Daarbij komt nog de omstandigheid, dat onze cultuur tegenwoordig

tegenover die paar levende fossielen van het overoude materiaal niet

meer assimileerend, maar vernielend staat. Terwijl het onderzoek met

vliegende stift het weinige, dat toevallig is behouden gebleven, zou

willen fixeeren, decimeert het materiaal onder onze handen. De

inventaris aan wilde paarden is in het oog vallend verminderd, sedert

deze door de wetenschap ontdekt is geworden. Terwijl wij tegenover

huiden en schedels twisten over systematiek en nomenclatuur, hebben

onwetende jagers ons in bijzondere gevallen daar buiten reeds de

levende dieren tot op het laatste exemplaar neergeschoten. Een

wedstrijd tusschen redden en vernielen!

Wij hebben reeds medegedeeld, dat in het uiteinde der tertiaire periode

de oude wereld, dus Azië, Europa, Afrika, overal gevuld was met wilde

paarden van het voltooide type. Dus paarden, die den laatsten

voorbereidenden trap van de pinkpaardachtigen reeds voor goed achter

zich hadden gelaten, en in voet, tand en geheelen bouw „paard” waren.

Overblijfselen van beenderen van dergelijke tertiaire volkomen paarden,

die tot de oude wereld behoorden, zijn wat Azië betreft in Oost-Indië,

wat Europa betreft in Frankrijk en Italië, wat Afrika betreft in

Algiers aangetoond. Men kan ze samenvatten onder den naam, die

oorspronkelijk geschapen is voor de Oostindische paarden, en wel die

van Sivapaarden. Siva is een Indische godheid, waarnaar een beroemde

vindplaats van voorwereldlijke beenderen aan den zuidelijken voet van

den Himalaya heet. In die tertiaire Sivapaarden moet in die dagen alles

bij elkander gestoken hebben, wat tegenwoordig van paarden in de oude

wereld over is. Alle tegenwoordig gesplitste rassen van ons

cultuurpaard. Alle overblijfselen van wilde paarden van tegenwoordig.

En ook nog wel de tegenstelling van paard en ezel.

Paard en ezel zijn voor ons immers tegenwoordig, vooral in hun typische

gestalte als huisdieren, bijzonder van elkander verschillende

schepsels. Niet gemakkelijk kunnen twee dieren, die anatomisch zoo nauw

met elkander verwant zijn, sterkere tegenstellingen in hun physionomie

bieden. Zij zijn zóó nauw met elkander verwant, dat men ze reeds sedert

langen tijd met elkander pleegt te kruisen, en uit ezel en merrie het

„muildier”, uit hengst en ezelin den „muilezel” voortbrengt; echter

juist bij die kunstmatige combinaties vertoonen zich misschien de

eigenzinnige afzonderlijke kenteekenen zoo duidelijk mogelijk. Toch

blijft het bij dit alles onomstootelijk waar, dat ook ezel en paard

niet anders dan twee varianten zijn binnen het grondtype „paard”. In

die vroeger besproken kenmerken van het skelet, die het voltooide paard

uit een geschiedkundig oogpunt karakteriseeren, zijn beide absoluut

identiek. Als de ontwikkeling van het paard tot een organische eenheid

zich tot het laatst toe ook hierin is trouw gebleven, dat het echte

paardentype als eerste oorspronkelijke vorm slechts eenmaal is

ontstaan, dan moeten in dien eersten vertegenwoordiger ook ezel en

paard nog beide aanwezig zijn geweest als toekomstige mogelijkheid tot

varieering. Uit de overblijfselen der beenderen is er niets tegen in te

brengen, dat niet het tertiaire Sivapaard der oude wereld nog dat

eenheidstype is geweest; maar uit de beenderen alleen kan het noch

middellijk, noch onmiddellijk worden bewezen.

Overlevende onveranderde nakomelingen van dat Sivapaard hebben wij in

ieder geval tegenwoordig op aarde niet. Een in geraamte met het

paardentype overeenkomend dier, dat physionomisch in zijn uitwendigen

aanblik niet als een latere kruising of een gelijkenis, maar in de

beteekenis van een oorspronkelijke eenheidssoort in uiterlijk nog zóó

duidelijk toonde, dat geen der bestanddeelen overheerschte, bestaat in

levenden toestand niet. Met die gaping begint dus ons beslissend

hoofdstuk van het paard in ieder geval. Binnen de nog aanwezige

overblijfselen der wilde paarden bezitten wij reeds duidelijk de

splitsing voorbij die plaats. Wij hebben daarbij echter wilde ezels en

echte wilde paarden in engeren zin. En de tegenstelling kan ook

historisch nog tot in den diluvialen tijd, dus tot voorbij het begin

der cultuursymbiose van beide vormen worden gevolgd. Eerst daarmede

wordt voor ons de gordijn weggetrokken.

