Zooals de grootere en vettere Indische tapirs, zoo zijn ook die

Amerikaansche tapirs, die in volwassen toestand bijna effen donker

zijn, dieren der tropen. De meeste van die oude diervormen hebben het

niet meer verstaan, toen het tropische klimaat, dat in het oligocene en

miocene tijdperk over geheel Europa en Noordamerika bestond, plaats had

gemaakt voor een gewijzigd klimaat, zich aan die gewijzigde

omstandigheden aan te passen; in het noorden zijn zij te gronde gegaan,

en hebben het alleen daar uitgehouden, waar het klimaat tropisch bleef.

Zoo verklaart zich zonder moeite, dat het tapirvolk, dat eertijds van

tropisch Amerika af tot aan tropisch Azië leefde over geheel

Noordamerika, Europa en de tusschenliggende landbruggen, tegenwoordig,

nadat in het noorden zooveel wisselingen van het klimaat hebben plaats

gegrepen, alleen nog slechts aan de twee uiterste hoeken der tropen

blijft voortleven. En het is mij daarbij alleen onbegrijpelijk, waarom

hij ook uit het aequatoriale Afrika is verdwenen. De eenige kleine

aanpassing, die hij nog op het Zuidamerikaansche vasteland heeft kunnen

volbrengen, was het opstijgen in het gebergte, in de Cordillera’s, die

zich zelf eerst in de tertiaire periode, toen de tapir reeds bestond,

langzaam uit het vlakke oerwoud hebben omhoog gewerkt, en den tapir

evenals een groot deel van den plantengroei uit het oerwoud heel

onmerkbaar hebben medegevoerd. Iets meer wollig behaard en met een

kleine neiging, om aan wangen en randen der ooren weer lichter te

worden, gaat de bergtapir daar nog tegenwoordig langs de beken der

gebergten tot op een hoogte van twee duizend meters.

Merkwaardig is daarbij, dat twee van die, wat hun woonplaats betreft,

zuiver Amerikaansche tapirsoorten zonder schabrak, in een anatomisch

kenmerk (den bouw van het neustusschenschot) dichter staan bij den

Indischen tapir dan de beide andere Amerikanen. Het is, alsof in

vroegere tijden hier twee oorspronkelijke varianten naast elkander

geïmmigreerd zijn, die beide bijna donker bleven, terwijl alleen de

ééne van hen ook naar Indië kwam en daar het zwart-witte kleed

ontwikkelde. Men zou daaruit de gevolgtrekking kunnen maken, alsof ook

die ver afdwalende spruit der oorspronkelijke equiden van huis uit een

zoon van Noordamerika is geweest, zeker wat den rijkdom betreft.

Naar den feitelijken toestand zou dit anders niet onvoorwaardelijk

noodig behoeven te zijn. Toen de tapir ontstond, leefden, zooals wij

gezien hebben, vospaardjes zoo goed in Europa als in Amerika. En in een

analoog geval weten wij tamelijk zeker, dat het ontstaan van een

dergelijken weelderigen tak aan den oudsten equiden-stamboom in die

dagen feitelijk ook in Europa heeft plaats gegrepen. Juist in diezelfde

eocene periode, toen de stam der tapirs zich, in het begin trouwens

zeer zacht, afboog van het station der vospaardjes, moet daar nog een

loot zijn voortgebracht, die leidde tot een groep van

halfpaardachtigen, die men op hun korte hoogtepunt Palaeotheriën of

„oude dieren” heeft genoemd.

Cuvier doopte ze zoo, toen hij hun beenderen in groote hoeveelheden te

voorschijn haalde uit de gipslagen van den Montmartre te Parijs. Het

was toenmaals het eerste uitgestorven zoogdier, dat uit ver vervlogen

tijden—de gips daar was een afzetting uit een groot meer uit de eocene

periode—in nog al groote gedeelten van zijn skelet te voorschijn kwam.

Cuvier ontwierp zijn geheelen omtrek en zelfs het met vleesch bedekte

lichaam, dat hij in hoofdzaken het type gaf van den grooten tapir.

Later heeft een tot in bijzonderheden volkomen bewaard gebleven

geraamte de geniale juistheid van die teekening schitterend bevestigd.

