Ons paard heeft een zeer eigenaardig gebit. De snijtanden zijn

voltallig en stevig, de kiezen bepaald kolossaal. Doch verkwijnd is het

gebit op de plaats, waar de roofdieren de krachtige tanden hebben, om

die in te slaan in het vleesch en dat te verscheuren, dat is bij de

hoektanden en de voorste kiezen. De hoektanden zijn bij het vrouwelijke

paard reeds geheel verdwenen, en eveneens bij beide geslachten de

voorste kies zelf. In den gapenden muil vindt men hier een groote leege

ruimte. Daarentegen hebben de echte kiezen als het ware het geheele

overgebleven gedeelte der voorste kiezen voor zich veroverd, en de

grootte en den vorm daarvan overgenomen. Die vorm der kiezen is dan

zeer karakteristiek; het zijn lange en hooge vierhoekige prisma’s op

verkwijnende wortels, met sterk gekronkelde emailplooien op de

kroonvlakte van die beenderige stof, die anders bij de tanden der

zoogdieren de verborgen deelen bedekt, het zoogenaamde tandcement. Die

gedeeltelijk gecemente kroonvlakte vertoont een zeer wonderlijk,

geplooid, moeilijk te beschrijven bergrelief. Bij dit alles is dit

gebit in zijn „roeping” gemakkelijker te doorgronden dan eenig ander

gebit. De snijtanden met hun eigenaardige ligging zijn sterke

afplukkers, ja zelfs op hun manier reeds kauwers; de geheele, één

geheel uitmakende kiezenmolen, aan weerszijden zes boven en zes

beneden, is dan een uitstekend maal- druk- en verbrijzeltoestel, een

kauwmolen van den eersten rang. Dit gebit behoort aan een reus, die

zijn zwaar lichaam met buitengewone hoeveelheden voedsel moet voederen.

Hij is echter geen wezen, dat bij den aanval bijt, en op vleeschkost

uitgaat, maar een vluchtige draver, wien de steppe met haar eindelooze

plantenkoloniën een onuitputtelijke stof biedt. Niet eens heeft hij een

afwisselende voeding noodig als noodhulp, zooals een kleiner dier, dat

aan een bepaalde plek gebonden is. Zijn schitterend bewegingsmechanisme

is tegen zijn gewicht toch in ieder opzicht ruimschoots opgewassen. Dit

maakt hem tot vrijen meester van alle gezellig levende steppenplanten

van horizon tot horizon. De eentonigheid dier grassteppe spiegelt zich

af in het eenvoudige en eenzijdige pluk- en kauwapparaat van zijn

gebit. Zooals overal, vertoont het paard ook in zijn tandenbouw een

zeer geprononceerde, maar groote en in zijn voltooiing toch weer

eenvoudige lijn. Het is alles bijzonder eenzijdig ontwikkeld, maar het

beheerscht dan ook zijn gebied als een koning met volkomen

meesterschap.

Dit gebit van het paard uit onze dagen is nu echter niet het

oorspronkelijke gebit der hoogere zoogdieren, dit is ook onmiddellijk

duidelijk. Het is een gebit, zooals het bij dien uiterst ontwikkelden

paardevoet en dat paardebeen van tegenwoordig behoort, die eveneens

reeds lang niet meer in overeenstemming zijn met die der

oorspronkelijke hoefdieren. En wij zouden ons ook zijn geleidelijke

ontwikkeling niet schooner kunnen voorstellen dan de werkelijke

geologische keten, die ons de ontwikkeling van dat bewegingapparaat

heeft onthuld, en dat wel hier in werkelijk bestaande beelden heeft

onthuld.

