Geerten vernam een scharrelen aan de voordeur, een stommelen in den

gang, dan kwam, zwijmelend, met hangende haren en waterige oogen Trees

binnen-zwalken, liet zich neerkwakken, plomp-zwaar op een stoel, de

armen strak langs het lichaam, het hoofd loom-zwaar zakkend op de

borst ... 't Scheen of ze, dood-vermoeid, in eens overvallen werd door

looden slaap, of ze niet meer bij-machte was te beheerschen heur lijf,

dat zakkerig ineen-gedrongen, hing tegen de stoelleuning. Heur trekken

lijnden slap en uit den scheef-getrokken, halfopen mond kwijlde

schuim-speeksel ... Geerten beoogde haar met schamper-lachenden blik ...

"Ge zijt verdomd strontzat, Pruttige!" ... Na een wijle ... "En, is er

geen nieuws over 't geld?..." "Allez toe, verdomd, hangt het kieken niet

uit ... Hop!" ... Met ijzeren vuist omklemde hij haren arm, schudde heftig

het willooze, voddige lichaam ... Geerten was toornig ... Zijn gezicht

werd rood en zijn trekken nijdig-hard. Ruw, vatte hij zijn vrouw bij de

schouders, poogde ze te doen rechtstaan, gaf heur een dof-klinkenden

stomp in de zijde ... Lam-log zeeg 't slappe lijf terug op den stoel,

maar op den grond kletterden neer met helder metaalgeluid twee groote,

blanke vijffrankstukken die wegrolden onder tafel, wat waggelden,

eindelijk met helder kinken omvielen. Vlug bukkend raapte Geerten ze op

met grijp-grage hand ... Hier was geld!... geld!... Er was meer!... Er

moest meer zijn ... Zooveel was er nooit in huis, kon er niet in huis

zijn na drie dagen verlet van hem ... en Trees was al sedert acht dagen

niet meer gaan leuren ... De stinkende lompen onder de trap, bleven het

huis verpesten, werden niet verkocht.--Er was geld! meer geld!... Hij

trok den diepen zak, in 't smoezelige kleed van Trees, om ... vond nog

enkele frankstukken en smerige nikkeltjes, centen en een gedeukte wilde

kastanje ... Er was geld, meer geld! Vloekend en tierend, schudde hij

zijn vrouw, neep heur den neus toe dat haar borst uithijgde den zwaren

jeneverstank, sloeg met vlakke hand haar in 't gezicht, dat zijn ruwe

eeltvingers er hel-rood op afgeteekend stonden ... Dan liep hij naar de

waterkruik en 't oude middel gebruikend, pletste haar een geut in 't

gezicht, dat de vuile vette haarklissen ervan dropen en Trees,

proestend, de oogen opende ...

--"'t Geld! 't Geld! schreeuwde Geerten schor ... 't Geld van vader!"

Verwilderd staarde ze hem aan, poogde te spreken, kon geen woord over de

neerhangende lippen krijgen ... "'t Geld, 't Geld van mij!"

Trees stond nu recht, haalde de schouders op, knikte neen ...

Razend, met een hol-klinkenden vloek, gaf hij zijn wijf een stomp in

volle gelaat, dat het bloed haar uit neus en mond gulpte ... "'t Geld!...

't Geld!..." Heescher gilde hij, moeilijk doorslikkend het overvloedige

speeksel dat op zijn trillende lippen schuimde ... Rood-beloopen stonden

zijn oogen, ver uit hun kassen.--

Het onvoorziene geweld deed Trees tot bezinning komen, ontnuchterde

haar. Nu eerst verstond ze goed wat Geerten begeerde, en nà de

verwondering over de onverwachte, vroeger nooit ondervonden

mishandeling, had de schrik haar bevangen. Terwijl 't bloed in roode

vlekken stolde op heur vet-plekkige kleed, slofte ze schichtig bijna

door de kamer, tot bij het bed, kroop er half onder, pakte een oud

staalzakje van graan beet en zich oprichtend, overreikte het aan

Geerten, die met loerende oogen van wantrouwen gevolgd had elk harer

bewegingen ...