Men had hier echter bij dien reeds lang weer verdwenen bewoner van den

ouden Parijschen zeeoever, zooals Cuvier ook reeds zag, volstrekt niet

te doen met een echten tapir. Wij weten thans, dat het ook geen echt

vospaard was.

Het Palaeotherium, dat door Cuvier langen tijd zóó populair bleef als

geen tweede uitgestorven dier, was in dien duidelijk uitgesproken vorm

zoo groot en nog grooter dan een tapir, het naderde bij enkele soorten

in grootte tot den neushoorn. Daarbij had het op dien trap, die tevens

bijna reeds zijn laatste was (nog in de eocene periode is het in

tegenstelling met den taaien tapir weer uitgestorven), aan ieder der

drie voeten eigenlijk slechts drie hoeven in gebruik, waarbij nog maar

alleen aan de voorvoeten een griffelbeen kwam van den pink. Hier waren

dus vospaard en tapir eigenlijk reeds voorbij gestreefd tot in den

eerstvolgenden hoogeren trap der equiden. En merkwaardiger wijze hadden

die Palaeotheriën ook reeds tanden, die veel meer op die van paarden

geleken. Op hun hoogsten trap hadden zij in de kiezen reeds een begin

van cementvulsel, terwijl die kiezen goed uitgegroeid waren, en tevens

naderden hier de voeten bijna reeds tot het stadium der kwasthoevigen.

Maar toch is er geen sprake van echte, voorwaarts schrijdende equiden

van den hoofdstam, en Cuvier had in ieder geval nog meer gelijk, als

hij ten minste den uitwendigen totalen omtrek in verband bracht met

groote tapirachtige dieren, die zeer licht van voet waren. Men zou met

een zekere onrust een antwoord kunnen wachten op de vraag, waar en hoe

zich dan die merkwaardige uitloopers moeten hebben afgescheiden van den

hoofdstam.

De plaats is, zooals wij reeds mededeelden, volgens alle tot nu toe

gedane vondsten, alleen Europa; uit Amerika is geen enkel overblijfsel

onzer musea afkomstig, terwijl de beenderen in Frankrijk, Engeland,

Zwitserland, en in groote hoeveelheden op de Zwabische en Frankische

Alpen liggen. De oplossing van het geheele raadsel is zeker wel, dat de

eigenlijke plaats der vertakking, evenals bij den tapir, gelegen was

bij de vospaardjes, en wel zeker bij de Europeesche uit die dagen. De

kleine, weelderig bloeiende tak heeft zich dan echter blijkbaar een

heel stuk ver werkelijk zelfstandig naar boven opgewerkt—hooger nog dan

de tapir in weerwil van zijn taai voortleven ooit is gekomen. De trap

van het griffelbeen naar den pink, die bij den tapir nog kwast is, en

het cement in de kiezen zijn naar alle waarschijnlijkheid zelfstandig

door die Palaeotheriën verworven.

Dit is nu weer interessant in verband met het vroeger meegedeelde. Als

ooit een zijtak den aanleg had gehad, in den zin van die hypothese van

de evenwijdige dubbele ontwikkeling een „Europeesch paard”

onafhankelijk voort te brengen, dan zouden het die Palaeotheriën hebben

kunnen doen. Wat is echter te voorschijn gekomen? Wij kunnen dit in dit

bijzondere geval nauwkeurig nagaan. Een groote tapirvariant met zeer

groote tapirtanden met eenig cementvulsel en met tapirpooten met een

rudimentairen pink van voren en eenige neiging een kwastjestapir te

worden. Maar dat was dan ook alles. Van verdere ontwikkeling in de

richting van het echte paard anders geen spoor. Het laatste

Palaeotherium sterft, zooals wij reeds hebben gezegd, reeds met de

oude, eocene periode uit.

Het is echter volstrekt niet te ontkennen, dat het jammer is, dat die

Palaeotheriën in ieder geval op hun ontwikkelingstrap niet zoo taai

geweest zijn als de tapir. Terwijl de tapir, hoewel dan ook als zijtak,

ons in menig opzicht thans nog het vospaardje doet zien, het

Palaeotherium had ons eenigszins het voorwereldlijke paardachtige dier

doen zien (al is het dan ook niet volkomen getrouw), zooals het er

uitzag op het station van het zuiver driehoevige dier.

