belangstelling wekken. Het haar is in tegenstelling met de schubben van
de hagedis en de veeren van den vogel meestal te weerbarstig, te
onrustig voor zuiver bonte kleuren. Een onbeslist bruine, grauwe,
grauw-zwarte, grauw-gele kleur hult geheele groepen in een eenvormig
arbeiderskleed zonder eenige sierlijkheid. En als eens de bontheid van
kleur ook bij het zoogdierenvolk een enkelen keer duidelijk toeneemt,
zooals bij de apen, dan eindigt het spoedig hiermede, dat zij zich toch
weer van het haar losmaakt en als een schelle kleur van de onbehaarde
huid optreedt, zooals bij het cobaltblauw en het steenrood van de
mandril; het is in zekeren zin reeds de ontwikkelingslijn naar den
mensch, die bijna geheel naakt is, maar nu die naakte huid kunstmatig
tatoueert of met gekleurde kleeren omkleedt. De zebra is daarentegen
een uitzondering, waar de eigenaardigheid der kleur uitsluitend in de
haren zetelt. Met schitterend wit en schitterend zwart in de sterkste
tegenstelling, maakt hij een ontzaglijken indruk op het oog. Bij de
schoonste variëteiten is er bijna geen plekje meer op de geheele huid,
dat niet bijdraagt tot den eigenaardigen indruk van die strepen. De
strepen worden gevonden aan de neusgaten, op de korte, stijve manen, de
ooren, tot den staart toe, het geheele gelaat is daardoor met een
traliewerk bedekt. En als men nu den eersten indruk van de
tegenstelling van wit en zwart ten volle genoten heeft, blijft er voor
het nauwkeurig onderzoekende oog nog de prachtigste verrassing over
door het feit, dat de strepen niet meer ruw over de onderdeelen van het
paardenlichaam heen loopen, maar dat lichaam in zijn meest intieme
lijnen volgen. Wilhelm Busch heeft in een grappige teekening eens een
zebra eenvoudig schematisch schuin gelinieerd als de wand van een
Pruisisch schilderhuisje, zonder eenigszins rekening te houden met het
leven van het gelinieerde lichaam zelf. Ongetwijfeld was die teekening
in overeenstemming met den indruk van tallooze bezoekers van den
zoölogischen tuin, die slechts oppervlakkig hebben toegekeken; dit is
werkelijk de indruk, dien zij er in hun herinnering van hebben
behouden. Maar het eigenlijk interessante is, dat de zebra feitelijk
daarmede niet in overeenstemming is.
De werkelijke strepen sluiten nauwkeurig aan het levende lichaam aan
met zijn verschillende in elkander ingrijpende onderdeelen. In de
eerste plaats doet zij een hals en een rompgedeelte op zich zelf
uitkomen, die in het skelet en in de aanhechting der spieren van boven
naar beneden loopen, daar zij als het ware van de stijve wervelkolom
neerhangen, die alleen een sterke buiging maakt in den nek. In
overeenstemming daarmede hangen in dit gedeelte ook de zwarte strepen
alle ten minste in beginsel recht naar beneden van de kruin naar
beneden over de flanken van rug en hals, eveneens met een duidelijke
aanwijzing van de buiging van den nek. Een tweede stelsel zijn dan de
strepen op den staart, die, volkomen de werkelijke staartwervels
volgend, van achteren hooger op den rug opstijgen dan de leek zou
verwachten, die het skelet en de spierstelsels onder de huid niet kent.
