GEERTEN BASSE
door
LODE MONTEYNE.
't Werd vinnig koud ...
De trieste Novemberdag verstierf stil-aan ... Aan den horizont
vervloeiden de laatste roode bloedstrepen allengskens in 't eenbarelijk
grijs van den mokerzwaren, looden hemel, laag-koepelend over de
vergrauwende stad.
Hier en daar, in de halve duisternis, wipten de gaspitten aan, weifelend
verlichtend den drabbigen straatweg en de vuile gevels.
Met regelmatig klotsen vloeide de Schelde immer voort, immer voort,
stuwend de eeuwige wiegeling harer donkere baren, waarop met grillige
trillingen en zotte wentelingen dansten de blauwe en groene of felroode
vuurstrepen der kadelichten ... In de langzaam-onzichtbaar wordende
masten stegen sterrekens, zacht-pinkelend in de toenemende donkerte ...
en uit de verte kwamen, klievend het woelig-bollende water, waarover nu
witte schuimstrepen breed-uitwaaierden, stoer-zwarte schimmen van
krachtige sleepbooten aanglijden, meevoerend een vonkelend vuuroogje in
de sprietelende mastspits.
Geerten Basse staarde over 't zwarte water, met aandacht volgend de
loome bewegingen van de aanpaddelende overzetboot, log-draaiend om den
trein van broze lichters, door de flink-forsche sleepers voortgetrokken,
te mijden. Hij ging dicht bij den rand van den kaaimuur, liep er langs
tot aan het ijzeren ladderken dat in het water daalt, bukte zich,
frutselde een oogenblik aan de meerkoord van zijn bootje, dat hij een
eindje verder trok wijl hij vreesde den hoogen golfslag, dien de wielen
van de aanlandende veerboot gewoonlijk deden opkammen. "Br! zei hij ...
zoo'n koû ... Als de Sint-Annekensboot weg is, ga 'k de mijne maar onder
de brug leggen tot morgen" ... Aan een ijzeren hek dat de kade daar
afsloot, maakte hij zijn vaartuigje vast, zag dan hoe het even afdreef,
meegesleept door de tot wit-ziedend en borrelend schuim geslagen baren
door den overzetter opgezwiept, die met een doffen bons tegen de ponton
aanbotste. In 't roode licht van een seinlantaarn, ging hij zijn geld
tellen. Eén voor éen haalde hij de muntstukken uit zijn diepen broekzak,
blies er de aanklevende tabak af, lei ze dan in de zware gebruinde
eeltige hand, met groote diep ingesneden huidplooien, scharrelde wat
rond in zijn vestzakken, overtelde nog eens aandachtig, met klein
lippenbeweeg elk nieuw getal zeggend, het geringe sommetje ... "Twee
frank!... Slecht!... Amper genoeg voor de weekhuur van ons kruipkot" ...
Hij nam een wit-blinkend halffranksken tusschen de gekromde vuil-gele
zwart-gerande nagels van duim en wijsvinger ... "En dat 's voor mij" ...
stak het dan in zijn zak ... Van onder zijn klak, haalde hij een duchtig
beknabbelde pruim te voorschijn, stak ze in den mond, bekauwde ze een
paar maal, lei ze dan met behendige tong-beweging vast tusschen tanden
en linkerkaak, die even uitpuilde. De handen diep in de zakken, het
hoofd gedoken tusschen beide hoog-opgetrokken schouders, wijdbeenend in
de flodderige geribt-fluweelen broek, die hem in eene breede plooi over
de beslijkte schoenblokken viel, ging hij tot bij het luid-pratend
groepje der bootjes-roeiers ... Zij hadden bijna allen een dikke
afgesleten jas over hun blauwe trui of lederen vest getrokken en stonden
nu, hangend tegen de schutting of stampend om warme voeten te krijgen,
in een hoopje bijeen ... pruimend of rookend. Geerten trok de oorlappen
zijner klak omlaag, meesmuilde vergenoegd, spritste vuil-bruin speeksel
vóor zich neer op den grond, begon dan beide armen over elkaar te
zwaaien, met de plat-geopende handpalmen pletsend tegen zijn lijf ...
--"'t Is verdomd koud!... Hedde geen chikske Franske?... 't mijn is
heelemaal afgezabberd ..."--"Arrê, bedelêer ..."--Met behendig-rappe
beweging van den ruigen kop ving Geerten de toegeworpen versnapering op
in zijn wijd-opengespalkten mond. Dat was een kunstje waardoor 't hem
mogelijk werd te pruimen op andermans kosten.--"Kun-de nog wat anders?
vroeg er een spotlachend.--Ja, zei Geerten, "ik kan nog een
halffranksken van mijnen voorkop langs'nen trechter in mijn voorbroek
doen vallen ... Laat de cens maar boven komen!" ... "Stoeffer ...
afluizer ... Ge zijt te begeerlijk," plaag-lachten ze ...
De veerboot toette rauw, dat het tegen de huizen aanbotste en 't uit
verre onzichtbare hoeken weerhelmde, heescher en korter, steeds
verflauwend. Een zwaar geladen verhuiswagen, door een oud paard
voortgetrokken, rolde daverend de hellende brug op. De wielen knarsten,
de remkettingen rammelden. De voerder en een man van goeden wil
hielpen ... 't Magere beest hing, hijgend en snuivend in 't
strak-knellende gareel, omhoog-sleurend den zwaren last.--"Hardi oûwe!
riep Franske ... Hardi!..." 't Dampende dier bleef staan, een oogenblik
pal op de trillende strak-geschoorde pooten ... Haastig werden de
remschoenen aangedraaid.--Langzaam, begon de wagen te dalen, meesleurend
't moede, afgeleefde paard. De voerman rukte aan de teugels, poogde het
dier voort te trekken ...
't Schuim viel uit den muil op zijn kleederen. De zweep klitskletste
klappend op den knokkeligen rug, de groote glanzende oogen puilden uit
dat het wit zichtbaar werd van danige inspanning ...
Geerten, Franske en de anderen lachten, bleven toch dood-rustig en
kalm-lui staan, nu en dan roepend: "Ksch! Ksch! V'ruit knol!...
Vol-houwe!" ... Toen de wagen boven was, schaterden ze 't uit, wringend
hun lenige lijven van groote leute.
"He, baaske, uw knol is half kapot!... Dat is geen peerd! 't Is een
reepenfabriek!" Ze pletsten met de ruwe handen op hun billen van 't
lachen ... "De zeever loopt langs uwen baard," zei Franske tegen
Geerten ...
Een heer kwam haastig-loopend voorbij ... Bijna tegelijk sprongen ze
vooruit, gedienstig en vriendelijk ... "Een bootje meneer ..." "De(n)
overzetter is juist weg," sprak Geerten, half-spottend, onverschillig,
daar hij toch niet meer zinnens was een reisje te doen ...