Gelukkig toeval! Die Europeesche lijn is verdwenen tot op de beenderen,

evenals de driehoevige paarden zelf. In Noordamerika echter was in die

onverwoestbaar productieve eocene periode toen ter tijde nog een derde

uitlooper ontkiemd, die zich eenerzijds even stevig, ja zelfs nog wat

krachtiger, op dien trap der driehoevige dieren plaatste, maar

anderzijds, toen hij eenmaal daar was gekomen, dezelfde taaiheid van

leven heeft geopenbaard als de tapir, zoodat wij in allen ernst ook nog

heden zijn nakomelingen in onze dierentuinen vinden. De neushoorn, de

reusachtige rhinoceros met zijn hoogst karakteristieke gestalte, dien

ieder kind kent, is niets meer of minder dan eveneens een zoodanige

overoude, afgedwaalde driehoevige equide uit die dagen.

Toen Albrecht Dürer de schets gezien had van een ouden Indischen

neushoorn, gaf hij daarnaar een uitgewerkte teekening, die in Gesners

„dierenboek” is medegedeeld. Het kolossale dier is op een gedeeltelijk

overdreven, gedeeltelijk karakteriseerende wijze omgestileerd tot een

schepsel, dat een kunstig pantser draagt als voor een tornooi.

Onwillekeurig denkt men aan de ridderpaarden van vroeger, die een

metalen harnas als een ijzeren huid om zich heen hadden. De hoorn van

het monster maakt den indruk van de scherpe punt van een dolk op een

dergelijk paardenharnas. Die teekening van Dürer, waarbij een

overmoedige luim de teekenstift schijnt te hebben geleid (het was juist

Dürer, die als hij de dieren zag, ze tot in het huiveringwekkende toe

natuurgetrouw kon weergeven), heeft onbewust de waarheid gevoeld. De

neushoorn is een verpantserd paard. Hierin is uitgedrukt, wat die twee

met elkander verbindt en wat ze scheidt.

Men stelle zich een kwaden ouden hengst voor van meer dan gewone,

Herculische krachten. Door het ééne of andere toeval, nemen wij aan

door een huidziekte, is zijn huid hard geworden als die van Siegfried

uit de Sage. Deze is daarbij zwaar, ruw, vol vouwen geworden als een

groot veld van litteekens, en tevens bijna geheel van haren beroofd.

Maar zij is van nu af aan zóó hard, dat menige vroegere aanvaller hem

al niets meer kan maken. Op verschillende plekken is die Siegfriedhuid

met tamelijk dikke eeltknobbels bezet. Een dergelijke knobbel is ook op

den rug van zijn neus gekomen. Oorspronkelijk heeft het dier zich

daarmede gewreven, toevallig daarmede gestooten. Daarna is het, als een

aanvaller kwam, er toe overgegaan den knobbel met opzet als stootblok

te gebruiken. Daardoor is de verharding langzamerhand dikker en dikker

geworden, totdat zij eindelijk een wapen vormde, zooals het paard het

nooit heeft bezeten, en wel een wapen dat te gelijker tijd op den

geheelen kop drukte. Nu had de leelijke klant het gezelschap van andere

paarden niet meer noodig, hij kon nu alleen wel den strijd om het

bestaan voeren. Zoo vermeed hij de kudde en werd hij kluizenaar. De

razende vlucht voor den vijand was nu voor hem niet langer

noodzakelijk. Zoo werd hij in het gewone leven logger, als een dier,

dat niet meer zoo vlug behoefde te zijn. Terwijl vroeger zijn geheele

kracht zich concentreerde op het onrustige, vluchtige voortjagen, zoekt

hij die nu op toenemende afmetingen. Hij wordt een reus naast zijn

soortgenooten. Maar toch sluimert in hem nog altijd de oude renner. Als

het noodig is, vliegt ook hij nog voort als een stormwind, wat haast

ongeloofelijk schijnt bij die stijve huid, dien zwaren kop en die

grootte. De levendigheid, het impulsieve van den angst in het

vluchtende paard is bij hem, die thans de aanvaller is, tot bijna

zinnelooze woede geworden. Al is zijn oog opmerkelijk klein onder den

schaduwwerpenden toren van den grooten neusknobbel, toch zijn de oude

paardenzintuigen niet uitgedoofd. Als het ware als een vergoeding voor

de stijve huid, die bijna geheel gevoelloos is, is zijn reukvermogen

nog scherper geworden. Die huid is zóózeer versteend, dat vogels zich

daarop neerzetten als op een rots. Maar wanneer die plotseling

opvliegen, weet het dier dat signaal te verklaren, en stelt het zich in

postuur tegen het naderende gevaar. Zoo ontstond de neushoorn.

