Het eerste aannemelijke vermoeden wees op Azië. Men moet zich hierbij

een oogenblik terugdenken in de andere voorstelling van de negentiende

eeuw omtrent den geheelen gang der beschaving in het algemeen. In Azië

wortelde, naar men meende, alle cultuur. Van hier uit hadden zich van

oudsher cultuurvolken met golfbewegingen in westelijke richting

voortbewogen. Een dergelijke golf was in de gedaante der „Kelten” over

geheel Europa heengeslagen. Daarop volgde, de vorige gedeeltelijk

overstroomend, van het oosten naar het westen een Germaansche golf, en

daarop een Slawische. Bij een dergelijke voorstelling kwam een

oorspronkelijk zelfstandige cultuur voor Europa zoo goed als niet in

aanmerking. Europa rekende evenmin mede voor de oude cultuurdieren en

dus evenmin voor het paard. Zoo bleef dan Azië alleen over. In de

periode, waarin de geschiedenis van het huisdier op zuiver

philologische grondslagen was gegrondvest en berustte op bewijzen, aan

taal en literatuur ontleend, in de tweede helft der negentiende eeuw,

toen de even geestige als op taalkundig gebied zaakkundige studiën over

huisdieren en cultuurplanten van den energieken, in zijn bijzonder

gebied zich absoluut souverein voelenden Viktor Hehn de opvattingen

beheerschte, zonder dat men dadelijk haar eenzijdigheid

bemerkte,—scheen het eenvoudig van zelf sprekend, dat men uitsluitend

in Azië kon zoeken naar de voorouders van het paard.

Men hoorde nu in het eerst van „wilde paarden” uit de zuidoostelijke

Russische steppe, dus ten minste nog in het naar Azië openstaande

grensgebied. Zij werden beroemd onder den naam van „Tarpans” en hebben

tot een uitgebreide literatuur aanleiding gegeven. Tegenwoordig mag men

wel als vaststaand aannemen, dat de Russische Tarpan, die in zuiveren

vorm niet meer is op te sporen, ook vroeger nooit „zuiver” is geweest

in den zin van een oorspronkelijk wild paard, maar gerecruteerd is uit

verwilderde afstammelingen van een aantal oude cultuurrassen, die

onderling gekruist hebben; uit de kruising van die rassen zou hij als

het ware proefondervindelijk nog tegenwoordig te maken zijn in zijn

typischen vorm. In die dagen beschouwde men den Tarpan niet alleen als

een werkelijk wild paard, maar men beschouwde hem gewoon weg als

volkomen Aziatisch. Duistere geruchten over wilde paarden in de meer of

minder geheimzinnige steppen van Centraal-Azië werden zóó gecombineerd,

dat het Tarpanpaard als oorspronkelijk wild paard van steeds nog te

herkennen gelijkenis met het cultuurpaard, maar toch „wild”, zich ten

slotte nog tot in de woestijn Gobi op Chineesch gebied uitstrekte. Toen

het eenmaal gevangen was in den binnen-Aziatischen ketel, was de

gevolgtrekking ten opzichte van den Tarpan niet zoo moeilijk, dat de

ééne of andere der oude culturen aan den rand van dien ketel het dier

in het grijze verleden uit dien ketel heeft opgevischt.

De reactie bleef echter al spoedig niet uit. Reeds vroeg werd de Tarpan

een problematiek dier. Het bleek, dat die zoogenaamde Tarpans van

Perzië tot de woestijn Gobi, goed in het licht gezien, eenvoudig

dezelfde waren als de vroeger besproken Onagers en Dziggetais, dus als

wilde ezels. Ten einde raad nam Brehm, die één der weinige kenners uit

eigen aanschouwing van de Aziatische steppe was, zijn toevlucht tot den

uitweg, dat hij in een dergelijken wilden ezel zelf den

Trans-Caspischen Koelan, dien hij gelijkstelde met den werkelijken

Chineeschen Dziggetai der woestijn Gobi, den stamvader zag van ons

cultuurpaard. De trotsche pracht dier wilde Aziatische dieren, die hij

voor het eerst volkomen had leeren kennen, hield hem gekluisterd en

gevangen. Maar toch was aan die opgedrongen oplossing op den duur niet

ernstig te denken.

De twijfel aan het denkbeeld van Brehm vertegenwoordigde dan ook een

zeker keerpunt. Ondertusschen was er een geheele reeks van nieuwe

feiten bekend geworden over het ten minste eertijds voorkomen van wilde

paarden midden in de voornaamste cultuurlanden van Europa. Uit de

diluviale periode kwamen tallooze overblijfselen van paarden in

Frankrijk en Duitschland, en zelfs tot in Zweden voor den dag.

