opwekken. Indien op de ééne of andere van de verschillende theoretisch
denkbare wegen ten slotte het paard twee maal als volkomen identieke
vorm hier en ginds kon ontstaan: waarom waren dan de schakels der
ontwikkelingsketen, die tot het paard leidden, niet eveneens in Europa
en in Amerika volkomen identiek? Ik heb persoonlijk dit punt (juist dat
punt, waardoor oorspronkelijk het geheele debat is aangekomen), nooit
kunnen begrijpen. Als de ontwikkeling in beide gevallen bij voorbeeld
bij den tienden trap der keten op hetzelfde paard kwam, waarom dan niet
bij voorbeeld bij den zevenden trap op hetzelfde driehoevige dier? Als
dat driehoevige dier in Europa wel op dat van Amerika geleek, maar er
toch duidelijk van verschilde, dan eischte de eenvoudige logica, dat
ook de „paarden” van hier en ginds, dat wil zeggen de eindelijk langs
twee parallelle wegen veroverde eenhoevige dieren, wel op elkander
geleken, maar toch ook verschillend bleven. Waarom de identiteit op het
gedeelte tusschen driehoevig dier en paard plotseling in beide ketens
moet binnen komen, is volstrekt niet in overeenstemming met het
beginsel: gelijke oorzaken hebben gelijke gevolgen. Juist die
verscheidenheid der oudere vormen heeft echter feitelijk den hefboom
geleverd, om de zaak geheel en al omver te werpen en dat wel van het
volgende, geheel verschillende standpunt uit.
Die beroemde Amerikaansche keten, waarvan wij de schakels als
oorspronkelijke hoefdieren, vospaardjes, driehoevigen, kwasthoevigen,
vingerdieren, zoo goed als het ging in Hollandsche namen hebben
weergegeven, heeft natuurlijk ook haar vasten Latijnschen vaknaam.
Gewoonlijk zijn zij voorbij de oorspronkelijke hoefdieren Euprotogonia
en Phenacodus zelf reeds samengesteld met het Grieksche woord voor
paard „hippos”. Van onderen naar boven vindt men daar tusschen den
Phenacodus en den werkelijken hippos, het Amerikaansche wilde paard, na
een Hyrakotherium (waarbij men een oogenblik zou kunnen denken aan den
Hyrax, den klipdas) een equide Protorohippos (nog in de vospaardjes),
een Epihippos, (Mesohippos, Miohippos, waarbij men de driehoevigen
voorbijkomt), een Merychippos als typische trap van de kwasthoevigen,
en eindelijk een Hippidion voor onze pinkhoevigen. Voor een deel zijn
het moeilijk te vertalen namen, die op zich zelf weinig beteekenen, en
die de zoöloog dan ook alleen gebruikt als een soort gildeteekens. Het
belangrijkste is, dat men van al die stevig aan elkander sluitende
schakels der keten duidelijke skeletten bezit, die juist hier den zoo
goed als onbetwistbaren stamboom leveren. Nu zijn echter met die vaste
aansluitingen de massa’s der Amerikaansche paardebeenderen uit de
tertiaire periode nog volstrekt niet alle uitgeput. Men heeft daar uit
dien overvloed aan rijkdom nog een groote hoeveelheid equiden weder
kunnen samenstellen, die als het ware uitloopers, bijloopers der
hoofdlijn, voorstellen. Dieren, die niet behoorden in de lijn, die
consequent opsteeg naar het echte paard, maar van de verschillende
stations van dien stam als zijtakken of wilde loten afweken.