In 't flauwe gloren der lamp, schudde hij 't beursje ledig op de

tafel ... zijn oogen flikkerden, zijn dikke, gele handen scharrelden

koortsig met zwart-gerande nagels in 't geld ... tellend ... briefje voor

briefje--platstrijkend en beduimelend om zeker te zijn dat geen twee

bankjes aan elkaar kleefden ... Hij vergat Trees en Lowis ... en de heele

wereld ... er was geld ... geld ... wel vierhonderd frank ... Er moest méer

zijn ... ze had er veel van opgezopen ...

"Trees ... hoeveel hebt g' er afgenomen?... Met trillende stem bekende ze

vijffrank verteerd te hebben ... Er moest meer zijn, meer ... zei Geerten

weer, hardnekkig ...

Dan, na kort bedenken, brusk: Van wanneer hebt ge 't geld in huis?...

Toen vertelde ze met kort-uitgestooten woorden, nog bangelijk ...

"Met nieuwjaarnacht, wanneer ge weg waart, heb ik gezocht, overal ... en

in de lollepot van moeder zaliger ... heb ik ... in een toegeknoopten

rooien zakdoek van vader ... 't geld gevonden ..."

"Goed, antwoordde Geerten kort ... stak de bankjes en 't zilver terug in

grijze staalzakje, dat hij in zijn binnentasch borg ... en nu Salut!..."

Met groote stappen beende hij naar de deur, wilde weggaan ...

Schuchter, met tranen in de stem en wrang-vertrokken gelaat van bittere

ontgoocheling, smeek-vraagde Trees ...

"Gaat ge nu alles óp-doen, Geerten ...?"

"'t Gaat u niet aan, pruttige zatlap!" beet hij haar bruut terug.

"Laat ons de helft doen," riep ze nog met beef-stem, toen hij reeds in

de gang stond ... òf geef me wat voor 't huishouden" ...

Geertens zware, vierkante, krachtige gestalte verscheen terug in de

deur ...

--"Om op te zuipen zeker ... Niks verdomsche teef!... en smoel toe,

of!..."

Met forschen armzwaai en ballende vuist, deed hij een dreiggebaar ... "of

'k zal u raken!..." Trees kromp in-een van schrik ...

De straatdeur viel klakkend achter Geerten toe ...

Het heele huisje daverde van den schok ...

* * * * *

Geerten sprak met niemand over zijn onverwacht geluk, zelfs voor Lowis

bleef hij gesloten en over zijn plan een moteurbootje te koopen, repte

hij geen woord. Trees zou heuren mond wel houden, want elken dag

herhaalde hij als een bruut-kort bevel ... "Smoel toe, of ..."

Weer verscheen hij 's morgens heel vroeg reeds op de kaai, trachtte

zooveel klanten mogelijk te bedienen, was voorkomend en

minzaam-beleefd ... bezield met den vasten wil meer centen te verdienen,

hopend zich stil-aan een vaste klandizie te verwerven ... Met de andere

roeiers hield hij zich nu minder op. Sedert de nederlaag in de

worsteling met venijnigen Charel, was zijn populariteit afgesleten.

Tusschen Franske en hem kwam het stil-aan tot een breuk vooral na de

poets, die hij den jongen met Nieuwjaarnacht bij Lowis gespeeld had. De

veete tegen de motorbootjes verscherpte en nu ging er bijna geen dag

voorbij of er werd eenige schade aan de scheepjes toegebracht, vooral

aan dat van Rik Schampavie.