Als een groote muur, melk-grauw en vast, kwam in de verte de mist
aandrijven over den donkeren stroom ... De mannen zagen hem naderen,
omvoelend met ondoordringbare geheimzinnigheid elk twinkelend
havenlichtje, omdoezelend met onduidelijkheid elke lijn: de mist naderde
stil-zeker als een stoere al-opslorpende macht ... Nog vagelijk somberden
zwarte scheepsrompen en de afbrekende karteling der donkere ijzeren
loodsen, te midden der steeds naderglijdende grijzigheid, tot alles,
door den dikken smorigen nevel opgezogen en omfloersd, verzwond ...
Een kort snokken tokte over het water, het steeds haastiger ontploffen
van een in werking gestelden motor: het puffen en tuffen doorschokte den
mist, echoode sneller en krachtiger terug van uit onzienbare hoeken ...
"Wel Janverdomme," vloekte zwaar en toornig Geertens grof-heesche
baardstem ... "dat 's nu wel den twintigsten keer vandaag dat een van die
stinkende moteurkens overvaart!"--"Dat 's met dien haastigen
keerskensmaker van daar subiet," grapte Franske ... Allen zwegen,
luisterend naar 't geheimzinnig puffen van 't vaartuigje, dat zich
verwijderde achter den mistsluier. Van het Vlaamsche hoofd klonk vaag en
gesmoord door de dik-wattige nevelen, het luiden der seinklok over de
onzichtbare wateren, en beneden, op de vlotbrug, zwierde een brugwachter
met een groote vlammende toorts, een roodgloeienden vuurkring teekenend,
die den traag-nakenden veerboot moest tot baken dienen ...
"'k Ga mijn bootje op 't droog zetten en dan ben 'k schuif!..."
grommelde Geerten, norsch, "met mist, vaar ik niet ..."
't Gesprek werd nu heftiger ... Tegen die vervloekte moteurkens konden ze
niet concurreeren, onmogelijk! Er welden booze vloeken in hun
opstandig-vertoornde borsten. Fransken, jong en levendig van gebaren,
stelde voor een vergadering te houden bij Rosse Lowis, waar ze allemaal
toch dikwijls kwamen borrelen, 's avonds ... Maar wanneer? "Die
onderkruipers!" ... 'k Heb amper 'ne frank of twee gemaakt, zegde
venijnige Charel ... "en mijn wijf moet deez' maand weer 'ne kleine
krijgen ..." Ze schoklachten allemaal, spottend, om zulke
vruchtbaarheid ... Dan viel weer een stilte, zwaar van drift en dreiging.
Sedert de motorbootjes, voor enkele centiemen meer, de menschen veel
sneller naar de overzijde voerden, was 't reeds zoo armelijk
roeiersbedrijf nog moeilijker en veel minder winstgevend geworden. Op de
ernstig-geworden gezichten, waarover een nabije lantaarn, een stillen,
weemoedigen schijn wierp, lag een glimp van onuitgesproken bittere
treurnis of een trek van ingehouden, nauw-bedwongen woede ... De vochtige
koû deed hen bibberen. De schoenblokken of dik-gezoolde en sterk
benagelde laarzen klopperden den slijkerigen grond ... Geerten kwam terug
bij 't groepje, hoorde zwijgend de klachten, beloofde met een norschen
knik morgen-avond naar de vergadering bij Rosse Lowis te komen, ... deed
eenige stappen om heen te gaan, bleef dan even staan om zijn korte
bruin-doorgebrande pijp aan te steken keerde zich plots weer om; zijn
ruw-omlijnde forsche tanige rimpel-kop met den verstreuvelden grijzenden
ringbaard, glom even in den vunzenden schijn der aangetrokken pijp ...
"Gaat-de meê, Franske ..." "Ja!" Samen trokken ze weg: Franske, jong en
slank, fiks-stappend: een beeld van jeugdig-overmoedige kracht en
vreugde; Geerten, kort-breed en ruw, zwalp-wiegend op de wat kromme
beenen als een oud-matroos ... Toen de twee donker omlijnde gestalten in
het purper-doorlichte mistgordijn, onder de verre omfloersde booglampen
aan den straatweg, verdwenen waren, staken de andere bootjesroeiers de
koppen bijeen ... "Zeg, dat moest ge nu niet vragen, jandomme, of Geerten
bij Lowis zou komen ... hij is er gezaaien en gebraaien, hij slaapt er
wel ..." schamperlachte éen luid-op ... "En weet z'n wijf dat?" ...
"Bah, die is tegenwoordig meer zat dan nuchter ... hij laat ze maar
zuipen ..." "Maar als Lowis, schoon Franske wat veel ziet, dan zou de
jannige Geerten wel eens kunnen rijden met zeep aan zijnen buik ..."
--"Dat was rats in mijn voeten!" antwoordde stroef, Venijnige Charel ...
* * * * *
Nadat Geerten en schoon Franske, aan den toog van eene vuil-berookte
kroeg, een borreltje in éenen teug met smakkende lippen en tranerige
oogen naar binnen gewipt hadden om zich wat te verwarmen, namen de twee
kameraden afscheid. Zwaar-stappend langs de slijkerige straten, door den
steeds aandikkenden mist, waarin alles wegdoezelde, en die de roode en
witte en blauwe lantaarns aan de schel-kleurige bargevels omvoolde met
stille treurnis, trok Geerten huiswaarts ... Immer dezelfde gedachten
hielden tegenwoordig zijn hoofd bezig ... 't Was een kleine
denkbeeldencirkel, waarin zijn geest voortdurend ronddwaalde: Er was
geen geld meer te verdienen met dien verdoemden stiel!... Een motor
moest hij hebben ... 't Zou een schoon bootje moeten zijn, een flinke
kas, een goeie moteur, bankjes met rood floeren kussentjes en van voor
een lichtje ... Iederen avond, na 't drinken van een dikkop, of twee,
overlegde hij naïef-blij, als een begeerig kind, hoe zijn scheepje zijn
moest, nátellend hoeveel hij per dag méer zou verdienen dan nu, tot, met
een schok, zijn kleine gedachten in-eens stil-stonden ... Nooit zou hij
geld genoeg hebben om een motorboot te koopen, nooit!... nooit!! Dan
verteederde hij zich over zijn eigen bitter lot ... werd plots boos,
raasde inwendig ... vloekte binnensmonds ... Reeds tweemaal had hij bij
zijne welstellende zuster aangeklopt om een voorschot, en bij zijn ouden
vader ook; maar nergens was hij er in geslaagd een duit los te maken,
bang als ze waren nooit meer een centiem van 't geleende terug te zien.
Zijn zuster!... 't Was ook al wat! Omdat ze nu met een stuk water-klerk
getrouwd was, moet ze toch zooveel van heuren neus niet maken ... Ze was
toch maar de dochter uit een bollewinkeltje ... en Moeder-zaliger had de
centjes toch zuur verdiend met koffie opschenken voor de vrouwen uit de
buurt ... O dat geld!... Aan Lowis durfde hij 't niet meer vragen ...