Zij speelden als het ware met de voortbrengselen van dat station,
dreven die in de breedte, deden allerlei varianten op die
voortbrengselen ontstaan, maar stierven gewoonlijk zelf weer uit, als
de hoofdstam een trap hooger steeg, zonder dat zij zelf het tot den één
of anderen eigen nieuwen top brachten. Iedere dierlijke stamboom, dien
wij, waar ook, een stuk ver kunnen vervolgen, laat dergelijke wilde
loten zien, dit moet diep in het wezen van iedere organische
ontwikkeling liggen, en vooral in de opvatting van Darwin, als de
voortdurende schifting uit een groot aantal verschillende varianten,
zou dit ook volkomen verklaarbaar zijn. Het latere duidelijke inzicht
in het werkelijke verloop van den stam zelf wordt ons echter helaas
zeer dikwijls moeilijk gemaakt door die voortdurend weer opborrelende
massa van daarnaast loopende wilde takken en bijkomend kreupelhout. Het
is als bij een werkelijken boom, waarbij men van verre alleen bladeren
en takken ziet en niet den hoofdstam. Dergelijke bijvormen plegen in
den tijd, die hun vergund is, een zeer buitengewone rol te spelen. Niet
meer deelhebbend aan den eigenlijken vooruitgang, breiden zij zich
oeverloos in de breedte uit. Zij beproeven alle mogelijke voordeelen
van een veroverd station, alsof dat station hun definitieve ankerplaats
was, zonder zich er over te bekommeren (overdrachtelijk gesproken) in
wat voor uitersten en wat voor sloppen zij bij dat zich al te huiselijk
inrichten mogen komen. Door de aanwezigheid van een ontzaglijk aantal
individuen op een gunstig terrein kon een op een bepaald oogenblik
bijzonder gelukkige variant zich zóó op den voorgrond dringen, dat in
de versteende overblijfselen, waarin steeds toch gapingen voorkomen,
later het echte type van dat station, dat tot verdere ontwikkeling is
gekomen, gemakkelijk geheel voor den blik verloren gaat. Het groote
aantal individuen dwingt dan dikwijls juist die ééne bijloot, zich
verder uit te strekken als een rijk van knoppen voorziene tak; dat wil
zeggen: de zich ophoopende individuen worden gedwongen het land te
verlaten, zij verspreiden zich over wijde uitgestrektheden der aarde,
en komen plotseling te voorschijn in geheel andere landen, waarheen
juist de geologische verhoudingen van dien tijd een begaanbare brug
hadden geslagen. Dit kan nu echter onder bepaalde omstandigheden
veroorzaken, dat zij op plaatsen ver van de plaats van ontstaan en
vervorming van hun oorspronkelijke stamlijn, toevluchtsoorden vinden,
waar zij veel langer kunnen blijven bestaan dan in de oorspronkelijke
woning zelf, schuilhoeken waar geen zeis hun al te weelderigen groei
afmaait en het noodlot van het station waar zij ontstaan zijn, ze op de
oude plek schijnt te hebben vergeten. Dan blijft zulk een verstrooide
troep millioenen jaren voortduren, hoopt voortdurend nieuwe catacomben
op van zijn beenderen en maakt daardoor de juiste waardeering hunner
beteekenis moeilijk.
Zoo ook is het met de paardachtige dieren van Amerika. Overal, waar een
groot keerpunt in hun ontwikkeling gelegen is, waar men, menschelijker
wijze gesproken, den indruk heeft van een tijdelijken stilstand in den
ontwikkelingsstroom, van een tot adem komen, een verzamelen van
krachten, begint telkens ook het schieten van ranken in de breedte,—de
uitloopers treden op naast de equiden, die het doel der ontwikkeling
waren.
Dit begint reeds op den trap der vospaardjes. Een eerste hoogtepunt
wordt bereikt op den trap der driehoevige equiden, dus daar waar de
wetenschappelijke taal spreekt van Miohippos en Mesohippos. In die
dagen vertakte zich een zeer eigenaardige variant in Noordamerika van
den hoofdstam af in den vorm van een equide: het Anchitherium. De naam
beteekent het „nauw verwante dier”. Wij vatten het hier op als nauw
verwant aan het reeds meest volkomene van die driehoevige dieren van
Amerika, die behooren tot de echte paardenreeks. Nauw verwant, maar
niet gelijk, want het is een op zijde afwijkende, in den zin der
hoofdontwikkeling onvruchtbare variant, die zich heeft vertakt, nadat
de typische driehoevige equiden reeds als zoodanig volkomen voltooid
waren.
Een tweede hoogtepunt lag vervolgens bij de kwasthoevigen, dus daar,
waar de beide zijteenen met hun hoeven nooit meer den grond aanraakten,
maar alleen nog slechts als groote overblijfsels aan weerszijden naast
den steeds meer de overhand hebbenden middenteen en het „voetbeen”
hingen. Hier heeft zich een in zijn soort zeer fraaie, sierlijke equide
als variant in Amerika vertakt, gemiddeld van de grootte der kleine
zebrasoorten van onze dagen. Deze nam de leelijke kwastvoeten mede,
zonder daaraan iets te veranderen tot aan het einde van zijn geslacht.
