Schaffhausen af tot aan Babylon en zelfs tot de Chineesche woestijn
Gobi, dan lag het waarlijk wel voor de hand, dat hij als werkelijke
oorspronkelijke vorm gestaan heeft achter het geheele cultuurpaard—hij
en geen ander, waar wij ons ook willen denken, dat bij het paard de
symbiose der cultuur begint, hetzij in Europa, of in het centrum van
het oosten der oude beschaving of nog verder tot China terug. Aan den
anderen kant is het, als dit oorspronkelijke wilde paard eens
gelijktijdig ter beschikking gestaan heeft op een zoo ontzaglijk gebied
der aarde, even waarschijnlijk, dat juist daarom de temming niet alleen
op één plaats en alleen bij één volk van dit uitgestrekte gebied heeft
plaats gehad. Het zou kunnen zijn, al is het dan ook op grond van
eenzelfden grondvorm, dat de temming onafhankelijk op verschillende
plaatsen is gevolgd: in het oude Europa zoowel als bij voorbeeld in den
lichtkring der oudste Babylonische cultuur.
Doch in geen geval zou men zich hierbij mogen voorstellen, dat een
diersoort, die zich uitstrekte van den Rijn tot de grenzen van China,
niet reeds in wilden toestand gesplitst zou zijn in verschillende
plaatselijke variëteiten. Immers wij zien tegenwoordig, hoe op dat
kleine Chineesche gedeelte twee van die variëteiten van het
Przewalskipaard met elkander afwisselen. Evenals de Onagers, Kiangs,
Dziggetais bij de tegenwoordige wilde ezels, zoo zullen ook onder die
oude Przewalskipaarden talrijke en afzonderlijke vormen zijn
voorgekomen, die in beginsel wel allen Przewalskipaarden waren, maar
toch in bijzonderheden van elkander afweken. En uit zoodanige
verschillende locale rassen zoude nu ook bij dat temmen op
verschillende plaatsen uit den aard der zaak het materiaal moeten zijn
geput. En dat verklaart ons weer, hoe van het begin af ook in die
gefokte rassen, in weerwil van hun aanknooping aan een in hoofdzaken
gelijk soort van wilde paarden, locale verschillen zijn te voorschijn
getreden.
Het heeft reeds sedert langen tijd de aandacht getrokken van allen, die
een diepe studie gemaakt hebben van onze tamme paardenrassen, dat
daarin blijkbaar bepaalde anatomische tegenstellingen steken. Men
behoeft dit nu wel niet te overdrijven, en daaruit zes of acht scherp
gescheiden typen van skelet af te zonderen. Maar men kan het niet
ontgaan, bepaalde verschillen of tegenstellingen te zien, die wijzen op
het eene of andere diepe geheim bij het ontstaan.
Juist in de hoogste voltooiing, die onze moderne paardenfokkerij heeft
bereikt, komt een dergelijke tegenstelling aan het licht. Van oudsher
is in de noordelijke, middelste, westelijke gedeelten van Europa een
andere soort van paarden gefokt dan in het oosten. Hier lompe, zware
dieren met een grof beenderenstelsel en reusachtigen groven en meestal
opgevuld gewelfden neus. Daarginds een fijne, zenuwrijke soort met
korten, sierlijken neus, waarvan het rechte profiel met zijn lichte
uitholling de schoonste lijn voortbrengt, op stevige, maar toch ook
sierlijke ledematen. Om ze in hun wezen goed te onderscheiden, zou men
die twee grondvormen kunnen definieeren als het karrepaard en het
luxepaard, het paard, dat onder alle zweepslagen zijn phlegma behoudt,
en het paard, welks vuur met moeite wordt bedwongen, het leelijke, maar
brave werkpaard en het edele ros, dat voor den mensch als aesthetisch
dier hooge beteekenis heeft gekregen, het paard met spierkracht voor
den arbeid en het paard met een hoog ontwikkeld zenuwstelsel. In die
beide soorten schijnen twee verschillende vormen van landschap en van
een cultuur, die zich aan elk dier landschappen aansluit, naar voren te
komen. De ééne soort doet zich voor als het paard uit een ruw,
onvruchtbaar land, waar een langzaam zich naar boven werkende cultuur
met geringe middelen een ontzaglijken, taaien arbeid tegen haar zin had
te verrichten. Onwillekeurig moet men denken aan een landschap in het
noorden, waar de regen neerstroomt, en waar een zoodanig zwaar en lomp
paard zich, met modder en vuil bedekt, en hijgend voor een zwaar
beladen wagen door de natte klei heenwerkt, waarin de raderen ieder
oogenblik dreigen in te zakken. Bij dat andere paard ziet men de vrije
vlakte vóór zich, met een schitterenden sterrenhemel boven zich, en
luchtige tenten: de vlakte, waarover lichte, gespierde ruiters met hun
fladderende kleeren heenvliegen, die als het ware met hun paard
samengegroeid schijnen, in plaats van boerenknechts, die met de zweep
in de hand scheldend achter het paard aanloopen; men vermoedt daarin
het luxepaard, dat gevierd en bewonderd wordt, welks naam zich
voortplant als dat van een held en dat door de dichters van het volk
wordt bezongen.
