Dergelijke overgangen, al is het dan ook al niet meer met het werkelijk

opnieuw beginnen der paardentemming van beneden af, kan men

tegenwoordig ook nog waarnemen bij de Toengoezenstammen aan den Amoer;

als zij hun van ouds in gebruik zijnd huisdier, dat bij hen werkelijk

op ieder gebied dienst doet, het rendier, door verwoestende epidemieën

verliezen, dan gaan zij door den nood gedrongen tot paardenfokkerij

over, en worden zij „paarden-Toengoezen”. Onwillekeurig moet men

daarbij aan onze Europeesche oudste voorvaderen denken, voor wie juist

het rendier bij het allereerste begin van hun cultuur minstens éénmaal

als gewichtigst jachtdier een werkelijk beslissende rol heeft gespeeld,

doch die daarna de post-diluviale afwisseling van klimaat moesten

beleven, die met de Toendra, de mossteppe, ook dat rendier bijna uit

geheel westelijk en noordelijk Europa verdreef. Als men zich mocht

voorstellen, dat met het rendier misschien reeds door dergelijke

diluviale jagersstammen bij ons de eerste pogingen zijn in het werk

gesteld en proefnemingen zijn verricht, om huisdieren te kweeken, dan

zou men bijzonder goed begrijpen, hoe juist in het oude Europa later,

toen de toenemende hitte de aanwezige inheemsche rendieren onverwachts

wegrukte (misschien ook wel langs den indirecten weg van verwoestende

epidemieën), reeds in het grijs verleden zich een uitgebreid en

krachtig centrum van paardenfokkerij kon ontwikkelen uit de behoefte,

dit huisdier door een ander te vervangen.

