Voor de kwasthoevigen zou er een kleine kans bestaan, als het bij

toeval eens gelukte een paartje van de vroeger besproken misgeboorten

uit onzen tijd, bij wie nog een kwastteen bij wijze van atavisme

gevonden werd, in één onzer dierentuinen verder te fokken. De beelden,

die ik van dergelijke vertraagde „Hipparionpaarden” tot nu toe heb

gezien, maken trouwens met hun vreeselijke logheid van den geheelen

voet steeds op mij een slechten indruk van een ziekelijken, veel te

weligen groei, die ten minste geen beeld zou kunnen geven van een in

het algemeen zoo sierlijken kwant als het Hipparion. Omgekeerd kan de

in het „Dierenboek” beschreven klipdas, die tegenwoordig bijna in

iederen zoölogischen tuin wordt gevonden, een denkbeeld geven van den

benedensten hoek bij het station der oorspronkelijke hoefdieren; hij

geeft ons het begrip van een kleinen voorganger van het paard uit een

ver van ons afgelegen oorspronkelijke wereld, een dier van de grootte

van een konijn, met een dikken pels en met platte voeten met

verschillende teenen. Daarmede zou nu het materiaal zijn afgesloten,

als niet de oneindige rijkdom der natuur aan spelingen ons niet nog een

onverwachten uitweg had geboden, die voor ons een volkomen nieuwen en

uiterst leerrijken en tevens aanschouwelijken hoek van den zoölogischen

tuin plotseling weder vruchtbaar weet te maken.

Dat ons huispaard en de schoon geverfde zebra nauw bij elkander

behooren, weet iedere leek. Ook de enge verwantschap van paard en ezel

is van oudsher algemeen bekend. De dierentuin pleegt daaraan reeds

uitdrukking te geven, en wel hierdoor, dat hij die typen een plaats

naast elkander inruimt, wanneer dit gaat zelfs in een bepaald

„paardenhuis”. Maar er is daar nog een bijzonder pronkstuk, dat de

plaats niet met hen deelt, maar dat door den bezoeker daar eveneens

gezocht wordt in verband met zijn naam: het nijlpaard of de

hippopotamus. Die kolos, onvergetelijk voor een ieder, die hem eenmaal

heeft gezien, heeft intusschen in weerwil van den naam direct absoluut

niets te maken met onze echte paarden en evenmin met de oude equiden

der voorwereldlijke tijden. Zijn naaste verwanten zijn de zwijnen, dus

dieren, zeer ver van het paard verwijderd. De leek wordt weer eens door

een woord op een dwaalspoor geleid; de Grieksche dierenschilders hebben

daartoe het eerst aanleiding gegeven.

Die oude Grieken hadden het nijlpaard in Afrika gevonden, dat

wonderland van de grootste en meest merkwaardige zoogdieren. Toen vele

eeuwen later de Europeesche cultuur het tropische Amerika ontdekte, dat

reeds van het begin af de verrassende beelden van een volkomen nieuwen

menschenstam en een nooit gezienen weelderigen plantengroei vertoonde,

kwam er een korte periode, waarin men geloofde, dat die „nieuwe wereld”

ook dergelijke ongehoorde typen van reuzendieren moest opleveren. Het

bleek echter zeer spoedig, dat dit onjuist was. Amerika was toen arm

(verarmd is eigenlijk het juistere woord) aan groote zoogdieren.

Toch ontdekte men langzamerhand in kleinere afmetingen menigen vorm,

die, ten minste wat de groep betreft, waartoe zij behoorden, verwant

scheen aan de Afrikaansche reuzen. En de eerste berichten uit

Zuidamerika omtrent dieren kondigden hier nu ook een nijlpaard aan uit

de nieuwe wereld, al was het dan ook een miniatuur-nijlpaard. In de

moerassige bosschen der onmetelijke stroomgebieden aan den Orinoco en

de Amazonenrivier moest het wonen, evenals zijn reusachtige broeder aan

den Boven-Nijl. Het dier, dat men hier op het spoor was, leefde

werkelijk, en tegenwoordig vindt men het in iederen zoölogischen tuin.