Karrepaard en Arabisch paard! Ongetwijfeld steken in die tegenstelling
werkelijk historische lotgevallen van ver van elkander verwijderde
centra der beschaving. Het westersche paard, zooals men de zware,
dikneuzige soort heeft genoemd, is lang het beslissende product geweest
van de behoeften der eigen Europeesche cultuur. Het was het paard der
Noormannen, het typische paard, dat thuis behoorde over de geheele
Noordzee-kust; maar ook het bergpaard uit Stiermarken en Tirol, het
oud-Fransche en het oud-Engelsche paard. Van werkpaard van den
landbouwer tot oorlogspaard gemaakt, is dat zware dier het typische
ridderpaard geworden, ook als rijpaard hier bovenal een paard, dat een
zwaren last op den rug kan dragen, dat ruiter met wapenrusting en
harnas kan voortsleepen en zelf bovendien nog een harnas droeg als een
soort van kunstmatigen rhinoceros der cultuur. Dat is het oorlogsros,
dat door de sage vergroot is tot het ontzagwekkende paard Bayard, op
welks rug alle vier Heemskinderen te gelijk op avonturen uittrekken,
het godenpaard van Wotan, dat men gaarne een hoef meer zou hebben
toegedicht, om den grootst mogelijken last te dragen, waarbij de
fantasie onwillekeurig weer terugkeerde tot de werkelijke oude
natuurlijke wegen der neushoorns en Anchitheriën. Tot op zekere hoogte
leeft dat oude bloed nog in al onze koude soorten, in al onze
voortdurend ook door de moderne arbeidscultuur verder verlangde trek-
en sleeppaarden. Het zuiverst is dat bloed misschien nog in het paard
uit Tirol en Stiermarken, en in het Pinzgauerras, en betrekkelijk
zuiver in de zware Belgische paarden, de Percherons, de
Noord-Sleeswijksche „Deensche” paarden, en ook ten slotte als oud
reuzenbloed in de reuzen der Engelsche karrepaarden. Geen van die
levende rassen is immers tegenwoordig meer zonder gemengd bloed,
sommige zelfs zóó, dat juist het gezicht niet meer met het
oorspronkelijke overeenkomt. Maar toch is de oude inleg ongetwijfeld
nog overheerschend.
Omgekeerd steekt in het echt „oostersche paard”, waarbij wij
tegenwoordig in zijn eigenlijke woonplaats aan het „Arabische paard”
denken, het oorspronkelijke oude cultuurpaard der geheele edele
oostersche cultuur van Babylon af. Het begrip „Arabisch paard” is
daarbij uit een historisch oogpunt veel te eng, daar toch ten slotte
tegenwoordig de edele paarden van dat type volstrekt niet uit Arabië
afkomstig zijn. Op de oude Assyrische beeldhouwwerken zien wij reeds
onmiskenbaar het schoone paard met het „droge gezicht”, een ras, zóó
voornaam, dat men kan zeggen, dat het Arabische paard eigenlijk reeds
toen, en dus reeds zeer vroeg, in zijn geheelen aanleg gereed was.