"Een moteur hoort ge te goed 's nachts," had ze gezegd ... In-eens, kwam
in hem opschokken de gedachte aan een tocht, dien hij van avond voor haar
maken moest naar een Spaansch stoombootje, dat op rivier voor anker lag,
om een vaatje gesmokkelden wijn af te halen ... "Vijf frank weeral,"
dacht hij, opgewekt ...
Maar stil aan vloeide zijn hart weer vol galligheid ... "O die vetlappen!
Met hun moteurkens vergallen ze 'nen mensch zijn schoonste plezier" ...
Hierbij dacht hij aan 't genot dat Lowis hem schonk, en 't deed een
deugdelijke kitteling over zijn rug loopen, wijl gulzig flikkerden zijn
beluste oogen ... Door de drabbige nattigheid van den nevel, die
stillekens dreef, wazigen rook gelijk, tusschen de lage vooroverhellende
gevels der binnenstraten, waar elke woning bijna een herberg was,
waaruit gulpte, snerpend-zeurige muziek, dragend zang van zat-gebralde
keelen,--trok Geerten huiswaarts ... Langs hem heen gingen muf-riekende
koffieboon-raapsters, kort-gerokt boven de haastig-drentelende voeten,
en mannen in fluweelen buizen met hoog beslijkte modderbroeken plooiend
op zware schoenen, sloffend over de glimmend-vettige kasseide ... Een
reesem dronken matrozen, het gore flanellen hemd ver-open op de borst,
toog hem voorbij ... Met een zekere vreugde zag hij de hossende bende
voortslieren van d'eene naar de andere zijde ... Waar die binnenvallen is
de avond goed ... en onwillekeurig dacht hij aan zijn Lowis ... Die rosse
had er goddoje de streek van weg om zoo'n labbers uit te zuipen. Even
schoklachte hij in zijn baard.--Zoo peinzend, was hij geraakt op een
groot plein, waar lange platte natiewagens, dicht nevens elkander
gerijd, den langen dissel ten hooge, in de vuile nattigheid van den
slijkbodem, te wachten stonden op 't werk van den volgenden dag ...
Geerten stak het plein dwars over, ging dan de hooge koetspoort, zwart
gapend in vuil okergelen trapgevel, binnen, poosde even voor een deur,
waaruit een lichtstreep op den nattig-glinsterenden gangmuur viel, in
beraad staande of hij nog een snapske pakken zou, stapte dan toch maar
verder, te hongerig om langer te talmen ... Op de voorschoot-smalle
binnenplaats, waar vele huizekens, smoezerig-zwart gesmookt, kouwelijk
bijeenhurkt en--arme, brokkelige, als oude wijvekens voor-overhangende
trapgevelkens, schamel verlicht door een flakkerend olielampeken vóor
een Ons-lievevrouwenbeeldje, stonden stootwagens, in elkander geschoven,
de berries als hulpeloos biddende armen omhoog ... Geerten sakkerde toen
hij op 't nauw-verlichte venstertje van zijn krot toe ging, want hij zag
dat het grauwe waschgoed nog nat hing te flapperen, lijk dezen middag,
aan den langen staak die het heele nauwe binnensteegje overspande.
Geërgerd trad hij binnen, vloeken op de lippen het ruige, diep-doorgroefde
weer-bruine gelaat, vertrokken; onder de norsch-bijeenplooiende stoppelige
wenkbrauwen flikkerden kwaadaardig de staal-grijze oogen, anders klein en
waterig ... Met een smak smeet Geerten de kamerdeur open. In 't vertrek
hing een stinkende rookwalm. De lamp smookte fel, alles hullend in een
halve duisternis, waarin de schrale manke meubels schenen weg te kruipen ...
Uit de alkoof aan de andere zijde der kamer, steeg zacht een ronken ...
Geerten bleef sprakeloos ... Met een zwaren bons plofte zijn
dicht-gebalde knokkelvuist op de krakerige tafel neer, doende rinkelen
de vuile besmeerde borden en tassen, achteloos bijeen-geschoven. Het
snorken hield een oogenblik op, ging over in fel-blazen. Haastig draaide
Geert de lamp omlaag, liep dan op de bedstêe toe, nam zijn slapende
vrouw heftig bij den arm, schudde nijdig. Heur jeneveradem sloeg hem
tegen ... Met een wilden ruk, sleurde hij ze 't bed uit ... "Allez,
zatte teef! Allez-hop!!" ... Zich de rood-beloopen, vies-ontstoken oogen
wrijvend, stond Trees overeind, geeuwde lang met wijd-opengespalkten
mond en traag-strekkende armen bij 't kraken der gewrichten, deed dan
met sleep-zware voeten een loomen stap naar de tafel ... sprakeloos.
Ze wankelde nog even, bewoog moeielijk de dikke tong, wilde de flesch,
waarin kristallig-klaarde den verlokkenden drank, grijpen ... Met
weerlicht-plotsen greep trok Geerten ze uit heur handen, zette ze op
tafel ... Dan, ten einde geduld, inwendig ziedend, langde hij een
blikken schaal van de kast, vulde ze rap met water en kletste dit Trees
in 't koddig-grijnzende gezicht ... Dit hielp, als altijd ... het deed
Geerten stuiplachen en bracht zijn kwade luim tot bedaren: "En, nu
vooruit met den bik!" Traag sleffend over de gespleten, vuile roode
tegels, haalde Trees een haring uit de kast, zette hem op tafel naast
een kom koûwe koffie ... "Eerst mijnen mond wat spoelen," zei Geerten,
zette de jeneverflesch aan den mond, liet den drank wat heen en weer
klokken tusschen zijn bolle kaken, slokte dan smakkend door ... "Geef
mijnen boek! Pruttige!" Nog langzamer, als met looden schoenen, sloefte
Trees door de kamer, naar de deur, waarboven op een plankje smerige
drie-cent afleveringen van bloederige liefde-romans in 't opgehoopte
stof, gestapeld lagen, nam een lijvig deel er-af en reikte het haren man
over ... Den velligen haring in de gekromde dikke vingers, nu en dan met
de vuil-gele nagels een graatje van tusschen zijn tanden verwijderend,
zat hij gretig-peuzelend te lezen hoe de jonge graaf van Salverda de
jeugdige dienstmaagd door mooie beloften en suikerzoete liflafferijen
verleidde, in het eeuwenoude kasteel zijner voorvaderen, juist den avond
van den dag, waarop hij zich met de prachtige bruinoogige Donà Gracia
verloofd had ... Geerten verslikte zich haast in een verraderlijk naar
binnen gewerkte graat, beduimelde de bruine omgekrulde hoeken der gore
naar tabakriekende bladzijden met zijne vette handen, gejaagd om het
vervolg te weten ... Zijn innigste gedachten toch, dreven af naar Lowis.