Reeds hier begint, wat ik de „doorzichtigheid” zou willen noemen in die
zebrateekening. Zij doet ons een dieperen blik slaan in het inwendige
van het dier, daar zij den samenhang van het inwendige mechanisme, die
anders onder de huid verloren gaat, op een zoodanige wijze naar buiten
doet komen, alsof men door een doorzichtig omhulsel een laag dieper kon
naar binnen zien in het levende dier zelf. En dit alles viert zijn
triomf in de pooten. Elk der pooten heeft zijn strepen als stelsel op
zich zelf. Daar echter de stijve as van het been loodrecht staat op het
horizontale rugstuk, loopen ook dezen keer de strepen loodrecht op die
van den rug. Dat verschil in richting volgt echter het been naar boven
ver over de plaats heen, waar het in den gewonen omtrek van het paard
zich in de massa van den romp verliest. Wij herinneren ons, dat bij het
skelet van het paard feitelijk eerst op die plaats de echte knie
gelegen is, terwijl het been zelf zich nog een heel eind verder van
binnen voortzet in de schijnbare borst- en buikmassa. En nu is het
merkwaardig, hoe juist de strepen dien toestand zoo schitterend doen
uitkomen. De strepen op de pooten loopen in een richting, die loodrecht
staat op die van den rug, nog in een hoogen driehoek zoowel van voren
als van achteren voort naar de flanken van het lichaam. Zoo ontstaat
het prachtigste gedeelte van de geheele zebrateekening; die aan
weerszijden in de neerhangende strepen van den rug ingrijpende
driehoeken, bestaande uit fladderende wimpels, een verrukkelijk gezicht
voor ieder kunstenaarsoog, en dat aan den zebra eerst zijn groote
schoonheid geeft voor hem, die aan dat dier grootere opmerkzaamheid
wijdt.
De teekening wordt tevens op die wijze een belangrijke factor in het
totale beeld ook van den bouw van den zebra; terwijl zij namelijk het
anders in het lichaam van het paard verborgen bovenbeen van achteren en
van voren voor den uitwendigen blik duidelijk doet uitkomen, verlengt
zij schijnbaar daardoor de pooten in het algemeen: de zebra lijkt ook
hem, die zich volstrekt niet bewust is, wat de reden daarvan is,
feitelijk veel hooger op de pooten te staan dan werkelijk het geval is,
en ten gevolge daarvan maakt ook het geheel een veel fraaieren indruk.
Een eigenaardig stelsel van strepen vindt men ten slotte op den kop. De
manen zijn wel is waar geheel opgenomen in het strepenstelsel van den
hals, daar hier de neerhangende strepen eenvoudig doorgetrokken zijn
tot in het haar, een omstandigheid, die voor den totalen indruk hier
weer het voorste gedeelte van de kruin, waarmede die zwart-witte haren
samenvallen, aanzienlijk hooger en statiger maakt. Aan het voorhoofd en
de wangen daarentegen ontwikkelt zich de meest geraffineerde speling
van fijne strepen, als moest duidelijk uitgedrukt worden, dat daar de
meest zenuwrijke, meest gevoelige plaats van het geheel gelegen is. Om
de oogen worden de streepjes gewone hanepooten. Men meent te zien
doorschemeren, hoe het oog door de spieren wordt vastgehouden,
horizontale plooien van het voorhoofd met tegen elkander in loopende
hanepooten geven aan het oog iets ingespannens en dreigends, dat anders
nooit voorkomt bij een vluchtend hoefdier zonder kopverdediging. En
lager bij den bek duiden de halvemaans-strepen onmiskenbaar de
krachtige kauwbeweging aan.