Voor het overige modelleerde hij in kleinigheden voortdurend aan het
type van zijn station, zooals dit bij al dergelijke varianten
gebruikelijk is. In zijn bovenkiezen gelukte het hem nog niet, het
laatste titteltje op de i te plaatsen, dat noodig was, om een echt
paard te zijn, namelijk den laatsten binnenbult geheel te laten
invloeien in het arabeskenwerk der kraters en kammen. Daarentegen
plooide hij aan de emailwanden der middelste kraters in het relief van
de gebergten van die tandkronen zóó overdreven weelderig voort, dat die
tanden nog veel meer dan bij het beeld van het echte paard er spoedig
uitzagen als doorgesneden kroppen salade in het klein. Die
„saladetandigen” heeft men in tegenstelling met de echte stamgetrouwe
kwasthoevigen, die wetenschappelijk Merychippos heeten, Hipparion
genoemd. Het woord heeft geen andere beteekenis dan „klein paard”. Men
moet, zooals zoo dikwijls, een dergelijken Latijnschen naam niet
opvatten alsof daarin een geconcentreerde beschrijving bevat is, maar
als een etiquette, een soort van nummer ter onderscheiding. Dikwijls
gebeurt het, dat dergelijke etiquettes in den loop der zich
verbeterende systematiek van dier verwisselen; de naam kan dan
onmogelijk meer met het dier in overeenstemming zijn. Een dier kan bij
voorbeeld „viridis” heeten en toch niet groen zijn, en zoo kon er ook
bij ons „paardje” Hipparion van daag of morgen een variant gevonden
worden, die zoo groot was als een rhinoceros, en die toch onder het
merk „Hipparion” moest ingeschreven blijven.
Dikwijls toch hebben juist zulke uitloopers een neiging, ook te
varieeren tot buitengewone grootten, wat trouwens in dit bijzondere
geval tot nu toe niet is vastgesteld. Als een dier stevig op drie
hoeven kon staan, kon met dien drievoet ook een zwaarder soort lichaam
worden bewogen. Zoo heeft er bij dien trap der driehoevigen van die
geheele dierengroep steeds een neiging bestaan, op te treden in forsche
varianten; wij spreken daar nog nader over. De overgang tot het
eigenlijk verfijnde experiment van het evenwicht op één enkelen hoef
moest zich daarentegen, zoolang dat proces in wording was en zich nog
niet volkomen had gelouterd tot zijn volmaking en technische
voltooiing, uit den aard der zaak beperken tot vormen van gemiddelde
grootte. Zoo is dan hier ons paard als slotproduct ook tevens de
technische overmeestering van het zwaarste dier, en zijn omgekeerd op
den trap der kwasthoevigen ook de varianten nog bescheiden van grootte.
Het eigenaardige nu van al die varianten onder de equiden is echter
dit, dat zij, zooals men met den meesten grond mag aannemen,
onmiddellijk aanleiding hebben gegeven tot het denkbeeld van een
zelfstandigen paardenstamboom ook bij ons in Europa. Terwijl de
eigenlijke stam in Amerika aangroeide tot het paard en alleen daar,
hebben zich in herhaalde voorwaartsche bewegingen troepen van die
varianten ver over de engere grenzen van Amerika heen verspreid. Zij
zijn ook in Europa, in de oude wereld, opgedoken, hebben hier nieuwe en
karakteristieke soorten gevormd, zijn hier in een ontzaglijk groot
aantal individuen gedurende lange tijdsruimten binnen de groote
tertiaire periode in stand gebleven, maar zijn ten slotte iederen keer
in het algemeen hier evenzeer onvruchtbaar ondergegaan als daar. Hoe
meer men naast de paarden in Amerika, die aan de bedoeling der evolutie
beantwoordden, ook de varianten daar leerde kennen, des te verrassender
is het feit voor den dag gekomen, dat de belangrijksten onder die
Amerikaansche varianten, zooals het Anchitherium en het Hipparion, in
de soort volkomen identiek waren met de equiden, die men in Europa had
beschouwd als de vertegenwoordigers van den daar aanwezigen, naar men
meende, afzonderlijken paardenstamboom. Geen wonder dus, dat zij (die
immers varianten waren van verschillende echte trappen van den
stamboom, maar van den Amerikaanschen), ook aanknoopingspunten
vertoonden aan een dergelijken stamboom, vooral als men ze eenvoudig
achter elkander plaatste, en opvatte als een doorloopende keten van
geslachten, waar bij voorbeeld het Anchitherium het Hipparion zou
hebben voortgebracht. Geen wonder ook, dat zij, daar zij toch varianten
waren, afweken van de echte Amerikaansche stamreeks. Juist die
onmiddellijke werkelijke verdere ontwikkeling der Europeesche equiden
van den éénen vorm tot den anderen, die eerst voor Europa een beeld zou
leveren van een echten stamboom, is echter absoluut niet aan te toonen.
