begroeide steppe, die naar gelang het de regentijd of de droge tijd is,
daar ligt in den groenen weerschijn van den nieuw ontstanen grastooi,
over een uitgestrektheid van mijlen ook met water bedekt, door enkele
stroombeddingen door den regen met zilver doorstroomd,—of ook dor en
kaal, vaal en bruin met uitgestorven plantengroei, waar de plaatsen van
„inzinking” het oog slechts hier en daar een rustpunt gunnen, „waar
acacia’s, terminalia of andere boomen en struiken zooveel grondwater
vinden, dat zij gedurende langen tijd hun bladerentooi konden
behouden”. „Wij hebben hier te doen met dorre, uitgestrekte, vrije
vlakten, die, in den regentijd overstroomd, als zij opdrogen,
witachtige met zout doortrokken vlakten vormen, die slechts aan
spaarzame grasstruiken het leven schenken, nu weer met onafzienbare
groene of vaal verbrande grasvlakten, en dan weer met acaciaboschjes in
onafzienbare uitgestrektheid of met hagedoornen bedekt zijn, die voor
het leekenoog overeenkomst hebben met vruchtboomen en daarom ook zeer
treffend boomgaardsteppen worden genoemd. Daar waar de steppe met
blijvende acacia’s dicht begroeid is, kunnen deze natuurlijk hoog van
stam zijn of, in jongere exemplaren, meer struikachtig. Ook kan de
steppe bedekt zijn met heesters en struiken van verschillenden aard,
waartusschen in den regentijd gras tot manshoogte opgroeit en planten
van verschillende soort, met stekels en doornen bedekt, tusschen de
boomen en struiken gevonden worden. Een aantal soorten Euphorbia’s, ook
voor het leekenoog goed kenbaar, drukken op het geheel een typischen
stempel”. Van tijd tot tijd onderbreekt een termietenheuvel van
verscheidene meters hoog de vlakte of steekt een kolossale
apenbroodboom uit; „vreemd en zonderling van vorm bereikt deze
dikwijls, gehuld in een schitterend grijsglinsterenden bast, een omvang
van vele meters, door zijn verschijning wekt hij den indruk van den
voorwereldlijken tijd; de reiziger leert hem echter spoedig waardeeren;
immers menigmaal bergt hij in zijn hollen stam rijkelijke hoeveelheden
water, die uit den regentijd afkomstig zijn en dikwijls het eenige
water uitmaken, dat over een omtrek van een aantal dagreizen gevonden
wordt”. Op die steppe zien van verre hooge vulkanische bergen neer, die
in weerwil van hun ligging in de tropen op hun toppen met overgebleven
sneeuw en gletscherijs zijn bedekt, terwijl aan hun voet de
steppenstruiken overgaan in een echt oerwoud. Ontelbare groote, voor
een deel reusachtige zoogdieren bewegen zich vóór dat landschap als
achtergrond. „Als stroohalmen geknakt liggen boomen van aanzienlijke
dikte rechts en links van ons pad, daar waar een kudde olifanten haar
weg heeft genomen, en de in den regentijd ontstane olifantensporen
gelijken merkwaardig veel op diepe groeven, die een jaar en langer
zichtbaar blijven, en waarin het volstrekt niet zonder gevaar is te
struikelen. Behalve de olifantenkudden, die reeds maanden geleden hun
weg door de steppe hebben genomen, zijn de sporen en kenteekenen van
een ander groot dikhuidig dier, den neushoorn, duidelijk en op
karakteristieke wijze uitgedrukt. Naar de verschillende waterplaatsen
voeren over een lengte van verscheidene kilometers uitgeloopen,
elkander kruisende wildpaden, die, zeer duidelijk merkbaar in de
nabijheid van het water, zich in de uitgestrekte steppe geleidelijk
verliezen. Evenals de olifanten hebben de neushoorns op verschillende
plaatsen aan de stammen van heesters en aan de doornstruiken hun
schatting geheven, en enkele struiken vinden wij meer of minder
volledig van hun takken beroofd”.
