Doch bij de allerkleinste soorten van pony’s heeft ongetwijfeld nog een

andere factor zijn invloed uitgeoefend, een factor, die ons doet zien,

hoe ook het paard, ver van dien eigenaardigen oorspronkelijken grooten

ontwikkelingsweg, en zonder eenige medewerking van den mensch, onder

den invloed is van een macht, die met onze tegenwoordige kennis

volkomen onberekenbaar, ja zelfs absoluut niet te verklaren is. De

eigenlijke dwergen onder de ponysoorten, die in hun soort tot een

paardentype behooren, dat in ieder opzicht volkomen is afgewerkt, maar

alleen op miniatuurmaten is gebouwd, zijn dieren, die alleen op

eilanden worden gevonden. Zoogdieren, die op eilanden worden

geïsoleerd, zijn echter van oudsher onderworpen aan een volkomen

onwrikbare wet: zij worden dwergen. Reeds in voorwereldlijke tijden

zijn de dieren, die oorspronkelijk door hun grootte tot de monsters

onder de zoogdieren behoorden, het slachtoffer dier wet geworden: op

het eiland Malta zijn de olifanten, op het eiland Cyprus het nijlpaard

afgedaald tot olifanten- en nijlpaardpony’s. De plek op aarde die, wat

het voortbrengen van de meest verschillende soorten van pony’s,

tegenwoordig het beroemdst is, is het eiland Sardinië; daar zijn het

damhert, zoowel als het edelhert, het wilde zwijn zoowel als het wilde

schaap in miniatuurvormen overgegaan; de herten met korte pooten, die

in den waren zin van het woord op die van een dashond gelijken, zien er

echt bespottelijk uit. Men heeft dit merkwaardige verschijnsel gesteld

op rekening van het steeds onderling paren in een beperkte ruimte. Ik

voor mij geloof, dat wij eer staan tegenover een geografischen invloed,

tegenover dien van de omgeving, den bodem en den streek, van welks

geheimzinnige werking wij ook in andere opzichten in de plaatselijke

dierenrassen dikwijls de sporen zien, zonder dat de

ontwikkelingstheorie ten opzichte hiervan duidelijk stelling heeft

kunnen nemen. Men heeft hier nog een bijzonder interessant veld voor de

werkelijke uitbreiding dier leer. Een specialistisch onderzoek van de

verschijnselen zelf is even noodzakelijk als een nieuwe en vruchtbare

gedachte. Intusschen is het speciale raadsel der eilandenpony’s onder

de paarden slechts een schakel in het probleem, dat in het algemeen nog

zoo duister is.

Over het geheel genomen is het een feit, dat het wilde paard op onze

planeet tegenwoordig overal een uitstervend geslacht is. Het deelt in

dit opzicht het lot der meeste groote zoogdieren, wier opkomst en bloei

het kenmerk was der tertiaire periode.

Indien het paard in weerwil daarvan in de laatste duizendtallen van

jaren nog lichamelijk een hooge vlucht heeft genomen en zich bovendien

geografisch heeft verbreid, en zelfs in de allerlaatste paar eeuwen in

een snel wassend tempo, dan heeft het dit uitsluitend te danken aan de

wijze, waarop het zich in symbiose heeft aangesloten aan dat geheel op

zich zelf staande en eigenaardige schepsel uit die zoogdierenwereld,

die parallel daarmede ontstaan is, maar dat zich sedert dien tijd

onafgebroken van sport tot sport heeft opgeheven: wij bedoelen de

verhouding van het paard tot den mensch.

De mensch is tegenwoordig in hoogeren zin het noodlot van het paard.

Moeilijk kan men daarbij de gedachte op zijde zetten, dat trouwens ook

hier reeds in één richting het hoogste punt voor het paard als doel in

de cultuur is overschreden. Het blijkt toch, dat het technische gebruik

van het paard in onze cultuur aan het afnemen is. De strijd tusschen

electriciteit en paardekracht is tegenwoordig reeds veel verder beslist

dan zuiver theoretisch. De menschheid heeft op den duur veel te sterke

natuurkrachten noodig als reuzen, die haar bij den arbeid ten dienste

staan, om die fijne, van spieren voorziene, levende werktuigen met hun

gemakkelijk te verstoren uurwerk, en die fijn georganiseerde beenderen,

die immers breekbaar zijn als glas, nog evenzeer te waardeeren als

vroeger het geval was. Het zijn de menschelijke hersenen, die het

hoogste zijn, wat het leven heeft gesponnen. Als technische macht zijn

die hersenen echter tegenwoordig tot een zóó hoogen trap gestegen, dat

zij buiten zich zelf niets meer noodig hebben dan de allergrootste

onmiddellijk ten dienste staande, natuurkundige beweegkrachten der

planeet zelf; het overige, daartusschen gelegen leven, is voor die

hersenen niet meer van zoo groot belang.