Maar het is geen Amerikaansch nijlpaard. Het heeft niets met het

nijlpaard te maken. Het was de tapir, dien men op die wijze onverhoopt

had ontdekt. In de achttiende eeuw, in den tijd van den grooten Buffon,

werd men er zich ook uit een dierkundig oogpunt van bewust, dat men

hier een eigenaardig, individueel dier voor oogen had. Men beschouwde

het nu als een typischen vertegenwoordiger van een zuiver Amerikaansche

dierengroep, die in de oude wereld in het geheel niet vertegenwoordigd

was, en rekende den tapir naast luiaard en gordeldier tot de

zoölogische wonderen van Amerika.

Doch in het begin der negentiende eeuw moest men hier weer iets anders

leeren. In de dagen van Buffon was de sage onder de dierkundigen

verspreid, dat het echte nijlpaard, al is het dan ook niet in Amerika,

dan toch in de oude wereld, dus ook in Indië huisde. In dien vorm was

dat weer onjuist geweest. Maar ook hier wierp de ontdekking van een

merkwaardig zoogdier der Indische tropen haar schaduw voorop. In de

Chineesche werken over natuurlijke historie was dat schepsel reeds lang

beschreven. Ook Europeanen, die echter toevallig niet allen

natuuronderzoekers waren, die aan het gilde waren aangesloten, hadden

het langzamerhand herhaaldelijk gezien. Het hoogtepunt werd bereikt,

toen een exemplaar, dat nog steeds niet beschreven en nog niet benoemd

was, in een kleinen zoölogischen tuin te Calcutta kwam. Daar werd nu

dan toch in 1816 iemand er opmerkzaam op. Het was reeds de bloeitijd

van den grooten Cuvier. Cuvier had juist de uiterst vermetele stelling

verkondigd, dat er nu wel geen enkel groot en in het oog vallend

zoogdier op aarde was, dat nog zou kunnen worden ontdekt. De straf

volgde op den voet, voor zoover dit voor een zoo opgewekten ontdekker

een straf kon zijn. Cuvier zelf moest in het jaar 1819 de eerste

diagnose van dat dier uit Calcutta publiceeren. Het gold, zooals

ontwijfelbaar bleek, een Indischen tapir. Al vertegenwoordigde de

Amerikaansche tapir daarginds niet het nijlpaard, toch

vertegenwoordigde hij dus een echt in de oude wereld aanwezig dier.

Maar toch geen Afrikaansch dier. Behalve uit het Indische en

Amerikaansche gebied is sedert dien tijd geen levende tapir meer bekend

geworden. Wat voor een „bloedverwant” had men echter in die beiden vóór

zich?

