Neemt men aan, dat dergelijke gewoonten, overgenomen van het ééne of

andere oorspronkelijke paardachtige dier, het pantserachtige zware

geplooide hemd en in zijn gevolg ook (als uiterste resultaat van een

neusknobbel in die huid) den hoorn hebben geschapen, dan is het overige

geschiedkundige verloop werkelijk tamelijk doorzichtig. De dikke huid

en de hoorn maakten van het schuwe vluchtende dier langzamerhand een

bijna niet aan te tasten weerbaar en aanvallend dier. De rhinoceros is

tegenwoordig zelfs tegenover den mensch één der vreeselijkste

aanvallers, die er in onze hedendaagsche dierenwereld zijn. Daarmede

echter werd het van minder belang, of hij zoo goed kon rennen en of het

dier zich verder ontwikkelde in de richting der beweeglijkheid (hoewel

de neushoorn tegenwoordig nog in geval van nood een flinke renner is)

terwijl te gelijker tijd pantser en neuswapen door hun toenemend

gewicht er toe leidden, dat de geheele machine in dien zin geremd werd

en er een oeconomische besparing in de beweging plaats had. Zoo blijkt

het onvermijdelijk geweest te zijn, dat de neushoorn niet is overgegaan

tot het steil opbouwen van zijn werkelijken paardenhoef en het tot één

geheel maken der teenen, maar dat hij in al de taaiheid van zijn leven

bij het stadium van driehoevig dier is blijven staan. Het vrije kloppen

van het vlakke veld met slechts één veerkrachtigen hoef en daarbij in

de eerste plaats de volharding van het paard is hem vreemd gebleven.

Zelfs zijn drie hoeven heeft hij niet verder ontwikkeld in de richting

van lichte kloppers van den grond, maar hij is meer overgegaan tot een

stempelgang; het deel der pooten onder het polsgewricht en het

spronggewricht gelegen, verbreedt zich gelijkmatig, totdat het den

bodem bereikt, waarop het rust met de eivormige zool; de middelste van

elk drietal hoeven is ongeveer tweemaal zoo breed als ieder der beide

zijdelingsche. Het dier draagt daardoor zijn ontzaglijk gewicht op zijn

manier nog al gemakkelijk, ja zelfs bijna sierlijk, terwijl hij

bovendien dreigend snel kan loopen als op zachte pantoffels; wij leggen

den nadruk op „nog al” gemakkelijk, en dat nog wel alleen binnen

beperkte ruimten. Van dieren, die verder trekken, zijn de neushoorns

dieren geworden, die blijven op een bepaalde plaats, en van gezellige

dieren, zijn zij in verhouding tot hun bloedverwanten, de paarden,

kluizenaars geworden. De eenhoornige neusdieren leven, naar men meent,

in zeer bijzondere strenge monogamie. De jonge tweehoornige neushoorn

uit Oostafrika, die niet lang geleden door Schillings gebracht was in

den zoölogischen tuin in Berlijn, vertoonde een zeer in het oog

vallende, in haar soort werkelijk aandoenlijke liefde voor een paar

kleine geiten, welke liefde, in Afrika begonnen, zich in Berlijn

voortzette tot groot vermaak van alle bezoekers—wat toch een bewijs is

van de ten minste beperkt voortdurende behoefte naar gezelligheid van

dat dier, dat eertijds in kudden leefde.

Het is niet gemakkelijk, om nu dezen theoretischen weg met werkelijke

historische feiten te illustreeren. Wel behoort de neushoorn tot de

weinige dieren, die ons niet alleen tot heden levende nakomelingen

achterlaten, maar die ons in bijzondere omstandigheden ook lijken uit

de voorwereldlijke dagen zelf hebben overgeleverd met huid en vleesch.

Nog in de diluviale periode, te midden van de groote verandering in

klimaat der zoogenaamde ijsperiode, leefden, zooals wij reeds

opmerkten, ook in Duitschland talrijke steppenneushoorns. Vooral in

Taubach bij Weimar is er door praehistorische menschen in groote

hoeveelheden op gejaagd en zijn zij neergeveld, zooals uit de

uitgegraven overblijfselen van die beroemde vindplaatsen der

oorspronkelijke menschelijke beschaving duidelijk wordt aangetoond.