Anders is het daarentegen over een afzienbaren tijd gesteld met de

aesthetische vraag, die in haar hoogere beteekenis ook de begrippen

„weelde” en „sport” in zich sluiten.

Dat oude keerpunt van het veredelde paard in de geschiedenis van het

oosten, toen het een heerlijk pronkstuk, het sieraad zijns meesters,

een vreugde voor het oog werd, en niet hijgend den zwaar beladen wagen

door de modder moest trekken, maar geroepen werd tot een hoogeren vorm

van arbeid in de cultuur, dat een voorwerp van gejubel werd, als het,

naar de woorden van den dichter van het boek Job, hinnikt „vroolijk in

zijn kracht”—dat hoogste moment in de geheele geschiedenis van het

paard, toen het oude ontwikkelingswerk der natuur als het ware in een

kunstwerk werd omgetooverd, en verhoogd werd tot de onsterfelijkheid

der ideale schoonheid—dat moment is voor ons nog steeds een waarborg

voor de toekomst.

Het is niet de taak van dit boek, te onderzoeken of de wereld onzer

beschaving steeds de tegenstelling zal behouden van heer en slaaf. Maar

hoe die vraag ook ooit moge worden opgelost: een edele sport, die

aesthetisch een hooger gebied van genot opent en zoo in ieder geval ook

ethisch veredelt, zal in iedere cultuurwereld, die waard is om daarin

te leven, behouden blijven. Daarin ligt de beslissing over het

toekomstige lot van het paard. Ik voor mij ben van meening, dat wij

niet alleen onze hoop moeten vestigen op een vooruitgang in de

beschaving, die musea bouwt, om de marmeren paarden van Phidias, de

marmeren menschen van Michel Angelo te behouden voor de eeuwigdurende

bewondering der menschheid, maar op een vooruitgang, die ook het leven

ademende kunstwerk, het product van den oneindigen strijd in de natuur

blijvend weet te waardeeren: naast het naakte menschelijke lichaam het

levende edele paard.

KORT OVERZICHT VAN DEN INHOUD.

Een dier in Symbiose met den mensch Blz. 1–11.

Het paard in het boek Job. Dieren, die niet konden worden getemd. Wat

is een huisdier? Zijn huisdieren slaven? Het begrip Symbiose. Huisdier

en dierenbescherming. Ouderdom der fokkerij van huisdieren. Het paard

bestond reeds lang, toen deze begon. Overgang naar de geschiedenis van

het wilde paard.

Het skelet van het paard als getuigenis van zijn verleden Blz. 11–32.

Skelet van het paard en van den mensch. De opvatting van Goethe omtrent

de beteekenis van het skelet. De paardevoet van den duivel anatomisch

verklaard. Een botje te veel aan het been. Hoe de voet het been

verovert. En hoe de voet daarbij de gedaante van het been aanneemt. Het

paard als technisch probleem. Het overwinnen der zwaartekracht. Het

paard werkt met overmaat. Gevolgen voor de cultuursymbiose. Het

verstand van het paard. Vóór en tegen het verstand. De zintuigen van

het paard. De „Slimme Hans”. Het paard leert door middel van de pooten.

De leer van Goethe omtrent het type. Darwins verbetering. De classieke

plek voor de ontwikkelingsdenkbeelden van den paardepoot. Wat de

griffelbeenderen leeren. Rudimentaire organen. Het paard moet vroeger

eens drie teenen gehad hebben. Levende paarden met meerdere teenen. Een

dwaling over de zwilwratten. De paardeteen van tegenwoordig is een

middenteen. Zijn er werkelijke historische documenten over den

paardepoot?

De stamboom van het paard geologisch gestaafd Blz. 32–67.

De plaats van het paard in het stelsel. Er bestaat geen orde van

dikhuidige dieren. Cuvier beschrijft de eerste versteende beenderen van

paardachtige dieren. Catacomben van paarden in Amerika. Amerikaansche

werkzaamheid en overdrijving. Het uitsterven der diluviale wilde

paarden in Amerika. De tertiaire periode. Paarden en paardachtige

dieren. Equiden met een overblijfsel van den pink. Een stuk huid van

een fossiel paard. Paardachtige dieren met kwasthoeven. Driehoevige

equiden van de grootte van schapen. Equiden van de grootte van een vos.