Voor die noord-Aziatische jagersstammen van onze dagen is hun getemd

rendier bovenal onontbeerlijk als voertuig, hulpdier, transportdier bij

hun onafgebroken zwerversleven, dat bepaald wordt door klimaat en zorg

voor de voeding. Als men op de praehistorische teekeningen op de muren

der holen in Frankrijk de tenten ziet, die reeds in die dagen door de

jagers werden opgeslagen, blijkbaar bij hun jachttochten op mammouth en

wisent, dan begrijpt men, hoe vroeg reeds dat vraagstuk van het

transport een brandend vraagstuk moet zijn geworden. Hier echter is nu

weer interessant, dat bij die rendier-Mongolen het rendier van tijd tot

tijd ook reeds als rijdier werd gebruikt. In ieder geval is voor de

geheele paardenfokkerij in de binnen-Aziatische steppen de

mogelijkheid, dat ook het paard bereden kon worden, van oudsher een

gewichtige factor geweest. Weer schijnt zich daarin een behoefte af te

spiegelen, die door het landschap wordt bepaald: de oneindige

steppenvlakte, die onder bepaalde omstandigheden zoo snel mogelijk

moest worden doorkruist, mijl na mijl in taaie volharding. Hier was

niet de beslissende eisch, zooals bij het Europeesche ridderpaard, een

kolossaal paard, dat gemakkelijk het zware gewicht van den berijder kon

dragen; niet zooals bij het Assyrische strijd- en pronkpaard de

veerkrachtige, zenuwrijke bestormer op een bepaald oogenblik, die met

het lichte strijd- of jachtwagentje indrukwekkend op het doelwit

losstormde. Maar hier gold het den schijnbaar armzaligen, maar taaien

draver, die het ontzaglijk lang kon volhouden, een klein paard

behoorende bij kleine menschen zonder veel ballast, dat het echter met

dit al den ruiter mogelijk maakte, wat eertijds in de steppen der

tertiaire periode de kleine wereldveroveraars, de Hipparions, hadden

kunnen volbrengen: het doorkruisen van een ontzaglijk uitgebreid

werelddeel tot in andere werelddeelen. Met die taaie Mongoolsche

paarden is het mogelijk geweest, die ontzaglijke tochten te volbrengen,

waarbij Aziatische volkeren in vliegende vaart met een snelheid als van

den stormwind vlogen midden door de Europeesche cultuur, als had er een

inval plaats van potsierlijke monsters van een andere planeet. Voor mij

ligt over die ontzaglijke invallen historisch nog altijd iets

raadselachtigs, iets wat in hun innerlijk wezen voor ons nog niet

tastbaar is. Men heeft slechts één analogie daarvoor: de even vlugge

tochten van troepen van bepaalde vogels over een even groote

uitgestrektheid. Juist op dezelfde wijze als eertijds die Aziatische

ruiters, zoo zijn in onze dagen herhaaldelijk geheel onverwachts

millioenen exemplaren van het sierlijke zandkleurige steppenhoen, als

waren zij meegesleept door een niet te weerhouden natuurkracht, in een

rechte lijn uit de Centraal-Aziatische zoutsteppen tot bij ons naar

Europa gekomen; tallooze dieren hebben den dood gevonden door aan te

vliegen tegen onze telegraafdraden, andere zijn neergeschoten, geen

enkele is weer teruggekeerd. Het motief, dat die vogels bezielt, is

even onbegrijpelijk als dat der voortdurend in westelijke richting

jagende ruiters. De vogel had daarbij de hulp van zijn vleugels. Den

mensch zou het nooit mogelijk zijn geworden, als niet de ontwikkeling

voorafgegaan was van dien onvermoeid volhardenden ruimtebedwinger,

eenig in zijn soort, den paardevoet.

Juist dergelijke reuzenritten doen ons echter ook de werkelijke

mogelijkheid zien, hoe, in weerwil van zoo verschillende, ver van

elkander verwijderde, lokale temmingscentra vermengingen en invloeden

konden ontstaan, die men volgens de rustige hoofdrichting der

cultuurgeschiedenis nooit denkbaar geacht zou hebben. Men heeft er op

gewezen, dat in de antieke mythe der centauren, de mythe omtrent de

fabelachtige wezens met het benedenlichaam van een paard en het

bovenlichaam van een mensch, een herinnering kon steken aan zulk een

plotseling invallenden en weder verdwijnenden stormvloed van

vreemdsoortige barbaarsche ruiters, die vastgegroeid schenen aan hun

ruwe paardjes. Het is een zaak, die niet onwaarschijnlijk lijkt en

waarover moeilijk kan worden gestreden. Ik geloof echter, dat de

centauren (het woord wordt ook in de Indische mythologie

teruggevonden), veel te duidelijk behooren tot die wereld van algemeene

fantastische stileeringen en combinaties, waaruit tevens het

gevleugelde paard Pegasus, de vogel Grijp met de klauwen van een

zoogdier, de sirene met het lichaam van een meisje en de pooten van een

vogel, de veelkoppige helhond Cerberus en de stierkoppige Minotaurus

zijn ontsproten, en waarvan de centrale woonplaats naar alle

waarschijnlijkheid in Phoenicië en Babylon was gelegen. Waarom zou

juist het paardmensch berusten op een historische herinnering, die toch

geen sterveling zal te voorschijn roepen voor zijn makkers uit

dienzelfden hoek, de vischmenschen, vogelpaarden en stiermenschen?

Aan de centaurenhypothese zijn dan verdere vermoedens vastgeknoopt: dat

het plotselinge opduiken van zulke „verschrikkelijke ruiters” in de

westelijke landen het paard zou hebben omgeven met een „bijgeloovigen

schrik” (dit zijn de woorden van den onderzoeker der huisdieren Eduard

Hahn) en de oostersch-Europeesche cultuur van het paardrijden had

afgewend naar het eenzijdige gebruik van het paard uitsluitend als

trekdier vóór den wagen. Of ook omgekeerd, dat juist dergelijke

invallen der Aziatische steppenruiters het rijden eerst zelf verbreid

hadden tot diep in het westen. De laatste meening zou misschien nog het

best voor discussie vatbaar zijn, maar ten opzichte van het

oostersch-oudgrieksche cultuurgebied schijnt zij mij volkomen onjuist

toe. Het oostersche edele ros is, zooals ik reeds heb besproken, van

het begin af pronk- en luxepaard geweest, het dier der koningen en

edellieden, en niet, zooals bij de Tartaren, een noodzakelijk attribuut

in den moeilijken levensstrijd. Het kwam als luxedier veel meer uit

vóór den prachtigen wagen, en in den slag voerde het vóór den wagen den

aanzienlijken strijder mede, die gewoon was, steeds ten minste één

volgeling ter zijde te hebben, die dienst deed hem de speer aan te

reiken, het schild te dragen of op andere wijze hulp te bieden, als

ware deze op een kleinen burcht geplaatst. Men moet niet uit het oog

verliezen, hoe nog in de Ilias eigenlijk alleen heeren- en

koningsgevechten geschetst worden. Ik geloof niet, dat men hier een

zeker afgrijzen gehad heeft van het paardrijden als van iets

spookachtigs, maar dat een edele uit die dagen het veeleer zou hebben

beneden zich geacht als iets plebejisch; hij zou gezegd hebben, dat een

koning geen stapel koolen was, die men op den rug van een dier laadde.

