij heur een geschenk koopen, een

broche, of eene "brachelet" of ...

Geerten Basse · 第 2 / 5 段