Maken wij in het kort den inventaris op van de levende

overblijfselen,—om te zien wat deze ons nog verder kan leeren. Europa

is hierbij geheel buiten het spel. Het heeft geen spoor meer van een

echt oorspronkelijk wild paard of wilden ezel. De gordel der reliquieën

begint in het zuidelijke gedeelte van Siberië, in westelijk China,

loopt in een breede strook over Perzië en Noordindië tot den

noordoosthoek van Afrika en dan over geheel tropisch Afrika.

Oorspronkelijk ook nog tot aan Kaapland, doch daar heeft tegenwoordig

reeds het genoemde vernielingsproces gewoed. Op die breede strook der

aarde wonen nog vier verschillende groepen van overblijfselen, en wel,

van het noordoosten naar het zuidwesten gerekend, ten eerste op den

Chineeschen hoek echte wilde paarden, dan, in het begin nog met die

wilde paarden te zamen, maar verder over het geheele overige deel van

Azië alleen echte wilde ezels, in Noordoostafrika een andere groep van

dergelijke wilde ezels en daar tot aan het einde weer een andere groep

van wilde paarden.

Ieder dier groepen geeft aanleiding tot afzonderlijke problemen. Het

van oudsher gemakkelijkste en meest doorzichtige ligt echter aan den

Noordoostafrikaanschen hoek, dus ongeveer in het midden van het gebied.

Wat het paard op zijn ontwikkelingsgang in den loop der

wereldgeschiedenis hoe langer hoe beslissender is geworden, dat is het

als wild paard ook nog tegenwoordig: een steppendier. Die geheele

verbreidingsgordel is, wat de plaats betreft, tevens een steppengordel.

In het hart van Azië het onmetelijke steppengebied, dat zich van de

woestijn Gobi tot in Tibet en eveneens westelijk eindeloos ver

uitstrekt, het land, dat door Sven Hedin zoo meesterlijk is geschetst.

De steppengedeelten van Indië. De met kreupelhout bedekte steppen van

Afrika, zooals wij die reeds hebben leeren kennen als de woonplaats van

den neushoorn. Die steppe strekt zich ook daar uit aan den

noordoosthoek van Afrika van de Somalilanden aan den Indischen oceaan

tot ver in het binnenland naar den Nijl in een oneindige vlakte, van

Kaap Gardafui tot naar Nubië. Door die steppe echter trekken nu kleine

troepen vlugge, schuwe, eenhoevige dieren, wie men op het eerste

gezicht kan aanzien, dat het wilde ezels zijn. Op dat uitgestrekte veld

kan men twee ondersoorten herkennen, een kleinere (indien ten minste de

scherpe verdeeling juist is), meer grauw van kleur met een zwart

schouderkruis zonder strepen over de pooten, dieper landwaarts naar

Nubië; en een grootere, meer roodachtige, meestal of altijd zonder

schouderkruis, maar wel altijd met een paar duidelijke donkere

dwarsstrepen aan de pooten, in de steppe aan de kust.

Die Afrikaansche ezels zijn, wat hun levenswijze betreft, wild; in hun

uiterlijk zijn zij zóó ontwijfelbaar echte ezels in de beteekenis van

onzen tammen ezel, dat geen kind zelfs een oogenblik kan aarzelen.

Vooral de kleinere vorm zonder strepen over de pooten is in alle

karakteristieke trekken eenvoudig onze „ezel”, alleen maar vrij en

frank in de open steppe geplaatst. De andere is trotscher, zwaarder,

rooder, meer gestreept, alsof die vrijheid ook reeds haar invloed op

den vorm van het lichaam heeft doen gevoelen; maar ook ten opzichte van

dien vorm vindt men, als men slechts goed zoekt, in de tamme rasvormen

van den ezel nog de duidelijkste analogie. Hij die in de omheining van

den dierentuin die Afrikaansche dieren terugvindt, ziet, dat zich hier

eigenlijk volstrekt geen probleem verder voor hem voordoet, maar

eenvoudig een gewone consequentie. In dat dier staat de oorspronkelijke

wilde stamvorm van onzen getemden ezel zelf ons nog voor oogen!

