Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker
zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het
niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en
miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had
gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde
omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan,
en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef.
Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van
tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel
Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig,
nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats
gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen
blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom
hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine
aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen
volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die
zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond,
langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir
evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel
onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een
kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te
worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der
gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.
Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft,
zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch
kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den
Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in
vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander
geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de
ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed
ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook
die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een
zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.
Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk
noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij
gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een
analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een
dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die
dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde
eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens
zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een
loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van
halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of
„oude dieren” heeft genoemd.
Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te
voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het
was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen
tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene
periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam.
Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte
lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir.
Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven
geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd.
Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den
ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet
te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt
vospaard was.
Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als
geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm
zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten
in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens
bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in
tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der
drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar
alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren
dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den
eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden
die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden
geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin
van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens
naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen.
Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden
van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als
hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met
groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met
een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe
zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den
hoofdstam.
De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe
gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel
onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland,
Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische
Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de
eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was
bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De
kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een
heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan
de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap
van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en
het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig
door die Palaeotheriën verworven.
Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als
ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van
de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard”
onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben
kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit
bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer
groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een
rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te
worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de
richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste
Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de
oude, eocene periode uit.
Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die
Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai
geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak,
ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het
Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier
doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er
uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.
Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen,
evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die
onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde
uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat
krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar
anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van
leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog
heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de
reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien
ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige
overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.
Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen
neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners
„dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk
overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een
schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi.
Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een
metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van
het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een
dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een
overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist
Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe
natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De
neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee
met elkander verbindt en wat ze scheidt.
Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone,
Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan
door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried
uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een
groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd.
Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem
al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid
met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op
den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich
daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een
aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok
te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker
geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het
nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den
geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere
paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het
bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De
razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer
noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier,
dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele
kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt
hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn
soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als
het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast
ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die
grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het
vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna
zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den
schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude
paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor
de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen
nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich
daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling
opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in
postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.
Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de
natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd,
natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid
aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou
wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam
in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede
dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het
paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan
weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet
eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de
tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap
dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst
in hem moet uitgraven.
Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle
vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is
daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter
de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij
hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden
lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam
daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het
grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die
verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie
hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.
En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een
geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien
de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware
levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan
voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en
kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden
en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval.
Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke
bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste
vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker
tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste
van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit
alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van
neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den
bovensten trap volkomen vervuld is.
Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even
onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende
paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale
grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een
neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte
reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de
vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als
grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den
neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der
Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een
meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude
exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.
Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één,
gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er
volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het
allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig
dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog.
Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de
reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig
zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop
van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is
volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat
een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge
klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van
een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken,
zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote
eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke
woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van
haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen.
Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer
vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch
weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe
hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels
veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn
behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen,
takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de
meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat
gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten
eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan
oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de
noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels
te breken.
In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen
zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij
een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo
ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld
met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van
eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is
gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven
allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte
afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der
huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk
naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze
reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt.
Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld
de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard
heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het
water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde
voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten,
schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en
hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide
teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd.
Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt
aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed
van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij
den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene
lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop,
bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den
tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak
een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open
steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich
beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen
steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de
steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste
inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de
stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de
wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een
andere eigenschap geeft te denken.
Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het
meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen
tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij
overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot
kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen
met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag
stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar
alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de
jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er
geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder
typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan
als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft
aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten
doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de
paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan
de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire
periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten
moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den
strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval
denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft
tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van
slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der
teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het
haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros
en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces
tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil
van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en
blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook
(hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid
strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van
hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten
te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd
door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor
rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt
aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche
steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen
tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen,
die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen
en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft
weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid
op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar
wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren”
aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra
een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en
maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud
paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal
daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren
niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult
balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.