Als het voorname, edele dier treedt het paard hier de geschiedenis
binnen in tegenstelling met de werkdieren, ook uit dat oosten
afkomstig, den ezel, het rund, den kameel. Het paard is de geleider
naar de groote gebeurtenissen in het menschelijke leven: de feesten, de
jacht, het gevecht. Duidelijk blijkt het, dat ook bij het paard in de
opleiding tot de cultuur een lange periode is voorafgegaan, waar het
niet zoozeer de rol van rijpaard vervulde, waar het evenals thans reeds
den wagen trok, maar het trok toen niet den langzaam voortgaanden,
krakenden wagen, maar trok den zwevend lichten strijdwagen achter zich
voort of den sierlijken luxewagen. In dien vorm komt het paard nog voor
in de cultuurperiode, die in de Homerische gezangen wordt geschetst.
In landen, waar het paard nooit zelf getemd was, maar eerst van buiten
als edelpaard werd ingevoerd, zooals dit ongetwijfeld in het oude
Egypte het geval is geweest, heeft men nog in versterkte mate den
indruk, dat het langen tijd een zuiver luxedier is geweest, een
kostbaar bezit der koningen en grooten in het land, waaraan de mindere
man hun grootheid en macht kon herkennen. Misschien ligt juist in die
oorspronkelijke hooge waarde van het paard als oostersch edelras de
reden van den merkwaardigen tegenzin tegen het eten van paardevleesch,
die reeds door de geheele oudheid heen uit het oosten afkomstig is. Wel
leest men, dat het verbod van het gebruik van paardevleesch eerst een
voortbrengsel is van het Christendom, dat optrad tegen heidensche
offermalen. Dit mag plaatselijk het geval geweest zijn, maar dan gold
het alleen noordelijke volksstammen, met wie de wereld van de
Middellandsche zee en het oosten voor het eerst in den vorm van het
Christendom in aanraking kwam. De afkeer tegen paardevleesch is echter
heel wat ouder dan het geheele Christendom.
Hoeveel kringen van beschaving en hoeveel volkeren sedert die dagen der
Assyrische paardenteekenaars over het oosten zijn heengetrokken, den
wondervollen schat van zijn edel paard heeft hij zich nooit meer laten
ontrukken, nooit meer laten begraven onder den zandstorm der
geschiedenis. In al de dertig eeuwen tot den tegenwoordigen tijd is
daar blijkbaar voortdurend verder gefokt aan het hoogste en edelste
type der oostersche paarden, en is dat type voortdurend verbeterd,
totdat het ideaal van het tegenwoordige Arabische paard is bereikt.
Toen de westersche beschaving later het engere oosten weer op nieuw
„ontdekte” op den weg harer eigen verdere ontwikkeling, kwam dit
product van de liefde van meerdere duizenden jaren haar niet te gemoet
als een oude bouwval, versleten en waardeloos als een oude munt, maar
juist in stralende schoonheid te midden van zooveel vervallen
grootheid.
Het is nu in hooge mate interessant, dat men nog tegenwoordig kan
aantoonen, hoe naar alle waarschijnlijkheid juist in die beide uiterste
afzonderlijke fokkerijen, de zware oud-Europeesche en de edele
oostersche, in beide gevallen reeds oorspronkelijk verschillende
afzonderlijke rassen van het gebruikte oorspronkelijke wilde paard zelf
hebben ingewerkt.
In het westersche, ramneuzige, zware en lompe ras steekt ongetwijfeld
nog steeds het bloed dier lompe, oud-Europeesche wilde paarden met
lange schedels en dikke neuzen, waarvan het beeld ons bewaard is
gebleven in de praehistorische teekeningen in de holen. Met absolute
duidelijkheid sluiten hier ook de diluviale beenderenoverblijfselen nog
aan de skeletten der meest typische rassen van onzen tijd aan.
Omgekeerd bestaat bij het volkomen tegengestelde uiteinde der lijn,
waar het oude oostersche edele ros geplaatst is, een in ieder geval
zeer groote waarschijnlijkheid, dat daarbij reeds van het begin af
gebruik is gemaakt van een meer sierlijk, wild Przewalskipaard met
fijner profiel en „droger gezicht”. De voortreffelijke onderzoeker der
huisdieren, Konrad Keller uit Zürich, heeft bij zijn beschrijving der
zooeven vermelde Assyrische voorstelling van een jacht op wilde
paarden, er het eerst de aandacht op gevestigd, dat de overigens niet
te miskennen Przewalskipaarden van die teekening toch ook reeds zeer in
het oog vallende koppen van Arabische paarden in den veredelden zin
vertoonen. Het jachttooneel is zóó uitnemend karakteristiek
weergegeven, dat de gedachte nauwelijks geloofwaardig schijnt, dat de
kunstenaar hier het wilde dier reeds heeft gestileerd naar het
aanwezige tamme ras. In ieder opzicht ligt het meer voor de hand, dat
in die dagen in het gebied van den Euphraat nog een wild ras
ronddoolde, dat reeds een meer concaaf profiel en andere kleine trekken
der Arabische paarden medebracht. Doch dan ligt weer voor de hand, dat
dit wilde ras ook van het begin af zelf het materiaal heeft geleverd
voor dat oud-oostersche cultuurpaard, dat tot op onzen tijd in het
Arabische dier voortleeft.