De pink wordt kwasthoef. Het te voorschijn komen van den kleinen teen.

Vospaardjes met het begin van een duim. Het oorspronkelijke hoefdier

Phenacodus. Vijf vingers aan de hand, vijf teenen aan den voet. De hoef

krijgt den vorm van een klauw. Wij zijn in de wereld der dieren van

Cernays. Waarom de paardepoot ten slotte op den menschenvoet gaat

gelijken. Het oorspronkelijke hoefdier Euprotogonia. De zoolgang

begint. De grootte daalt af tot die van konijnen. Verklaring dier

geologische feiten uit de ontwikkelingsleer. De beteekenis van het

geheele proces. Waartoe men niemand kan dwingen. Wat daarbij echter

vaststaat. Een tweede schakel voor het bewijs in de beenderen van

benedenarm en onderbeen. Een derde in de tanden. Het „berglandschap”

der paardenkiezen en zijn trapsgewijze ontstaan.

Is het paard twee maal ontstaan? Blz. 67–90.

De stamboom eerst in Europa opgesteld. Tegenstrijdigheden in den

Amerikaanschen stamboom. Zijn er onafhankelijke ontwikkelingen met

hetzelfde resultaat? „Gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen” als

wereldwet. Een zelfde milieu schept dezelfde aanpassingen. Bestaat er

een vooruit vaststaande ontwikkelingswet? Tegenargumenten tegen de

dubbele ontwikkeling. De Amerikaansche stamboom had een reeks

bijloopers. Het Anchitherium. Het Hipparion. De Europeesche stamboom

bestaat alleen uit dergelijke bijloopers van den Amerikaanschen.

Mogelijkheid van Amerikaansche invallen. Een stuk oude aardrijkskunde.

Eerst met het echte wilde paard komt de Amerikaansche hoofdstam ook in

de oude wereld.

De tapir Blz. 90–104.

De sage van het Amerikaansche nijlpaard. De Amerikaansche en de

Indische tapir. Waartoe behoort de tapir? Paarden met slurven. De

tapirs en de oude vospaardjes. De tapir als overoud dier. Hij is een

uitlooper van de voorouders der paarden in de eocene periode. Zijn

physionomie als moerasdier in tegenstelling met het paard op de steppe.

De kleur van den Schabrak-tapir. De tapir is tropendier gebleven.

Verschillende soorten van tapirs.

De neushoorn Blz. 104–143.

Is er nog een dier in leven gebleven uit de groep der driehoevige

oorspronkelijke paarden? De uitgestorven Palaeotheriën als uitloopers

van dat station. De neushoorn als overlevende afgedwaalde driehoevige

equide der voorwereld. De neushoorn als verpantserd paard. Wat is de

hoorn van den neushoorn? De eelthuid. Uitgestorven waterneushoorns.

Onze neushoorn in de steppe. De slijkbedekking. Vogels als

waarschuwers. De pantoffelgang van den neushoorn. Sociale zin bij

neushoorns. Met pels voorziene neushoorns der ijsperiode. Speciale

stamboom van den neushoorn. Een neushoorn, die op weg was paard te

worden. Neushoorns, die met hun slagtanden wortels uitgroeven.

Neushoorns, die geen horens hadden. De mythische eenhoorn steekt

misschien in den reuzenneushoorn Elasmotherium. Elasmotheriumjagers

onder de Toengoezen? Levende dubbele neushoorns in Azië. De

ruwoor-neushoorn in den dierentuin te Londen. De groote Indische

neushoorn. Merkwaardige stand van het oog van den rhinoceros. Het

pantser van den Javaanschen neushoorn. De Afrikaansche dubbelhoornige

neushoorns. De Oost-Afrikaansche steppe. Een beeld der tertiaire

periode. Aesthetica der neushoorns. Is de neushoorn intelligent? Een

zijblik op de voorwereldlijke Titanotheriën. Neushefboom om takken af

te breken. De roman van een potsierlijk vervormd voorwereldlijk dier.

Overgang naar de overlevende echte wilde paarden.

De ezel als wild dier en als cultuurdier Blz. 143–155.

De Sivapaarden der tertiaire periode. Paard en ezel in één dier? De

verbreidingsgordel der tegenwoordige wilde paarden volgt de steppe. De

steppen in Somaliland als de woonplaats der wilde ezels. Uiterlijk der

Afrikaansche wilde ezels. De verovering van die wilde ezels door de

oud-Egyptische beschaving. Lof van den oosterschen ezel. Hoe de ezel

tam werd. De Aziatische wilde ezels in mythe en in geschiedenis. De

ezel op zijn hoogtepunt in den Aziatischen vorm als wilde ezel. Zijn

verschillende geografische afzonderlijke soorten daar. Die Aziatische

dieren physionomisch een afzonderlijke groep der paardachtige dieren.