Ongetwijfeld had men hier te doen met inheemsche wilde paarden. Zij

liepen reeds parallel met een eveneens inheemsche Europeesche cultuur,

een praehistorische cultuur. Maar die cultuur bezat in het begin nog

geen huisdieren. Op het paard werd jacht gemaakt als op een wild dier

der steppe. In Westeregeln bij Maagdenburg liggen zijn beenderen midden

tusschen die van andere wilde steppendieren, bij wie nooit sprake

geweest kan zijn van temming. In een Zweedschen schedel, die afkomstig

is van een jong paard, steekt nog een vuursteenwapen der steenperiode.

Op een vindplaats onder een hoogen rotswand bij Solutré in Frankrijk

liggen overblijfselen van vele duizenden paarden op een zóó

karakteristieke wijze bij elkander, dat men bepaald moet aannemen, dat

de praehistorische mensch hier langen tijd gewoon was vluchtige wilde

paarden over den kling te jagen en zóó tot een zekeren buit te maken.

Eindelijk werden als bewijsstukken, die voor goed den doorslag gaven,

op ivoor gesneden figuren en verrassend goed uitgevoerde teekeningen,

voor een deel groote muurteekeningen in holen ontdekt van de hand van

praehistorische kunstenaars op de overoude Fransche cultuurplaatsen van

een niet bij name bekend, maar blijkbaar zeer begaafd volk, waarop een

diluviale dierenwereld, nog volkomen duidelijk te herkennen, was

voorgesteld. Naast teekeningen van den mammouth vindt men daar ook

teekeningen van een paard van een steeds terugkeerend, hoogst

karakteristiek type. Bepaalde trekken daarin, bij voorbeeld een dichte

baard aan de kin, schenen nog duidelijk te wijzen op de dik behaarde

dieren van den rand der gletschers uit de ijsperiode, waartoe ook de

roodbonte neushoorn en de mammouth met zijn geelbruin wollen kleed en

zijn manen hebben behoord. Maar aan den anderen kant leek de vorm ook

reeds in het oog vallend op bepaalde zware oud-Europeesche

cultuurrassen met een langen, zwaren, in het dik gewelfde neusgedeelte

ver vooruitstekenden, kop en met dikke pooten.

Dit praehistorische bewijsmateriaal is na dien tijd hoe langer hoe

zekerder en klemmender geworden. Maar als de dingen zoo waren, dan

moest men zich toch de vraag stellen, of niet, naarmate de Europeesche

cultuur verder voortschreed, het paard juist in Europa werkelijk voor

het eerst is getemd geworden. Hier werd nu ook het materiaal van

gewicht, dat scheen te bewijzen, dat het Europeesche wilde paard

volstrekt niet ongeveer op het allerlaatst der diluviale periode

evenals de mammouth en de roodbonte neushoorn in het land was

uitgestorven, maar dat het ten minste op enkele plaatsen feitelijk als

zoodanig tot zelfs ver in de historische tijden heeft voortgeleefd.

Inderdaad kunnen uit de oudere literatuur een groot aantal

mededeelingen over „wilde paarden” in het Duitsche woud worden

bijeengebracht. Dat het Duitsche wilde paard, oorspronkelijk een

steppendier, zich in het overgebleven gedeelte van het Duitsche

oerwoud, waar het nog bestond, voor de toenemende cultuur zou hebben

teruggetrokken, zou niet zoo bijzonder te verwonderen zijn. Dat aan den

anderen kant een bosch, dat nog langen tijd wisents, oerossen, elanden

geherbergd heeft, ook een goede schuilplaats kon aanbieden aan wilde

paarden, is ook duidelijk. De verschillende opgaven uit de literatuur

zijn merkwaardig eenstemmig. In de „Benedictiones ad mensas Ekkehardi”,

de zegeningen over de spijzen, door Ekkehard IV, den magister scholarum

in het klooster St. Gallen in Zwitserland gegeven, vindt men ook een

dergelijke zegening voor het vleesch van het „wilde paard.” In een

andere bron van het jaar 1593 wordt weer melding gemaakt van wilde

paarden in Wasgau. In de rechtsverslagen van Kaiserslautern worden tot

in het begin van den dertigjarigen oorlog „wilde paarden” genoemd, die

huisden in de diepe bosschen van de Pfalz, zich daar vermenigvuldigden,

en des nachts losbrekend als de wilde zwijnen, zóó groote verwoestingen

aanrichtten in de bebouwde velden, dat de stad in het jaar 1616 drie

afzonderlijke boschwachters tegen de wilde paarden moest aanstellen.