Nooit zijn er tot nu toe werkelijke aanvullende vormen gevonden
tusschen de oudste Europeesche equiden en het Europeesche Anchitherium,
nooit tusschen dat Anchitherium en het Europeesche Hipparion, nooit ook
tusschen dat Hipparion en ons paard. Alles spreekt er, zoodra men
eenmaal weet, dat Anchitherium en Hipparion ook in Amerika voorkwamen
en wel daar als uitloopers, die buitengewoon taai en rijk aan
individuen waren—alles spreekt er, zeggen wij absoluut voor, dat wij,
hier bij ons, eenvoudig alleen te doen hebben met een Amerikaansch
importartikel.
Om een dergelijken import te begrijpen, moet men zich echter de
geografische mogelijkheden van dien tijd eenigszins voor den geest
halen. Het denkbeeld, dat de Europeesche grassteppe der tertiaire
periode geheel zelfstandig het paard uit de oorspronkelijke hoefdieren
zou hebben ontwikkeld, en eveneens dat geheel zelfstandig ook de
Noordamerikaansche steppe dit zou gedaan hebben, houdt rekening met
moderne verhoudingen, niet met die uit vroegeren tijd. Voor ons liggen
er tusschen Europa en Amerika zoo en zooveel dagreizen zeereis met het
gezicht op de zee van horizon tot horizon. Dat was het gedeelte
waterbrug, dat Columbus eerst voor ons moest overbruggen op een
onbegrijpelijk vermetele vaart. Op een kunstig door menschenhanden
gebouwd schip kon het eerste Spaansche paard eerst na een aantal dagen
van zulk een vaart levend naar de overzijde komen. De oorspronkelijke
feitelijke toestand, waarmede de tertiaire toestand begon, was
daarentegen een geheel andere.
Europa was toenmaals een archipel, een eilandenland, ongeveer zooals
tegenwoordig de Soenda-eilanden. Die Europeesche eilanden waren echter
niet, zooals men ten minste zou verwachten, de voorposten van de
Aziatische vastelandsmassa. Daar, oostwaarts, lag overal weer de zee.
Het meest nabijzijnde, daartoe behoorende blok land, een overoud
vastelandsstuk, strekte zich van het noorden van Scandinavië uit,
zooals bij voorbeeld Achterindië tegenwoordig zich uitstrekt tot de
Soenda-eilanden. Tegen dat landblok kwam, van het westen uit,
Noordamerika te liggen. In verband met de grootte van dat werelddeel en
zijn oostelijke uitbreiding van toenmaals is het gerechtvaardigd te
zeggen, dat Europa nog in het begin der tertiaire periode een groote
archipel is geweest, die in oostelijke richting de voorpost was van
Noordamerika. Die eigenaardige toestand bleef wel niet in zoo
bijzondere mate gedurende de geheele tertiaire periode bestaan, maar
toch is de weg van Amerika naar Europa in het midden dier tertiaire
periode nog steeds verreweg korter geweest. Nog tegenwoordig vertoonen
de insnijdingen van de verlengsels der groote Noordamerikaansche
stroomen in den bodem der zee duidelijk aan, hoeveel verder de kust
zich nog lang in de tertiaire periode daar in oostelijke richting heeft
uitgestrekt tot in streken, die tegenwoordig diepe, scheidende zeeën
zijn. En evenzoo wijzen de nog merkbare oude beddingen en delta’s aan
gene zijde der Europeesche westkust op den tegenwoordigen bodem van den
Atlantischen oceaan er op, hoeveel verder ook dat Europa, toen het zich
langzaam uit een eilandenwereld tot een zelfstandig vastland ontwikkeld
had, zijn landgrenzen nog lang in de richting van Amerika uitstrekte.