Het is de moeite waard, bij die schildering stil te staan, en dat wel
niet alleen ter wille van den neushoorn. Zij geeft ons tevens nog een
beeld van het oorspronkelijke milieu, waarin de hoofdmassa der wereld
van onze tegenwoordige zoogdieren in het algemeen is ontstaan. Dat
landschap moet in de tertiaire periode onmetelijke gedeelten der aarde
hebben beheerscht, begunstigd door een heel wat warmer klimaat tot op
hooge noordelijke breedten. Met die verhoudingen zijn de kolossale
verzamelplaatsen van beenderen in Noordamerika, Europa en Azië in
overeenstemming. Zoo moet het er uitgezien hebben te Pikermi bij
Marathon, aan den Sivalikheuvel in Indië, in het Rijndal bij
Eppelsheim, in de zuidelijke staten van Noordamerika, toen daar een
ontzettend gewemel van groote en zelfs van de allergrootste
voorwereldlijke zoogdieren en in de eerste plaats hoefdieren te zamen
leefde. In een zoodanig milieu heeft zich de geheele middelste
geschiedenis van het paard eens afgespeeld, tot wier uiterste
speelruimte ook de driehoevige neushoorn nog behoort. Het is het beeld
van het landschap, dat ons steeds weer voor oogen zal komen, als wij
misschien later zullen hooren van het ontstaan der groote groepen van
herkauwende dieren, de wieg der buffels, antilopen, giraffen, zooals
zij tegenwoordig of voor een gedeelte nog voor korten tijd behooren of
behoord hebben tot de karakteristieke dieren der Afrikaansche steppen.
Hoewel tegenover de Aziatische neushoorns tegenwoordig een type, dat
een organisch geheel vormt, vervallen toch de Afrikaansche neushoorns
klaarblijkelijk in onderling zeer verschillende vormen, waarvan mij de
systematiek nog niet voldoende uitgewerkt voorkomt. De grootste soort,
juist die, welke bekend staat onder den naam van den „witten
neushoorn”, werd voor een tijd als uitgeroeid beschouwd, maar is in de
laatste jaren weer teruggevonden en naar versch geschoten stukken
gephotografeerd. Uit onze dierentuinen waren de dubbelhoornige
neushoorns voor eenigen tijd geheel verdwenen. Sedert Schillings ook
hier de betoovering heeft verbroken, komen ten minste jonge dieren weer
naar Europa. De Berlijnsche tuin kon een tijdlang bij dergelijke jonge
dieren, die reeds schoone horens hadden, twee zeer van elkander
afwijkende grondtypen voor oogen voeren. Heck heeft in het algemeen
gelijk met zijn bewering, dat de Afrikaansche neushoorn leelijk is in
vergelijking met den éénhoornigen Indischen neushoorn. De oorzaak ligt
echter eigenlijk juist hierin, dat de meer beweeglijke, meer dunbeenige
tweehoornige neushoorn meer gelijkt op zijn schoonen dubbelganger, het
paard; maar daar hij, niettegenstaande die gelijkenis, toch een
neushoorn blijft, lijkt hij een lompe en houterige, onhandig in
elkander gespijkerde caricatuur van het paard, terwijl de Indische
neushoorn geheel zijn eigen weg volgt. De Indische neushoorn is een
prachtig etalage-voorwerp, dat geen ornamenteeler indruk maakt dan
wanneer het dicht voor den beschouwer zoo rustig mogelijk stilstaat als
om te worden gephotografeerd. Om den Afrikaanschen neushoorn recht te
doen wedervaren, moet men hem over een uitgestrekte vlakte zien razen
en voorthollen, moet men zien, hoe hij in weerwil van zijn lompe
horens, die dikwijls de dikte hebben van komkommers, spelend
gemakkelijk den kop omhoog werpt als een heuschelijk paard en de beenen
naar voren werpt uit de leelijke heupen. Dan begrijpt men heel wat van
den neushoorn uit het woord „getraind”, dat Schillings op hem toepast,
en wanneer een deel der aesthetica van het dier toch altijd samenhangt
met het volmaakt oplossen van een technisch bewegingsvraagstuk, zóó dat
die beweging sierlijk en zonder eenige inspanning is, dan zal men juist
van den tweehoornigen neushoorn moeten erkennen, dat hij in zijn soort
in weerwil van ontzettend veel ongunstige factoren (die in de zwaarte,
dikhuidigheid en bovenal de rol van het voorgedeelte van den kop als
zetel van zijn wapen gelegen zijn), toch werkelijk nog al het mogelijke
volbrengt tot aan de grens van een sierlijke lijn. Staat hij in een
nauwe, afgeperkte ruimte, dan is hij zeker een verdraaid monster, dit
kan ik niet ontkennen; het paard daarentegen blijft ook dan nog een
prachtig dier.