Indien de tapir werkelijk een verkapt miniatuur-nijlpaard geweest was,

dan had hem dat, zooals gezegd is, van geen hoefdier verder verwijderd

dan van het paard. Ook toen men reeds lang dat verband had over boord

geworpen, was men het volstrekt nog niet onmiddellijk eens over zijn

ware plaats in het stelsel. Nog in het jaar 1877 kon een man met zulk

een scherpen blik voor dierentypen als Brehm den tapir als

overgangsvorm aansluiten aan den olifant—een gelijkenis, die ten minste

bij de levende vertegenwoordigers nauwelijks ergens anders op berust,

dan op het feit, dat de olifant het meest in het oog vallende

„slurfdier” is onder de zoogdieren, en dat ook de tapir ten minste een

korte slurf bezit. De slurf alleen is echter voor de zaak niet

beslissend, want er zijn buitendien nog slurfdragers in verschillende

zeer ver van elkander gelegen orden van zoogdieren. De waterspitsmuis

Woechoechol hebben wij reeds met een slurf leeren kennen, de

Afrikaansche „olifantspitsmuizen” worden reeds voldoende door haar naam

gekarakteriseerd, en eveneens de rob uit de zuidpoolstreken, de

„zeeolifant”. De vreemdsoortige gezichtsgevel der neusapen is ook

beslist een echte slurf, en, hoe vreemd het ook moge klinken, zelfs

onze menschenneus, al heeft die ook den meest idealen Griekschen vorm,

is een even onmiskenbaar op een slurf aangelegd orgaan. Speciaal onder

de hoefdieren, waartoe in ieder geval de tapir behoort, is echter een

slurf een zeldzaamheid. Maar reeds Cuvier had in zijn tijd, toen hij de

eerste voorwereldlijke equiden uit fossiele beenderen in het skelet

weer samenstelde en de vleeschomtrekken daar omheen trachtte te

teekenen, uit allerlei aanwijzingen de gevolgtrekking gemaakt, dat

juist bij die oude bloedverwanten der paarden ten minste eertijds nog

slurven aanwezig geweest waren. Een paard in zijn tegenwoordigen bouw

met een slurf, is, om het zoo uit te drukken, een spookachtige

verschijning. Juist zoo iets uitwendig „vleeschachtigs” als een slurf

in ieder geval is, nog af te lezen van den naakten beenigen schedel,

blijft steeds een uiterst moeilijke zaak. Maar men heeft werkelijk

alleen maar die aansporing noodig om tapir en paard met elkander te

vergelijken, opdat hij, die eenmaal het beenderenalfabet heeft geleerd,

om geheel andere redenen tevens geleid worde tot de meest merkwaardige

betrekking tusschen die beide dieren.

Trouwens betrekkingen—en dat is tevens het eigenlijk interessante—niet

met het thans levende paard, maar met het paard, toen het nog stond op

één der meest karakteristieke trappen der voormalige paardachtige

dieren. Men vergelijke slechts beider voetskeletten: en op eens nadert

de tapir zeer dicht tot die jongere vospaardjes, die van achteren

zoowel als van voren nog stevig liepen op drie hoefteenen, maar die

tevens van voren ook nog een vierden teen (den „pink”) als kwastteen of

als reserveteen voor sommige gelegenheden bezaten. Het is niet te

loochenen, dat bij alle vier voeten van onzen tapir de belangrijkste

zwaarteas reeds door den middensten teen (den „middenvinger”) gaat; in

dit opzicht zou men hem met recht een wordend paard kunnen noemen. Maar

er is nog geen sprake van een concentreeren op den eenigen onvertakten

stam van dien voornaamsten teen. Van voren is de voetboom nog duidelijk

in vier takken gesplitst, waarvan ieder de hoefvrucht draagt, en van

achteren in minstens drie takken. En daarenboven is nu verder, volkomen

als bij de oude vospaardjes, de middenvoet veel korter en plomper dan

bij ons paard; de zuil van het benedenbeen en den benedenarm is nog

niet, zooals bij het bovenbeen, één geheel geworden, maar duidelijk

gesplitst in ellepijp en spaakbeen, in scheenbeen en kuitbeen; in het

gebit is nog steeds de hoektand zoowel beneden als boven aanwezig; de

eerste voorkies is zoowel boven als onder in wankelbaren toestand; de

voorste kiezen naderen in vorm reeds meer of minder sterk tot de echte

kiezen, die kiezen zelf zijn echter nog kort en van krachtige wortels

voorzien, zonder cement in de kroon; op die kroon vindt men nog

ongeveer het „oorspronkelijke gebergte” van den equidenstam, namelijk

de eenvoudige bergkegels, vier in getal, juist voor het eerst door

bergjukken zwak met elkander verbonden. Waren er overigens niet een

aantal dingen in den bouw geheel anders, dan zou men geneigd zijn, dien

tapir naar zijn skelet eenvoudig te beschouwen als een nog levend, zeer

groot vospaard der eocene periode.