De kunst van het rijden op dat edele paard is eerst na het verval van

het oude oosten ontwikkeld, toen het in handen viel van oostersche

tent- en woestijnbewoners—maar die ontwikkeling was toen dan ook een

bepaalde, door den aard van het land beheerschte ontwikkeling, die

volstrekt niet onder den invloed behoefde te staan van vreemde

factoren.

Men heeft nog een bijkomend resultaat der paardenfokkerij, en wel van

een blijkbaar zeer oude fokkerij uit die invallen der midden-Aziatische

steppenruiters willen verklaren: en wel het ontstaan van het muildier.

Het muildier, het prachtige product van een mannelijken ezel en van een

vrouwelijk paard, is ongetwijfeld ook reeds een oude en waardevolle

bezitting der cultuur. Als onze getemde ezel geheel of voornamelijk uit

Afrika is gekomen, dan is de kring, waarover hij verspreid was, in

beginsel gegeven. Hahn heeft nu geschetst, hoe bij volkeren, die

oorspronkelijk alleen ezels bezaten, zulke Tartaarsche ruitervolken het

land doorgevlogen zijn en paarden hebben achtergelaten. Het zouden

echter alleen merries geweest zijn, waarbij herinnerd wordt aan de

tegenwoordige gebruiken in Arabië en andere landen, steeds uitsluitend

merries als rijpaarden te gebruiken. Men zou vervolgens getracht

hebben, het paard in de ezellanden iets meer tot den ezel te doen

naderen, door het te kruisen met den reeds langer bekenden ezel, en

daar men alleen merries der paarden tot zijn beschikking had, werd het

muildier geschapen. Dat klinkt zeer fraai, maar stelt eigenlijk een

ingewikkelden roman in de plaats van een zaak, die men zich veel

gemakkelijker kan voorstellen, een algemeen feit, dat plaats heeft

zonder invallen van Tartaren. Waar men den ezel reeds voor goed had als

cultuurdier, maar met het temmen van inheemsche paarden eerst een begin

maakte, zooals bij voorbeeld in het oude Babylon, daar kwam iederen

keer weer die eerste tusschenregeering der paardenfokkerij in

aanmerking: het eenzijdige begin der proef met paardenmerries.