Schillings heeft menig aardig staaltje medegedeeld van het verstand der
tweehoornige neushoorns. Zoo bij voorbeeld, hoe bijzonder ontwikkeld
hun plaatszin is in de steppe, die toch zoo weinig afwisseling biedt.
Vier uur lang kon hij eens het spoor van een neushoorn volgen, dat
oostwaarts rechtuit naar een kleinen waterpoel in de woestenij leidde;
toen de dorstige reus dien had bereikt, bleek het, dat ook deze
verdroogd was; nu boog dat spoor weer in een even rechte lijn westelijk
af, om na drie uur bij een tweeden poel werkelijk naar water te voeren.
Wat een ontzaglijke topografische kennis moet die neushoorn, die zoo
rechtuit er op afging, in zijn kop hebben gehad, een kennis, die
ongetwijfeld op persoonlijk verkregen ervaring berustte. Dat is de trap
van verstandelijke ontwikkeling, van waar wij ons moeten voorstellen,
dat het paard is uitgegaan.
Ook aan Schillings is de sterke individueele verscheidenheid niet
ontgaan. Daarin is misschien wel het meest beteekenisvolle verschijnsel
gelegen van het geheele hoogere dierenleven, maar hoe weinig is dat nog
onderzocht. Hoeveel bronnen van meeningsverschil tusschen
dierenschilders berusten daarop. Individueele trekken worden bij het
teekenen der karaktertrekken onwillekeurig onbetwist tot soortkenmerken
verheven, later neemt dan een tweede onderzoeker een individu waar, dat
geheel anders handelt, en meent dan het recht te hebben tot de
scherpste critiek; en toch hebben individueel beiden gelijk. Niet
zelden leidt dit tot geringschatting van het intellectsleven der
dieren, welke geringschatting tegenwoordig bij critisch aangelegde
personen zoo geliefd is als tegengif tegen het oude „jagerslatijn”,
maar even dikwijls weer niet minder „critisch onjuist” is. Iemand rilt
van het denkbeeld, dat het ééne of andere bijzonder stompzinnige,
onervaren en onpractische menschenexemplaar als voorbeeld zou genomen
worden voor het verstand van het geheele menschdom; maar ook de meest
sceptische dierenpsychologie is bij het geringe en aan zoo groote
toevallen onderhevige materiaal steeds aan die mogelijkheid prijs
gegeven. Het is volkomen dezelfde quaestie als bij het bang geworden,
in een paniek medegesleepte dier. Het handelt dan steeds naar de meest
blinde, oogenblikkelijke aandrift van zijn instinct, dikwijls zelfs
zóó, dat dit instinct het dier juist het tegengestelde laat doen van
wat noodig is, en dus in dat speciale geval zoo onnoozel mogelijk. Hoe
gemakkelijk kan men nu uit een zoodanig gedrag de gevolgtrekking
afleiden, dat in de hersenen van een dergelijk dier zoo goed als geen
verstand in het spel is. Nu moet men echter eens een vergelijking
maken, hoe menschen zich bij een paniek gedragen, en welken indruk dat
gedrag zou maken op een kalmen waarnemer, die overal die handeling
verwacht, die in dat individueele geval zoo practisch mogelijk is, als
hij dat gedrag bij voorbeeld in vogelperspectief kon overzien, zooals
hij het werk der mieren beschouwt. Aan den anderen kant moet men bij
voorbeeld eens letten op een muis, hoe zij zich zinneloos gedraagt in
den eersten panischen schrik, hoe zij de eenvoudigste mogelijkheid om
te vluchten over het hoofd ziet—en hoe zij handelt, als (misschien
eerst na eenige uren) die razernij overwonnen is en het verstand weer
begint individueele mogelijkheden tot vlucht te beproeven, om op de
ééne of andere wijze toch nog van den toestand zooveel mogelijk partij
te trekken en met overleg en volharding de redding door te zetten; men
zou meenen, twee geheel verschillende wezens vóór zich te hebben,
waartusschen de geheele weg nog gelegen was naar het werkelijke
verstand.