De lange koudnattige dag, de slokjes jenever, de ophitsende schunnige
prikkellectuur, hadden zijn zinnen opgewekt en hij verlangde naar haar,
vurig-begeerlijk. De hoekige ellebogen op tafel, het loome hoofd in
beide handen waarover slierden de hangende vettig-bruine haren, zat
Pruttige Trees, sprakeloos, met slaperige wateroogen, Geerten
onafgebroken gade te slaan, tot, haar ingedommeld geheugen stil-aan
ontwakend, ze met dikke doddel-tong heur man aansprak: "Geert ... Vader
is slechter ... Sophie, uw zuster, is hier geweest, en dezen avond wordt
"hem" bediend ... 'k ben er geweest ..."--Geerten zag even op,
norsch-onverschillig. Zijn oogen stonden waterig-onnoozel in den door
inspanning-verhitten kop ... "en ge <i>moet</i> eens gaan van avond zulle
..."
--"Nog wat?" snauwde hij bruut.
--"Ja, er is een kaart gekomen van onzen Jef ... 't is een met een aardig
koppeken ... van den Argentien geloof ik ..."
--"Laat zien!..."
Trees haalde de kaart uit een schreewerig vergulden suikerpot op de
kast, reikte ze haren man toe ... "En wat schrijft hem".
Slijmerig-traag vielen de woorden uit haar kwijlenden mond ...
"Hij vraagt of z'n moeder hem nog geern mag" antwoordde Geerten,
gebarend een borrel in één teug naar binnen te wippen ...
Trees zweeg, bleef roerloos staren in de hel-gele vlam der lamp.
Nadat hij gegeten had, richtte hij zich op, smeet zijn klak af, liet
zijn hemd van de schouders glijden. Het sterk-gespierde, forschig-breede
bovenlijf naakt, den ruigen stilaan-grijzenden kop tusschen de wat hooge
schonkige schouders, stond hij voor een emmer water, dien Trees hem
aangereikt had. Plassend in 't van zeep-schuimende nat, schrobde hij
zijn dicht-behaarde borst, en de dik-beaderde pezige armen, dat de
sprinkelingen rondspatten op de armelijke stoelen en tegen de
zurig-riekende eetkast ...
"Ge gaat zeker weer naar uw rosse aanhoudster" smaalde nijdig-spottend
op hoonenden toon Trees ... "moet ge niet wat cosmatique aan uwen
schrobber doen?" ...
Geerten bleef kalm, al die zinspelingen schampten af op zijn taaie
onverschilligheid. Vlug was hij weder aangekleed, voelde zich nu
frisscher en vroolijker ...
Een wijle scharrelde hij met de hand in zijn vestzak, smeet dan twee
frank op tafel ...
"Arrê en zuip het allemaal niet op ... Aperpo hedde (hebt ge) geen vodden
opgekocht vandaag?"
--"'k Ben niet gaan leuren ..."
Geerten stond al in de donkere gang, waar dreef een doffe huislucht, en
de benauwende geur van schimmelende lompen onder 't bouwvallige
zoldertrapken opgestapeld ...
--"Salut en den kost zulle! 'k Ga naar vader" ... en zich plots
herinnerend ... "en haalt uwen wasch binnen!..."
"Ge komt van nacht zeker weer niet naar huis ..." schimpte Trees hem nog
achterna ...
--"Verrekt!" beet hij terug, en met een nijdigen ruk klakte de deur toe,
dat het heele huis schokkend dreunde, en de nog heele ruiten
daverrinkelden ...
* * * * *
Op de vitrine van het stamineeken, dat zijne vriendin openhield in een
der zijstraten uitgevend op de kaai, had Geerten voor een paar jaar--'t
was in 't begin zijner verkeering met rosse Lowis--in schreeuwend
oranje-geel, met reuzen-groote vlammend-roode hoofdletters en
gracielijk-buigende krullen er-nevens en er-onder, geschilderd:
/*
The Joly Boys Bar
bij de Plezante Bazin.
*/
In dien bijna-schuchteren vrijtijd was Geerten niets anders dan de
buitengooier, de man wegens zijn sterkte gevreesd en betaald om de
zwijn-zatte matrozen, die 't wat te bont maakten of met bazin en
serveuse te vrijpootig werden, aan de deur te werpen ...
Mettertijd was de flinke kerel voor Lowis bijna onmisbaar geworden, want
buiten die onaangename karweitjes, welke hij alleen afhandelde--zonder
dat de nieuwsgierig-lastige politie d'r ooit heur neus in steken
moest--, ging hij, nu en dan, 's nachts er op uit om van pas
binnengeloopen schepen, gesmokkelden wijn of sigaren te halen.
Zoo was hij allengskens in 't kroegsken bijna geworden: de waard, die
wel moest gehoorzamen aan de plezante bazin, doch nu niet meer alleen
met geld betaald werd, maar ook liefdeloon en 's Zondags zakgeld van
haar ontving, ... alzoo verdringend de futlooze fliere-fluiters, die
haar vroeger het jonkvrouwelijk leven minder ondragelijk maakten.
Het kabberdoesken was er op vooruitgegaan en de bootjesroeiers-maatschappij
"De ware Varens-vrienden", waarvan Geerten stichtend lid was, had er haar
spaarkasken hangen aan den wand tusschen een in vergulden kader ingelijsten
Red Star-boot en een bont-gekleurde reklaamplaat van Scotch wisky.
Toen Geerten binnentrad, zaten de roeiers allemaal bij het venster, om
de tafel, waarop--midden groote glimmende bierplasjes--de met kralend
gersten gevulde, schuim-gerande glazen stonden met--bij sommigen--een
potsierlijk-buikend dikkopken ernaast. Hunne ruige gezichten kropen
weg onder ver-vooruitstekende dik-geboorde kleppen, waarop bengelden
zijig-glanzende, kleine kwastjes ... Ze paften uit korte pijpen, dat
de rook, boven hun bijeengestoken koppen opwolkend, de fel-brandende
gloei-gaspitten omfloersde met een nevelig waas ... Anderen zaten
stom-roerloos, de hand aan het bierglas, te luisteren met open-hangenden
mond in 't domme gelaat, waarin de oogen slaperig knipten; vermoeide
lijven, die indutten in de broeierige hitte na den langen dag,
doorgebracht midden de wisselende winden, die opdansen deden de woelige
wateren der Schelde.
Na een kort gesprek met Lowis, zette Geerten zich bij hen, met den rug
naar den toog, juist tegen over Schoon Fransken, die strak voor-zich uit
starend met glunder-gulzige blikken volgde iedere beweging van Lowis'
wel gevulde gestalte, tronend voor den spiegel van 't met veelkleurige
glazen en licht-doortintelde drankflesschen versierde buffet ...
"Awel! Geert? Hoe is 't met uw vader" vraagde Venijnige Charel ...
Bij 't smakkend rooktrekken om zijn korte pijp te doen vunzen,
antwoordde Geerten heel kalm, met zijn gewone heesche baardstem:
"Bah ...den ouwen dag, hé ... vier en negentig zulle!...
--"Is de Heilige Jozef ziek?" kwam Suske van Loock, de oudste der
roeiers, er tusschen--"als die niet naar den hemel gaat weet ik er alles
van ... en gij zult wel een schoon stuiverken trekken" ...
Hij lachte, op voorhand genietend van wat hij zeggen ging ... "Hij 'n
heeft voor niets, vroeger, in geen tien jaar bij zijn vrouw geslapen ...