Onmiddellijk op dien aanvangstrap lag het toen reeds genoeg voor de

hand, dat tamme ezels de opgekweekte paardenmerries dekten. De overgang

zal gemakkelijker gemaakt zijn door dat, wat nog tegenwoordig bij het

fokken van alle muildieren een groote rol speelt. Men had een enkelen

keer veulens van jonge paarden alleen gevangen (zooals wij vroeger

omtrent Hagenbeck bespraken) en liet die, nu hun eigen moeders

ontbraken, door zoogende ezelinnen groot brengen. Het zoogen van jonge

paarden door ezels levert ook thans nog geen bijzondere moeite op, maar

heeft steeds een zeer bepaald resultaat: het zoo groot gebrachte

pleegkind heeft volstrekt geen afkeer van een liefdebond met het volk

zijner zoogmoeder. Als het paard niet door een ezelin is gezoogd,

schuwt, ten minste in den regel, de paardenmerrie den mannelijken ezel,

terwijl de laatste volstrekt niet kieskeurig is. Als nu oorspronkelijk

op die wijze toevallig een enkelen keer de ban was verbroken, en een

jong muildier gelukkig ter wereld kwam, zal waarschijnlijk in het begin

alleen reeds de merkwaardigheid der zaak de belangstelling hebben

opgewekt. Tot op onze dagen heeft alles, wat samenhangt met het

ontstaan van het muildier, voor het groote publiek iets geheimzinnigs

aan zich; daaraan knoopt zich alle mogelijke bijgeloof vast, dat een

enkelen keer zelfs heeft ingewerkt tot in de wetenschappelijke zoölogie

en haar opvattingen omtrent dergelijke bastaardvormingen. Later moet de

practijk op zich zelf echter spoedig het nut van dat „monster” hebben

aangetoond. Het muildier is een dier, dat alle goede eigenschappen

heeft van het karakter van den ezel, gebracht op de grootte en de

gestalte van het paard. Dit is het geheim van zijn succes. Hij is het

product van de poging, het paard zuiver op te vatten als een middel ter

verbetering van den ezel. Een enkele schakel van die poging zal zich

overal in de geschiedenis van het paard ingevoegd hebben, waar men den

ezel reeds had en van oudsher hoogschatte, maar waar men met het paard

nog eerst stond in het stadium der nog onzekere proefnemingen.

Zijn eigenlijken triomf heeft het muildier daarna gevierd als het dier,

dat „in den nevel zijn weg zoekt”, en wel in het hooggebergte. Daar is

hem bij zijn volle paardekracht en een zekeren paardemoed de smalle

hoef van den ezel te stade gekomen. Men kan zoo goed zien, wat het

begrip „monster” in de natuur eigenlijk beteekent: alles komt ten

slotte neer op de geschikte gelegenheid, dan wordt het monster een

genie. Uit een aardrijkskundig oogpunt heeft de mulus (mulus is het

Latijnsche woord voor muildier, hinnus dat voor den in ieder opzicht

minder belangrijken muilezel, waar dus de moeder een ezelin is),—en wel

voor een deel op grond van die speciale gave—ten slotte dat land

veroverd als het gewichtigste, in dat land wel het edelste cultuurdier,

dat in oude dagen reeds eenmaal het doel is geweest van een zoo grooten

inval van paarden: Zuid-Amerika. Zoo jaagt het noodlot steeds rusteloos

weder voort.

In ieder geval echter zullen die invallen uit de Aziatische steppe,

die, naar het schijnt uitsluitend plaats hadden met oostersche ruwe

paarden, hun deel hebben bijgedragen tot de belangrijkste gebeurtenis

der geheele latere geschiedenis van het paard: namelijk de

dooreenmenging van het algemeen oostersche met het specifiek westersche

foktype, terwijl gelijktijdig alle lokaal van elkander afwijkende door

fokken ontstane producten van het oostersche grondtype met elkander

werden vermengd. Men behoeft zich slechts een paar haltplaatsen te

herinneren in de ontwikkeling van de cultuur der oude wereld in de

laatste tweeduizend jaren, om te begrijpen, hoe noodzakelijk het was,

dat dit mengproces plaats had door de verplaatsingen der cultuurvolken,

in wier hand het paard was. De Romeinen doen een tijd lang het geheele

gebied van Engeland, Frankrijk en Zuid-Duitschland tot aan de oude

streken der beschaving van het oosten tot één enkele beschavingseenheid

samensmelten. De volksverhuizing drijft Germanen tot naar het

noordelijke deel van Afrika. Het wereldrijk der Arabieren maakt Spanje

tot een provincie van het oosten. Er wordt een eindeloos voortdurende

poging gedaan, om uit Duitschland en Italië, uit Duitschland en Spanje

een blijvende eenheid te vormen. Het westen dringt tijdens de

kruistochten in het oosten in, het oosten met de Turken in het westen.

Het wereldrijk der Engelschen, uitgaande hoog van den noordwestelijken

uithoek van het gebied, begint de verste zuidelijke kusten en

oostelijke landen te omvatten. Op al die tochten heen en weer, in alle

richtingen, trekt het paard echter mede. Twee fundamenteele resultaten

komen tegenwoordig voor Europa voor den dag met de werking van dit

proces.