Nog van een ander voorwereldlijk schepsel moet hier een woord tot slot
worden gezegd, om den kring der bijloopers bij het oorspronkelijke
paard nog vol te maken. Het is vroeg weer op aarde verdwenen, maar dank
zij de groote Amerikaansche vindplaatsen zien wij zijn goed bewaard
gebleven geraamte tegenwoordig, in het oorspronkelijke of in gips
afgegoten, dikwijls in onze musea voor palaeontologie.
In zijn meest volkomen vorm heet hij het „Titanotherium”. Het is over
dien vorm in zijn tijd nooit heengekomen.
In zekeren zin kan het Titanotherium, dat niet langer bestaan heeft dan
tot in de miocene periode, juist het best aan de neushoorns worden
aangeknoopt. Zonder eenigen twijfel is ook zijn stam een korte zijloot
van den paardenstamboom, maar die toch een eind ver voor ontwikkeling
vatbaar is, en die zich evenals de tapir en de neushoorn in de
nabijheid der jongere vospaardjes afscheidde. Wij kunnen in
Noordamerika nog overgangsvormen herkennen, die in die richting liepen
zonder nog den lateren eindtoestand te bezitten. Ook het echte
Titanotherium heeft nog aan de voorpooten de vier teenen van den tapir
en de oudste neushoorns. Maar zijn gestalte overtrof spoedig in grootte
verre de afmetingen van den tapir. Reeds in dit opzicht vertoonden die
vreemde bijloten der paardachtige dieren de eigenaardigheid van den
neushoorn. Zelfs hebben zij eindelijk den neushoorn nog ver achter zich
gelaten. Zwaarder in bouw, maar in hun geheel hooger dan de grootste
rhinoceros, zijn zij geëindigd met de grootte van olifanten. Hun
merkwaardigste lichaamsdeel was echter hun schedel. Hij doet denken aan
den neushoorn, maar loopt in de merkwaardigste speling weer ontzaglijk
ver daarvan af.
Wij hebben gezegd, dat de hoorn op den neus van den rhinoceros een
reusachtige verharding is van de huid, waarin echter geen echte beenige
haak zit. Toch heeft zich de schedel van den neushoorn eenigszins aan
het bestaan dier horens als draagbalken aangepast. Waar zij de
neusbeenderen belasten, ziet men ook aan den schedel de daarmede
samenhangende verhoogde stevigheid om dien last te dragen. Met den
hoorn op het voorhoofd van het elasmotherium was zelfs een opgeblazen
en dik beenkussen op dat voorhoofd in overeenstemming. Stellen wij ons
nu een dergelijk kussen nog een eind hooger van den schedel uit naar
voren gedreven, dan moest dat toch langzamerhand den horen ontlasten,
daar het dien voor een deel verving. Langzamerhand was een hoornscheede
op de beenwoekering van den schedel voldoende, zooals onze ossen die
hebben. Doch ten slotte kon ook dat zelfs wegvallen. De
beenderenvoorsprong zou kunnen omkleed worden met een eeltachtige huid,
en dan zou deze nog altijd een van verre zichtbare hoornversiering
vormen,—het zou echter een open vraag zijn, of deze hoorn zoo
veerkrachtig zou zijn voor het stooten, en de hersens, die in den
schedel gelegen zijn, zou bevrijden van al te sterke schokken.