Hij die een zebra, ook als hij stilstaat, gedurende langen tijd
nauwkeurig beschouwt met het oog op dat stelsel van strepen, moet
noodzakelijkerwijze geleid worden tot de waarneming van zuiver optische
verschijnselen. Door de verscheidenheid en talrijkheid der schelle,
nauwe, dikwijls elkander kruisende contraststrepen lijkt de zebra niet
alleen grooter, maar het oog van den waarnemer wordt onrustig van de
beschouwing; het beeld begint te verschuiven, loopt in elkander en
vloeit ten slotte formeel in elkander. Men kan die ervaring reeds
opdoen, als men zeer natuurgetrouwe afbeeldingen beschouwt, zooals bij
voorbeeld de voortreffelijke momentopnamen met magnesiumlicht, die
Schillings heeft gemaakt van wilde zebra’s des nachts aan de
drenkplaats. Juist Schillings, die reeds zuiver physisch een zeer
scherp ziende waarnemer is, heeft er met bijzonderen nadruk ook op
gewezen, hoe de zoo in het oog vallend zwart-wit gestreepte teekening
der zebra’s de dragers dier teekening volstrekt niet doet uitkomen
tegen het hen omgevende landschap. Naar gelang van de verlichting zien
er zebra’s heel verschillend van kleur uit, tot zelfs het eenkleurige
grijs; maar zelfs daar waar hun zwart-witte kleur van dichtbij zou
kunnen uitkomen, vervloeien de dieren op de meest merkwaardige wijze
met de kleur der steppe. Maar ook dan wordt ons een hoogst merkwaardig
voorbeeld van mimicry vertoond, als zebra’s tegen het middaguur rust
nemen onder boomen en struiken, die schaduw afwerpen; de trillende
strepen der schaduwen, die door de takken der boomen worden
veroorzaakt, vermengen zich dan op de meest verrassende wijze met de
strepen der zebra’s. Dit citaat uit Schillings is uit den aard der zaak
zeer merkwaardig. Het strepenstelsel, dat zich in den zoölogischen tuin
zoo aan ons opdringt en naar voren treedt, schijnt in de vrije
Afrikaansche steppe met haar kreupelhout omgekeerd juist tot de
schutkleuren te behooren. De vraag zou slechts zijn, of de door Busch
geleverde caricatuur der schilderhuisstrepen of een hoogst verward door
elkander loopende zigzagversiering niet nog betere, in ieder geval even
goede diensten zou kunnen bewijzen. Maar dat merkwaardige en
verwonderlijke naar buiten doen treden van het inwendige lichaam met al
zijn fijnheden en de geheele ornamenteele individualiseering binnen het
rhythmische grondbeginsel schijnen mij in ieder geval er op te wijzen,
dat ook nog inwendige factoren aan den bouw van het lichaam hebben
medegewerkt, die met de uitwendige beschermende aanpassing hier
uitsluitend door teeltkeus volstrekt niet kunnen worden verklaard.
Een lichte neiging tot het vormen van dwarsstrepen schijnt in alle
levende wilde paarden aanwezig te zijn, wij herinneren slechts aan de
strepen boven op den rug, de schouderkruisen en de strepen op de pooten
der ezels; ook bij de tamme paarden komen een enkelen keer strepen op
de pooten voor. Het zou in hooge mate interessant zijn, de huiden der
oude paardachtige dieren, van het Sivapaard af teruggaande, in dit
opzicht te kunnen vergelijken, om na te gaan in hoeverre hierin een oud
erfstuk en een oude ontwikkeling steekt. Maar hier is de draad onzer
kennis helaas volkomen afgebroken, aan de fossiele beenderen is niets
te ontleenen. Misschien waren de Hipparions, die in menig opzicht aan
de zebra’s herinneren, reeds even mooi gestreept. Maar wie kan het
zeker zeggen! Voor zoover de zaken tegenwoordig staan, geeft juist dat
bijzondere van de „zebrakleur” aan het overblijfsel van onze
Afrikaansche wilde paarden nog in sterkere mate het karakter van iets
eigenaardigs, dat afwijkt van de lijn, die naar het cultuurpaard leidt.
In engeren zin is ook bij die zebra’s de zwart-witte zebrakleur
overigens aan heel wat schommelingen onderworpen. De hierboven gegeven
beschrijving komt overeen met het meest in het oog vallende type. Maar
van daar uit is er een tamelijk groote speelruimte, waar de strepen
zich nu eens hier, dan weer daar als het ware van geheele groepen van
lichaamsdeelen terugtrekken, zonder dat daar, waar zij behouden zijn
gebleven, het karakter op zich zelf is gewijzigd. En juist hier kunnen
de verschillende locale vormen ingeschakeld worden (die op zich zelf
ook niet zoo gemakkelijk te verklaren zijn uit het beginsel van
beschermende aanpassing), die voor de zebra’s karakteristiek zijn op
hun uitgestrekt Afrikaansch verbreidingsgebied.