En daarbij komen dan nog directe geologische feiten, die zelf van een

verrassende harmonie en overeenstemming zijn. Reeds in den tijd der

latere vospaardjes zelf leefde, zooals uit onloochenbare vondsten van

beenderen blijkt, in Noordamerika zoowel als bij ons in Europa in

grooten getale een dier, zoo groot als een tapir, de Lophiodon, in het

Hollandsch de heuveltand, een dier, dat den tapir nog nauwer verbond

met de oudste equiden. Cuvier zelf heeft het reeds beschreven. Reeds in

de oligocene periode kwam ook nevens de echte equiden een afzonderlijk

schepsel voor den dag, dat reeds in zoodanige mate den specialen bouw

van onzen tapir had, dat het Protapirus, in het Hollandsch „voortapir”

moest genoemd worden. Ja zelfs ook in de miocene periode, dus eerst in

het midden van het tertiaire tijdperk, komt zoowel ginds in Amerika als

bij ons reeds de volkomen echte tapir voor den dag, zooals hij nog in

de levende soort „Tapirus” bestaat. Hij is reeds zóó vroeg aanwezig,

dat bijna aan den egel, als vroeger vermelden stamvader der soort, als

oudste overlevend zoogdier, dat tot nu toe zelfs niet de soort heeft

gewijzigd, zijn rang wordt betwist. Een echt voorwereldlijk wezen is

dus in levenden lijve nog in onze zoölogische tuinen terecht gekomen,

en tevens een dier, dat nog treffend aan de vospaardjes herinnert.

Hij is echter in dien tijd niet met de echte equiden vooruit gegaan.

Als één van die „uitloopers” naast de groote lijn zou hij moeten

beschouwd worden, als een wezen trouwens, dat het wonder heeft klaar

gespeeld, tot heden toe zoowel in de oude als in de nieuwe wereld stil

in een uithoek voort te leven. Dat laatste zou inderdaad een sterk stuk

zijn. Het veel jongere Hipparion is in weerwil van zijn voorbeeldelooze

verbreiding en ontzaglijk aantal nog niet zoover gekomen. Men zal dan

hier nog wel een bepaalde bijzonderheid moeten op den voorgrond

stellen. Zulke uit- en bijloopers van den grooten paardenstam, zooals

dit Hipparion of vroeger het Anchitherium, vormden een onvruchtbaar

voortwoekerend kreupelhout op de ééne of andere plaats, het zonderde

zich als soort af, bracht allerhanden soorten voort als klein

bladerwerk, en stierf ten slotte af zonder zelfstandig naar boven op te

schieten. In de lijn, die zich in den Lophiodon het eerst had

losgemaakt van de vospaardjes en reeds zeer vroeg gekomen is tot den

tapir zelf, zullen wij daarentegen eer een zoodanige soort van een

uitlooper moeten constateeren, die van onderen heel in de diepte uit

den gemeenschappelijken stam der oorspronkelijke equiden een kort

bijstammetje deed rijpen. Een korten tijd groeide het weelderig op, als

wilde het evenwijdig met den hoofdstam omhoog. Het bleef niet bij die

ééne soort of familie, maar het had in die oorspronkelijke dagen, nog

zoo zeer in de nabijheid van de groote groeikracht van den wortelstok,

kracht genoeg, het tot een geheele reeks van families te brengen,

waarvan de top uit den tapir bestond. Maar met dezen was dan ook de

heerlijkheid geëindigd in den zin van een werkelijke verdere

ontwikkeling. De zaak bleef stilstaan. Maar het was, alsof de

groeikracht van den stam dezen keer ten minste onuitputtelijk behouden

was gebleven in de taaiheid, waarmede individuen werden voortgebracht

en in stand bleven, zoodat de tapir tot heden toe als het ware levend

versteend in den ouden vorm behouden bleef.