De Euprotogonia en Phenacodus aan het begin der keten, oorspronkelijke

hoefdieren zooals zij werkelijk nog zijn, vertoonen dan ook werkelijk

nog dit oorspronkelijke zoogdierengebit in den schoonsten vorm,

waarover wij vroeger zoo dikwijls hebben gesproken, en zooals het weer

ten minste tot op een bepaalde hoogte ook bij ons menschen tot heden

toe prachtig is bewaard gebleven ten aanschouwe van iedereen. Alle

soorten van tanden zijn daar voorhanden, en dat wel zeer goed te

onderscheiden. Hun rij is van boven en beneden tot één geheel

aaneengesloten, ten minste zonder groote tusschenruimten. De hoektanden

zijn nog volkomen duidelijk ontwikkeld, hoewel niet overdreven

vooruitstekend. Alle vier voorkiezen zijn aanwezig, maar zij handhaven

tevens hun verschil met de drie echte kiezen, daar zij in de eerste

plaats aanzienlijk kleiner zijn. En die kiezen zijn aan hun werkzaam

bovengedeelte kort, maar in de kaak vast ingeslagen met groote spitse

wortels. Zij missen nog volledig het cementplombeersel in de diepten

van hun kauwvlakte. Die hoogten en laagten in het vlak zelf verschillen

in hun eenvoud nog ontzettend veel van het werkelijk angstwekkend

geplooide profiel der hooge prisma’s aan de kiezen van ons levend

paard. Wel ziet men, dat het ook hier reeds geldt den meer specialen

tak der dieren van Cernays, die op de hoefdieren wijst, die dus geen

punten op de kiezen draagt zooals de roofdieren, maar de echte kiezen

reeds op gemengd voedsel heeft ingericht. In hun breedte is de

tandkroon daarachter alleen met een paar eenvoudige vlakke bulten

voorzien. Van onderen zijn het slechts vier, van boven, door twee

tusschenbultjes, zijn er zes. Wil men den toestand werkelijk eens

geografisch beschrijven als tegenover een gebergte, dat men uit

vogelperspectief ziet, dan heeft men bij een dergelijke kies uit de

bovenkaak een mooie kleine hoogvlakte vóór zich met zes goed

geproportionneerde en duidelijk gescheiden bergkegels. Dat is de

typische kies van den omnivoor (allesetend), die trouwens in hoofdzaak

toch reeds de voorkeur geeft aan plantenkost, maar dan ook in groote

afwisseling. De zwijnen hebben ook een dergelijke kies. In

tegenstelling daarmede ziet het berglandschap van de paardekies er uit

als een gedeelte van de oppervlakte der maan met de meest grillige

lijnen van gekartelde kraterwallen, met ingesloten bekkens en allerlei

daardoor heen loopende verweeringen.

En nu heeft men ook hier de schoonste geleidelijke overgangen. Evenals

bij het onderbeen, zoo hebben ook bij de tanden op zeer karakteristieke

wijze de vospaardjes, dus de oudste echte equiden, eveneens nog bijna

geheel den toestand der oorspronkelijke hoefdieren. Nog zijn alle

tanden voltallig. Wel wordt de gaping, die reeds uiterst gering bij den

Phenacodus begon, zichtbaar, maar nog is het alleen maar een enkel

wijken der tanden, niet een ontbreken: de later verdwijnende eerste

voorkies is nog duidelijk van boven zoowel als beneden aanwezig. Nog

verschillen die voorkiezen van de gewone kiezen, nog hebben de kiezen

geen cementplombeersel, nog dragen de ouderen onder die vospaardjes op

ieder dier kiezen de zuiver gescheiden bulten. En dat alles toch, wel

te verstaan, nog bij een typisch echten equide! Bij de jongere

vospaardjes (die, welke aan den achterpoot reeds geen pinkaanhechtsel

meedragen), beginnen er eerst bergjukken tusschen de bulttoppen te

komen, en die toppen beginnen zich om te vormen tot eigenaardig

haakvormig gebogen kammen. Dit gaat dan op de volgende trappen verder,

als volgde men in een gebergte werkelijk wilde geologische

verschuivingen en plooiingsprocessen. Bij de vroeger genoemde

kwasthoevigen zijn de kiezen nog klein en van stevige wortels voorzien.