Nu Geerten er ernstig begon aan te denken zelf een motorken te koopen,

poogde hij zich bij Schampavie en zijn gezellen aan te sluiten ... 's

Avonds, in 't naar huis gaan, bezocht hij meermaals "het Fleschken",

trof er nu en dan den Rik en zijn maten aan, trakteerde soms met een

rondeken dikkoppen. Hij voelde zich nu bijna volmaakt-gelukkig, vooral

wanneer hij bijwijlen na 't avondeten, de hem op aanvraag toegezonden

catalogen met modellen van motorbootjes, zat te bestudeeren, heel

alleen, terwijl Trees de gedurende den dag gekochte lompen bij den

opkooper te gelde maakte ... 't Wijf mocht niets weten, ze zou heur tong

roeren, maar werken moest ze, werken iederen dag en de centen afgeven,

anders sloeg hij heur onbarmhartig ... Hoe lang zou 't nog wel duren eer

hij zijn moteurken aanschaffen kon?... 't Hoefijzer, dat hij tegen den

boeg van zijn roeibootje gespijkerd had, deed hem wel wat meer verdienen

en ook, 't weder was gunstiger dan in 't begin van den winter ... maar

rekenend en herrekenend vond hij dat er nog wel honderd frank

ontbraken ... Geen kleinigheid!... maar komen zouden ze er ... vast en

zeker!...

Kort nà nieuwjaar had hij Lowis eenen geel-satijnen met zwarten kant

bezetten onderrok, dien Käthe op zijn verzoek gekocht had, ten geschenke

gegeven. De plezante bazin had zich dan weer bizonder lief en

inschikkelijk getoond en verscheidene nachten achtereen had hij weer 't

groote geluk gesmaakt nevens zich te voelen haar verleidelijk-weeldrig

vleesch-lichaam, warm van onstuimigen lust. Maar nu slabbakte het weer

en Geerten vermoedde wel, dat Franskens jeugd het op hem steeds winnen

zou ...

Nu zijn wensch ging vervuld worden, wilde hij niet dat Lowis hem

heelemaal ontvallen zou en soms knaagde de jaloerschheid aan het

volle-heerlijke geluk, waarin hij waande te leven. Op een triestigen

regen-morgen, in Februari, stelde Rik Schampavie vast, dat zijn motor

niet meer werkte, wijl kwaadwilligen het schroefje stukgeslagen hadden.

Dan beschuldigde Geerten in 't geniept, Franske, en 't werd hem een

zoete victorie wanneer hij vernam hoe de Rik met zijn vrienden, zijn

medevrijer hadden afgerammeld.

Stil-aan was hij begonnen met Franske te haten, en uit wrok beklapte hij

hem bij Lowis, maakte hem verdacht bij de andere roeiers.

... o Die zouden staan kijken, wanneer Geerten, de Vijg, de Hoorndrager,

hen concurrentie zou aandoen met zijn motorbootje ... Duivelsche pret

lichtte in zijn blik wanneer hij daaraan peinsde.

Het geld, dat hij van Trees afperste en het zijne, scheen niet aan te

groeien: ze konden toch niet leven van den hemelschen dauw! Hij

probeerde nu zooveel mogelijk van de anderen te krijgen, liet zich

trakteeren waar hij maar kon en was innig-verrukt, wanneer Lowis hem 's

avonds met haar eten liet: dat was seffens een half brood gespaard, want

thuis had hij verboden nog toespijs te halen ...

Er ontbraken hem nog meer dan tachtig frank, en indien hij zijn oud

roeibootje nog voor dertig kon verkoopen was 't een buitenkansje.

Waar zou dat briefje van vijftig vandaan komen? Het geduld begon hem te

ontbreken, om te wachten tot hij de rest door bezuinigingen zou bijeen

gegaard hebben ...--

Klaarder en klaarder, al verzinnend, tikkelde in zijn geest òp, de

verlokkende gedachte, die som bij Lowis te stelen ... Een misdaad was dàt

zeker niet ... Aan de kaai robberden ze allemaal, de bazen net zoo goed

als de werklie ... en Lowis had heur geld ook niet eerlijk verdiend ...

Had hij zelf voor haar niet een rond sommeken door smokkelen gewonnen ...

Wat waren in vergelijking daarbij, de arme vijffrankskens die ze hem

betaalde?... niks! niemendál!... Allengskens dacht hij aan niets

anders meer ...

Zooveel hinderpalen waren uit den weg geruimd, met vurigen ijver had hij

nu alles bereid om zijn wenschen vervuld te zien en thans--om 'n arme

vijftig frank, zou hij een half jaar of langer nog tegen hongerloon

moeten zwoegen, eer zijn verlangen voldaan werd ... Verdòmd ... dàt mocht

niet gebeuren!...