Zoo eenvoudig als ik het in die enkele zinnen heb verhaald, zijn de

natuurlijke wegen, die het dier in zijn ontwikkeling heeft gevolgd,

natuurlijk niet geweest. Maar er ligt toch een allegorische waarheid

aan ten grondslag. De neushoorn, die met zijn indrukwekkend, men zou

wel kunnen zeggen van potsierlijkheid stijlvolle gestalte weer eenzaam

in den zoölogischen tuin schijnt te staan als nauwelijks een tweede

dier, is in beginsel alleen te begrijpen, als men de trekken van het

paard daarin tracht te vinden en die begrijpt. Maar men moet die dan

weder van een historisch oogpunt opvatten. Ook de neushoorn is niet

eerst later uit ons reeds gevormde paard ontstaan, evenmin als de

tapir. In hem steekt een oude trap der equiden, en het heeft dien trap

dan nog individueel zóó vervormd, dat men dien als het ware nog eerst

in hem moet uitgraven.

Van alle levende hoefdieren is de neushoorn het eenige, dat op alle

vier pooten op drie teenen, drie hoeven loopt; de middelste voetteen is

daarbij de stevigste. Wie hem in den dierentuin met die pooten achter

de tralies ziet staan, kan met het oog op dat getal zeggen, dat hij

hier werkelijk nog één der driehoevige paardachtige dieren in levenden

lijve vóór zich ziet. Die driehoevige dieren van den echten stam

daarginds in Amerika van de grootte van een schaap, zoowel als het

grootere Anchitherium, dat tot zelfs naar Europa rondzwerft, die

verloren zoon van den stam op dien trap,—liepen indertijd, met die drie

hoeven, zooals de neushoorn het thans nog doet.

En met een zoo vroegen trap van paardachtige dieren zijn ook weer een

geheele reeks andere karakteristieke dingen in overeenstemming. Indien

de neushoorn op dat station gedurende millioenen jaren als het ware

levend versteend is, zooals dit bij den tapir op het daaraan

voorafgaande station het geval is geweest, dan moeten scheenbeen en

kuitbeen, ellepijp en spaakbeen aan die vier onderbeenen nog gescheiden

en tevens volkomen ontwikkeld zijn; en dit is ook inderdaad het geval.

Bij zijn kiezen zouden de verbindende dwarsjukken der oorspronkelijke

bergtoppen reeds meer versterkt zijn dan bij den tapir, en de eerste

vullingen met cement zouden moeten begonnen zijn, terwijl te gelijker

tijd de korte tand zich als het ware op de wijze der paarden ten koste

van den wortel zou moeten beginnen naar boven uit te strekken; dit

alles kan men zelfs binnen de verschillende nog levende soorten van

neusdieren op meerdere overgangstrappen volgen, totdat het op den

bovensten trap volkomen vervuld is.

Daarbij komen trouwens nu ook spoedig de trekken, die ons even

onmiskenbaar wijzen op den uitlooper, het afdwalende, ver afwijkende

paardachtige dier uit die dagen. In de eerste plaats de kolossale

grootte. Reeds vroeger is gezegd, hoe juist zulke uitloopers een

neiging hadden grooter te worden dan de vertegenwoordigers der echte

reeks, die naar het paard leidt. De tapir was ook grooter dan de

vospaardjes. Maar hier is het verschil zelfs met het echte paard als

grootste eindstation nog geweldig groot. De lichaamslengte van den

neushoorn kan vier meters overtreffen. Indien enkele horens der

Afrikaansche soorten in de musea nog een heel eind langer zijn dan een

meter, dan weet men nauwelijks, hoe ontzettend groot men zich het oude

exemplaar moet denken, dat een dergelijk wapen op den neus kon dragen.

Die horens, waarvan de levende soorten gedeeltelijk slechts één,

gedeeltelijk ook twee dragen (enkele abnormale individuen bezitten er

volgens Schillings zelfs tot vijf toe) zijn dan zelf bijna het

allermerkwaardigste aan die reuzen; geen enkel paard of paardachtig

dier toch heeft ooit voorheen iets dergelijks bezeten of bezit het nog.