Aziatisch bloed in tamme ezels.

De zebra Blz. 155–170.

Het ongetemde Afrikaansche paard. De zebra’s geen ezels. Het raadsel

der zebrateekening. Van de kleuren der zoogdieren. Aesthetica van den

zebra. Het beginsel der „doorschijnendheid” in de teekening. Mimicry in

de strepen van den zebra. Onmogelijkheid, alleen met die verklaring

klaar te komen. De strijd om de verschillende zebratypen.

Onmogelijkheid, reeds nu een beslissing te nemen. De Quagga. De

tragedie van zijn ondergang. Kan nog maar alleen in het museum

bestudeerd worden. Geheimzinnige kruisingen. De „tijgerpaarden”. Het

uitgestorven Burschell’s tijgerpaard. Schoonheid van den Grevy-zebra.

De berg-zebra. Hoe het met de tembaarheid van den zebra staat. De zebra

steekt niet in onze cultuurrassen.

Het Aziatische wilde paard als eenig overlevend overblijfsel van den

oorspronkelijken vorm van onze cultuurpaarden Blz. 170–213.

Is Azië de oorspronkelijke woonplaats van onze cultuurpaarden? Viktor

Hehns standpunt. Het geheim van den Tarpan. De Tarpan geen echt wild

paard. Brehms hypothese van den Koelan als voorvader van het

cultuurpaard. Verandering van het beeld door de ontdekking van

overblijfselen van diluviale wilde paarden in Europa.

Paardenteekeningen uit de holenperiode. Hoe lang hebben wilde paarden

in Europa geleefd? Vleesch van wilde paarden op de tafel in een

klooster. Hoe de beteekenis duidelijk wordt van den „grimme Schelch” in

het Nibelungenlied. Wilde stoeterijen in het oerwoud. De ontdekking van

het Przewalskipaard als meest beslissend feit. De eerste Aziatische

wilde paarden in onze dierentuinen. Kleur der Przewalskipaarden. Het

winterkleed. Het begrip van het „oorspronkelijke wilde paard”.

Aziatische wilde paarden op een Assyrische voorstelling van een jacht.

Het Przewalskipaard en het Europeesche diluviale paard. Verschillende

temmingscentra. Verschillende gebruikte wilde rassen. De fundamenteele

tegenstelling van het westersche en het oostersche cultuurras. Het

zware en het lichte paard. Karrepaard en Arabisch paard. Het

ridderpaard. Ouderdom van het edele Arabische paard. Het oud-oostersche

luxepaard. De afschuw van paardevleesch. Babylonische Przewalskipaarden

met Arabischen kop. Het oostersche ras gaat niet uit van één enkel

temmingsmiddelpunt. Het cultuurpaard in Afrika. Oostersche paarden in

de paalwoningen van het bronzen tijdperk. Een noordelijke en een

zuidelijke vorm van wilde paarden. De paarden der zuid-Russische

steppe. Het Chineesche cultuurpaard. Paardenmelkers. Rendier- en

paardentemming. De oorsprong van het paardrijden. De invallen van

Aziatische ruitervolken in het westen. De mythe der Centauren. Waarom

de oud-oostersche koningen geen ruiters waren. De oorsprong van het

muildier. De verovering van het gebergte door het muildier. Het

muildier als edel dier van Zuid-Amerika. Geleidelijke vermenging van

alle rassen van het cultuurpaard. De toenemende overheersching van het

oostersche ras. Begin der uitbreiding ook van het oud-oostersche edele

ros naar het westen. De Berber-paarden. De oude Spaansche paarden. Het

ingrijpen der Engelsche paarden. Het Arabische paard in verband met het

Engelsche volbloedpaard. Het „aesthetische” paard. Het Trakehner paard.

Het uitsterven der Europeesche wilde paarden. Het raadsel in den pony.

De mensch als noodlot van het paard. Het op den achtergrond treden van

het werkpaard. Duur van het sportpaard. Toekomstige beteekenis van de

sport.

AANTEEKENINGEN

[1] Job, Hoofdstuk XXXIX.

[2] Het Dierenboek.

[3] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.

[4] Zie Dierenboek, De overlevenden van Cernays, blz. 166 env.

Het paard · 第 16 / 16 段