Toen ik mijn eerste studies maakte in den zoölogischen tuin, was de
natuurlijke geschiedenis der zebra’s in haar systematisch gedeelte
spoedig aangeleerd. Er waren in die dagen drie verschillende typen van
zebra’s: de echte zebra met strepen tot over de geheele pooten;
Burchell’s tijgerpaard (de dauw) met strepen alleen op het lichaam en
met volkomen witte pooten; en de Quagga, die alleen maar over het halve
lichaam gestreept was. Het tijgerpaard was in den dierentuin de gewone
vorm, hoewel hij tegenover den echten zebra, zooals die bij Brehm
beschreven stond, niet voor volkomen vol werd aangezien. Brehm had
trouwens ook alleen maar drie soorten genoemd. Na dien tijd zijn,
naarmate de nadere ontsluiting der merkwaardige Afrikaansche
dierenwereld heeft plaats gegrepen, zooveel speciale soorten van
zebra’s bekend geworden, dat men een geheele lijst van buiten moet
leeren. Maar te gelijker tijd is de onzekerheid over de werkelijke
grenzen en het aantal der onafgebroken op elkander volgende
verbeteringen, twijfelingen en nieuwe rangschikkingen zóó groot
geworden, dat men de neiging krijgt, weder tot dat oude drietal terug
te keeren, dat in zekeren zin nog steeds zeer goed iets uitdrukt, wat
op zich zelf onbetwistbaar is. Doch ook hier doet zich een moeilijkheid
voor ten gevolge van een intusschen onverwacht plaats gegrepen
sterfgeval.
De derde vorm, de Quagga, heet namelijk tegenwoordig volkomen
uitgeroeid. Wij hebben hier te doen met een zeer eigenaardig geval,
niet alleen voor de geschiedenis der dieren in het algemeen, maar ook
voor de meer beperkte geschiedenis van onze dierentuinen.
De Quagga was sedert de dagen van Buffon één der meest bekende soorten
van zebra’s, die zich door de plaats, waar zij gevonden werden, het
gemakkelijkst aan ons aanbood, daar hij in talrijke kudden juist over
het noordelijke deel van het Kaapland en den Oranjevrijstaat trok. Toen
de eerste dierentuinen in Parijs, Schönbrunn en later, in de
negentiende eeuw, in Londen geopend werden, was het zoo natuurlijk
mogelijk, dat ook de Quagga, die zoo gemakkelijk te bereiken was en zoo
veel voorkwam, daarin werd gezien, vooral daar het op zich zelf geen
bijzondere moeite kostte, Afrikaansche wilde paarden levend te
importeeren. En dat bleef nog zoo tot omstreeks de laatste twintig
jaren der vorige eeuw. In den Londenschen dierentuin is de Quagga
sedert 1831 niet minder dan driemaal aanwezig geweest, en hij heeft het
daar jaren lang uitgehouden. Van daar zijn de huiden afkomstig, die men
opgezet vindt in het museum van Rothschild en in het museum voor
natuurlijke historie te Londen. Dergelijke huiden zijn tegenwoordig
kostbare zeldzaamheden, en waar zij zijn, moeten zij zorgvuldig bewaard
blijven, want zij zijn niet te vervangen; behalve Londen bezitten
Berlijn, Weenen, München, Parijs en Amsterdam nog een enkel exemplaar.
Immers op een goeden dag kwamen geen nieuwe Quagga’s meer in den
dierenhandel voor. Na eenigen tijd waren de laatste paar exemplaren der
Europeesche tuinen allen gestorven. Korten tijd daarna begon zich het
gerucht te verspreiden, dat er geen Quagga’s meer in den dierenhandel
voorkwamen—nooit meer—daar er in Afrika zelf geen Quagga’s meer waren.