Doch men meene niet, dat die horens de dieren zoo bijzonder ver uit de

reeks wegleiden, als het oppervlakkig schijnt. Als zij eenmaal aanwezig

zijn, „drukken” die hoorns in ieder geval sterk op den vorm van den kop

van den rhinoceros. Zij bepalen in zekeren zin dien vorm. Maar het is

volstrekt niet waar, wat de leek steeds geneigd is aan te nemen, dat

een dergelijke hoorn zelf een stuk schedel is. Hoe vreemd het ook moge

klinken, die hoorn is een stuk huid. Ik heb dien zooeven afgeleid van

een soort eeltknobbel. Als men het nog pakkender zou willen uitdrukken,

zou men werkelijk kunnen zeggen, dat hij een ontzaglijk groote

eksteroog is. Naar zijn inwendigen bouw is het een ontzaglijke

woekering der epidermis, de opperhuid, waarin zich een soort van

haarvormige hoornvezels tot een bijzonder stevige massa vereenigen.

Daarom kan die onder bepaalde omstandigheden worden afgeworpen en weer

vervangen worden zooals een eksteroog, die wordt afgesneden en toch

weer aangroeit. Als men direct aan onze eigen handen waarneemt, hoe

hard werk met een bepaalde plek der handen, steeds weer eeltknobbels

veroorzaakt, en men tevens hoort, hoe de wilde neushoorns hun hoorn

behalve voor den aanval ook vlijtig gebruiken om zich een weg te banen,

takken te breken en wortels uit te trekken, dan kan men moeilijk de

meening van zich afzetten, dat een steeds hernieuwd gebruik van dat

gedeelte van den neus gedurende een aantal geslachten dien grooten

eeltknobbel eindelijk moet hebben gekweekt; dat gebruik moet dan

oorspronkelijk gegrond geweest zijn op de gewoonten en de

noodzakelijkheid bij de ontstaande neushoorns, om zoo takken en wortels

te breken.

In ieder geval echter moet een zoo ontzaglijke eeltvorming volkomen

zonder beendereninhoud wel niet anders denkbaar geweest zijn dan bij

een dier, waarvan de huid om andere redenen reeds in het algemeen zoo

ongeloofelijk ruw en hard geweest was, en in vergelijking bij voorbeeld

met de echte huid van een paard inderdaad reeds een soort van

eeltmassa. Hoe de neushoorn aan een dergelijke „rhinoceroshuid” is

gekomen, is een vraagstuk op zich zelf. Bij de boven gegeven

allegorische voorstelling zeide ik, dat zij van een huidziekte

afkomstig kon zijn. Laat ons liever zeggen: van een vervorming der

huid. Naar analogie van dien specialen hoornknobbel moest men eigenlijk

naar een prikkel zoeken, die tot op zekeren graad op dergelijke wijze

reeds vroeger op de geheele huid van het lichaam zou hebben gewerkt.

Men zou weer kunnen denken aan de rol van het water, die bij voorbeeld

de met caoutchouc overeenkomende gladde dikke huid van het nijlpaard

heeft geschapen. Ook de neushoorns zijn groote liefhebbers van het

water, zooals men in iederen zoölogischen tuin kan waarnemen. Bepaalde

voorwereldlijke geslachten van neushoorns, de zoogenaamde teloceraten,

schijnen diezelfde eigenschap in het overdrevene te hebben bezeten, en

hun algemeene vorm met hun bijzonder korte beenen en uitgespreide

teenen moet inderdaad onmiddellijk aan het nijlpaard hebben herinnerd.

Maar in den hoofdstam van hun in het leven gebleven vormen ontbreekt

aan de neushoorns het eigenlijk „los geraakte”, het onder den invloed

van het water vervloeide der gestalte bijna in even sterke mate als bij

den olifant; bij al zijn logheid, die bepaald wordt door de algemeene

lichaamszwaarte en vooral door de eenzijdige belasting van den kop,

bewaart de rhinoceros nog iets straks, veel meer dan wij dat bij den

tapir waarnamen. Op zijn weeke zolen is hij toch in het wezen der zaak

een slenterende voetganger, dien men zich het liefst denkt in een open

steppe met kreupelhout, zooals hij die in tropisch Afrika voor zich

beschikbaar vindt. Beenderen van voorwereldlijke neushoorns liggen

steeds weer vereenigd met die van echte paardachtige dieren uit de

steppen. In de diluviale periode, toen Europa nog zijn laatste

inheemsche neushoorns levend bezat, behoorden zij nog tot de

stoffeering van de steppe en voedden zij zich met steppengras zooals de

wilde paarden uit die dagen en de Saïga’s of steppenantilopen. Doch een

andere eigenschap geeft te denken.