Wanneer men hoort van het telkens heen en weer slingeren van grootere
massa’s water en dan weer van grootere blootleggingen van land op het
geheele noordelijke halfrond binnen de oudste en middelste tertiaire
periode, moet het werkelijk onvermijdelijk schijnen, dat bij een
dergelijke nabijheid der beide vaste landen van tijd tot tijd weer een
aansluiting langs den drogen weg tusschen beide werelddeelen ontstond
aan de uiterste voorposten, bij voorbeeld ongeveer zóó, als men
tegenwoordig vindt tusschen Amerika en Azië, die bij de Behringstraat
op een enkele plaats geen negentig kilometers van elkander verwijderd
zijn,—een toestand, waarop dan gedurende langere tusschenperioden weer
een sterkere afscheiding door een breedere tusschenzee volgde. Toen ook
die mogelijkheid eindelijk ophield, toen de tertiaire periode langer
voortduurde, en de Atlantische oceaan zich als een steeds minder
verbreekbare grendel tot op de breedten der poolstreken uitstrekte,
toen was eindelijk de aansluiting van Europa ook aan het Aziatische
vasteland voltooid, welke aansluiting wel is waar langs een ontzaglijke
uitgestrektheid, maar toch ten slotte werkelijk een drogen weg aanbood
tot diezelfde Behringstraat, waardoor Amerika van die zijde voor Europa
was geopend.
Die geologisch-geografische opvolging van tooneelen komt nu niet alleen
in hoofdtrekken, maar werkelijk punt voor punt overeen met het
zoölogische beeld van een Amerikaansch-Europeesche immigratie der
paardachtige dieren.
In die dagen, toen Europa nog als het ware een oostelijke archipel was
van Noordamerika, waren zoowel vasteland als eilanden bevolkt met die
oorspronkelijke groep der hoogere zoogdieren, waartoe ook de
Condylarthren, de oorspronkelijke hoefdieren, behoorden. Wij vinden hun
gelijksoortige overblijfselen op het vasteland, in Nieuw-Mexico, en in
den uithoek van één der eilanden van den Europeeschen toenmaligen
archipel, dien wij nog konden doorsnuffelen: bij Cernays in het
tegenwoordige Frankrijk. Men had toen die eenheid in de dierenwereld,
die vergeleken kan worden met den toestand van thans, waar Ceylon den
olifant, Sumatra en Java den tijger en de één- en tweehoornige
rhinocerossen gemeen hebben met het Indische vasteland. In ieder geval
is het misschien reeds voor dien ouden tijd geen zuiver toeval, dat wij
veel talrijker en vollediger overblijfselen van dergelijke
oorspronkelijke hoefdieren (bij voorbeeld goed bewaard gebleven geheele
skeletten van den beroemden Phenacodus) uit het westelijke vasteland,
dus uit Noordamerika, bezitten. De periode dier dierenwereld, die een
organisch geheel vormt, schijnt dan ook nog de vorming en eerste
ontplooiing der vospaardjes te omvatten. Dergelijke oorspronkelijke
paardachtige dieren, behoorende tot de wetenschappelijke soorten
Hyrakotherium en Pachynolophus, leefden te gelijker tijd in
Noordamerika en in Frankrijk en Engeland. In ieder geval kon men ook
bij dezen nog in twijfel verkeeren, waar zij als eerste paardachtige
dieren begonnen zijn. Het ligt voor de hand, te beslissen ten voordeele
van Amerika, daar men alleen voor Amerika kan aantoonen, dat zij als
echte voorouders der paarden verder gingen. Immers van den bovensten
eocenen trap tot aan den miocenen driehoevigen equide Miohippos volgen
de verschillende deelen van den stamboom tegenwoordig uitsluitend in
Amerika op elkander. Tusschen Europa en Amerika moet hier één dier
„geografische scheuren” geweest zijn, die de dierenwereld gescheiden
hield. Indien de echte paardenstamboom ook in Europa in dien tijd
evenwijdig met Amerika verder was voortgeloopen van het daar afgesneden
deel der vospaardjes, dan zouden wij toch wel het ééne of andere spoor
daarvan in de rijke Europeesche overblijfselen van beenderen hebben
behouden gezien; maar niets daarvan is waar te nemen. Daarentegen
verschijnt in Europa volkomen onafhankelijk later het Anchitherium, een
Amerikaansche variant van dien Miohippos. Tijdelijk was er een landbrug
ontstaan, een inval van dergelijke zwervende kudden van varianten is
daarvan het gevolg geweest!