Evenals van de mammouths, zoo zijn nu ook van dien diluvialen neushoorn

enkele ijsmummies in de plooien van sedert dien tijd niet ontdooide

Noord-Siberische gletschers tot heden toe bewaard gebleven. Men kan

daaraan nog een dichten rood en wit gevlekten pels op de harde huid

herkennen, evenals op den mammouth uit die dagen, die ook dik behaard

was in tegenstelling met onze tropische olifanten van tegenwoordig. Het

ligt voor de hand, dat neushoorns, die op gletschers gingen wandelen,

zich in ieder geval een verwarmenden haarpels hadden aangeschaft, ook

al waren hun voorvaderen reeds wie weet hoe lang te voren bijna zuiver

naakthuidige dieren geweest. Men moet denken aan den ijsbeer, bij wien

zelfs onder dergelijke omstandigheden de voetzolen een pelsbedekking

hadden. Hoe interessant die geheele zaak met die in stand gebleven

Siberische mummies ook moge zijn, leidt zij ons toch slechts naar een

uitzonderingsgeval op een betrekkelijk zeer laat geologisch tijdstip.

Uit de oudere lagen, waarop het eigenlijk aankomt, hebben wij

daarentegen weer alleen beenderen, en kunnen wij zelfs over de horens

alleen gevolgtrekkingen maken uit den schedel, die daaraan toch in

meerdere of mindere mate eenigszins is aangepast.

Toch zijn de overgeleverde geologische bijzonderheden op zich zelf

interessant genoeg. Wat zij ons in de eerste plaats onweerlegbaar

aantoonen, is, dat ook de neushoorn niet maar een eenvoudige nevenvorm

is op den reeds veroverden trap van het paardachtige dier met drie

hoeven, maar dat het, evenals die vroeger genoemde „oude dieren” of

Palaeotheriën, een zij het dan ook ten slotte onvruchtbaren aanloop van

eigen ontwikkeling een eind ver ten minste in zich zelf heeft

gehandhaafd.

De oudste schedels, die ontegenzeggelijk iets bezitten van den lateren

rhinoceros, zijn reeds afkomstig van de grens der vospaardjes. De

dieren, tot wie die schedels behoorden, waren klein en hadden

oorspronkelijk aan den voorpoot nog de vier vingers, die de tapir tot

heden nog heeft behouden. Het bezit van zuivere drie hoeven is daarna

blijkbaar eerst zelfstandig verkregen binnen den zijtak aan gene zijde

van de vertakking uit den paardenstam. Het is ook mogelijk, dat die

vertakking, die dus zeker ook reeds bij de vospaardjes volgde, eerst

recht over den Lophiodon ging, die in een andere richting veel

conservatiever den Protapirus en den tapir heeft voortgebracht. In

ieder geval is die zijtak daarna nog een heel stuk op zich zelf verder

geloopen. De plaats was oorspronkelijk naar alle waarschijnlijkheid ook

Amerika. Daar wendde zich een zeer oude groep in weerwil van haar reeds

merkbaar neushoorntype nog eens met kracht naar de richting van het

loopen der echte paardachtige dieren. In die groep ontwikkelden zich

lange halzen en hoe langer hoe slankere onderbeenen met een bepaalde

voorkeur voor den middenteen. Hier zou het dus in Amerika zelf bijna

tot een evenwijdigen tak zijn gekomen, die onafhankelijk pooten en een

gang als van paarden had voortgebracht. Maar ook dit kan niet verklaard

worden in de beteekenis der vroeger besproken theorie der verschillende

wegen bij ons paard, immers zelfs als die poging was gelukt, zouden

daarbij toch slechts dieren voor den dag zijn gekomen met pooten als

van paarden, maar met een kop als van een neushoorn, dat ziet men reeds

bij het eerste begin; maar die geheele soort van hardloopende

neushoorns is trouwens vroeg weer uitgestorven.