Intusschen moest echter de beenige hoorn ook van het voorhoofd naar den
neus verhuizen. En evenals bij die voorwereldlijke neushoorns, die
naast elkander twee neuswapens droegen, op ieder der beide
neusbeenderen één, rechts en links, zoo moest ook de beenwoekering zich
in tweeën splitsen, opdat op ieder neusbeen een afzonderlijke
voorsprong kwam. Wij hadden dan uit een neushoorn een zoo eenvoudig
mogelijk, echt Titanotherium gemaakt.
Van zijn neus, maar wel te verstaan, nu niet van de eeltvormig verharde
neushuid, maar van het been zelf, stegen twee korte, dikke komkommers
evenwijdig naar boven. Met een eeltvormige huid oppervlakkig bedekt,
moeten zij van verre in ieder geval eenigszins geleken hebben op een
stompen dubbelen hoorn, zooals die bij den neushoorn voorkomt, alleen
moet bij een stoot de eigenlijke schedel zelf opspringen. Ik geloof nu
niet, dat die beenige horens van het Titanotherium werkelijk gestooten
hebben, in de beteekenis, waarin de tegenwoordige rhinoceros dat doet.
Zij maken op mij den indruk niet van een sabel maar van een vreedzaam
werktuig, alsof zij oorspronkelijk als hefboom bestemd waren. Ik zeide
vroeger, dat de eelthoorn van den neushoorn misschien in het
allereerste begin ook een breek- en hefwerktuig is geweest in de
doornstruiken en het dichte oerwoud, en eerst later de rol van wapen er
bij heeft gekregen. De peenvormige beenderen op den neus van het
Titanotherium zien er volkomen zoo uit, als waren zij nooit over dat
oorspronkelijke doel heengekomen. Wij hebben een ander geslacht van
hoog op de pooten staande reuzen in de oudste tijden en tegenwoordig,
dat, van de oudste tijden af blijkbaar een zeer karakteristieke
woudbewoner, breekijzers en hefboomen, om de boomen in het woud te
ontwortelen, met een ander deel van zijn schedel heeft ontwikkeld, en
wel met de snijtanden; ik bedoel de olifanten met hun ontzaglijke
slagtanden. Niet zonder reden gelijken de Titanotheriën in
lichaamshoogte juist op die olifanten. Ik houd ook deze op een bepaalde
trap hunner ontwikkeling voor een uiterste aanpassing van den
equidenstam aan het woud. Hun bijlen, breekijzers en hefboomen, hun
„slagtanden” werden daar gevormd door het dubbele peenvormige been op
den neus. In dat oorspronkelijke dikke woud zullen er wel geen
aanvallers geweest zijn, die voor die kolossen gevaarlijk waren, zoodat
het wel nooit gekomen is tot echte, spitse aan die hefboomen geplaatste
horens met het doel zich te verdedigen. En in deze opvatting word ik
versterkt door een zeer leerrijke analogie bij een verdere ontwikkeling
van die Titanotheriën nog juist voordat hun bestaan was afgesloten, met
een eigenaardige ontwikkeling, die een zekere soort van olifant,
namelijk de mammouth, kort vóór zijn ondergang heeft doorloopen.