Alles is daarmede in overeenstemming. Die wilde ezels wonen nog

tegenwoordig in het Egyptische achterland. De vroegste sporen echter

van den reeds getemden ezel vindt men in de Egyptische cultuur. In

Opper-Egypte gaat hij daar terug tot voorbij de eerste dynastie, juist

tot in de eerste tijden der Egyptische cultuurperiode. Op de oudste

afbeeldingen ziet men hem reeds met absolute duidelijkheid als

huisezel, overal met het zwarte kruis op den schouder, het erfdeel van

den Arabischen wilden ezel. In die tijden en langen tijd daarna ontbrak

het tamme paard in dat Egypte, naar het schijnt, nog volkomen; zijn

beeld komt eerst voor den dag op gedenkteekenen der achttiende

dynastie, dus omstreeks 1500 jaar vóór Christus. De ezel daarentegen

liep reeds gedurende het bestaan van het geheele oude rijk op den

dorschvloer om te dorschen, en droeg het zadel van den reiziger.

Er is geen enkel bekend feit, dat in strijd is met de opvatting, dat de

geheele verspreiding van den tammen ezel over de landen aan de

Middellandsche zee oorspronkelijk van Egypte zou zijn uitgegaan. Tot op

onze dagen is de oostelijke uithoek daar de eigenlijke wereld, waar de

ezel gedijt en zich in zijn element gevoelt. Daar is hij groot,

krachtig, en nog steeds een werkelijke concurrent van het paard. Verder

op naar het noorden in Europa neemt zijn rijk daarentegen zóó sterk af,

dat men terecht heeft gezegd, dat hij nog alleen maar als caricatuur

voortleeft. Zoo klein, ellendig en armzalig, koppig en afgeranseld de

ezel in onze streken is, zoo statig, trotsch, betrouwbaar en dapper

wordt hij in de richting van Palestina en Egypte, waar hij den bodem

van zijn oude cultuur aanraakt. Voor onze noordelijke fantasie past hij

volkomen als humoristisch rijdier voor den intocht van Sancho Panza als

stadhouder; maar wij hadden nooit de onderstelling durven uiten, dat de

Heiland hem op het beslissende oogenblik zou berijden; en juist dit is

de meening in het oosten omtrent de komst van den verwachten Messias,

dat hij zijn intocht zal doen op een witten ezel.

Zoo past dan in dit geval alles zoo goed mogelijk in elkander.

Nauwelijks koesteren wij nog het verlangen, hier werkelijke

overgangsschakels tusschen den wilden en den getemden toestand te

zoeken. Uitwendige trekken der beide Afrikaansche witte ezels komen

immers nog steeds zichtbaar in onze ezels voor den dag; behalve dat

kruis op den rug ook telkens bij gelegenheid weer die donkere strepen

over de pooten. De kleur gaat ook nog steeds van tijd tot tijd over in

het roodgeel der steppen. En zelfs de als het ware psychische handeling

van het temmen kan niet al te moeilijk juist hier weer in gedachten

worden gereconstrueerd. Die wilde ezels zijn gezellig levende dieren,

waarvan de kudde uit merries en jonge veulens onder de leiding staat

van een mannelijk dier als aanvoerder. Een zoodanige merrie of een

dergelijk veulen, plotseling uit het verband weggerukt en in de macht

van den mensch gebracht, zou in zekeren zin al een schepsel zijn, dat

aan leiding gewoon was. De menschelijke temmer neemt nu de rol van den

vroegeren aanvoerder over. Hij behoefde de instincten der

gehoorzaamheid en van het begrijpen der signalen niet eerst voort te

brengen, hij vond die reeds voorhanden. Ik stel mij voor, dat misschien

langen tijd uitsluitend merries gebruikt zijn, die men van tijd tot

tijd steeds weer door wilde hengsten liet dekken. Dat proces zal bij

elke temming van wilde, in kudde levende dieren, ook bij de echte

paarden, op die wijze voltrokken zijn. De symbiose met den mensch was

slechts een voortzetting, een bekroning der reeds aanwezige symbiose in

de kudde. De manbare hengst is overal het langst nog het halfwilde dier

gebleven, dat eigenlijk nooit volkomen is getemd geworden. Hoe kleiner,

handiger echter de soort in het begin geweest is in verband met de

grootte van den mensch, des te gemakkelijker moest in het algemeen de

zaak gelukken. Hier bood de ezel de meest gunstige kansen. Het is

duidelijk in te zien, dat men het eerst zijn krachten heeft beproefd op

de kleinste soort. Op de oudere Egyptische afbeeldingen ziet men nooit

een mensch op een ezel rijden, maar steeds ziet men een draagstoel

tusschen twee ezels opgehangen. Eerst toen het temmen een bepaalde

hoogte had bereikt, zal men het getemde ras ook wat steviger en grooter

gefokt hebben, waardoor het weer meer overeenkomst gekregen heeft met

den anderen wilden vorm; ook is het mogelijk, dat ook kruisingen met

die aan de kust levende soort een rol hebben medegespeeld.