Een andere oude groep ontwikkelde haar hoektanden tot groote

slagtanden. Misschien was dat een uiterste groep van wortelgravers, die

echter nog geen hoorn bezaten. Maar daaruit is ook verder niets

geworden.

Bij de echte neushoorns in den engeren zin, dus bij dat gedeelte van

den zijtak, dat nog tot op onze dagen voortleeft, is betrekkelijk het

duidelijkst, wat wij nog wankelend en als het ware heen en weer

schommelend kunnen volgen, de hoorn. Een aantal vertegenwoordigers

maken onmiddellijk den vasten indruk, dat zij nog geen horens droegen,

ten minste in ieder geval geen neushoorn. Men heeft ze dan ook de

aceratheriën, de „hoornlooze neushoorns” genoemd, een woord, dat

volkomen juist uitdrukt, dat een bepaald type van neushoorns in ieder

geval historisch reeds bestond, ook voordat het werkelijke neuswapen

nog behoefde te bestaan. Zoodanige hoornlooze dieren hebben in het

midden der tertiaire periode blijkbaar reeds in groote hoeveelheden in

Noordamerika geleefd, maar ook in Duitschland hebben zij nog wat later

in het Rijndal voortgeleefd. Ook zij hadden nog steeds stevige onderste

hoektanden, die als het ware geschikt waren om te graven, en aan den

voorpoot nog een heel klein vierde kwastteentje.

Die kleine kortbeenige langgerekte nijlpaardneushoorns, waarover wij

reeds gesproken hebben, dragen daarentegen hun hoorn ver aan de

voorzijde op de uiterste spits der neusbeenderen. Een gelijktijdig

voorkomende tweede soort heeft reeds den naam van tweehoornigen

neushoorn, doch dit beteekent hier, dat op ieder neusbeen een

afzonderlijke hoorn zat, zoodat de beide horens niet achter, maar naast

elkander uitstaken, iets wat een uiterst vreemden indruk moet hebben

gemaakt. De merkwaardigste proefneming was echter de keus tusschen een

hoorn gewoon op den neus en een op het voorhoofd.

Bij onze levende tweehoornige rhinocerossen moet reeds eenvoudig uit

gebrek aan plaatsruimte de tweede hoorn, als deze achter elkander

gelegen zijn, in plaats van op de echte neusbeenderen, op het

voorhoofdsbeen boven de oogen komen. Nu bestond echter een tijd lang

blijkbaar ook de mogelijkheid, dat slechts één hoorn werd ontwikkeld,

maar dat ook deze op het voorhoofd werd geplaatst. Het type, dat hier

ontstond, moest, zooals wel onmiddellijk duidelijk wordt, tot een dier

leiden, dat thans behoort tot de „mythen der zoölogie: een nog meer of

minder op een paard gelijkend groot wezen met een langen, spitsen hoorn

op het voorhoofd—in het kort tot den éénhoorn”. Onze wapens vertoonen

ons dat legendarische, overal beroemde dier als een heuschelijk paard

met een langen, gedraaiden hoorn, die scheef op het voorhoofd naar

boven loopt. De mythe, dat die „éénhoorn” een nog levend schepsel is,

is uit het oosten afkomstig. Wat men als het wapen van den zoogenaamden

eenhoorn in vorstelijke variëteitenmusea als een hoogst merkwaardig en

kostbaar iets bewaarde en men in kleine hoeveelheden zelfs als

allervoortreffelijkst geneesmiddel aan vorstelijke patiënten ingaf, is

gebleken iets geheel anders te zijn: die gedraaide spitse stangen zijn

niets anders dan een echte tandmassa, en wel zijn zij als geheel ieder

een kolossale hoektand, die afkomstig is van een zeezoogdier, den

narwal, dus van een walvisch. Aan wat voor een dier echter de mythe van

den éénhoorn zich vastknoopt, is tot op den huidigen dag niet met

zekerheid opgelost; mogelijk is intusschen het volgende.