Evenals de andere olifanten, had ook die mammouth zijn stootwerktuigen
medegekregen als wapen onmisbaar voor den pionier bij het „ontginnen
van de bosschen”, dat wil zeggen voor het maken van paden in het
oerwoud en het afbreken van takken (wij spreken later nog over de
bijzondere methode bij dat werk der olifanten). In de diluviale periode
bewoner geworden der mossteppen in het hooge noorden, waar geen boomen
gevonden werden, had het geen bestemming meer voor die breekwerktuigen.
Zoo kwamen zij in een stadium van „hypertrophie”, zij groeiden uit tot
kromme arabesken zonder zin, die zonder eenig nut den drager langen
tijd hebben bezwaard en gehinderd en eindelijk waarschijnlijk een
oorzaak zijn geweest van zijn ondergang. Dit is ten minste het zeer
voor de hand liggende en logische vermoeden, door Brandes, den
voortreffelijken leider van den zoölogischen tuin te Halle, geuit, een
vermoeden, dat werkelijk aansluit aan de in ieder geval volkomen
onbruikbaar gekromde, krulvormige slagtanden der mammouths uit het
diluviale tijdperk. Het slotbedrijf in het leven der Titanotheriën
levert nu daarmede een zóó treffende analogie, dat men die werkelijk
mag mede tellen onder de bewijsmiddelen voor de verklaring bij den
mammouth gegeven.
Kort voordat zij weer voor goed van de aarde verdwijnen, vermeerderen
zij tot in het onmetelijke. Geheele lagen, afgezet in het
Noordamerikaansche gesteente, dragen haar naam naar de ontzaglijke
ophooping van hunne beenderen. Die lagen zijn afkomstig uit den tijd,
toen daarginds de reeds genoemde Protapirus, en van den echten
paardenstam de driehoevige paardachtige dieren van de grootte van een
schaap, leefden. Het is, alsof een uitwendige verandering in het
landschap in die dagen aan het Titanotherium plotseling een tijdlang de
allergunstigste levensvoorwaarden had geboden. Te gelijk echter begint
in de geraamten van die zoo ontelbaar toegenomen schepselen een, zoo te
zeggen, woest en wild varieeren. Allerlei vervloeien, allerlei
spelingen, allerlei goochelen en heen en weer schommelen in de
kenmerken begint. En dit geldt in de eerste plaats de breekijzers van
den neus. Juist zooals die mammouthtanden groeien zij ten slotte uit
tot ware vermommingen. Men staat er versteld van, hoe een dier met een
dergelijken beenderigen snavel nog behoorlijk kon eten, zoolang hem het
voedsel niet gewoon weg in den bek groeide. Als werktuig kon de dunne
vork in ieder geval onmogelijk meer worden gebruikt. Noodzakelijk moet
men denken aan de belemmerende kromme klauwen, waarin de hoeven der
wilde ossen in de zoölogische tuinen veranderen, als zij niet meer
gebruikt worden, en aan de potsierlijke woekertanden bij hazen, als de
daarmede overeenkomstige andere snijtand, die anders zijn vis à vis
door afslijting wist te regelen, toevallig is uitgevallen:
woekertanden, die zich als spiralen oprollen. Wat hier van tijd tot
tijd het individu wedervaart, schijnt daar de geheele soort te hebben
getroffen. Bij de weelderigste voeding varieerde ook hier een orgaan,
dat niet meer werd gebruikt, zonder eenige regelmatigheid, tot in het
zinnelooze. Naar alle waarschijnlijkheid waren die Titanotheriën uit
het dichte woud in de vrije, weelderige grassteppen gekomen. Hun
neushefboomen waren daar niets anders meer dan een stuk speelgoed, zij
ontsnapten volkomen aan de controle van het nuttige in den arbeid. Maar
toen dat nu zijn toppunt had bereikt, was het, als veegde een storm
plotseling het geheele geslacht weg. En men begrijpt volkomen, dat een
plotseling hernieuwde eisch van den strijd om het bestaan korte metten