Het laatste exemplaar is, naar men zegt, reeds in het jaar 1880
geschoten. Een feit is het, dat men tegenwoordig geen enkele plek meer
kent in de geheele oude woonplaats der Quagga’s, waar in de latere
jaren nog een levende Quagga is gezien. En in andere deelen van Afrika
is juist die soort nooit bekend geweest.
Het lot van die dieren schijnt dus bezegeld te zijn. En het betreft
hier speciaal die soort van zebra’s, die het meest verschilden van alle
andere, dus in zekeren zin de meest op zich zelf staande, al is het dan
niet de allermooiste. Ik heb in der tijd verzuimd op den Quagga in den
zoölogischen tuin te letten, en kan dus alleen oordeelen naar
aanleiding van opgezette dieren in musea, van welke dieren ik het
Amsterdamsche exemplaar nauwkeurig heb beschouwd. Dat exemplaar, een
wijfje, had in het oog vallend korte en krachtige pooten. De Quagga
heeft absoluut niets meer van het zwart-wit der andere zebra’s. Het is
een bijna volkomen bruin paardje met een lichte aanduiding van strepen,
gerangschikt als bij een zebra, maar het blijft meer een lichte
nuanceering. Alleen aan den kop, aan het voorhoofd en de oogen heeft
men op den bruinen achtergrond nog werkelijke donkere zebrastrepen. Op
den hals, het eenige lichaamsdeel, dat van het geheele lichaam nog
duidelijke strepen vertoont, ziet men daarentegen reeds geen echte
zwarte banden meer op een helderden achtergrond. Maar door een
donkeren, reeds sepiabruinen grondtoon loopen een paar heel zachte,
golvende, lichte banden, die op de Amsterdamsche huid zelfs witachtig
zijn, zoodat in het geheel een indruk wordt teweeg gebracht, dien ik
niet beter zou kunnen vergelijken dan met het meer of minder fijn
genuanceerde bruin op de vleugels van een aantal vlinders. Bij het
Londensche exemplaar kon men iets wat op strepen geleek weg nevelend
nog waarnemen tot op het gebied der achterdijbeenderen.
Merkwaardigerwijze is de lichte staart een echte paardestaart, wat den
indruk verhoogt, dat men met een gewonen pony te doen heeft, een
indruk, die misschien nog veel sterker zou kunnen zijn bij minder
willekeurig opgezette dieren.
Zoolang ik een dergelijken Quagga in het museum bestudeerde, heb ik de
gedachte niet van mij kunnen afzetten, dat hij er uitzag als het
resultaat van een kruising van een bruin tam paard met een Burchell’s
tijgerpaard-zebra, die toch reeds onder het kniegewricht de strepen
mist. In den Berlijnschen dierentuin leeft een „zebroïde”, dat wil
zeggen een dergelijke werkelijke mengvorm van een hengst van een gelen
Shetland-pony en een zebra-merrie, een dier, dat reeds eenigszins
dergelijke fijn genuanceerde sepiakleuren doet zien. Maar in aanmerking
genomen het feit, dat de eerste kolonisten in Zuidafrika den Quagga
reeds aantroffen in talrijke kudden, is die losse gedachte natuurlijk
niet vol te houden; met wat voor geïmporteerde paarden zou die kruising
in onbekende dagen zijn geschied? In weerwil van dit alles blijft er
voor mij toch nog altijd iets geheimzinnigs over in den Quagga. Des te
meer is het te betreuren, dat die merkwaardigste soort onder de zebra’s
niet meer bestaat.
Voor de overige dier harlekijnachtige wilde paarden zou ik als echte
tijgerpaarden die soorten willen nemen, die tusschen de echte donkere
strepen nog een soort schaduwspel van meer of minder duidelijke
bijstrepen vertoonen; als echte zebra’s daarentegen alle dieren met het
typische, zuiverzwarte traliewerk. Of de grondkleur daarbij meer geel
of meer wit is, schijnt af te wisselen met leeftijd en geslacht binnen
rassen uit dezelfde streken.