Hahn (niet Hehn, maar een ander onderzoeker der huisdieren) heeft in

het jaar 1892 op zeer overtuigende gronden de stelling verdedigd, dat

de „grimme Schelch”, die in het Nibelungenlied nog als een groot stuk

wild genoemd wordt, waarop te gelijk met den tegenwoordig verdwenen

oeros werd jacht gemaakt, een wilde hengst is geweest; het woord wordt

daarbij afgeleid van „Beschäler” (dekhengst.) Nog in het jaar 1537

leest men, in een keukenrekening uit Lippe, van een hengst, die

gezonden werd als „Beschäler” bij de wilde paarden. Toen men uit de

moerassen van Ierland bijzonder goed geconserveerde, meestal zelfs nog

door stukken huid omgeven geraamten van een hert met een kolossaal

gewei had leeren kennen, dat wel is waar tegenwoordig niet meer

bestaat, maar in Europa eerst betrekkelijk laat scheen te zijn

uitgestorven, werd het een algemeen verbreide hypothese, dat in dien

wonderlijken „Schelch” dat toen ten tijde nog voortlevende of in ieder

geval in sagen nog gekende reuzenhert stak. Maar feitelijk is er geen

enkel verder feit, dat een bewijs zou zijn voor het later voortleven

van dat in verschillende opzichten raadselachtige diluviale hert tot in

de historische tijden; het zou dus meer dan vermetel zijn, daartoe te

concludeeren uitsluitend op grond dat hier een „grimmig” jachtdier uit

oude dagen voorkomt, dat wij niet onmiddellijk kunnen thuis brengen. De

wilde hengst past echter uitstekend in het kader.

Nu is trouwens ten opzichte van al die „wilde paarden” uit de oudere

bronnen beweerd geworden, dat men hier gedeeltelijk ook weer te doen

heeft met verwilderde vluchtelingen uit oorlogstijden, die zich in het

oerwoud, waar dat nog bestond (en in enkele streken bestond het zelfs

zeer laat nog weelderig genoeg), tijdelijk zelfstandig hadden

gevestigd; gedeeltelijk echter ook met vorstelijke stoeterijen, waar

cultuurpaarden in half verwilderden toestand gehouden werden, die

zoowel landbouwer als stadbewoner van tijd tot tijd plaagden als wilde

dieren. Dit mag enkele medegedeelde feiten verklaren, doch moeilijk

juist de meest interessante. Bij stoeterijen van wilde paarden met

„grimmige” dekhengsten in het diepe eenzame woud zou men ook deze vraag

kunnen stellen, of niet juist die dieren zelf een bewijsstuk waren voor

nog laat behouden gebleven overgangstrappen van het temmingsproces. Ik

herinner aan hetgeen vroeger gezegd is van den hengst en zijn zoo late

temming. Misschien heeft men nog zeer lang de dekhengsten in een soort

van overgangstoestand gehouden als half wilde dieren en dieren van het

woud, wat echter niet uitsloot, dat zij reeds hun rechtmatigen eigenaar

hadden en in het algemeen beschouwd werden als hulp verleenende

cultuurdieren.

In ieder geval heeft de meest zorgvuldige critiek die zaken niet weer

geheel uit de wereld kunnen helpen. En zoo neigde zich het tongetje van

de weegschaal hoe langer hoe sterker naar Europa toe, terwijl te

gelijker tijd even zeker de hoop begraven werd, een wild paard, waarin

de voorvader van ons cultuurpaard zou kunnen steken, nog levend terug

te vinden. Daartoe was Europa reeds lang te zeer verlicht. Het

voorvaderlijke paard scheen evenzeer door zijn getemden kleinzoon te

zijn opgezogen als de eveneens reeds lang ten onder gegane oeros van

het oude Duitsche woud door het getemde rund.

In die schijnbaar nu zoo volkomen gezuiverde atmosfeer is echter toch

weer een nieuwe ontdekking van den allereersten rang als de bliksem

ingeslagen. In het jaar 1879 ontmoette de Russische reiziger Przewalski

(spreek uit Pschewalski) in het wildste gedeelte der

Centraal-Aziatische woestijn (in het Tarim-bekken) een wild eenhoevig

dier, dat nu volstrekt geen wilde ezel, maar een absoluut echt wild

paard was.