Ik geloof echter tevens, dat ook de temming uit die beide
oorspronkelijke varianten, de lompe met den langen schedel en die met
het fijnere gelaat, niet uitsluitend beperkt mag worden gedacht tot een
nauw begrensd gebied en tot één enkele historische daad. Ten minste,
wat de oorspronkelijk oostersche variante betreft, kan ik mij de zaken
niet anders verklaren, dan dat zij behalve in Babylon, waar zij
speciaal in den edelen „Arabischen” vorm is overgegaan, ook nog op de
meest verschillende andere plaatsen het uitgangspunt is geweest van
zelfstandige temmingen. Niet echte Arabische paarden, maar wel
cultuurpaarden, die wat hun schedelbouw en hun geheele houding betreft,
onmiskenbaar aansloten aan het oostersche ras, zijn onweerlegbaar reeds
van oudsher verspreid geweest over een onmetelijk gebied der oude
wereld. Als oude grondvorm gaan zij door het ras der Europeesche landen
aan het oostelijke gedeelte der Middellandsche zee en van het geheele
reuzengebied van den Caucasus tot Hongarije en Rusland. Zij beheerschen
China en Indië en kunnen nog vervolgd worden tot in de ponyvormen op
Java en in Japan.
Men zou een oogenblik geneigd zijn te meenen, dat dit alles ook reeds
van oudere tijden af kan worden teruggevoerd uitsluitend tot den
invloed van het groote cultuurcentrum in dien engeren oosterschen hoek,
dus ten slotte van uit Babylon. Naast dat zelfstandige
noord-Europeesche „karrepaardcentrum” zou dan ten minste voor die
geheele lijn Viktor Hehns lievelingshypothese juist zijn van een
werkelijk één geheel vormenden oosterschen inval voor elk ander
cultuurgebied van het paard in de oude wereld. Voor een bepaalde
hemelstreek zou dit juist kunnen zijn, en wel voor alles, wat van
cultuurrassen over het gebied der Roode Zee historisch naar Afrika is
binnengedrongen. Het oude Egypte uit den cultuurtijd heeft, zooals wij
reeds verhaalden, zijn tam paard naar alle waarschijnlijkheid eerst
laat en reeds als gereed cultuurras van het Aziatische beschaafde
oosten weggenomen, en wel werkelijk het reeds meer of minder ver
gevorderde Babylonische edele paard, den lateren „Arabier”. Oost-Afrika
heeft het dan ook niet verder gebracht dan het fokken dier Arabische
paarden. In het Somaligebied, dat uit een natuurhistorisch oogpunt zoo
interessant is, waar de oude wilde ezel samenkomt met het
onafhankelijke Afrikaansche wilde paard, den zebra, is het tamme paard
uitsluitend binnengetreden als het iets grovere Arabische paard, dat
ontslagen was uit de onvermengde fokkerij. Nog in onze dagen noemen de
Somali- en Gallastammen het met het Arabische woord „faras”, terwijl
zij het woord huispaard in hun taal niet kennen. En zoo is het ook
verder naar Zuid-Afrika toe.
Dit is echter uit een historisch oogpunt beschouwd uitzondering, geen
regel. Voor alle overige reusachtige Europeesche en Aziatische streken
hebben wij daarentegen geen enkelen steun voor de meening, dat zij hun
oude paarden met hun oostersche trekken eerst zouden hebben verkregen
langs den omweg van het fokken van Arabische paarden. Hoe oud de inval
wel zou moeten zijn, blijkt het duidelijkst uit het feit, dat reeds in
de latere Zwitsersche paalwoningen paardenbeenderen voorkomen, die
hiertoe behooren en niet tot het noordelijke paard met zijn langen kop.