Ook in de beteekenis van die ruwe oudste definitie is het in ieder
geval zeker, dat de tijgerpaarden een duidelijk uitkomende neiging
vertoonen tot pooten, die bijna geheel vrij zijn van strepen. Bij de
soort, die oorspronkelijk in alle zoölogische tuinen onder den naam van
Burchell’s tijgerpaard bekend was en in die dagen dikwijls was
ingevoerd, schijnen de strepen zelfs reeds op het bovenbeen te
verbleeken; men is meestal van meening, dat die soort ook reeds in
vrijheid volkomen is uitgeroeid, terwijl onze tuinen nog echt gefokt
materiaal bezitten. Door de verflauwde tusschenstrepen en den
algemeenen meer in het bruin loopenden grondtoon moet dat Burchell’s
tijgerpaard op de kolonisten in den Oranjevrijstaat in ieder geval zóó
sterk den indruk hebben gemaakt van een Quagga, dat zij het „de bonte
Quagga” hebben genoemd. Maar veel sterker en donkerder gestreept over
de achterpooten is het schoone tijgerpaard, dat in Duitsch
Zuid-westafrika nog tegenwoordig bestaat, de zoogenaamde Damara-zebra.
Uit een geografisch oogpunt zijn in ieder geval die tijgerpaarden de
eenige Zuid-Afrikaansche wilde paarden, die van het zuiden uit ook nog
een eind ver opklimmen naar de westkust.
De uit een geografisch oogpunt „echte zebra’s” gaan daarentegen van het
uiterste deel van het Kaapland tot aan het gebied der ezels in
Somaliland consequent door Oost-Afrika heen. De beide zebra’s, die in
hun strepen het schoonste zijn en die merkwaardiger wijze aan hun lange
ooren en andere kenmerken het meest op ezels gelijken, geven als het
ware de hoekpijlers aan en wel: de reeds het langst bekende echte zebra
of het bergpaard in het Kaapland en de zebra, die in den laatsten tijd
hoe langer hoe veelvuldiger in de zoölogische tuinen wordt gevonden, de
Grevy-zebra in Somaliland zelf. Van de daar tusschen gelegen
overgangsvormen noem ik als den meest bekenden den „Böhms-zebra” uit
het gebied van den Kilimandsjaro. Met zijn „gestreepte kousen”, die
zich uitstrekken tot op den hoef komt hij bijzonder goed uit op de
voortreffelijke met magnesiumlicht genomen photografieën van
Schillings.
De Grevy-zebra was voor mij, toen ik hem voor het eerst in Londen zag,
een ware verrassing. Een zoo kolossale zebra, waarbij de bergpaarden en
andere kleine soorten tot ponys inkrompen, had ik absoluut niet voor
mogelijk gehouden. De wonderen van de teekening, zoo fijn als de graten
van een visch, en van het contrast tusschen wit en zwart hebben daar
hun hoogtepunt bereikt. Geen enkele zebra maakt in zoo hooge mate den
indruk, als ware hij met zwart lak op een melkwitten achtergrond
kunstmatig geschilderd, en lijkt zoo volmaakt onmogelijk als
natuurproduct. Daarbij schijnt er voor gezorgd te zijn, dat die
allernieuwste indruk ons nog het meest getrouw blijft in de zoölogische
tuinen, terwijl het echte bergpaard uit het Kaapland noodzakelijker
wijze daar moet ondergaan onder den invloed der onverbiddelijke
cultuur.