Ah-ah-ah!... Veel kinderen wilde hij niet!... Ah-ah-ah!... Dien H.
Jozef!... Niet kwaad zijn, zulle Geerten!... 't Is maar bij manier van
spreken!" ...
Dat was 't oude geschiedenisje, dat hij vroeger zoo dikwijls had moeten
slikken en waardoor uitgelegd werd, waarom zijn zuster Sophie, de bloem
van 't kwartier, juist tien jaar jonger was dan hij ...
Wanneer de laatste achterblijver binnen was, begon de beraadslaging ...
Venijnige Charel deed een verwoeden uitval, waarin de motorbootjes
vervloekt werden, en de invoerders voor uitgekochten--een woord, dat
hij op de laatste socialistische meeting gehoord had--van 'nen vuilen
herbergier, gescholden werden ...
Hoe heviger de door jenever en bierdampen opgewonden spreker donderde,
zich heesch schreeuwde, zijn tanig-onbeduidend gezicht waarin de oogen
uitpuilden, rooder werd, hoe meer Geerten bijna-onverschillig luisterend
de noodzakelijkheid begon in te zien, om zelf een motorbootje te
bezitten ...
Zich hullend in dikke rookwolken, peinsde hij, wikte en woog, herkauwend
wat gedurende den heelen dag niet uit zijn kop was geweest, wat hem meer
vervuld had dan de gedachte aan Lowis: hij zou kost wat kost een
moteurken bezitten ... Een teug slurpend aan zijn nog vol glas, mengde
hij zich een oogenblik in 't verwoede, dol rumoerige gesprek ...
"'t Is dien smeerlap van 'nen Rik Schampavie, die 't eerst akkoord heeft
geslagen met den baas uit 't Fleschken aan de Werf ..."
De roeiers luisterden aandachtig, of hun eene openbaring werd gedaan ...
"En die heeft hem 't geld geleend ... en nu moet den Rik, iederen dag een
deel van de winst afstaan tot afkorting ... en daarbij 'nen grooten
percent betalen!" ...
Neen, een eigen bootje wilde Geerten. Nog een beetje geduld maar--innerlijk
jubelde hij--dan zouden ze den sterken Basse hooren tuffen tot over 't
water ... Vader had wel wat geld ... Sophie gaf hem bovendien ieder jaar
een twee honderd frank, rekende hij ... dat kon onmogelijk opgaan ... en ...
--"Nog een pint Geert?" vroeg vriendelijk Käthe de serveuse..
--"Ja, en 'nen beste erbij" ...
... Vader kon toch niet eeuwig leven ... hij was erg ziek ... bediend ...
't winterde fel ... wie weet?...
Terwijl Geerten mijmerend en afgetrokken volgde het razen der anderen,
wier woorden beukten en scholden, als vloeken rolden uit de van
toorn-verhitte, brutaal-stoeregezichten, hield Franske de oogen niet af
van Lowis, die met een dronken Engelschman, hangend tegen den glimmend
koperen toogrand, een sleepend praatje voerde ...
In den anderen hoek der gelagkamer, op een mooi-rood fluweelen zitbank,
was Käthe terug tusschen hare twee klanten gaan zitten--piepjonge,
baard-looze "printers,"[1] die haar met lodderlijkverliefde blikken
begaapten en waartegen zij grapte ...
Noot: [1] Leerling op een schip: "Prentice."
Beide jongens naderden haar dichter, beproevend te zoenen heur frissche
nat-roode, steeds treiterend weggetrokken lippen, tot zij de
ondernemende indringers met klokkenden, hoogen lach op zij duwde hen
aanmanend te betalen ...
Met vollen greep nam een 't geld uit zijn broekzak, liet het rinkelend
tinkelen op de marmeren tafelplaat: ...
"Take what you like". (Pak wat ge wilt).
Franske keek het na ... Een gouden affaire dacht hij ... en weer staarde
hij Lowis vlak in 't volle gezicht, blankend onder 't zware vlam-roode
haar, waarin de valsche steenen der hoornen kammen vonken schietend
flonkerden ...
--Wat 'n wijf! bewonderde hij en spottend-meewarig, viel zijn stralende
blik op zwijgenden Geerten óver hem ... "Geen spek voor zijnen bek" ...
De zatte matroos zwalkte met knikkende knieën naar de deur toe, wierp
dan de bazin eene kus-hand toe ... Geerten zag het en zijn gelaat bleef
onbewegelijk-strak ...
--Niet jaloersch, peinsde Franske, nu, 'k zou het zelfde doen ... zoo'n
schoon affaire!...
Hij pinkte eens naar Lowis, die nevens den "printer" was gaan zitten ...
Ze lonkte terug, heel natuurlijk ... De oogen van Schoon Franske
blinkerden van louter leute ... 't Pakte wat hij sinds dagen als een
vaag, bijna onuitvoerbaar plan in zich omdroeg ...
--"De teerlingen! de teerlingen!" riep Venijnige Charel zenuwachtig-
gehaast.--"We zullen smijten en wie 't minst gooit, moet dezen nacht
't moteurken van Schampavie naar den duvel helpen, gelijk hoe!..."
--"Aangenomen?" vraagde Suske, frutselend aan de gouden oorringen, die
hij droeg als voorbehoedmiddel tegen oogziekten ...
--"Ja! Ja!" Verward schreeuwden ze 't door elkaar.
Geerten, die een oogenblik met verre aandacht de sprekers in hunne
heftige bewijsvoeringen gevolgd had, juichte luide toe, want Schampavie
had hem, lange jaren geleden, eens in 't Schipperspaleis, de danszaal
van 't kwartier, een kermislief gekaapt, en die smaad leefde wrokkend
voort in Geertens borst ...
Heupwiegend kwam Lowis den teerlingenbak brengen. De mannen sprongen
recht, namen plaats om de ronde tafel, juist onder den lichtenden
gasluchter, midden 't vertrek. Lowis bleef staan, nieuwsgierig kijkend,
zijlings-lonkend naar Franske, die heur voortdurend gadesloeg,
bewonderend de gevulde ronding der borst spannend in 't zijden lijfje,
waaruit mollig-gedraaid de wat sproeterig-roode armen staken ...
--"Allô, niet stooten zulle!"
De dobbelsteenen rolden in den bak!... "Negen! voor Suske!" Weer viel de
stilte ...
Heimelijk naderde Franske Lowis, die hem vink-oogend wenkte. Nu stond
hij nevens haar, kittelde even heur arm ... Ze schoklachte ...
"Zes!... Aï mij ... Charel!"
"Stilte!... Sst!..."
Wijl Geerten met gespannen aandacht eenen worp volgde, neep Schoon
Franske, belust, in de malsche heup der deerne. Ze gaf hem een licht
stootje met den voet tegen zijn been ... Zijn hart vloeide vol gloeiende
zaligheid ... Hij moest werpen!... Als 'k 't hoogst smijt!... dan ... Hij
dacht niet verder en gooide ... Twaalf ... Hoerah, Franske!... Overmoedig
gierlachend, greep hij in 't geniept, achter Geertens rug om, de hand
van Lowis, kreeg een fermen druk weerom ... trok snel terug, voelend de
sluw-loerende oogen van Venijnigen Charel op hen gericht ...