De zaak is naar twee kanten van belang voor den grooten samenhang der

paardensoorten. Aan den éénen kant toch bevat zij eigenlijk nog een

nieuw argument tegen die theorie, volgens welke de oudere stamboom der

equiden zich langs twee van elkander onafhankelijke wegen heeft

opgewerkt tot het echte paard, bij voorbeeld van het vospaardje af.

Hier hebben wij een voorbeeld van een dergelijken parallellen gang

juist op den kruisweg, waar het vospaard staat. Er is echter, zooals

blijkt, dezen keer geen echt paard ontstaan in de zijwaarts loopende

lijn, maar alleen een tapir, die bij alle taaiheid van zijn in leven

blijven tot heden toch nog in den bouw zijner tanden en pooten niets

anders is dan een zeer groote en dikke gewijzigde soort van een

vospaard.

Aan den anderen kant echter bezitten wij juist daarom nu werkelijk nog

in onzen dierentuin in vleesch en huid een dier, dat van alle dieren op

aarde het eenige is, dat ons ongeveer een beeld kan voor oogen stellen,

hoe ook de echte lijn der paarden op het station der vospaarden leefde

en er uitzag. Hier wordt de tapir, bijna volkomen eenzaam in het

stelsel als hij tegenwoordig is, plotseling één der meest interessante

schepselen van den geheelen zoölogischen tuin. Hij is een overlevend

oorspronkelijk paard uit de eocene periode.

Als men hem zoo beschouwt, dan wordt thans ook juist zijn verschil in

uiterlijk met ons voltooid paard bijzonder leerrijk. Zoo uiterst

verschillend zagen die voorvaderlijke paarden, die van voren nog drie

hoeven en een kwasthoef droegen, er dus toen nog uit, als men ze niet

alleen in het doode, stijve skelet, maar als werkelijke vette,

snuivende dravers in het vochtige oerwoud van die dagen had kunnen

waarnemen. Inderdaad kan onze tapir tegenwoordig met een goed geweten

met geen tweede, levend zoogdier worden vergeleken. Hij is eenig in

zijn soort, en alleen in de oorspronkelijke paardenwereld der oudheid

zouden wij iets kunnen vinden, dat met hem overeenkomt. Zoo moet hij

ons als alleenstaand dier van die oorspronkelijke wereld verhalen.

Het juiste bijvoegelijke naamwoord ter karakteriseering van den tapir

is „rond”. Hij heeft iets van een groot, blinkend achterdeel.

Eenigszins keert ook bij hem dat karakteristieke slecht gestopte, het

te stevig naar achteren toe gestopt zijn terug, dat zoo in het oog

vallend gevonden wordt bij buideldieren, en waarin op de ééne of andere

wijze een ouderwetsch kenteeken moet steken; het is het grootste dier,

dat ik ken, dat daarbij die merkwaardigheid vertegenwoordigt; het korte

staartstompje vermeerdert nog den indruk. Het eigenlijk

rondachtig-vette, spekachtige in de geheele gestalte wijst echter reeds

op de levenswijze. Wilde dieren, die hun levensonderhoud moeten

verdienen, zijn gewoonlijk gespierd, maar niet vet. Het vette zwijn is

niets anders dan een cultuurproduct, in wilden toestand is het zwijn

juist een magere klant. Er is slechts één uitzondering, die den indruk

mogelijk maakt van een gezwollen hangbuik: aanpassing aan het water.