Gedurende langen tijd was die veel kleinere, maar wonderlijk rijk over
het geheele lichaam, ook over de pooten, gestreepte vorm uit het
Kaapland de eigenlijke schat in onze afgesloten zebraparken. In Berlijn
heeft een oude merrie, die het meer dan een kwart eeuw flink heeft
uitgehouden, mij het eerst van het tijgerpaard geleid tot het type van
den echten zebra, en mij de liefde voor den zebra in het algemeen
ingeboezemd, die ik, zij het ook van verre, nog tot den huidigen dag
heb behouden; in de nabijheid als „vriend” is de zebra een valsche,
bijtachtige kwant, waaraan men nog steeds bemerkt, wat toch altijd in
het wezen der zaak het meest interessante aan hem is: het wilde paard.
Ik heb mij daarom dan ook nooit zoo warm kunnen maken voor het debat,
dat in den laatsten tijd zoo levendig is gevoerd over de mogelijkheid
den zebra blijvend te temmen, en over zijn bruikbaarheid voor de
cultuur. Voor mij is in de eerste plaats een werkelijk actueel
vraagstuk, hoe de zebra als wilde vorm kan worden gered door alle
mogelijke middelen der moderne bescherming tegen de jacht. Dat het
mogelijk is, een zebra oppervlakkig, individueel te temmen, is
tegenwoordig absoluut zeker, in weerwil van allen vroegeren twijfel.
Tegenover de hoop om den zebra snel op den duur te temmen tot een echt
cultuurdier, zooals ons cultuurpaard dit is, sta ik desniettemin even
sceptisch als tegenover alle andere pogingen, om uit wilde dieren in
een paar geslachten huisdieren te willen fokken. Wij menschen zijn
tegenwoordig ten gevolge van bepaalde werkelijk kolossale gevolgen in
den vooruitgang der cultuur allen eenigszins in het stadium der
geestelijke koortshitte. Wij willen overal loopen met zevenmijls
laarzen. Maar tegenover dergelijke karakterwijzigingen in het levende
wezen zullen wij nog wat bemerken van de taaiheid der natuur, van de
rotsgevaarten, die niet met geweld kunnen worden verbrijzeld, maar die
alleen door een duizenden jaren voortgezet druppelen kunnen worden
uitgehold.
Uit een historisch oogpunt mag men wel met zekerheid uitspreken, dat de
zebra met het werkelijke oorspronkelijke temmingsproces van ons paard
in niet den minsten samenhang staat. Geen enkel ras onzer getemde
paarden vertoont het geringste spoor van de physionomie van den zebra.
Alle zebra’s staan zóó geïsoleerd naast ons paard, dat men, wat de
uiterlijke gedaante betreft, geen oogenblik verwonderd zou zijn, als de
zebra in het skelet nog ergens een overtolligen teen of één dier oudere
kenmerken aanwees, die hem zou doen kennen als een overlevend
overblijfsel van één dier oudere groepen van paardachtige dieren. Doch
zóó ver staan zij zuiver systematisch niet van elkander. Maar des te
duidelijker ontbreekt iedere historische aanwijzing van een nauweren
samenhang met onze cultuurgeschiedenis.
Hoewel ook de zebra komt tot in Somaliland, dus in het stamgebied van
den ezel, is toch, even zeker als het feit, dat de ezel over Egypte in
de beschaafde wereld is binnengetreden, het andere feit, dat het paard
niet langs dien weg is binnengekomen. Egypte zelf heeft het paard eerst
veel later gekregen, en als alle teekenen ons niet bedriegen, van het
noorden uit. Zelfs echter indien er op den niet-Egyptischen
noordelijken rand van Afrika van oudsher een zelfstandig uitgangspunt
zou geweest zijn voor het fokken van tamme paarden (wat volstrekt niet
bewezen is), dan zouden niet de tropische zebra’s daarvoor in
aanmerking moeten komen, maar achterblijvers der diluviale Europeesche
wilde paarden, waarvan men de beenderoverblijfselen in Algiers heeft
gevonden.
Over die punten is men het dan ook vroeg tamelijk wel eens geweest. De
vraag, die zich dan echter met kracht naar voren drong, was deze: waar
dan ons tamme paard van afstamde.