Geerten was aan de beurt. Onverschillig bolden de ivoren kubusjes in de
roodbeplakte doos, buitelden zottelijk koppeken over, bleven toen stil
liggen.
"De twee apen!" (de twee eenen.)
Een schaterlachen doorschokte de lichamen der roeiers ...
"Gij moet gaan! Santé zulle," riep Charel hoonend.
"Daar doe 'k het orgel op spelen!" zei Lowis gekscherend, en met een
kort klikje begon de metalen plaat te draaien en de tonen van een
gevoelerig, alom-bekend Engelsch deuntje, trippelden door de kamer,
dom-vroolijk en vuig-dartel, lijk den perelenden lach eener dolle
maagd ...
Käthe zong mee ... De "printers" brulden onverstaanbare woorden, de
roeiers hadden dwaze pret, tot de plezante bazin, met een klein gebaar,
wat stilte verkreeg en Franskens welluidende, sentimenteel-bibberende
neustenor alleen, in gemeen haven-engelsch, 't roerend "Chorus"
voort-zong ...
Because I love You...
My only one regret,
Since then we 've never met
Because I love you...
Yes, my heart is yours!...
Because I love you!...
Hij bezag Lowis, voelde dat hij haar bekoorde, dat ze "zijn" was ...
* * * * *
Geerten liep over den slijkerigen steenweg langsheen de eenzame kaden,
nu en dan groote stappen nemend om te mijden de wijde plassen door den
regen achtergelaten ... Een bolle wind woei ... Met schrikkelijk razen
holde hij over de zinken afdaken, deed de flakkerende gasvlammen dansen
achter de driftig rammelende ruiten, huilde woest in het touwwerk der
vast-gemeerde schepen, waarvan de zwiepende masten, nauw zichtbaar in de
duisternis, boven de goederloodsen uitstaken ...
"Wat 'n hondenweer," peinsde Geerten ...
Hoog in de lucht, nu en dan mat-zilvrig beglansd door een ronde maan,
zeilden wild over 't waterig blauw de witte wolken, die de bries
uitrafelde en stuk-scheurde, de flardende brokken met omstuimige vaart
voort-jagend ... Een eenzame locomotief, uitpuffend blanke rookpluimen,
seffens door den gierenden wind tot pluis verstoven, manoeuvreerde, af
en toe luid-gillend ... Geerten hoorde hoe losgelaten wagens donderend
tegen elkander botsten, tot opnieuw weerklonk een eentonig toeten,
gevolgd door rauw fluiten, en de locomotief een nieuwe reek rammelende
wagens voortduwde ...
Geerten maakte de oorlappen van zijn klak los, bond ze onder de kin
vast, want zijn ruige wangen tintelden van kou ...
Loopend langs de huizen, om zich tegen den zoevenden wind te beschutten,
begon hij na te denken over hetgeen hij nu doen ging ... De frissche
nachtlucht verhelderde zijn brein, waarin nog hingen nevels van wisky en
gerstenbier. Hij moest gaan ... maar waarom was 't lot juist op hem
gevallen?... Waaróm?... en wanneer alles nu eens uitkwam? Dan zou hij
niet gemakkelijk uit de handen van 't gerecht blijven ... en de anderen
ook niet ... Ja, ja, ze zouden wel zwijgen ... Kon 'n mensch wel iemand
betrouwen?... Verdomd toch, waaróm was Franske nú juist bij Lowis
gebleven?... Weer hoorde hij zijn eigen woorden van daar straks, toen de
mannen allemaal reeds weg waren en Käthe met één der "printers" ook al
heengegaan was!...
"Gaat-de mee doór, Franske?" ...
Waarom was Franske toch gebleven?... Hij kon er geen kop aan krijgen ...
Nu was hij misschien al naar huis ... Hij trachtte zich die gepeinzen uit
het hoofd te zetten, probeerde te denken aan hetgeen hij nu uitvoeren
moest!...
Ik zal den moteur kapot kloppen, of een stuk er af vijzen ...
Maar onweerstaanbaar kwamen dezelfde gedachtekens, klein en bepaald,
weer in hem optikkelen ... Neen, Franske en Lowis, dat ging niet ... Nen
jongen van twintig en een wijf van in de veertig! Toch wist hij dat zijn
redeneering geen steek hield, dat hij ze enkel wilde aannemen om rustig
te kunnen blijven ... En hij woont zelf met zoo'n net lief ... Als ik er
zulk een vinden kón! frisch en mollig, een bloem op een veld!...
Geerten vond die voorstellingen leutig, ze verdreven de achterdocht, die
hem 't hart verknaagde ... Jaloersch was hij niet, neen ... maar toch ...
Lowis was van hem, ... daar moest Franske zijn pooten afhoûwen of
anders ...
De donkere Scheldebaren, opkammend met schuimende koppen, beukten razend
de vlotbrug, die verlaten lag in den blauwenden maneschijn ... Wat
verder, tegen de kade, donkerden de sombere scheepsrompen, beweegloos op
den woesten, kletsenden golfslag van den door storm ópgezwiepten stroom.
Van uit de onzichtbaarheid der wijdsche duisternissen kwam nu en dan,
bij vlagen aanwaaien het schorre toeten van een aankomend schip ...
Geertens' dikgezoolde schoenen klopperden de houten brug onrustig; hem
beving een gevoel van schrik, niet meer te overmeesteren hoe meer hij
naderde ...
Beneden in het stillere water achter den steenen pier dansten lichtekens
de roeibootjes, bij elken schuimgolf, die klokkend tegen den houten
steiger klotste ... en wat afgezonderd, gansch met zeildoek overspannen,
dicht tegen elkander aangeleund, dobberden die vervloekte moteurkens,
rank en sierlijk in 't nu en dan door wolken verduisterde wijfelschijnen
der maan ...
De stilte was zwaar, soms een korte pooze verbroken door 't heftig
loeien van den wind en 't bulderend rollen der tuimelende baren van den
hollen vloed.
Geertens moed nam af. Hij vond zich-zelven laf, futloos-laf!: een
ongekend gevoel voor hem. In zijn beneveld denken klaarde geen enkel
beeld.
Schuw speurde hij rond, sprong in een bootje, dat vast tegen den steiger
lag: het wiegelde vervaarlijk, schepte wat water. Met een enkelen stap
stond hij wijd-beenend overeind in 't naastbij liggende sloepje, dat hij
zacht afdrijven deed tot het hem mogelijk werd zich vast te klampen aan
den boeg van een ander vaartuigje, gemeerd aan een ijzeren ladder, die
langs den kademuur daalde ... Nu was hij tegen de moteurkens ... Hij zou
toeslaan ... Zijn groote lierenaar had hij reeds geopend om een groot gat
in het over den motor gespannen zeildoek te kerven ...