Afrika heeft anders geen wilde ezels. In alle landen van Afrika naar

het zuiden toe met hun zebra’s, ontbreken zij geheel. Het is als het

ware een goede luim der wereldgeschiedenis, dat zij in het geheele

onmetelijke werelddeel zich als op een beperkt eiland alleen daar

hebben kunnen handhaven, waar de loop der gebeurtenissen de eenige zeer

oude en op zich zelf staande hooge cultuur van het werelddeel in hun

nabijheid zou brengen. Een merkwaardig diereneiland en een merkwaardig

cultuureiland, die beide iets geïsoleerds hebben, als het ware als een

verloren post, zijn hier met hun inventaris samengekomen.

Intusschen hadden en hebben zich echter wilde ezels in ontelbare

troepen nog op een ander terrein gehandhaafd, dat door zee en land van

het andere gescheiden is, namelijk juist op den ouden stambodem, waarop

reeds in grijze, geologische tijden de eerste inval en verspreiding van

den geheelen echten wilden paardentroep had plaats gegrepen: en wel in

de steppen van westelijk en centraal Azië. Daar, over veel grootere

uitgestrektheden land verspreid, streken, die hoewel steppenland, toch

van oudsher bijna van alle kanten aan groote, overoude cultuurrijken

grensden—zijn die Aziatische wilde ezels toch tot in onze dagen voor

een groot deel fabelachtige dieren gebleven. De jeugdige gymnasiast

hoort over hen spreken in de anabasis van Xenophon: „Onagers” zwerven

daar rond in de „dierentuinen”, de groote omheinde jachtterreinen der

oude Perzische koningen; het woordenboek vertaalt het merkwaardige

woord met „wilde ezel”. In een schoolboek voor natuurlijke historie met

bont gekleurde teekeningen heb ik voor het eerst het woord „Dziggetai”

gelezen, ook weer een dierennaam, die zich als een bijzonderheid in

mijn geest inprentte. In het Mongoolsch is dit ons woord „langoor.” De

teekening deed een reuzenezel zien ter grootte van een paard en

citroengeel van kleur. Het was reeds lang mijn wensch, een dergelijk

wonderdier te zien, doch de zoölogische tuin vervulde dien wensch niet.

Feitelijk wist voor dertig jaar ook de echte zoöloog nog niet al te

veel af van hem en zijns gelijken. Die Aziatische steppen, waar omheen

eertijds de oude beschavingen waren opgegroeid als aan de oevers van

een onafzienbare binnenzee, lagen, wat haar dierenwereld betrof, voor

onze Europeesche wetenschap als onder een nevelsluier. Men wist, dat

zwermen dieren ongestadig daardoor heentrokken, en daaronder waren ook

de wilde ezels. Indien hier of daar, aan de Chineesche, Turksche,

Engelsch-Indische, Russische grens dergelijke zwervers van tijd tot

tijd door reizigers werden gezien, wist men niet, of het plaatselijk

scherp begrensde soorten waren dan wel één en hetzelfde vrije geslacht,

dat van Mongolië tot Perzië of Indië rusteloos heen en weer trok. Hier

hebben eerst in de laatste tijden werkelijk onze zoölogische tuinen

eenigszins licht ontstoken, vooral de Berlijnsche dierentuin, die zoo

systematisch zijn verzameling aanlegt. Hij heeft ons de Aziatische

wilde ezels van de rij af in verschillende plaatselijke typen in

vleesch en bloed voor oogen gevoerd, zoodat men zich daarvan een

physionomisch beeld kon maken.