Zij brengt, zooals reeds Goethe opmerkt, het lichaam van het zoogdier

in het stadium van smelten. Het hoogtepunt bereikt dit bij de walrussen

en groote walvisschen, waarbij de werkelijke oplossing van vet tevens

nog dienstbaar is aan de verwarming in de poolzee. Maar ook het

nijlpaard verschaft ons reeds een goed voorbeeld. Zijn vormen zijn

inderdaad aan het vervloeien, alsof een wasmodel smolt, waarbij de

voeten reeds gaan meegeven en de buik zich naar den grond beweegt. De

tapir nu heeft evenzeer iets daarvan, hoewel nog steeds binnen de

grenzen gehouden door het paardentype. Hij is onmiskenbaar een dier,

waarbij het water de vormen begint los te maken. In die beteekenis is

hij, met zijn echte verwantschap met het paard, in den waren zin het

eigenlijke „rivierpaard”.

Wat wij werkelijk weten van de levenswijze der tapirs, is daarmede

volkomen in overeenstemming. Zij gaan gaarne te water, zwemmen

voortreffelijk, leven grootendeels blijvend in tropische wouden bij de

groote rivieren, met hun mengelmoes van takken, slingerplanten en

struiken. Doch meer dan het eigenlijke water om te zwemmen is het

moeras, de weeke, drassige bodem, de wereld van den oneindigen humus

onder den door den regen vochtigen tropischen plantengroei hun domein.

Als men den tapir ijverig ziet heen en weer waggelen op de harde

planken van zijn verwarmde cel in den dierentuin, dan is er geen tweede

soort hoefdier, dat zoo weinig op harde hoeven, en zoozeer op weeke,

fluweelen zolen loopt. Het groene fluweel van het moeras is het, dat

eigenlijk in die voeten van den tapir voor ons elastisch op en neer

beweegt. En het geheele dier waggelt evenzeer als de bodem van zijn

vaderland. Hoe ver was eens nog de weg van zoodanige vormen tot den

trotschen, gespierden, stevigen wilden ezel of het wilde paard in hun

niets meegevende grassteppe.

Met de vochtigheid van het moeras hangt ook het eigenaardig korte,

blanke, afgeschuurde haar van die vette lichamen der tapirs samen. In

verband met de merkwaardige met witte vlekken voorziene kleur van den

rug bij de Indische soorten, is bij mij voortdurend weer onwillekeurig

de herinnering ingeprent, alsof de tapir volkomen naakt was als het

nijlpaard, wat feitelijk echter volstrekt niet het geval is; het is

slechts alsof hij met een machine zoo kort mogelijk was geschoren. Maar

volkomen in het kader past bij het als een worst opgestopte lichaam op

de korte pooten de vreemde vorm van den kop met de korte slurf. Bij den

Indischen tapir, die trouwens al het typische in het overdrevene

vertoont als een caricatuur, hangt de slurf werkelijk als een vooraan

slingerende worst aan het geheel vast. Terwijl zij aan den wortel met

haar last het geheele bovenprofiel beheerscht, schijnt zij het oog

merkwaardig diep naar beneden te hebben gedrongen. Bij den rhinoceros

is iets dergelijks geschied door den zwaren hoorn, maar daar is juist

in dat bovenste gedeelte het profiel bijzonder treffend uitgebeeld tot

een arabeske der meest woeste kracht. Het gezicht van den tapir

verkrijgt,—daar zijn oog alleen door een vleeschkussen verschoven wordt

en tevens iedere plooi in het voorhoofd door dat kussen wordt

gladgetrokken tot een eenvoudigen boog van de kruin tot aan de spits

van den neus—iets beschroomds en onnoozel goedmoedigs. Men kan den

tapir niet aanzien, zonder hem voor een stompzinnigen, ongevaarlijken

klant te houden, waarschijnlijk veel meer dan hij dat werkelijk is. Wat

een groote stap is het ook van hier tot het voorname profiel van het

paard! Ik stel mij voor, dat de echte voorvaders der paarden, hoezeer

zij ook met den tapir overeenkwamen, toch niet zulk een worstslurf

hebben gehad, en juist hierin was een voordeel gelegen voor hun hoogere

ontwikkeling, terwijl die slurf de oorzaak was van het doodloopen in

den tapir. Doch dit is niet te bewijzen.