Sluw-voorzichtig meed hij den vagen schijn van een lantaarn op de
kade ... Kalm wilde hij wezen ... Nu zou hij 't doen; nu ... Als hij maar
eens zoo'n moteurken bezat! Dwars door 't natte strakke zeildoek gaf hij
een groote snee, trok dan gejaagd zijn mes terug. Voetstappen
weerhelmden op de brug, die naar den steiger daalt. Omziende, bemerkte
Geerten een blinkenden politiehelm, die hem ineens alle bezinning
benam ... Vlug richtte hij zich op, het bootje waggelde, dreef wat af ...
in een oogwenk had hij de ijzeren ladder gegrepen, trachtte op de
laagste sport te springen. Zijn eén been plonsde in 't ijskoude water,
maar met een forschen wip zijner sterk-gespierde armen trok hij zijn
geheele lichaam omhoog, klauterde snel naar boven ... dan liep hij
ijlings weg ...
De politieagent zette hem achterná ... Geerten hoorde zijn haastige
passen achter zich, hol klinkend in de nachtstille straat ... De wind
zoefde fluitend langs de huizen ... Daar kwamen matrozen aan ... Die
zouden hem den weg versperren ... Vlugger repten zijn voeten. Een schril
tuiten gierde, lang-gerokken, boven den wind uit ... Geerten wist wat dit
beduidde: nu zou er hulp opdagen voor den agent. De zeelui waren vlak
bij: ze breidden hun armen uit om hem op te vangen. Woester rende hij,
niet voelend de matheid van zijn half-versteven been ... Met een razenden
sprong, en forschen zwaai zijner knoestig-gebalde vuisten sloeg hij zich
door de half-dronken mannen heen ... Dáár was een smal zijstraatje, met
een rappen zij-sprong was hij den hoek om, ademde toen wat rustiger,
liep minder snel, overtuigd dat zijn vervolger hem nu niet meer op de
hielen zat. "Als 'k maar de wijk uitkom, dan zal de sloeber me niet meer
volgen." Met flinken tred hamerde hij de droog-gewaaide gaanpaden, kwam
op de lanen, waar de wind de naakte magere boom-geraamten schudde,
afknakkend de doode takken, die met een doffen smak neerkwakten op den
harden grond. Hoog in de lucht jachtten nog steeds de donker-dreigende
wolken. Uitblazend, liep Geerten na te denken. Mislukt! Hem kon het gaar
niet schelen, maar wat zouden de anderen zeggen! Franske en Venijnige en
Suske en de rest?... en dàn Lowis?... Dat ze verdomme allemaal dachten,
wat ze wilden ... maar Lowis?... bah ... dat zou wel schikken ...
Straat-in, straat-uit stapte hij, recht naar de kroeg zijner vriendin.
Nu stond hij voòr de dichte deur, zwarten rechthoek in den hel-gelen
gevel, waarop amerikaansche en engelsche vlagskens geschilderd waren. De
straat lag eenzaam en verlaten-stil ... Geerten klopte, het klonk dof
door heel het huis.--Geen roering kwam er achter de neergelaten
voorhangen op het eerste, waar Lowis sliep. Met saamgeknepen vuist,
bonkerde hij harder en harder op het nauw-toegevende paneel. Dan ging
hij midden den steenweg staan, strak-starend naar de bovenramen. Niets
bewoog ... Hij merkte, laag, tusschen de franjes der rolgordijnen het
zachte wijfelschijnen van het vet-pitje, dat steeds brandde op de
nachttafel naast hun bed ... Zoo duidelijk zag hij alles vóor zich. Zoo
warm was het nevens heur bloeiende lijf ... De hevige wind deed zijn
losgeknoopte jas opflapperen, versteef zijn nat-koude been. Vloekend,
met krampachtig-gebalde knuisten, begon hij op de deur te beuken,
woester en woester steeds, wijl de toorn in hem vlamde, daar in-eens, in
hem het pijnende vermoeden klaar-geworden was, dat Franske bij Lowis kon
zijn ... ofwel een ander ... zooals vroeger ... een van die jonge
snotneuzen van "printers" ... zij éen en Käthe éen, overlegde hij ...
"Sakkerdomsche ros!" Zenuwachtig-kort bonsde hij op de niet-wijkende
deur, waarachter alles stil bleef en roerloos ... Niets hielp ... "Als dat
moest waar zijn! 'k vermoord ze morgen allebei ... zoo'n smeerlappen!"
Mismoedig, uitgeput, toog hij naar huis, om daar te slapen, wat hem
sinds langen tijd niet meer gebeurd was ... De zware poort van zijn
steegsken stond op een kier ... Hij duwde ze open, liep behoedzaam langs
den muur, voetje voor voetje, bevreesd van tegen een stootwagen te
loopen, stak dan het enge binnenplaatsje over, trad zijn huisje
binnen ... Toen hij de lamp ontstak, na lang scharrelen om stekjes te
vinden, schoot Trees wakker. Ze zette zich in 't bed overeind. In heur
vieselijk gezicht plakten de hangende haren. Ze wreef zich de oogen uit,
wierp het gore deksel wat terug ... keek slaperig-verbaasd ... "Zijt gij
daar?" vraagde ze verwonderd ... "wat 'n eer van u te zien!..."
"Laat me gerust" bromde Geerten, zich uitkleedend.
--"Buitengesmeten" meesmuilde ze nog spot-lachend ...
--"Zwijg, verdjuusche, zatte teef!..." Hij zag de jeneverflesch
half-leeg, op tafel staan, nam ze òp, zette ze aan den mond en met
klokkend geluid slokte hij eenige teugen naar binnen ... Dan kroop hij
bij zijn vrouw, tusschen de vunze lakens ... "Allez, schuif-op, vijf voet
van mijn lijf, Pruttige ..." Trees gehoorzaamde, grommelde tartend: "Bij
Lowis èh, daar is 't schooner ..."
--"Gaat ge zwijgen!" De gedachte aan zijn lief, deed hem pijn ... Toen
hij, door den drank beneveld, reeds half in slaap was, schudde Trees hem
opnieuw wakker ...
--"Geert!... Geert!... vader is slechter. Er moet bij gewaakt worden"
...
--"Laat me gerust, ... 't is goed ..."
Met trage galmen sloeg het vier uur, op de huisklok ...
* * * * *
's Anderdaags was het laat vooraleer Geerten op de kaai kwam. Eerst
durfde hij niet gaan, eindelijk had hij zijn schaamte overwonnen: Zouden
die moedige mannen blijven voortwerken, wanneer een polies naderde? Dàt
wist hij wel beter ...
Het weder was opgeklaard. De lage zon wierp op alles een zachten schijn,
deed lichttikkelingen dansen op de nog schuimgekopte golfjes ...
't Zal toch nog regenen, meende Geerten ...
Suske, Venijnige Charel, Domien en heel het zooitje, stonden bijeen,
toen Geerten, de handen diep in de broekzakken, met zwalkenden gang, hen
naderde ...