Wij kunnen de paalwoningen uit die periode terugbrengen tot het bronzen
tijdperk. Het is echter absoluut niet te begrijpen, waarom die
Zwitsersche cultuur uit het bronzen tijdperk haar huispaard zou hebben
ingevoerd uit ontzettend ver afgelegen landen, terwijl toch in de
onmiddellijke nabijheid in hun eigen werelddeel paarden werden getemd,
en wel die westersche dikneuzige paarden, die nooit in het oosten zijn
gekomen. Het ligt toch veel meer voor de hand, dat die „oostersche”
variëteit van het oorspronkelijke wilde paard, waaruit in Babylon het
oostersche edele ros is ontstaan, in die dagen veel verder verbreid
was, en naast de andere, de meer plompe variant, evenzeer tot in Europa
voorkwam. Zij loste dan ook in Europa reeds vroeg op in daar
onafhankelijk getemde cultuurrassen, die daardoor van het begin af een
zeker „oostersch” type verkregen, zonder toch in oudere dagen ergens in
dat gebied op te klimmen tot een hoogte, die maar eenigszins kan
vergeleken worden met het edele dier der echt oostersche cultuur. Men
zou zich kunnen voorstellen, dat de locale behoefte een rol gespeeld
heeft bij de beslissing, welk Europeesch wild ras van de twee de
voorkeur zou hebben: in het noorden en westen over het algemeen meer de
plompe, zware vorm, in het gebied der Middellandsche zee tot in het
gebied der genoemde paalwoningen en in het zuid-oosten, meer de lichte,
fijne vorm. Ook is het wel mogelijk, dat reeds de geografische
verbreiding dier Europeesche wilde paarden te gemoet kwam aan die
behoefte, die men zich afhankelijk zou voorstellen van het locale
milieu, en die als het ware reeds van nature met het landschap in
overeenstemming is. Het komt mij voor, dat er een aantal gronden voor
spreken, dat het zware, diluviale wilde paard met zijn langen kop
oorspronkelijk meer de geografische vorm geweest is van die gedeelten
van Europa, die uitzien op den Atlantischen oceaan en de Noord- en
Oostzee, terwijl de fijnere vorm steeds bleef in de richting der
Middellandsche zee, ten zuiden van de Alpen en Karpathen bleef en door
middel van Zuid-Rusland te gelijk aansloot aan de steppe van
Centraal-Azië en aan het oostersche verbreidingsgebied. De
Atlantisch-noordelijke variant, die in die beteekenis meer het wilde
paard zou geweest zijn der steppe, die vrijkwam na de
gletschervormingen der ijsperiode, zou zich omgekeerd veel noordelijker
tot Azië hebben voortgezet, en wel door Siberië, en ten slotte ook tot
in de nabijheid van het overlevende Przewalskipaard. De beenderen der
diluviale wilde paarden, die men hoog in het noordelijke Siberië vindt,
komen ook daarmede overeen,—zij zijn absoluut niet „op oostersche”
leest geschoeid. De tegenwoordige Przewalskipaarden der woestijn van
Gobi zouden echter juist daar behouden zijn gebleven, waar aan de
uiterste oostersche plek de beide geografische gordels elkander
raakten. Op dit geheele onmetelijke dubbelgebied zouden wij historisch
de mogelijkheid hebben van onafhankelijke temmingscentra, die naar
gelang van hun ligging ten opzichte der groote scheidingslijn
„westersche” of „oostersche” gefokte rassen voortbrachten. Dat daarbij
zulke westersche paarden in hoofdzaak alleen in het werkelijke westen,
namelijk aan den Europeeschen westhoek van het bovenste gebied blijvend
schenen gefokt te zijn, terwijl over den geheelen anderen gordel van de
Middellandsche zee tot in China overal oostersche fokdieren van oudsher
verspreid zijn, kan voldoende verklaard worden uit het overwicht der
menschelijke cultuur in dien zuidelijken gordel tegenover het
Aziatisch-Europeesche noorden, dat het uitsluitend aan den westhoek in
noordelijk Europa gebracht heeft tot een groot, werkelijk autochthoon
cultuurcentrum. Het moet hierbij een volkomen open vraagstuk blijven,
hoeveel verschillende temmingscentra op dien rijken zuidelijken gordel
hebben kunnen liggen. Of bij voorbeeld het geheele Europeesche gebied
der Middellandsche zee oorspronkelijk het fijnere ras uit één en