De Kirgiezen noemden het dier „Kertag”, de Mongolen „Taki”. Het was

over het algemeen klein, maar met een grooten kop, het droeg ooren als

van een paard, manenborstels als van een zebra, zonder kuif, en een

staart, die over de bovenste helft alleen korte haren had en eerst van

onderen eindigde in den echten paardestaart. De kleur kwam overeen met

die der woestijn tusschen rossig en geel, de in het oog vallende dikke

pooten waren van de knieën af zwart. Kudden van vijf tot vijftien

stuks, merries en veulens met een ouden hengst als leidsman, waren bij

elkander. De levendige, scherp speurende dieren hielden het meest van

de naakte zoutwoestijn, waar bijna geen water te vinden was. Alleen in

den winter was het mogelijk op hen te jagen, als de sneeuw voor de

jagers het water kon vervangen. Tweemaal stootte de ontdekker op een

kudde, zonder de gelegenheid te hebben hen onder schot te krijgen. Als

een stormwind vlogen de dieren den hengst achterna. Maar een huid en

een schedel, die langs anderen weg in het bezit kwamen van Przewalski,

waren onmiddellijk voldoende om wetenschappelijk het dier te huis te

determineeren.

Er was dezen keer geen sprake van verwilderde Mongoolsche

cultuurpaarden. Men stond tegenover een echt wild paard, even goed als

de zebra’s het wilde paard vertegenwoordigden. Maar nu tegenover het

wilde paard, dat men had gezocht: en wel een wild eenhoevig dier, dat

klaarblijkelijk uit een zoölogisch oogpunt behoort tot de engere groep,

waartoe ons cultuurpaard behoort. Het hoogstmerkwaardige schepsel,

waarmede een meer dan honderdjarige twistvraag in een geheel nieuw

stadium trad, werd het Przewalskipaard gedoopt.

Na de eerste publicaties trad er weer een pauze in, gedurende welke

geen verder bericht kwam, zoodat in de kringen der vakgeleerden reeds

weer twijfel opkwam. Toen ondernam de zoöloog Büchner een expeditie

naar Dzoengarije, uitsluitend ter wille van het wilde paard. Hij bracht

ook gelukkig een paar merries levend naar Rusland mede. In het

particuliere park van Falz-Fein in Askania Nova in Zuid-Rusland

verscheen het merkwaardige dier voor het eerst als wetenschappelijk

gevangene. Toen nu de belangstelling zoo algemeen was geworden, trad de

Hamburgsche handelaar in dieren, Karl Hagenbeck, de groote leverancier

van al onze groote Europeesche zoölogische tuinen, in het krijt. Hij

verschafte zich 28 stuks levend voor den handel, uitsluitend jonge

dieren, die allen in de nabijheid van Kobdo in West-Mongolië op

Chineesch grondgebied gevangen waren. De Mongoolsche jagers hadden door

plotseling opjagen van grootere troepen de veulens er toe gebracht,

achter te blijven bij hun vluchtende moeders, en ze met een soort van

lasso gevangen. In het kamp gebracht, waren de jonge dieren spoedig

gewend geraakt aan tamme merries als pleegmoeders, aan wie men haar

eigen jongen had ontnomen,—een leerrijke bijdrage voor het proces, dat

zich zeker ontelbare malen op dergelijke wijze had herhaald in de

temmingsgeschiedenis van het paard. Uit die bezending zijn al onze

grootere dierentuinen van dergelijke exemplaren voorzien, en daar de

veulens intusschen groot geworden zijn, kan men zich tegenwoordig van

het Przewalskipaard een betere voorstelling maken dan van een aantal

reeds veel langer bekende zoogdieren.

Het schoone paartje van den Berlijnschen dierentuin doet bijzonder goed

de tegenstelling zien met de verschillende Aziatische wilde ezels, die

daar in de nabijheid zijn gehuisvest. Niet gemakkelijk zal men dieren

vinden, die meer van elkander verschillen, niemand zal ze meer van

elkander willen afleiden. Op het eerste gezicht meent men, dat de

rollen omgekeerd zijn; de Koelan lijkt het groote, hooge, slanke paard,

het wilde paard lijkt de kleine dikke ezel. Een nadere blik doet dan in

het kleine dier toch de lijnen van het paard zien, maar eenigszins als

caricatuur. Een zwaar, massief paard met dikke pooten, alsof het

samengedrongen was, en klein en laag was gehouden. En daarbij ziet men

als speling de pooten van den zebra. Leelijke, maar merkwaardige

dieren. Wilde, krachtige loopers over de steppen, wie men reeds kan

aanzien wat men nooit in den zebra zou zoeken: dat zij, vergroot,

onvermoeide karrepaarden, last- en trekdieren zouden kunnen leveren.