Seffens vraagden ze hem, nieuwsgierig en drukdoende, naar zijn
wedervaren van den vorigen nacht. De uitslag was hun reeds lang bekend,
want Rik Schampavie en zijn kameraden--de onderkruipers!--waren al een
keer of twee overgevaren met "typen" van de Yachtclub. Tegelijkertijd
brachten ze elkaar op de hoogte van de schade, die de storm van den
nacht aan enkele yachten had aangericht ... Wèl hadden ze den Rik hooren
sakkeren en vloeken alle duivelen uit de hel, bij 't bergen van zijn
zeil, maar hij was toch vertrokken ... dus was alles mislukt ...
Geerten moest bekennen en hij schaamde zich weer ... hij, die doorging
voor den sterksten man van heel den "bassin", was gaan vluchten vòor den
helm van een spichtig-mager politiemanneken.
"Wat 'n vijg!" spotte Venijnige Charel half-luid, "'t was verdomd juist
de Sprot, die hier dezen nacht de wacht had,--zoo'n vijg."
Geerten hoorde het, verkropte zijn spijt, vroeg in-eens naar Franske
dien hij niet ontwaarde, zóo maar om 't gesprek af te leiden ...
"Bij Lowis blijven slapen ... wat nu ..." schamperlachte Charel ...
Geerten stoof op: "Als ge dat nog zegt èh, breek ik U armen en beenen!
Venijnige beest!"
--"'k Zeg de waarheid," snauwde de andere terug.
"Sakkerdju!" vloekte Basse rauw, rood van woede, bijna stikkend ... Met
een forschen zwaai sloeg hij zijn rechterarm om Charels lijf, trachtte
met de linkerhand zijn tegenstrever bij het leelijke hoofd te vatten.
"Hardi," kisten de toegeloopen omstanders, krachtige
buildragersgestalten met bloote borst, tusschen de donker blauwe truien
der bootjesroeiers.
Charel wankelde, viel ... Zijn kop bonsde op de bonkig-puntige kasseide,
bloed sijpelde langs zijn haren ... De twee vechters rolden in 't slijk,
lagen een pooze roerloos, zwaar ademend.
"Hardi!" "Houwen!" "Geeft hem het Geerten!" Basse lag boven, zijn vijand
duchtig stompend, liet wat los ... Met een krachtigen ruk wierp Charel
hem om, zette zijn linkerknie hem op de borst, voelde zich in-eens
sterker, en begon verwoed, met hard-gesloten vuist, te beuken in
Geertens zwellende gezicht, roepend met heesche keel dat allen het
hooren zouden ... "Vijg!... Hoorndrager!!... Vrijwillige hoorndrager!!...
Vijg!!!..." 't Deed hem deugd te kunnen uitbrallen zijn wraak ...
"Hoorndrager!..."
De over de vechters heen-gebogen gezichten straalden van pret ... De
roeiers lieten begaan, schudden de koppen: "Geerten is ver op ... hij
heeft zijnen meester gevonden" ...
--"De garde! De garde!" ... klonk luide en spottend een hooge
jongensstem ... Suske en Domien trokken Charel van Geerten af, die met
moeite overeind kwam ... De diender, spleet door de omstanders, dreef ze
uit-een, liet de vechters aftrekken ...
Geerten toog huiswaarts ... Alles deed hem pijn: zijn neus was
afzichtelijk en zijn blauwe oogen zwollen, hij sleepte zijn gekneusde
been. In dikke korsten droogde het zwart-vettige slijk aan zijn frak ...
Met de mouw veegde hij de sprenkelingen van zijn pijnlijk gezicht. Dat
was de eerste maal dat hij overwonnen werd, de eerste maal; 't smartte
hem innig-diep te weten het afnemen zijner krachten, en meteen werd het
hem duidelijk dat Lowis, Franske verkiezen moest boven hem, den bijna
afgeleefden vent ... Toch wilde hij niet berusten ... Wraak zou hij
nemen ...
Waarom moest het juist Franske zijn die hem bedroog ... Franske die zoo'n
fijn liefje bezat, jong en gezond, veel netter in ieder geval dan die
smerige rosse kloek. Hij vormde het vaste voornemen Fientje te
verwittigen, want twijfelen aan hetgeen Venijnige Charel, zoo driftig en
luide uitgeroepen had, deed hij niet meer ...
* * * * *
Gedurende enkele dagen, tot de gezwollenheid van zijn gezicht verdwenen
was, bleef Basse van de kade verwijderd, terend op de luttele centjes,
welke Pruttige Trees won met den verkoop van oude lompen. 's Avonds trok
hij gewoonlijk naar zijn kranken vader, die op een kamerken woonde in
eene niet ver-af gelegen buurt, bracht zoo een nacht of drie wakend door
aan het ziekbed van den "Heiligen Jozef" ... Innig-overtuigd was
Geerten, dat het met den ouden niet lang meer duren kon, en hoe
stelliger zijn meening werd hoe meer het denkbeeld van een eigen
motorbootje te bezitten op den voorgrond trad.
Dàt werd Geertens troostgedachte, waaraan hij zich vastklemde en die hem
over alle geleden smart heenzette. Dàt zou zijn wraak wezen! Bersten
moesten ze! Lowis en Franske en Charel en heel den "bataclan." Maar
Lowis zou hij niet lossen, dat niet! Liever verloor hij zijn rechter
hand ...
De plezante bazin, welke gehoord had van het gevecht door Geerten voor
haar geleverd, was er door gevleid, en wel inziende hoe onmisbaar hij
voor haar bedrijf was, had ze eenigszins berouw gekregen, dat ze hem met
Franske bedrogen had ... Maar den jongen, krachtig-levenslustigen roeier
met het lenige lijf en het mooie haast fijnbesneden nauw-zongebruinde
aangezicht, wilde ze óók niet lossen ... vooral nù niet meer ... Ze
peinsde en herpeinsde, wikte en woog, tot heur breed geweten zich
tevreden stelde met de zoete oplossing, ze alle beî te houden--den
jongeren uit groote verwachtende liefde, en in stilte ... den ouderen om
zijn diensten, en openlijk ... Zoo was het goed want op Franske, kon ze
niet zoo erg rekenen: hij was veel jeugdiger dan zij en vroeg of laat
trouwde hij toch eens met zijn eigen lief, waarmee hij kamerde. Heel
ijverzuchtig was ze niet, wijl ze 't leven nam lijk het komen wilde,
hetgeen heur steeds voordeel gebracht had. Geerten bleef weg ... Ze
besloot ten langen leste hem te schrijven, wel-bewust dat hij gaarne
genoeg terugkomen zou, maar niet durfde ... 't Kostte haar oneindig
groote moeite om met de zwaar geringde vingeren der stramme ongeoefende
hand, zoo delikaat mogelijk, zonder vooral haar eigen waardigheid en
fierheid eraan te wagen, de niet gewillig-opwellende denkbeelden op
papier te brengen ... Käthe moest helpen ...
/*
Liefe geert:
Kompt toch gauw vroem, want we missen uw hard...
Lot de mense mor chouwele en geloofd alleen uw trouwe Lowis...
*/
* * * * *