dezelfde bron heeft betrokken, is een vraag, die bijna even ingewikkeld
is als de vraag omtrent de eenheid van oorsprong der geheele cultuur
der Middellandsche zee van de alleroudste tijden af, een vraagstuk,
waarbij tegenwoordig alles in beweging en beroering is. Reeds in de
antieke literatuur uit den tijd der Homerische gezangen heeft de
noordoosthoek van het gebied in de nabijheid van Thracië steeds een
groote rol gespeeld als van ouds beroemde kweekplaats voor de
paardenfokkerij, dus op karakteristieke wijze niet de eigenlijk
oostersche hoek, die naar Babylon wijst, maar de aanrakingsplaats met
den onafzienbaren horizon der Zuid-Russische steppe, die zeker een oud
eldorado van den eersten rang was voor de oude wilde paarden. Als in
den twijfelachtigen Russischen Tarpan werkelijk nog een overblijfsel
aanwezig was van het oude oorspronkelijke wilde bloed tot op onze
dagen, dan zou dat nog een nagalm geweest zijn van die plaats, die voor
de geschiedenis van het paard der cultuur van de Middellandsche Zee in
eenig opzicht van belang was: de schedel van den Tarpan wordt
beschreven als oostersch, maar met westersche bijmengsels; juist die
vermenging wijst echter niet op echt wild bloed in dat dier, maar op
het feit, dat wij hier te doen hebben met een weer verwilderd
cultuurpaard van een reeds ver gevorderde latere kruising van het ras.
Zeker zal het oude China een oud middelpunt voor het temmen en fokken
gevormd hebben, dat in geen verband stond met het westelijke. Voor
zoover mij bekend is, is het Chineesche cultuurpaard van oudsher een
oostersch ras, waarvan echter in weerwil der overoude cultuur niet veel
is terecht gekomen. Voor de fijnere Chineesche opvatting van cultuur
schijnt het paard steeds een zachten trek van barbaarschheid te hebben
behouden, iets als een herinnering aan ruwere en meer primitieve
toestanden. Daartoe heeft in ieder geval bijgedragen, dat de Chineesche
cultuur van alle op aarde de eenige is geweest, die op haar
buitengebied werkelijk nog tot in onze dagen als het ware nog den
barbaarschen oorspronkelijken trap der paardencultuur voortdurend voor
oogen heeft gehad. Op de grens van den engeren zoom der Mongoolsche
cultuur begint nog tegenwoordig in de richting naar Azië een beeld van
volkeren, waar de paardencultuur als het ware nog in wording is. Het
schijnt haast niet zonder inwendigen grond te zijn, dat juist hier nog
een oorspronkelijk wild paard zelf voort leeft. Het is, alsof de
paardencultuur tot heden toe hier niet de volle kracht ontwikkelt, die
in andere streken ontwikkeld wordt.
Hier zien wij nog trappen van paardenbehandeling, die reeds voor den
mensch der oudheid een mythisch barbaarsch karakter vertoonden. Het
paard wordt gemolken, als moest het overgebracht worden naar een geheel
andere categorie van huisdieren, en wel in die, welke gericht is op de
veeteelt in engeren zin, die welke dienstbaar is aan de voeding. Bij
arme steppenvolken met karige voeding is die bestemming meestal een
overgangstoestand geweest, die eerst op den achtergrond geraakte, toen
het paard kwam bij welvarende herdersstammen met een rijke veeteelt,
zooals in het oude beschaafde oosten. Oorspronkelijk was het paard als
wild paard zuiver jachtdier. Daarbij volgde de periode, dat merries en
veulens nu en dan bij de jacht gevangen werden. In dezen eersten tijd
lieten zich alleen de merries met haar instinct van onderworpenheid en
aanhankelijkheid aan een leider temmen. Kudden, uitsluitend uit merries
bestaande, leidden dan gemakkelijk tot het gebruik maken van de
paardenmelk. Het kan ook zijn, dat nu en dan het plotselinge verlies
van andere huisdieren geleid heeft tot het gebruiken van het paard als
noodhulp. Dit geldt echter reeds niet meer uitsluitend het gebruiken
van de melk, maar het kan onder bepaalde omstandigheden onmiddellijk
een eerste oorzaak geweest zijn, dat men zich met paardenfokken en
paardentemmen in het algemeen heeft beziggehouden.