Maar reeds begint de karakteristieke prismavorm van het echte paard

door te breken. Terwijl in het relief van boven de middelste dier

haakvormig gebogen kammen zich aanschuiven tegen de uiterste, ver tot

aan den rand zich uitstrekkend, wordt de tusschenruimte, die vroeger

open dal was tusschen bergtoppen, tot een rondom omsloten kraterholte,

en in die holten zooals anders in de plooien begint zich plotseling

cementmassa af te zetten. Te gelijker tijd merkt men ook, dat de

voorste der voorste kiezen veranderlijk wordt, en de overige gaan hoe

langer hoe meer op de kiezen gelijken. Bij onze pinkdieren groeit de

kies echt tot een hooge zuil uit, waarbij de wortels verdwijnen. In een

diepe inzinking liggen daar thans de kraterholten absoluut ingesloten,

en steeds rijkelijker dringt overal als een taaie afgezette massa het

cement in de bergplooien. De kammen om de kraters kronkelen zich als

overoude verweeringsarabesken, de laatste nog uitstekende binnenste

toppen beginnen in dien warwinkel van plooien in te vloeien. Van daar

is het nog slechts een korte schrede tot het echte wilde paard. Niet

gemakkelijk kunnen er twee dingen zijn, die meer van elkander

verschillen dan de reusachtige prismatische kies van dat paard met haar

verkwijnende wortels en haar cementlabyrint, en de fijne cementlooze

gebulte tand met fijne, spitse wortels van den Phenacodus—en toch is er

in de geheele lijn tusschen die beide geen enkele sprong, waar men zich

verbazen zou over den plotselingen overgang, en de laatste overgang is

nauwelijks meer dan het invloeien van een laatste overblijfsel van een

inwendigen bult in de golvingen der plooien. Als een dergelijke

tandvlakte, reusachtig vergroot, werkelijk een plek op onze aardkorst

was met een krachtige bergformatie, waarop wij gedurende millioenen

jaren steeds van tijd tot tijd weer neerzagen,—dan zou geen enkele

geograaf de geleidelijke vervorming van dat gebergte, de omvorming van

zijn oorspronkelijke kegelspitsen in een labyrint van bergjukken in de

lengte en in de breedte en van gebarsten pieken, de uitdieping zijner

zeeën, anders verklaren dan in de beteekenis van een consequent

voortgezet formatieproces in de natuurlijke volgorde zonder eenig

hiaat. En als wij nu telkens na even groote tusschenperioden neerzien

op den tand in de kaak van een levende diersoort,—waarom zou dan het

proces een geheel ander zijn?

Over het „hoe” van dergelijke vervormingen zijn er, zooals ik zeide,

(en zullen er ook nog lang zijn) zeer van elkander afwijkende meeningen

ook binnen de partij, die onfeilbaar gelooft aan natuurlijke

ontwikkeling in het algemeen. Zoo is dan ook die geschiedenis van het

paard een tijd lang de aanleiding geweest tot een zeer interessant

debat, waarbij tegengestelde opvattingen omtrent het „hoe” scherp tot

uitdrukking kwamen.