Aan Lowis kòn hij dat geld in leen vragen, maar hij zou dan moeten

liegen en Geerten was bewust dat zij hem nog steeds genoeg beheerschte

om hem spoedig den worm uit den neus te halen en dat wilde hij niet ...

òf ... ze zou weigeren, en dan werd het eene onmogelijkheid de som daarna

weg te nemen ... 't Simpelst was nog in-eens te pakken, wat hij krijgen

kon ... Bij dit voornemen bleef hij ...

Wanneer hij nu in 't kabberdoesken aan de tafel tegen den toog zat,

loerde hij immer met begeerige blikken naar de lade, waar de ontvangen

munt met zilvrig-klinken, of doffen smak inviel ... Maar de bazin

verwijderde zich zelden, en gebeurde het soms dat ze nevens een klant

plaats nam, dan hield ze steeds het sleutelken van de op slot-gedraaide

schuif bij ... in haren diepen moederkenszak ... onder haren zijden

bovenrok verborgen ...

't Ving aan Geerten in 't end te vervelen en die wantrouwigheid der

rosse waardin kwetste hem ...

Veertien dagen voór vastenavond verwittigde Lowis hem, dat hij een

tonnetje Sherry van een Engelsch schip moest afhalen ... 't Valt mee, zei

ze ... morgen is 't nieuw-maan ... en er zijn vijf frank voor u bij ...

Toen kreeg Geerten een kostelijken inval, die zijn heele tronie

verhelderde en diepe lachrimpels over zijn bruin-verweerde kaken tot in

de grijzende stoppels van zijn ringbaard deed loopen: Hij zou 't volle

vat verlappen aan 'nen kroegbaas van de kaai en Lowis wijs maken, dat

hij den heelen boel in 't water had moeten werpen, daar hij bijna door

nachtwakers gesnapt werd!... Ze zou hem toch niet durven aanklagen of

ze was zelf bakvisch ... dat was jandòme een goeï lol!...

't Werd een dichte dreigende regennacht, met een zwaar-donker bewolkte

ster-looze lucht: over stad en stroom, één duisternis waarin als

versomberde ...

... Met forsch-breede streken, de riemen geruischloos scherend over de

opkammende baarkens, roeide Geerten terug naar de kade. Achter hem,

log-onbeweeglijk, plompte de zwarte romp van de stoomboot, waarin de

kleine lichtrondekens der kajuitspoortjes gelig glommen. Handig en rap

had een vertrouwd bootsman, het niet heel zware wijnvaatje, zeer

behoedzaam neergelaten in het vaartuigje, dat nu door de dalende en

stijgende waterwemeling heendreef ... Geerten zag vóór zich de stoomers

aan de kade, wier vele lantaarns hem tegenblonken: wit, rood en

purper ... Over den stroom rustte een zware stilte, waarin soms

ópklonken, duidelijk en klaar, de verre kettergeluiden van neerratelende

kraankettingen op een lossend schip ... Breede lichtstroomen vloeiden uit

booglampen aan den oever, doorboorden de ijle duisterte der ruimte,

dansten in krinkelend-uitwijdende vuurstrepen op de golvenwriemeling,

vervloten eindelijk lijze in de eeuwig klotsend-zingende deining ...

Behendig ontweek Geerten de te schelle klaarte, verbreedde zijn

riemslagen, poogde geruchtloos door de waterkabbeling heen te glijden,

voorzichtiger wordend naarmate hij de aanlegplaats naderde ... Nu hij

bijna voor eigen rekening smokkelde beving hem vrees. Hij liet zijn

sloepje drijven met den afvloeienden stroom mee, langsheen den steil uit

den vloed opsteigenden boord van eene postboot, zette zich overeind, de

beenen schraag op de achterste zitbank en flikkerde ... Zoo stuurde

Geerten heel gemakkelijk het vaartuigje tot tegen een ijzeren ladder,

waaraan hij het vastmeerde ... Dan klom hij, vlug-buigend en strekkend

armen en beenen, de sporten op, tot zijn hoofd boven den blauwen steen

uitstak, oogde gespannen-kijkend links en rechts, en, niemand bemerkend,

ging hij een dikke koord van twee haken voorzien, aan beide bodems van

het tonneken vasthechten, klauterde ijlings op de kade, trok voorzichtig

zijn vracht omhoog ... Sterk als hij was, viel de last hem niet zwaar,

doch algaande brak 't koude zweet hem uit. Hij was een oogenblik

beangst ...