Aan den éénen kant het meer naar voren dringen van het oostersche

paardentype in het algemeen ook binnen het oude gebied van het

westersche ras, dus ook naar West- en Noordduitschland. De zware

achterblijvers van dat westersche ras staan tegenwoordig overal waar

zij behouden zijn gebleven, meestal tusschen oostersch invalmateriaal,

zij zijn daardoor omringd en uit een geografisch oogpunt tot zelfs in

Engeland reeds lang omsloten. Hun eigen bloed is in de meerderheid der

gevallen reeds doortrokken met een scheut vreemd westersch bloed. In

ieder geval zal dat ras blijven voortduren, zoolang onze cultuur

reusachtige Engelsche brouwerspaarden en gemakzuchtige Fransche

postpaarden noodig heeft, zoolang de electrische tram nog niet geheel

den omnibus en de paardetram heeft verdrongen. Zoolang wij een

industrie hebben, waarvoor het paard als trekkracht ten minste op korte

afstanden nog steeds de goedkoopste machine vertegenwoordigt, zoolang

wij het paard Bayard nog als het ware kunnen gebruiken als den olifant

onzer noordelijke cultuur, al is het dan ook niet voor het dragen van

vier romantische helden.

Het tweede belangrijke feit is ten slotte het binnendringen ook van het

echte edele paard in de engere „oostersche” beteekenis, van het

„Arabische” paard, in onze Europeesche paardenwereld, en wel beslissend

in den meest noordwestelijken hoek. Het Babylonisch-Arabische edele

dier, dat toppunt der geheele paardencultuur, die bereikt is in den

oostelijken hoek van het gebied der Middellandsche zee en die duizenden

jaren is veredeld, heeft zich ongetwijfeld eerst langzaam in westelijke

richting in beweging gezet na den achteruitgang der Romeinsche

beschaving in het gebied der Middellandsche zee, te gelijk met het

opkomen van het nieuwe oostersche tijdperk der Arabieren zelf. Terwijl

de van ouds beroemde paardenlanden van de classieke oudheid, het

Russische oosten, den invloed daarvan in het geheel niet ondervonden,

en bij hun slechter, oostersch, oud type bleven volharden, marcheerde

het edele ros eerst op den noord-Afrikaanschen zoom der cultuur op

Europa af. Het is mogelijk, al is het dan ook niet bewezen, dat het

westelijk daar naar voren dringend het eerst is gestooten op een

afzonderlijk oostersch ras, dat reeds lang getemd was uit inheemsche

wilde paarden der noord-Afrikaansche kust, en daarmede kruisend, het

tegenwoordige Berber-ras heeft voortgebracht, dat het Arabische bloed

met een beslist vreemden trek heeft vermengd. Het heeft daarna, het

eerst te gelijk met de Arabieren, Europa betredend op den meest

onwaarschijnlijken uithoek, den zuidwestelijken, iets dergelijks gedaan

met een eveneens nationaal fokras in Spanje, en zoo het typische

Spaansche paard voortgebracht, dat daarna voor het eerst oostersch edel

bloed ten minste als toevoegsel van den tweeden graad in het verdere

beschaafde Europa (vooral in Oostenrijk) practisch heeft ingevoerd en

voor het eerst een Europeesch heerenpaard heeft geschapen, dat ten

minste eenigszins Arabische trekken vertoont. Toch bleek die geheele

weg slechts een halve en flauwe stoot voorwaarts, evenals het op nieuw

ontdekken van het centrum der echte edele paarden door de kruistochten

in het bijna verloren gegane oosten. Beslissend werd eerst sedert de

tweede helft der zeventiende eeuw het bewuste en voortaan steeds meer

systematische ingrijpen en doortasten van de meest noordwestelijk

gelegen Europeesche cultuurnatie, de Engelschen. Dat tijdvak stelt het

grootste moment vast der geheele geschiedenis van het paard sedert het

begin der oud-oostersche cultuur van het edele paard, en tevens het

meest belangrijke moderne moment. Het betrof dezen keer niet een

toevallige strooming der volksbeweging van oost naar west, maar het

gold een bewust invoeren van iets wat op verre afstanden veroverd was,

door een volk, dat een internationaal oog ontwikkelde, dat reikte over

de geheele aarde met een slimme keuze van datgene, wat te huis het

grootst mogelijke nut zou kunnen opleveren. De Engelschman haalde het

beste en edelste Arabische materiaal naar zijn vaderland, zooals men

dieren haalt voor een zoölogischen tuin, vermengde dat met een kleinen

scheut inheemsch, Europeesch bloed, als het ware voor inwendig

acclimatiseeren, en schiep als practisch zoöloog dat Engelsche slag van

het oorspronkelijk Arabische ras, dat men met volle recht den

veredelden Arabier zou kunnen noemen: het Engelsche volbloed-paard, den

koning der renpaarden en het nieuwe ideale type der geheele

Europeesche, ja zelfs internationale paardenfokkerij.