Ik heb medegedeeld, dat versteende beenderen van op paarden gelijkende

dieren uit Fransche vindplaatsen het eerst door Cuvier zijn beschreven,

lang voordat Amerika die bewonderenswaardige keten leverde, en dat ook

in het vervolg Europeesch bewijsmateriaal niet ontbrak. Toen Darwins

denkbeelden zich eerst aanhangers verwierven en Haeckel de eerste

„stamboomen” van diergroepen ontwierp, kende men nog niets anders dan

die Europeesche resultaten. Het scheen echter reeds met deze eenigszins

mogelijk, een dergelijken „stamboom” van het paard te construeeren. Men

had ook daar reeds onmiskenbare kwasthoevige dieren uit de latere

tertiaire periode, en daarna driehoevige equiden uit oudere lagen

(juist deze had Cuvier reeds herkend); later zijn er zelfs nog

overblijfselen van vospaardjes en ook enkele zeldzame overblijfselen

van het oorspronkelijke hoefdier Phenacodus gevonden. Al was het op

verre na niet zoo nauwkeurig, toch schemerde de juiste grondlijn in

ieder geval zóó door, dat men haar werkelijk kon vaststellen, en de

eerste specialiteiten waren er niet weinig trotsch op, dat hun dit

scheen te gelukken. Bij de zekerheid van het feit, dat toch het

voortgekomen product, namelijk het tegenwoordige paard, als wild paard

en wilde ezel, zij het niet meer tegenwoordig in Europa, dan toch in

Afrika en Azië, dus in de oude wereld nog, in groote massa’s

voortbestond, kon in dat eerste aanstormen der dingen eerst ook geen

twijfel bestaan, of die stamboom liep alleen over vormen uit de oude

wereld. Toen men hoorde van voormalige Amerikaansche paarden, scheen

het even natuurlijk, dat men hier moest hebben te doen gehad met

verstrooide landverhuizers uit Oud-Azië of Oud-Europa.

Maar daar kwamen slag op slag de Noordamerikaansche vondsten voor den

dag met de geheele daar verkregen keten. De zaak werd moeilijk. En wel

des te moeilijker, toen het volgende scheen voor den dag te komen. De

Amerikaansche keten van de oorspronkelijke hoefdieren tot aan het

echte, daar ten minste zeer laat nog aanwezige wilde paard was

onberispelijk trap voor trap in zich zelf gesloten. In de meer

algemeene grondtrekken: dat zij ten slotte wees op voorvaderen met vijf

teenen, dat zij leidde langs een trap van driehoevige dieren, en een

tusschentrap omvatte van de kwasthoevigen, kwam zij volkomen overeen

met de reeds bekende Europeesche keten. Maar in bijzonderheden bleken

er ongetwijfeld afwijkingen te zijn.

De Amerikaansche en de Europeesche vertegenwoordigers der driehoevige

equiden wilden in de bijzonderheden volstrekt niet bij elkander passen.

Voor de kwasthoevigen daar en hier werd dit ten minste bestreden. Daar

op het oogenblik noch de Europeesche noch de Amerikaansche geleerden

hun stamboom wilden prijsgeven, doch beide stamboomen verschillend

waren, maar van den anderen kant het resultaat voor beide hetzelfde

was, scheen er slechts één logische uitweg te zijn. Het paard moest

zich als zoodanig twee maal hebben ontwikkeld in een overigens

identieken eindvorm: bij ons in de oude wereld uit oorspronkelijke

hoefdieren met vijf teenen langs de keten, die in Europa uit een

geologisch oogpunt ten minste nog eenigszins is te volgen, daar ginds

in Amerika uit de misschien nog gelijke oorspronkelijke hoefdieren

langs de keten, die daar nog nauwkeurig is na te gaan. Beide ketens

hadden verwante logische trekken, werden echter in bijzonderheden door

tamelijk veel van elkander verschillende equidenvormen

vertegenwoordigd. Enkele Duitsche onderzoekers, bij voorbeeld de oude

Kämpe, die even handig in het debat en in zijn polemiek even zelfbewust

als vreeselijk grof was, en de dikke Vogt traden op de meest fanatieke

wijze voor die oplossing in het strijdperk, alsof het wel en het wee

der geheele ontwikkelingsleer daarvan afhing. Doch het gold slechts een

bepaalde opvatting van de inwendige wegen eener zoodanige ontwikkeling,

maar in een in ieder geval interessanten vorm.