In die oude tijden schommelde het tongetje van de weegschaal, in welke

richting bij bepaalde rhinocerossen de hoorn zou gaan, zooals gezegd

is, heen en weer; het was niet uitgemaakt, of hij op den neus, dan wel,

zooals dat bij de eenhoorns zou moeten zijn, op het voorhoofd zou

komen. Bij die aceratheriën waren de neusbeenderen inderdaad zóó zwak,

dat zij zeker geen hoorn konden dragen. Daarentegen vermoedt men, dat

toen reeds vormen, met een hoorn op het voorhoofd, voorkwamen. En dat

is dan het beginsel en tevens de uiterste consequentie geworden bij een

in zijn soort werkelijk afgrijselijken neushoorn, die nog in de

diluviale periode in de Rijnprovinciën en in Siberië heeft geleefd,—het

Elasmotherium. Zijn gereconstrueerd beeld hebben wij reeds in ons

„Dierenboek” weergegeven. Het was de grootste neushoorn, die ooit heeft

bestaan. De schedel alleen was ongeveer een meter groot. In zijn

hoektanden liet hij de grootste buitensporigheid zien, die ooit bij

tanden van neushoorns waren waargenomen: in hun prismatischen vorm met

zwakke wortels zijn het formeele paardentanden geworden, als wilde hier

nog eens voor het allerlaatst een neushoorn als uitlooper ten minste in

dat ééne punt den paardenstam trachten in te halen. Te gelijker tijd

zijn echter de glazuurplooien zóózeer in arabesken gewonden, dat men

herinnerd wordt aan den echten bijlooper der paardachtige dieren, het

Hipparion, het dier, dat onder dezen de meest buitensporige windingen

der tandplooien doet zien. Blijkbaar dus in ieder opzicht een groote

zonderling. Dat Elasmotherium heeft nu op het voorhoofdsbeen boven de

oogen (en alleen hier, niet ook op den neus) een zóódanigen

halfbolvormigen beenknobbel, dat er werkelijk geen andere verklaring

mogelijk is, dan dat daarop een ontzaglijk groote hoorn heeft gezeten.

Voor dien reus met de kracht en de woede van een neushoorn ongetwijfeld

een ontzettend wapen. Een beter geologisch model voor den eveneens als

een vreeselijk dier geschetsten eenhoorn der mythe is niet goed

denkbaar. Nu is het echter met die diluviale dieren een eigenaardige

zaak. In hun tijd zijn zij zeker wel allen nog door menschen gezien en

gejaagd, in ieder geval door praehistorische menschen. Vele soorten

zijn toen volkomen verdwenen, zoo bij voorbeeld die roodgevlekte

neushoorns van Weimar, die groote overeenkomst hadden met onzen

tegenwoordigen tweehoornigen Afrikaanschen neushoorn, de mammouths en

nog andere. Andere zijn echter tot heden in stand gebleven. De muskusos

leeft nog binnen den poolcirkel, de Saiga-antilope in Zuidrusland, het

wilde paard in Centraalazië—allen makkers uit dien voormaligen tijd.

Beenderen van het Elasmotherium liggen in Siberië. In dat Siberië

verhalen nu Mongoolsche jagerstammen, de Toengoezen, van ontzaglijke

zwarte stieren, die eens bij hen het land onveilig zouden hebben

gemaakt; op het voorhoofd zouden zij één enkelen hoorn hebben gedragen,

zóó groot, dat een geheele slede nauwelijks groot genoeg was, om dien

als jachtbuit te vervoeren. Is dat nog een gerucht van het

Elasmotherium, dat nog voor het laatst weerklinkt? En heeft de mythe

van den éénhoorn daar zijn aanknoopingspunt gevonden? Het zijn alles

open vragen, maar merkwaardig genoeg, waarvoor wij misschien later nog

eens aanwijzingen zullen vinden.