In onze dierentuinen kan men tegenwoordig beide soorten zeer voldoende

bestudeeren: den donkeren Amerikaanschen tapir en den Indischen, die de

zoo bijzonder treffende benaming van Schabrak-tapir heeft gekregen. Als

men dat laatste vette dier, dat evenals alle halve waterdieren gaarne

lui ligt en zich over den grond wentelt, met zijn eigenaardige

merkwaardige kleuren ziet: achter op den rug van het anders eentonig

chocoladezwart gekleurde lichaam eenvoudig niets dan een groote witte

vlek en daarbij nog de zwarte duivelsooren blinkend wit gezoomd—dan zal

de leek steeds weer tot het vermoeden komen, dat het dikke dier tegen

een meelvat heeft gestooten of in het gips heeft gewenteld. Als wij

hooren, dat het schildhuisachtige zwart-wit van den zebra in de vrije

natuur een schitterend verdedigingsmiddel is, dat de gestalte van het

dier van verre laat vervloeien, dan kan men dat kleed van den tapir

beschouwen als een dergelijke mimicry in zijn woud, waar de tijger op

de loer ligt; de witte kalkvlek is als het ware een op zich zelf staand

licht tusschen kop en staart, dat op een dwaalspoor leidt. En ook voor

de verwantschap met het paard is het interessant, dat juist dit

voorwereldlijke wezen reeds als het ware het palet draagt, om een zebra

te maken met zwarte en witte strepen over het geheele lichaam.

Feitelijk echter vertoonen de jongen van den Schabrak-tapir en zeker

ook van ten minste één der Amerikaansche soorten, zelf reeds een

teekening van witte vlekken en streepjes op een donkeren achtergrond.

Niet, zooals bij den zebra, loodrecht op den rug, maar in de lengte,

evenwijdig met den rug. Volgens de wet, dat jonge dieren dikwijls nog

kenmerken der voorvaderen herhalen, zou men dus tot de gevolgtrekking

kunnen komen, dat de huidteekening van den Protapirus en van de oude

vospaardjes en oorspronkelijke hoefdieren oorspronkelijk ook uit zulke

strepen in de lengte bestaan heeft, waaruit dan de Schabrak van den

tapir te voorschijn kwam. Bij het gereconstrueerde beeld van den

Phenacodus op de plaat in het „Dierenboek” zijn niet willekeurig, maar

uitsluitend op grond juist van dien gedachtengang, dergelijke strepen

voor de huid van dat oorspronkelijke hoefdier gekozen, hoewel geen

menschenoog die ooit heeft gezien.

In vroegere jaren was die Schabrak-tapir een hooge zeldzaamheid in onze

dierentuinen. In den dierentuin te Keulen, waarin ik als jongen als het

ware ben opgegroeid, was zijn waarneming voor mij steeds een onvervulde

wensch, die steeds gevoed werd door teekeningen van het fantastische

dier. Tegenwoordig is hij een gewoon pronkstuk geworden, en in Keulen

zelf heb ik niet lang geleden het schoonste paar aangetroffen. Vooral

als hij van achteren neerhurkt als een reusachtig knaagdier (een

houding, die ook door den tweehoornigen neushoorn gaarne wordt

aangenomen, en hier en daar zelfs door paard en ezel), heeft hij voor

mij altijd iets van Chineesche, stijve, bontverlakte kunst. Zooals de

Indiërs hunne schrikverwekkende goden voorzagen van gestileerde

olifantsslurven, zoo hebben ook de oude Indiaansche kunstenaars der

verwoeste culturen in Centraalamerika hun tapir gaarne als ornament

gebruikt, met zóó overdreven gedraaide slurf, dat de mythe kon

ontstaan, dat men daar nog mastodonten of mammouths als levende

modellen had gehad.

Het paard · 第 7 / 16 段