Heel levendig beeldde hij zich in wat hij aan Lowis zou voorliegen: hij

zag den blinkenden helm van den agent juist opdagen terwijl hij het vat

omhoog heesch, voelde zich in gevaar, liet het touw los zoodat alles in

't water plofte en hij wegloopen kon ... Hij grinnikte in zich zelven,

toch verschrikt door de fel-scherpe voorstelling. Zonder verontrust te

worden geraakte hij met zijn tonneken, langs een achterpoortje, in 't

bordeeltje "Zum siebensten Himmel", waar de baas den Sherry kocht voor

vijf en zeventig franken ...

Geerts hart popelde van vreugde: nu zou hij zijn motorken kunnen koopen

en comptant betalen! Uit danige blijdschap gaf hij een rondeken bock aan

den baas en de drie bar-meiden, die tot diep in den nacht, achter de

even weggeschoven purperen gordijnen, te vergeefs de klanten hadden

verbeid ...

't Was bijna morgen wanneer Geerten bij Lowis aanklopte ... In haar witte

nachtpon, waarin weeldrig-rondde de molligheid harer vormen en de losse

borsten wibbelden, deed ze open ... Met schijnheilig-ontdane tronie

vertelde hij hoe, ongelukkig-genoeg, dat vervloekt vat was kwijt

gespeeld, en hoe het hem amper gelukt was te gaan reepen snijden. Een

moment bekeek Lowis hem stijl, werd dan boos over 't ondergane

verlies ... Heur mond trilde van ingehouden toorn terwijl Geerten

voortraasde, opgewonden door de ettelijke "bockskens", gedurig

terugkomend op 't geluk dat hij nog had te kunnen gaan vluchten ...

Bruusk-ruw in de gevallen stilte, zei Lowis hoonend en woedend: "Vijg!"

...

"Salut, tot morgen," antwoordde Geerten, niet-eens heel erg getroffen,

maar voelend hare verachting ...

* * * * *

De zotte dagen van dolle pret waren in 't land ... Zooals ieder jaar

zouden de "Ware Varensvrienden" den laatsten dag van vastenavond, in

groep uitgaan. Daarvoor spaarden ze sedert nieuwjaar in 't kasken, dat

bij Lowis in de herberg hing, tegen den muur tusschen een in vergulden

kader ingelijsten Red Star-boot en eene hoog-bont gekleurde reklaam van

Scotch Whisky.

De weinig talrijke leden, allemaal roeiers, kwamen tegen den drieën

samen hij de Plezante bazin om 't gespaarde geld te trekken. Ze hadden

een grooten platten natiewagen gehuurd met twee stoere, zwart-glimmende

gek-getooide paarden bespannen ... Op den wagen stond een versch

ontstoken gerstenton en een komfoorken met lange buis, waarop Käthe, bij

't doorrijden der stad, koeken zou bakken ...