Intusschen moeten wij ons hiermede tevreden stellen, dat van al die

merkwaardige bijloopers der paardachtige dieren, de neushoorns, nog een

paar pronkstukken levend tot ons gekomen zijn. In Noordamerika zijn zij

reeds vroeg geheel verdwenen. Naar Zuidamerika schijnt reeds geen

enkele soort meer gekomen te zijn, toen de verbinding daarmede weer

hersteld was. Daarentegen heeft de oude wereld voor hen reeds van een

bepaalden voorwereldlijken tijd af als hun natuurlijke woonplaats

gediend, waar zij zich langen tijd zoo weelderig mogelijk hebben kunnen

ontplooien. Met heel wat meer energie dan de tapir hebben zij aan de

invallende koude daar in het noorden nog weerstand geboden, maar

eindelijk zijn ook zij alleen tot de tropen beperkt geworden. Op het

hoogland van Tibet, waar de sneeuwluipaard op roof uitgaat en op de

hellingen van het Himalayagebergte de merkwaardige Gnoe klimt, hebben

ten slotte nog neushoorns geleefd, die aan die gebergten waren

aangepast,—tegenwoordig vinden wij ook van deze nog slechts beenderen.

Toch zijn nog drie scherp van elkander gescheiden soorten levend tot

ons gekomen, een nieuw bewijs, hoe dat oude geslacht zich op

verschillende wijzen heeft ontwikkeld.

De ongetwijfeld meest oorspronkelijke en in zijn soort meest op zich

zelf staande vorm, is die, welke in onze zoölogische tuinen het

zeldzaamst is. De bezoeker dier tuinen pleegt zich in te prenten, dat

de Aziatische neushoorn de eenhoornige, de Afrikaansche daarentegen de

tweehoornige is. Hier moet hij echter er nog bij leeren, dat er

feitelijk ook een Aziatische tweehoornige neushoorn bestaat, die er

echter geheel anders dan de beide anderen uitziet. Naar de plek, waar

hij het eerst ontdekt werd, is men gewoon hem Sumatraanschen neushoorn

te noemen, maar hij komt in een vastelandsvorm ook wel in Achterindië

voor. Ongetwijfeld is hij ontsproten uit een oorspronkelijker tak van

den stamboom en leidt nog het diepst in de reeks der nog tertiaire

rhinocerossen. Zijn kiezen komen het minst met die van paarden overeen,

zij blijven kort en zonder cement, zijn huid is betrekkelijk dun (en

hoewel hij niets te maken heeft met die noordelijke pelsvormen) nog in

het oog loopend sterk behaard. Daarenboven is hij kleiner dan alle

andere en hij draagt den achtersten hoorn zóóver terug, dat deze nog

den echten stand heeft van den eenhoorn.

Een exemplaar, dat Mützel (in Hecks „Dierenrijk”) meesterlijk heeft

geteekend, vertoont beide horens bijna alleen in den vorm van groote

knobbels, en het geheele dier herinnert bijna aan een grooten, zeer

haveloozen en geplooiden tapir. Met dit uiterlijk kwam volkomen een

Sumatraansche neushoorn overeen, dien ik lange jaren geleden in den

„Jardin des Plantes” te Parijs levend heb gezien; deze was alleen

dichter behaard. Volkomen dergelijke knobbelig korte horens heeft een

opgezet paartje uit Malakka in het Londensche museum van natuurlijke

historie; de dragers van die horens zijn twee in het oog vallend

leelijke dieren, wier lange en verdroogde koppen bijna overeenkomen met

krokodillenmuilen, die men heeft vastgemaakt aan het harige lichaam van

een zoogdier. Des te interessanter was voor mij echter een levend dier

van den zoölogischen tuin, dat den Achterindischen vastelandsvorm in

een prachtexemplaar deed zien. Het leefde daar reeds sedert geruimen

tijd, en een (in het jaar 1900 gestorven) wijfje van diezelfde soort

had het daar zelfs twee en dertig jaar in de gevangenschap uitgehouden.