Op nieuw keerde men nu terug tot de opvatting, die het oude oosten

reeds eenmaal had bezeten en practisch had bevestigd: dat dit type,

zooals dit in hoofdkenmerken door het Arabische paard werd uitgedrukt,

ook voor onze Europeesche cultuur het gegeven heeren- en sportpaard

was, het aesthetische paard in tegenstelling met het zware werkdier,

het karrepaard. Als men een oostersch ras wilde, dan moest het dit

zijn. Zoo is in navolging van het Engelsche paard, al is het dan niet

tot een zoo hyper-aristocratisch uiterste, of liever gezegd met een zoo

hyper-sportdoel—het Duitsche edelste paard, de Trakehner, met dergelijk

vreemd, doch specifiek edel bloed ingeënt, tot zijn tegenwoordigen

evenzeer wereldberoemden glans gekomen. Ook het Hongaarsche paard is

zoo veredeld, en welke geliefde soorten er nog meer zijn.

Wat oorspronkelijk in den rijkdom der plaatsen, waar het oostersche

type oorspronkelijk gekweekt werd, naar onze opvatting niet het geval

is geweest, dat is tegenwoordig, dank zij die latere bewuste handeling

der cultuur, werkelijk een feit geworden: alle systematisch

uitgeoefende en op een hoog doel gerichte Europeesche paardenfokkerij

staat voor haar oostersch gebouwd type zonder eenigen twijfel onder den

invloed van het oud-oostersche edele paard in de engere beteekenis, het

Arabische paard. Als men van de menschheid niets wist, dan die laatste

handelingen, waarbij zij zich het paard toegeëigend had, dan zou men

daaruit met zekerheid de gevolgtrekking kunnen maken, hoezeer zich het

bewustzijn harer beschaving, die individualiteit van haar cultuur als

geheel, langzamerhand hoe langer hoe meer tot een organisch geheel

heeft afgesloten. Wat eertijds meer of minder blind onderworpen was aan

een heen- en weerstroomen van politieke machtsverhoudingen en

volksverhuizingen, dat valt tegenwoordig binnen het gebied van het

bewuste experiment, dat ten doel heeft de wijze van ontwikkeling en

vooruitgang te leeren kennen onafhankelijk van alle geografische

grenzen, of grenzen, die in ieder geval alleen in zóóverre in rekening

komen, als bij voorbeeld het Arabische paard uit zijn oostersch milieu

in het noorden eenig noordelijk bloed, met overleg toegemeten, moest

verkrijgen als basis ter acclimatiseering.

Terwijl die triomf van het edele paard werd voorbereid, waren volkomen

ongemerkt de werkelijke oorspronkelijke wilde paarden ook in Europa

voor goed uitgestorven. De laatste exemplaren schijnen nog op Sardinië

te hebben geleefd. Slechts hier en daar komt in de tegenwoordige

getemde rassen nog weer eens een wilde troep tastbaar voor den dag, die

herinnert aan de verdwenen rassen. Zoo duiken onder onze ponyachtige

paarden (die over het algemeen volstrekt niet uitsluitend tot één type

behooren) van tijd tot tijd nog bijna echte Przewalskipaarden op, juist

met verschillende kenmerken van de Mongoolsche wilde vormen, die

tegenwoordig nog in de woestijn van Gobi leven. De dichter Gerhart

Hauptmann bezat voor eenigen tijd een dergelijken pony, die nog met

zijn woestijngele Isabellakleur en zijn pikzwarte kousen steeds op de

meest bedriegelijke wijze deed denken aan den Przewalskihengst van den

Berlijnschen dierentuin. Zelfs de merkwaardige streep op den rug komt

nog bij noordelijke cultuurpaarden voor. In het algemeen zal men bij

alle in het oog loopend kleine rassen meer aan de wilde paarden worden

herinnerd. Zij handhaven nog steeds trekken van de oorspronkelijke

schepping van het paard, terwijl de reuzenvormen onder de paarden,

onverschillig uit welken stam zij afkomstig zijn, absoluut zeker steeds

het resultaat van menschelijke inmenging zijn.

Het paard · 第 15 / 16 段