Als het ooit de moeite waard was een diervorm te beschouwen, dan was

het wel deze. Het ezeltype ongetwijfeld nog gehandhaafd in de lange

ooren en andere kenteekenen, maar tevens toch dat type tot een hoogeren

vorm veredeld. Steile, hoog op de pooten staande, slanke, pezige

dieren, met krachtige zenuwen, dieren met prachtige koppen en dunne

halzen, met een trek van de fijne gazelle, en den Guanaco met zijn

dunnen, schralen hals; het laatste spoor van den caricatuurvorm van den

ezel is uitgewischt, het zijn in ieder opzicht prachtige schepsels,

wier dartele sprongen men met ongestoord genoegen steeds weder

gadeslaat. De kleur is in overeenstemming met het zwevende van den

gang: van de pooten in bovenwaartsche richting als witte melk, waarin

een meer of minder groote scheut bruine koffie gegoten is, zoodat deze

er als een wolk doorheen loopt, en eerst geheel op het laatst, aan de

bovenzijde van den rug boven de ruggegraat, een fijne donkere streep,

die de silhouet, die van onderen verloren gaat, ten minste van boven

nog afbakent, een donkere streep van de donkere manen tot den donkeren

staartkwast. En dit alles bij de grootste soort tot de volle grootte

van een flink paard, maar met nog langer pooten. In die afmetingen en

met verschillen in de sterkte van de koffiekleur op de huid vindt men

tamelijk duidelijk een aantal verschillende plaatselijke vormen. Zoo

heeft men een fijnen Perzischen ezel met een fijnen, kleinen kop, met

een fraai witte kleur met een zilverachtigen glans, welke kleur aan de

bovenzijde van den kop, aan de zijden van den hals en van de romp en

aan de heupen in een bleeke isabellakleur overgaat. Over de

schouderstreek loopt een witte streep, een hand breed naar beneden, een

breede streep loopt aan weerszijden langs het midden van den rug en

dicht ter zijde der dijen; tusschen de beide overlangsche strepen ligt

de koffiebruine rugstreep. Dit is de reeds bij Xenophon vermelde

Onager. Dan een hoogpootige, betrekkelijk kleine Indiër, die in het

oogloopend koffiebruin is gekleurd, en uit het achterland afkomstig is,

die door de bewoners van Beloetsjistan Gorkhar genoemd wordt, dan nog

de Koelan der Kirgiezen, een bijzonder mooi dier, van het Balkasjmeer,

met den edelsten kop bij betrekkelijk korte ooren, met vurig zwarte

oogen, donkerbruine manen, met een bruinachtigen streep over den rug

tot op den staartkwast, met donkere oorspitsen, maar overigens bijna

alles effen gekleurd met een isabellakleur. Men ziet duidelijk, hoe de

steeds kalere, steeds geler woestijn zich uitbreidt en haar kleur geeft

aan die dieren. De echte Dziggetai uit de Chineesche woestijn Gobi

heeft die stofgele kleur wel in de sterkste mate. Omgekeerd gaat de

reus van het geslacht, de geweldige „Kiang” van de hoogsteppen van

Tibet, weer meer naar het bruin over, dat zelfs tot het schitterendste

goudkleurige hoogrood overgaat.

Zonder twijfel zijn die luchthartige klanten geen van allen paarden.