Vooral de jonge dieren hebben zóó lange, onbehouwen koppen, dat zij er

met hun uitgerekt gezicht tusschen beide uitzien als een slecht

uitgevoerde photografie, waarbij de kop door een verkeerd perspectief

te groot is genomen tegenover het meer naar achteren staande lichaam.

De dikke wangen trekken steeds bijzonder de aandacht. De hoofdkleur

komt overeen met die der woestijn, daarin komen zij volkomen overeen

met de Koelans, en er zijn maar weinig gevallen, waar twee zoo geheel

van elkander afwijkende diervormen op een afstand toch weer zoo

overeenstemmen, daar zij beide het product zijn van eenzelfde milieu:

ook hier die roodachtige Isabellakleur met een wit toevoegsel, dat ik

vroeger heb gekenschetst als een wolkje melk in de koffie. En hoe

rijper van kleur de Berlijnsche hengst is geworden, des te zuiverder

zijn die kleuren der woestijn afgezet, b.v. de snuit verblindend wit

tegen den meer rooden kop. Volkomen als van een wilden ezel ziet er ook

de fijne donkere ruggestreep uit, die scherp, als ware het met inkt

geschied, voortloopt tot in den staartwortel. Welke beteekenis die

streep bij al die bleeke kinderen der woestijn wel mag hebben? Is het

een laatste schuilhoek als reserve, waaruit, als het noodig is, op een

bepaald oogenblik een soort weer de oude strepen der voorouders zou

kunnen te voorschijn roepen.

Maar dan komt er van onderen aan het lichaam van het wilde paard iets,

dat hem even duidelijk ook in de kleur onderscheidt van de Aziatische

wilde ezels. De Koelans en Dziggetais worden van onderen zóó helder

over hun geheele oppervlakte, dat hun pooten formeel verdwijnen, en

niets maakt ze zóó licht, zóó zwevend voor het oog als die eigenschap.

De kleine, zware armzalige Isabellapaarden staan daarentegen stevig aan

den grond vast als op vier dikke koolzwarte stutten. Zij dragen aan het

voetbeen over de hoeven echte zwarte kousen. Bij den hengst met zijn

veel levendiger kleur loopt de kleur van voren tot over het

handgewricht (schijnbaar het armgewricht) en is even ebbenhoutzwart als

de beste zwarte kous. En bij die donkere pooten, die de aandacht van

hem die het dier beschouwt, concentreeren op het ondergedeelte en

dubbel zwaar maken voor het uiterlijk, komt nog als vijfde donkere

massa het paardestaartachtige gedeelte van den staart, dat bij den

hengst zoo trotsch en donker mogelijk tot op den grond reikt, als kon

het van onderen niet duidelijk genoeg den indruk vestigen van den

echten paardestaart, terwijl toch aan den woestijnkleurigen gelen

wortel nog voor een deel het karakter van den zebra en den ezel

onmiskenbaar blijft voortbestaan. In de heldere zoutwoestijn moeten die

„kousenpaarden” er uitzien, alsof zij allen juist het moeras waren

doorgetrokken.

Terwijl zij des zomers er uitzien als waren zij geschoren, wapenen de

Przewalskipaarden zich tegen den tijd van hun steppenwinter met een

meer kroesharigen, wollen pels, die vooral van de kin van den hengst

als dikke bossen afhangt, en dus een echten boksbaard vormt. Juist dat

gebaard zijn van een paard leidt echter weer terug tot onze groote

strijdvraag.