moest maken met die gehypertropheerde gemaskerde neuzen, nadat zij
vroeger (overdrachtelijk gesproken), steeds zeer behagelijk hadden
kunnen blijven voortleven. De minste aanvaller, die opnieuw ten
tooneele verscheen, en in eenigerlei opzicht gevaar kon opleveren,
moest wel onmiddellijk met dien reus kunnen klaar komen, die door zijn
ontzaglijke beenderwoekeringen niet werd beschermd, maar juist weerloos
gemaakt. Zij moesten in eenigszins anderen vorm het lot ondergaan van
die lompe Dodo’s of Dronte’s van het eiland Mauritius, die, daar zij
langen tijd zonder eenigen vijand hadden geleefd, hun vleugels hadden
afgeschaft en hun lichamen in vettonnen hadden veranderd; tot op het
laatste exemplaar vielen zij als slachtoffers der eerste menschelijke
bezoekers. In de beteekenis van de theorie van Darwin geloof ik er wel
is waar niet aan, dat een diersoort zich zelf door hypertrophie van
organen onmiddellijk te gronde kan richten, als het ware door eigen
groei een zelfmoord kan plegen. Varianten, die onmiddellijk op
innerlijke evenwichtsgronden van den lichaamsbouw tot een bankroet
zouden leiden, zouden zich binnen de soort niet hebben gehandhaafd, en
de toestand zou zich zelf weer van zelf hebben moeten regelen. Bij
dergelijke woekerende beenige verzweringen betrof het echter
buitensporigheden, die langen tijd volmaakt onverschillig waren, en die
bij gelijkmatige uitwendige omstandigheden nog maar wat meeliepen
zonder nut maar ook zonder eenig bezwaar. Het doodvonnis werd eerst
over hen uitgesproken, toen van buiten wijzigingen optraden in den
strijd om het bestaan, waarin zij plotseling ongunstige kansen
aanboden. Hier werd de buitensporigheid hun tot verderf. Voordat in zoo
en zooveel geslachten die buitensporigheid weer kon worden uitgeroeid,
had deze de soort in haar geheel reeds vernietigd als gevolg van de
nieuw gestelde eischen.
Heeft ons dus de zoölogische tuin in tapir en neushoorn toch nog
minstens twee stations der oudere geschiedenis van het paard gered, in
den vorm van een beeld, dat zeer duidelijk is voor hem, die in de zaak
is ingewijd, er bestaat bovendien nog een derde middel tot
onmiddellijke aanschouwing. De zoölogische tuin laat ons ook het
voltooide paard zien nog op zijn trap als wild paard, voordat het in
symbiose met den mensch heeft geleefd.
Er kan in ieder geval hieromtrent geen twijfel bestaan: ook die trap
heeft tegenwoordig reeds een historisch karakter, het karakter eener
overlevende reliquie. De groote bloeitijd der ongetemde wilde paarden
is op onze planeet eveneens reeds lang voorbij. In onze periode van het
leven op aarde zijn het in verval gerakende, uitstervende dieren. Juist
in de meest karakteristieke dingen, die ons hier belang inboezemen,
komt ons onderzoek hier weer eens erg laat, meestal te laat.
Uit die groote bloeiperiode der wilde paarden moet onze menschelijke
cultuur haar tam paard hebben te voorschijn gehaald. Dit beginsel staat
absoluut vast. Daar dit cultuurpaard ten slotte toch het uitgangspunt
is geweest voor onze belangrijkste deelneming aan het geheel, moet hier
de spanning tot het hoogst klimmen. Maar de storm heeft weer
onverbiddellijk er over heen geveegd. De lange ketens van overgangen
van oude wilde paarden tot aan de rassen onzer cultuur ontbreken ons
geheel en al. Aan den éénen kant staan die rassen steil tegenover ons
als voltooid werk, aan de andere zijde als een paar toevallige
reliquieën van den stam. Zal er iets voor den dag komen, dan moeten ook
hier de fijne wegen der bewijzen door aanwijzingen worden betreden.