Wanneer de Plezante Bazin-zelf, klaar was, kwam heel de groep al zingend

uit de herberg, nam op den wagen plaats ... Heel de buurt stond met

gapenden mond te kijken op het rare gedoe der maskeraden,

elkander-aanwijzend onder luid-proesten de mannen of vrouwen, die ze

herkenden ondanks hun gemaakte stemmen ... Lowis, breed en groot, had een

rose zijden, druk met roode linten versierd bébé-kleed aangetrokken,

zoodat onder 't kanten bezetsel heur mooi-gevormde in vleesch-kleurige

kousen gespannen kuiten, zichtbaar bleven ... Heur vlam-ros haar slierde

los over rug en schouders, en onder de breede kap met vrij wuivende,

zacht-roode binders, donkerde ernstig het zwarte masker met de gloeiende

oogen. Naast haar stond Geerten, in lang wit nachthemd; voor 't

aangezicht een doodskop, schel-geel bij 't smetlooze wit eener

fel-gepinde vrouwenslaapmuts ... Franske was er in clown, veelkleurig en

nauw-sluitend om zijn ranke lichaam en bij hem bevond zich Fientje in

fluweelen jongenscostuum, strak-passend om heur lenden en wel-gevulden

sierlijk-rondenden boezen. Heel de ploeg, ruige roeiers in ouw-wijven

met reuzige hangborsten, en dik geheupte vrouwen in mans-kostuums was

reeds op den wagen. Ze wachtten enkel nog op Käthe ... Venijnige Charel

in bloed-rooden torero uit Carmen, wipte terug binnen, bracht Käthe, in

goudbestikt Tyroler-meisje, mee buiten. Ze droeg een grooten pot met

hoog opgewerkten pannekoeksdeeg. Dan, met een forschen ruk der zich

schrap-zettende, paarden, bolde zwaar de wagen over de bobbelige

kasseide ...

Domien had zijn harmonica meegebracht, begon te spelen, ernstig, bijna

plechtig ... Heel de straat dreunde van 't uitgelaten jubelzingen ...

/*

... Wij zijn hier, wij zijn hier!...

Wij zijn de mannen van het schipperskwartier!...

*/

Hoog-gillende vrouwenstemmen en zwaarder mannengeluiden galmden door

elkaar, overschreeuwden de moeilijk volgende, zeur-zingende en hijgende

harmonica. Het ouwe Suske van Loock sloeg met den koterhaak op het

potdeksel ... Bij elken hotsebots over een hobbeligheid van den steenweg

werden ze door elkaar geschud ... Groepen dansende en zingende kinderen,

hand in hand, volgden hen ... Franske en Vernijnige Charel wierpen centen

te grabbel, die de knapen, malkaar stootend en stampend, trachtten te

bemachtigen, haarkenpluk doende wanneer milde werpers het geboden ...

Op de Meir, kuierde 't volk in dichte drommen over de gaanpaden, wijl de

stofferige confetti, geel en rood en blauw en wit, op de stemmig donkere

kleederen neerwirbelde en de lange veelkleurige linten der slingerende

serpentines met gracielijken zwaai, ál krinkelend, door de gouden

zonnigheid der lichte lucht flitsten en midden de menigte

neerdraaiden ...

... Hier begon de jool voor goed ...

Käthe bakte koeken, wiep ze handig in de hoogte, ving ze weer op, en

zingend en drinkend werden ze half-gaar en zonder suiker binnen

gesneukerd ... Soms door 't schokken van den wagen en 't danige dansen,

viel een koek op 't hoofd der mannen ... Dan gierden ze 't uit van dolle

pret, schreeuwden en schaterden wild en luid ... Welgemikte serpentines

omzwierden Lowis, die te midden der vreugde haast waardig troonde naast

zwelgenden Geerten. Ze voelde hoe de blikken der mannen rustten op heur

vollen boezem, die, wen ze met de anderen moest meespringen, vroolijk

opwipte ...

Haar nabij stond Franske, dien Fientje niet uit het oog verloor ... 't

Meisje bleef ernstig, zag jaloersch naar de flink-gedraaide kuiten en de

weeldrig-lokkende vleeschelijkheid van de rosse. De wagen doorkruiste

heel de rumoerige stad, van tijd tot tijd stilhoudend voor een groot

koffiehuis, waar de linksche roeiers zich op andere Zondagen aan

begaapten ... Daar maakten ze dan een helsch spektakel, renden tusschen

de wit-marmeren tafeltjes door, malkander bij de schouders

vasthoudend ... In de kroegjes waar ze aanlandden, dronken ze, en bralden

schunnige liedjes ... Wanneer de avond gevallen was, werd de wagen naar

huis gezonden. Arm in arm, de mannen reeds zwijmelend, slierden ze door

de straten, baldadig gillend uit heesche kelen ... Domien, met zijn

harmonica, liep met lamme slungelig-buigende beenen en vooroverhellend

lijf, vooróp, trok bij poozen een klagend-snerpenden toon uit zijn nauw

nog plooiend en rekkend speeltuig.