Dezen keer was de voorste hoorn een ontzettend groot en lomp wapen in

vergelijking met het kleine lichaam; de achterste vormde ook hier

slechts een breeden heuvel. Aan het lichaam kwam de plooiing zeer sterk

voor den dag. Buik en pooten waren zeer dicht, wollig en bruinzwart

behaard. De rug was op enkele plaatsen slechts met korte haarborstels

bezet en overigens als het ware glad afgeschuurd, de ooren daarentegen

hadden een dikken pikzwarten rand, waaraan de naam „ruwoorneushoorn”

zijn oorsprong ontleent. De geheele kleur neigde tot het roode. De

pooten leken bijna sierlijk in verhouding tot den grooten kop. Terwijl

ik naar hem keek, nam hij de hurkende zithouding der honden op het

achterdeel aan, die zoo dikwijls beschreven en afgebeeld is bij den

Afrikaanschen neushoorn.

De grootste tegenstelling met dezen kleinen harigen neushoorn levert de

sedert de oudste tijden bekende Indische neushoorn op. Vroeger over

geheel Vóórindië verspreid, leeft hij tegenwoordig nog alleen in de

zuidelijke voorgebergten van den Himalaya en is hij blijkbaar op het

punt van uit te sterven. Met hem verdwijnt één der meest ornamenteele

dieren der aarde. Hij ziet er uit, als uit steen gehouwen, een prachtig

beeldhouwwerk der natuur, dat alleen leelijk kan gevonden worden door

iemand, die geen oog heeft voor stijl. Ook hem bekomt de gevangenschap

zóó goed, dat hij daarin stokoud wordt, en dat hij ook hem, die niet

zelf in de tropen kan rondreizen, ten minste een blik doet slaan op een

volwassen en volkomen ontwikkelden neushoorn.

De levensuitingen, die men aan een dergelijken steenen kolos daar kan

waarnemen, zijn trouwens zoo spaarzaam mogelijk. Een op en neer wippen

der oogen, als hij lui in de zon ligt, en plotseling een ruk als van

een vliegenklap. De gang is katachtig zacht op zijn veerkrachtige

zoolkussens, die voor mij bij de ontzaglijke grootte steeds iets

beangstigends, iets spookachtigs heeft—men meent, dat hij achter iemand

kan komen staan met zijn kop met potsierlijke ooren, zonder dat men hem

hoort aankomen. De papegaaienbek, die open staat als om te bedelen,

stelt in de gelegenheid de verregaande verkwijning van het voorgebit

gemakkelijk te bestudeeren. En ten slotte het oog, dat

onvergelijkelijke oog van den rhinoceros, dat iets zoo eigenaardig boos

heeft als geen ander oog van een zoogdier. De neushoorn kan in den

waren zin dol van woede worden, hij handhaaft dan, zooals ik reeds

vroeger heb gezegd, het onweerstaanbaar impulsieve van het schuw

wordende paard, maar niet zooals deze als verdediger, maar als

aanvaller. Maar dit is wel niet van toepassing op den bedelaar, die

zich daar aan het getraliede hek door kinderen laat voederen, en van

wien wij weten, dat hij als echtgenoot en vriend ook zijn teedere

gevoelens heeft. Het oog van den rhinoceros heeft veeleer in zijn

uiterlijk iets, dat aan een zoogenaamd „boos oog” doet denken.

Men zoekt het in het gelaat op een andere plaats, namelijk open en rond

onder de diepe inzinking van het voorhoofd. Maar dan ziet men het

plotseling heel ergens anders, veel lager, bijna eerst daar, waar men

de neusgaten verwacht, en het komt juist bij den hoorn voor den dag,

zoodat men het niet kon zien, zonder te gelijker tijd de bedreiging van

het vreeselijke wapen te ondervinden. De booze indruk wordt in den

oogappel nog hierdoor versterkt, dat onder de donkere pupil bij iedere

beweging zooveel wit voor den dag komt. Als men den neushoorn zoo

boosaardig ziet dreigen met blik en hoorn, zou men werkelijk meenen,

dat hij in staat was onder het lichaam te hollen van den olifant op

hooge pooten en hem een doodelijken stoot van beneden naar boven toe te

brengen, zooals dit in het zoölogische sprookjesboek der strijdlustige

oudheid, bij den ouden Plinius, zoo aardig geschetst is, maar in de

werkelijkheid toch niet voorkomt. Het paard heeft immers in de mythe

altijd reeds een groote rol gespeeld met zijn merkwaardigen kop en

blik. Hoe zou dit nu niet het geval zijn met dit gepantserde paard, dat

zijn wapen op een zóódanige plaats heeft, alsof het inderdaad met zijn

oogen den stoot toebracht!