Maar als men van onzen getemden ezel het begrip ezel wegneemt, dan doen

zij mij, wat hun physionomie betreft, steeds weer denken aan een derden

vorm van wilde eenhoevige dieren, die noch het aanzijn heeft geschonken

aan het paard, noch ook aan den ezel, maar die een geheel op zich zelf

staande zijtak is, een bijlooper der ezellinie, zooals eertijds de

Anchitheriën en Hipparions bijloopers waren van de oude groote

paardenlinie. En ik geloof, dat die bijzondere aard zich ook hierin

heeft gehandhaafd, dat zij in weerwil van de nabijheid van zooveel oude

cultuurrijken nooit werkelijk getemd zijn. Een op een gazelle

gelijkend, licht, slank huisdier met fijnen kop en op hooge pooten, dat

in de beteekenis van die Aziatische wilde ezels noch paard noch echte

ezel is, bezitten wij niet, het moet eenvoudig niet gelukt zijn, het in

Perzië of in China of in Indië of in de steppen der Kirgiezen blijvend

te fokken. Daarmede is natuurlijk niet gezegd, dat niet van tijd tot

tijd vruchtbare kruisingen hebben plaats gehad op het aanrakingsgebied

van den geïmporteerden Egyptischen ezel en de Aziatische in vrijheid

levende ezels. Als paard en ezel zich gekruist hebben en dat wel

blijvend veel vruchtbaarder dan men gewoonlijk meent, waarom dan niet

die beiden? In den Berlijnschen zoölogischen tuin heeft een kruising

van een Koelan met een ezelin van den beschreven vorm der Afrikaansche

wilde ezels aan de kust van Somaliland het aanzijn geschonken aan een

jong dier zonder echt schouderkruis, hoog op de pooten, van den bouw

van een Koelan met de strepen op de pooten, die de Somalimoeder had en

zelfs met een duidelijk zichtbaar kruis op den rug. Een bijzonder

schoon ras van een huisezel in het oosten, uit fokkerijen in

Centraal-Arabië, maakt met zijn witte huid bijna den indruk, alsof

daarin van oudsher ook Onagerbloed aanwezig is. Maar zelfs daaruit is

blijkbaar geen vaste regel ontstaan. Evenals het hooge schelle suizende

gefluit in het geschreeuw van den wilden Aziatischen steppenezel noch

past bij het hinniken van ons paard, noch bij het half komieke i-a, i-a

van onzen getemden ezel, zoo staan wij ook over het algemeen bij hem

tegenover een overblijfsel van vrije eenhoevige dieren, welk

overblijfsel in geen enkel opzicht iets heeft te maken gehad met de

symbiose in de dagen der werkelijke cultuur. En wij vinden nu als

duidelijke parallel bij dien oorspronkelijk geheel onafhankelijken

zijtak van het ezeltype nog een dergelijken volkomen onveranderd

gebleven zijtak van het echte paardentype in den zebra. Evenals Azië

den ezel heeft, die in den loop der cultuurgeschiedenis nooit blijvend

getemd is, zoo heeft Afrika een paard, dat nooit tot symbiose is

opgevoed.

Reeds in dien Noordafrikaanschen hoek in Somaliland komt de oude

oorspronkelijke ezel samen met vertegenwoordigers van den stam der

eenhoevigen, die zonder eenigen twijfel behooren tot een geheel ander

overblijfsel van den ouden bloeienden stam van dat geslacht. Ook zij

hebben zeker trekken van den ezel. In tegenstelling met ons

cultuurpaard en in overeenstemming met alle ezels ontbreken bij hen aan

den achterpoot de vroeger reeds genoemde eeltplekken of zwilwratten.

Hun staart heeft (ten minste meestal) alleen den staartkwast, zooals

die bij de ezels voorkomt, over het grootste deel van hun lengte kort

en alleen bij de spits lang behaard, in plaats van, zooals bij de

paarden, over hun geheele lengte met lange haren begroeid. Juist bij

dien Somalivorm zijn de ooren nog zeer verdacht gerekt. En toch beslist

een enkele blik op het geheel, waarbij de aandacht voornamelijk

gevestigd wordt op de physionomie van het dier, een blik die voor den

dierenkenner in hoogste instantie even belangrijk moet zijn als alle

atomistische beschrijving der details, in dit geval zonder tegenspraak

voor het paard. Het zijn voor een deel kleine, het zijn ineengedrongen,

langbuikige, kortpootige dieren, met zachte hoeven, in een reeks

kenmerken echt ezelachtige paarden,—maar paarden. En dat volkje is nu

weer in een aantal soorten verspreid over een kolossaal

district,—zooals wij zeiden oorspronkelijk over het geheele oostelijke,

zuidelijke en zuidwestelijke tropische Afrika tot aan het Kaapland,

onder den gemeenschappelijken naam van „Zebra.”

Het woord is voor ons niets anders dan een soort aanduiding van de

kleur, en beteekent zooveel als zwart-wit gestreept. En hier hebben wij

onmiddellijk weer een bijzonder punt, waarin die Afrikaansche wilde

paarden zoo eigenaardig zijn en dat zij allen gemeen hebben. Zij hebben

een neiging tot kleuring van hun huid, die geen enkele wilde ezel,

tamme ezel of geen enkel tam paard bezit: de neiging, dwars over een

helderen dikwijls volkomen sneeuwwitten ondergrond een prachtige

teekening te hebben van koolzwarte strepen. Die teekening, de

karakteristieke „zebrateekening” heeft den zebra beroemd gemaakt als

pronkstuk, zoolang men hem kent. Het dier is, voor zoover

geschiedkundige getuigenissen mededeelen, het eerst bewonderd in de

arena ten tijde van den Romeinschen keizertijd, onder keizer Caracalla

(211 na Christus); die zebrateekening wekt ook thans nog in iederen

zoölogischen tuin de verbazing op van iederen eenvoudigen boer.

Het paard · 第 11 / 16 段