Geerten, verwarmd door den drank, opgehitst door de kittelende bekoring,

die van Lowis uitging, trachtte steeds heur arm te grijpen, wilde ze

ontrukken aan Franskens indringerigheid. Heel de ploeg ging van danszaal

tot danszaal, stil-aan afbrokkelend, wijl hier en daar, enkelen met

vrienden plakken bleven zoodat de joelende hoop staag verminderde ...

Rond middernacht waren ze nog met hun vieren: Geerten, soezerig-zeurend

in zijn bevuild en verfrommeld nachthemd--een bespottelijke dood onder

de half scheef-hangende pijpjesmuts--met 't pipsche Fientje, en Frans,

levendig opgewekt met rosse Lowis, wier lijf hij genot-vol beroerde

wanneer 't gedrang groot was ... Fientje, jaloersch, deed lief tegen

pappig-ongevoeligen Geerten, om heur vrijer te tergen ... Samen trokken

ze naar de Scala ... Geerten, wat suffend, moeilijk ademend langs den

reeds door bier-drinken en sigaren-rooken week-geworden mond van zijn

doodshoofd, liet zich meetroonen, betaalde voor Fientje.

In de groote druk-versierde danszaal, onder de van pijler tot pijler

kartelende arabische spitsbogen, hing een muf-zware grijze lucht

doortrokken van sigarensmook en bedwelmende wijngeuren, als een dichten

nevel omwasemend de duizenden lichtpeertjes, die in vurig-veelkleurige

festoenen langs de bogen slingerden.

Schetterend doordaverde schel-gemeene muziek de dronken-makende

atmosfeer, overschreeuwd door de rumoerende en tierende dansers ... De

hal dreunde van dubbelzinnig-liederlijke zangen stijgend uit heesche

strotten.

Een oogenblik stond Geerten verbijsterd, dan greep Fientje hem beet,

dwong hem mee te springen, want Franske en Lowis waren reeds in den

bak ... Hij bemerkte hoe zijn medevrijer een arm om de lenden der

plezante bazin legde, hij hoorde hoe zij, het zwaar-omlokte hoofd

achterover werpend, klokkend schaterde uit volle keel, wijl Franske heur

kittelde. Om hen wirrelden wriemelende koppels in wilde bacchanale,

elkander omstrengelend en zoenend met vollen mond ... Steeds dreunde de

muziek en lawaaiden de schorre stemmen ... Om de dansruimte stonden

heeren, die de vermomde vrouwkens vastpakten en lijk ballen naar elkaar

overwipten ... De saturnale vierde hooggetij tusschen de dooreenkrielende

verbeeste menigte.

Opeens, slaakte Fientje een kreet, trok heur geleider voort buiten het

gedrang, onder de galerijen waar prieeltjes in vuil-groen loover gebouwd

waren ten gerieve der champagnewijn zuipende wellustelingen.

--"Geert ... Geert ... ze zijn niet meer te zien ... Franske en de rosse."

Geerten verschrikte, kwam plots tot bezinning nu hij zich buiten den

steeds voortjachtenden dans bevond ... Zijn bloed kookte, klopte in zijn

slapen ... Fientje sleurde hem mee naar boven, waar ze zicht hadden op

heel de zaal ...

In den rook en de walgelijk riekende wijn-dampen, tusschen de

fluwijnig-blanke of blakend-verhitte gezichten der vuig-beluste

menschen, trachtten ze de vermisten op te sporen, doch nergens

bespeurden ze 't rose bébé-kleed van Lowis noch den spannenden

veelkleurigen clown van Franske ... De tranen stonden Fientje in de

oogen.

--"Ze zijn wellicht in de priëeltjes gekropen," sprak Geerten schor van

opwinding en jaloerschheid ...

Geerten Basse · 第 3 / 5 段