In den Berlijnschen zoölogischen tuin is het paar bekend onder den naam

van „oorspronkelijke wilde paarden.” Die naam draagt rekening met de

tegenwoordig wel algemeen erkende stelling, dat van alle levende wilde

eenhoevige dieren tegenwoordig alleen nog het Przewalskipaard voor onze

cultuurrassen in aanmerking zou kunnen komen als een oorspronkelijke

vorm. Intusschen is er nog een meer uitgebreide beschouwing noodig, om

aan dat begrip zijn volle draagwijdte te geven. De verrassende

ontdekking van dit Centraal-Aziatische wilde paard moest den blik eerst

weer geheel naar Azië richten, maar beperkte dien tevens voor het

levende dier daar tot een betrekkelijk nauw gebied. Zooveel als kan

worden afgeleid uit verschillen in kleur, bewonen de Przewalskipaarden

tegenwoordig in twee variëteiten hun Mongoolsche woonplaats, de wat

donkerder soorten het Tarinbekken, een zeer lichte soort daarentegen de

woestijn Gobi. Doch het zou in ieder geval een beperkte kring zijn, als

dit van oudsher het geval was geweest—het zou de plaats, waar de

paarden getemd zijn, historisch vaststellen op een volkomen bepaalde en

tamelijk ongeschikte plaats, indien in de Przewalskipaarden werkelijk

de eenige en echte oorspronkelijke vorm moet steken. Men kan nu echter

aantoonen, dat die tegenwoordige geografische isoleering blijkbaar zelf

niets anders is dan een later toeval. Die oorspronkelijke wilde paarden

zijn tegenwoordig alleen in het leven gebleven in het gebied der

woestijn Gobi, die zoo ver is afgebleven van de cultuur; in een ouderen

bloeitijd waren zij daarentegen feitelijk over een onvergelijkelijk

veel grooter gebied der aarde verspreid. Nadat men ze nu eenmaal levend

op die ééne plek heeft leeren kennen, heeft men ze later, wat de

hoofdtrekken betreft, kunnen identifieeren.

In de eerste plaats heeft men kunnen aantoonen, dat Przewalskipaarden

nog in de eerste duizend jaren vóór de geboorte van Christus wild in

Mesopotamië voorkwamen en daar werden gejaagd. In het Britsch museum te

Londen vindt men een marmeren plaat met een in relief aangebrachte

voorstelling, die afkomstig is uit het paleis van Sardanapalus in

Kujundschik, dus een Assyrisch kunstwerk ongeveer van het jaar 650 vóór

Christus, en wel een kunstwerk van den eersten rang. Men ziet daarop

twee meesterlijk uitgevoerde kleine paarden in de snelste vlucht,

terwijl een derde, blijkbaar een jong dier, een veulen, juist door twee

Assyriërs is gevangen. Hij heeft een lasso om den hals, de mannen

houden de beide uiteinden vast, terwijl het paard zich nog woest tegen

zijn boeien verzet. Dus juist het tooneel als bij de Przewalskipaarden

van Hagenbeck! En dat wij hier met geen ander dier kunnen te doen

hebben, blijkt onbedriegelijk uit den absoluut onmiskenbaren, wondervol

gekarakteriseerden paardekop met de stijve manen en den echten staart

van het Przewalskipaard, waar op de halve lengte eerst de echte

paardestaart begint. Het tegenwoordig in het verre Mongolië

gelocaliseerde dier strekte zich toen nog even ver westelijk uit als

tegenwoordig de Aziatische wilde ezels.

Maar in veel vroeger dagen moet het dier zich nog heel wat verder

hebben uitgestrekt. In de vroeger vermelde praehistorische tijden van

Europa strekten die wilde ezels zich nog uit tot over Zwitserland en

Noord-Duitschland. Beenderen van den Dziggetai, zijn bij voorbeeld bij

Schaffhausen gevonden. Maar ook hier heeft het Przewalskipaard die

dieren vergezeld. Die dierenteekeningen van praehistorische menschen,

waarop onmiskenbaar wilde paarden zijn voorgesteld, vertoonen namelijk

even onmiskenbaar een type van het Przewalskipaard. Men ziet daar

inderdaad zijn langen, dikken kop, zijn borstelige manen, de dikke

wangen, den gedrongen lichaamsbouw met dikke buik en krachtige pooten,

en bovenal zijn dikken winterbaard onder de kin. Een teekening uit het

hol van Combarelles in Dordogne (Frankrijk) stelt den tegenwoordigen

bewoner der Chineesche woestijn Gobi zoo onovertroffen juist voor, dat

een modern teekenaar zich al bijzonder goed moest hebben geoefend op

het weergeven der speciale karakteristiek der dieren, om zoo juist te

kunnen treffen. En tevens zijn juist zulke paardenteekeningen der

praehistorische kunst gedeeltelijk reeds ontdekt en weergegeven in

tijden, lang vóór de ontdekking van het levende Przewalskipaard—men had

het dier dus eigenlijk reeds praehistorisch voor Europa, voordat men

het levend uit Centraal-Azië kon identifieeren.

Het paard · 第 13 / 16 段