Van alle levende soorten der neushoorns heeft deze echte Indische

neushoorn het meest zijn huid werkelijk in een pantser veranderd. De

groote leeren platen hangen in de plooien juist zooals op zich zelf

onbeweeglijke platen in verschuifbare geledingen. Daar echter ook die

platen door een uitgebreide knobbelvorming iets van een wegnevelend

mozaiekbeeld hebben, een trek, die bij een nauw verwante soort overgaat

in een werkelijke sierlijke uitwendige begrenzing der veelhoekige

lederen schilden, — dringt de overeenkomst met een wezenlijken drager

van een hard pantser onder de zoogdieren krachtig naar voren, en wel

die met het gordeldier. Men zou een oogenblik het denkbeeld kunnen

koesteren, dat wij hier alleen te doen hebben met een ineenvloeien van

echte mozaiekplaten, zooals bij die Glyptodonten van Zuidamerika,

waarover wij hebben gesproken. Aan het embryo van den neushoorn komt

met iedere wrat of ieder knobbeltje of met ieder schildje inderdaad een

duidelijke op zich zelf staande harde huidpapil overeen. Zouden er

achter die Indische vormen reeds vroeger eens neushoorns geweest zijn,

die mozaiekpantsers droegen, welke volmaakt overeenkwamen met die der

gordeldieren, in ieder geval uit een zóó leerachtige massa bestonden,

dat daarvan niets versteend werd en dus de geologie ons geen

uitsluitsel kon geven?

Ook naast dezen grooten gepantserden Indischen neushoorn bestaat er een

eilandvorm, de zoogenaamde Wara, of Javaansche neushoorn, die echter

eveneens verbreid is over het vasteland van Achterindië, zooals de

Sumatraansche neushoorn. Deze heeft die fijnere mozaiekbedekking,

waarvan wij reeds gesproken hebben. Het merkwaardigst is echter, dat

eertijds ook de Afrikaansche tweehoornige neushoorns, die tegenwoordig

zoo scherp van de andere zijn afgescheiden, onmiddellijk naast die

Indische voorkwamen: hun beenderen liggen nog in het diluvium van

Madras. Dit was dus in dezelfde periode, waarin die roodgevlekte

neushoorns van Weimar in Duitschland leefden, en ook die Duitsche,

later Siberische pelsrhinocerossen waren immers, zooals wij gezegd

hebben, niet anders dan met een pels voorziene dubbelhoornige

neushoorns van de familie der tegenwoordige Afrikaansche neushoorns.

Die stam moet dus in een nog volstrekt niet ver afgelegen tijd de meest

zegevierende en meest verspreide geweest zijn van alle overlevenden.

Wat kan nu de reden zijn, dat zij zoo plotseling uitsluitend beperkt

zijn geworden tot het aequatoriale Afrika? Een vraag, waarop geen

antwoord kan worden gegeven.

In ieder geval was echter dat Afrika op het oogenblik, dat de

Europeanen der cultuurperiode met hun vuurwapenen in dat land

aankwamen, het meest met neushoorns gezegende land der geheele wereld,

als men het aantal kolossen rekent, en ook tegenwoordig wemelt het in

Duitsch en Britsch Oostafrika nog van hen, ten minste in het gebied van

den Kilimandsjaro. Het is de plek, waar Schillings zijn meesterlijke

momentopnamen heeft gemaakt. Aan hem zijn wij ook de tot nu toe beste

beschrijvingen van den wilden steppenneushoorn verschuldigd.

Het paard · 第 9 / 16 段