Over den eenhoornigen neushoorn, wiens huid het sterkst geplooid en het

meest met wratten is voorzien, kan men somtijds in den zoölogischen

tuin de vergelijking hooren, dat hij er uitziet als ware hij

overtrokken met een korst van slib, die, na gedroogd te zijn, tot

kussentjes is opgestapeld. Nu is de wilde neushoorn boven zijn eigen

met plooien bedekte huid werkelijk ook nog overtrokken met een laag

stof of slib. De grootste Afrikaansche soort, die tegenwoordig naar

alle waarschijnlijkheid reeds bezig is uit te sterven, draagt in de

jachtverhalen gewoonlijk den naam van den „witten neushoorn”, hoewel er

geen witte rhinocerossen als soort bestaan. De hier blijkbaar bijzonder

typische gewoonte, zich rond te wentelen in poelen met slijk, en dan

als het ware met een heldere „kalklaag” rond te loopen, heeft

aanleiding gegeven tot dien naam. Een dergelijke deklaag heeft ten

doel, te beschermen tegen insecten. Men weet, hoe vreeselijk juist de

paarden door muskieten geplaagd worden. Dat is nu van oudsher tot aan

de oorspronkelijke paardachtige dieren uit het begin der tertiaire

periode zeker eveneens het geval geweest. De strijd met de insecten

moet van oudsher één der moeilijkste factoren geweest zijn uit den

strijd om het bestaan van alle hoefdieren. Het is dus in ieder geval

denkbaar, dat een groep van oude equiden juist dit middel gemaakt heeft

tot een vaste gewoonte, om zich vóór iederen tocht met een korst van

slijk te overtrekken. Hierin kon dan de prikkel of de factor der

teeltkeus gelegen hebben, die de huid zelf langzamerhand wijzigde. Het

haar zou dan bijna geheel verdwenen zijn, de huid daarentegen zich bros

en knobbelachtig verdikt hebben. Men zou kunnen zeggen, dat het proces

tot heden toe bij de neushoorns niet geheel is voleindigd. In weerwil

van hun dikke huid hebben zij nog steeds van insecten te lijden en

blijven zij zich met slijk bedekken, evenals de olifant zich immers ook

(hier met de practische hulp der slurf) gaarne stof over zijn huid

strooit. Het kan ook zijn, dat de insecten in de verfijnde wijze van

hun aanvallen zelf door eigen aanpassing dat sluwe middel hebben weten

te verijdelen, immers tegenwoordig wordt de neushoorn vooral geplaagd

door teken (woudluizen) waarvan ééne soort, de Dermacentor

rhinozerotis, als plaaggeest in het bijzonder alleen aangepast schijnt

aan den neushoorn, en alle andere groote dieren der Oostafrikaansche

steppe versmaadt. Een zekere hulp tegen die onaangenaamheid schijnen

tegenwoordig weer de ossenpikkers te bieden, een soort van spreeuwen,

die gewoon zijn over den reusachtigen rug van den neushoorn te loopen

en die de parasieten weghalen, om die te verteren. Doch ook dit heeft

weer zijn bezwaren, daar de vogels met hun spitsen snavel de dikke huid

op verschillende plaatsen erg kunnen verwonden. Maar ook dit bezwaar

wordt weer geneutraliseerd door het nut, dat die gevederde „huisdieren”

aan den anderen kant weer opleveren: immers de vogels vliegen, zoodra

een vijand maar eenigszins in de nabijheid komt, krijschend op, en

maken zoo den neushoorn opmerkzaam, die wel is waar, als een oud

paardachtig dier, voortreffelijk speurt, maar slecht ziet, en overal

daar door zijn zintuigen in den steek wordt gelaten, waar het speuren

niet helpt, terwijl de vogels (die in het steppengras hoog op zijn bult

balanceeren) omgekeerd voortreffelijk zien.

Het paard · 第 8 / 16 段