Maar daarna is in Europa een tijdlang de toegang gesloten geweest. Het
Anchitherium is zonder nakroost op het vreemde gebied weer
verdwenen—ook zonder een nieuwen toevoer, daar de miocene zee tijdelijk
weer de Amerikaansche brug onder water had bedolven. Toen kwam er
plotseling weer een nieuwe toevloed van ginds. In ontzaglijke massa’s
trekken nu weer over een hernieuwde brug die sierlijke, op zebra’s
gelijkende Amerikaansche kwasthoevige varianten, de Hipparions. In
weerwil van hun kwastbeenen moeten zij in hun zucht tot verbreiding,
zeker begunstigd door een langdurige periode van groote steppen met
kreupelhout zooals in het tegenwoordige Afrika, absoluut geen grenzen
gevonden hebben. Zij bewogen zich in het Rijndal bij Worms, evenals in
Pikermi bij Marathon, maar trokken nog ver voorbij Europa voort tot
naar Algiers, Indië en China. Zóó reusachtig is hun verbreidingsgebied
op een bepaald tijdperk, waarop het noordelijke halfrond blijkbaar
bijzonder rijk aan land was, dat hun uiterste voorposten aan de
Behringstraat oostwaarts weer Amerika moeten hebben bereikt, dus de
reis om de geheele wereld moeten hebben volbracht. Men zou er bijna aan
twijfelen, of niet ten slotte de geheele inval der Hipparions heeft
plaats gehad over het uiterste Oostazië, in de nabijheid van Amerika.
Maar in een dergelijke periode van land en steppen spreekt te veel ook
voor een tijdelijk weder tot stand komen van den zooveel dichter
bijgelegen Engelsch-Amerikaanschen doortocht.
Maar een dergelijk indringen over Azië is tamelijk zeker voor de daarop
volgende laatste invasie. In Amerika had de ware paardenstamboom,
zooals men zich zal herinneren, niet over het Hipparion zelf, maar over
den echten kwasthoevigen Merychippos geloopen. Uit den Merychippos
vormde zich het Hippidion (pinkpaardje), en uit het Hippidion kwam
eindelijk het echte wilde paard voort. Het Hippidion heeft zich wel is
waar, zooals wij meedeelden, ver uitgebreid tot naar Zuidamerika, maar
het is, voor zoover men kan nagaan, evenals de latere echte
paardenvoorouders, zelf niet in de oude wereld gekomen. Daarentegen
volgde nu daar in het laatste deel der tertiaire periode, in het
Pliocene tijdperk, een binnenstroomen van de nu eindelijk vermoede
echte wilde paarden, dat geleek op dien inval der Hipparions.
Voor het eerst sedert zoo langen tijd kwam met hen niet een
zijvariante, maar als het ware het origineel der keten, en wel dezen
keer de spits zelf, uit Amerika over. Daaruit wordt bijzonder eenvoudig
verklaard, dat dezen keer de inval in de oude wereld niet een zóódanige
was, die tot heden voortduurde, maar dat hij ook in de oude wereld in
een groote zelfstandige verdere ontwikkeling geleid heeft tot de vele
en verschillende gedeeltelijk thans nog levende paardenvormen, tot onze
Aziatische wilde paarden, de Afrikaansche zebra’s, de
Aziatisch-Afrikaansche wilde ezels en ten slotte, met behulp van de
symbiose met de menschen, tot de cultuurrassen. Alles doet echter
vermoeden, dat die invasie van wilde paarden dezen keer uitsluitend
gebruik maakte van den Aziatischen weg. Een Amerikaansch-Europeesche
brug heeft er in deze betrekkelijk late periode tamelijk zeker niet
meer bestaan. De oudste beenderen van wilde paarden uit de oude wereld
liggen in Azië aan het Himalayagebergte. Het maakt den indruk, als ware
de immigratie niet in snelle vaart, maar in verschillende etapes zeer
geleidelijk geschied. Zelfs in Noordamerika zelf is het te zien, hoe
het zwaartepunt der verspreiding van de echte wilde paarden in het
westen, dus ook aan de Aziatische zijde ligt. De laatste achterblijvers
daar ginds hebben later nog in Californië en Alaska geleefd. En evenzoo
is nog tegenwoordig de steppe van Centraalazië de laatste schuilplaats
van het oudste wilde paard, dat er nog op aarde is, het merkwaardige
Przewalskipaard.
Dit is naar alle waarschijnlijkheid de oplossing van den ingewikkelden
roman der geschiedenis van de paardachtigen en de paarden. Met minder
paradoxale eigenaardigheid, maar toch nog met genoeg in spanning
houdende afwisseling! Wie zou die lange keten van overgangsvormen en
van natuurspelingen niet nog weer eens in levenden lijve in den
zoölogischen tuin willen zien herleven! Daar zelfs het meest volkomen
skelet de meeste menschen geen helder fantasiebeeld voor oogen voert,
zou men zoo gaarne alle kunstmiddelen te hulp roepen, om een
aanschouwelijke voorstelling te verkrijgen.