De vraag was opgeworpen, of een diersoort op onze aarde door

natuurlijke ontwikkeling tweemaal in volkomen denzelfden vorm kan

onstaan, en dat wel langs vormen van voorouders, die wel is waar in

wezen niet volkomen ongelijk waren, maar toch ook volstrekt niet in

zoölogischen zin gelijk waren. De bevestiging dier vraag moest

natuurlijk van bijzonder groote draagwijdte zijn. Passen wij dit bij

voorbeeld toe op den mensch, dan kan in een dergelijk geval dus de

mensch op verschillende plaatsen van onze planeet zich hebben

ontwikkeld uit diervormen, die van verschillende soort waren, al kwamen

zij dan ook in bepaalde trekken overeen, een feit, dat op de splitsing

der rassen van het begin af aan een ander licht zou werpen en den

stamboom van den mensch oneindig veel gecompliceerder zou maken.

Nu is in de eerste plaats niet goed te loochenen, dat de mogelijkheid

van twee onafhankelijke ontwikkelingen, die toch tot volkomen hetzelfde

resultaat leiden, zuiver theoretisch moet worden toegegeven. Iedere

ontwikkeling berust in den zin der moderne evolutieleer op natuurlijke

oorzaken, en wat die oorzaken voorschrijven, moet zich daarin

onveranderlijk voltrekken. Gelijke oorzaken hebben echter gelijke

gevolgen,—dat is ook een onveranderlijke wereldwet. Indien dus tweemaal

volkomen dezelfde oorzaken van ontwikkeling, waar ook op de wereld,

zijn opgetreden, moeten er ook dezelfde resultaten uit zijn

voortgevloeid.

Legt men het zwaartepunt bij het resultaat niet op volkomen

„gelijkheid”, maar alleen op „overeenstemming”, dan zijn er voor dat

beginsel voorbeelden in overvloed. Het vliegen is door de meest

verschillende dierengroepen zeker volkomen onafhankelijk van elkander

aangeleerd, en daarbij zijn op de meest verwijderde plaatsen zeer met

elkander overeenkomende vliegorganen ontwikkeld; zoo hebben wij in het

„Dierenboek” reeds medegedeeld, hoe zoowel de uitgestorven vliegende

hagedissen alsook de (daarvan ver verwijderde en onafhankelijke)

vleermuizen den vinger hebben gebruikt om de vlieghuid uit te spannen.

De vermindering der hoefteenen ter wille van een gemakkelijker

beweging, het steile opheffen van den middenvoet, de „verbeening” van

dien voet, dus karakteristieke feiten uit het proces der paardwording,

zijn in vormen, die in ieder geval met elkander overeenkomen, ook door

andere hoefdieren: runderen, schapen, herten enz. volbracht. Bij een

bijzonder merkwaardig uitgestorven hoefdier van Zuidamerika, dat

behoorde tot een groep van hoefdieren, die zich daar in oude dagen

hadden nedergezet, en dat zich daar volkomen had vervormd, het

Thoatherium, is dat proces zelfs zóóver gevorderd, dat evenals bij het

paard ook ten slotte alleen de middenteen is overgebleven; dat dier en

zijn verwanten hadden daarbij anders volstrekt geen gelijkenis en geen

betrekking tot het paard en den stamboom van het paard, zij waren

alleen in dat ééne opzicht bij volkomen verschillende ontwikkeling

onder den invloed van de werking van „gelijke oorzaken” gekomen. Nu was

alleen de vraag, hoe ver dat woordje „gelijkenis” tot het begrip

„gelijkheid” naderde. De gegeven voorbeelden zijn immers feitelijk alle

nog ver daarvan verwijderd; de vliegende hagedis is geen vleermuis, het

rund en zelfs het genoemde Thoatherium zijn geen paarden geworden. Zijn

er meerdere van zulke complexen van gelijke voorwaarden, zoodat een

geheele ontwikkeling zich zou kunnen herhalen totdat het geheele

complex van een volkomen identieke diersoort zich zou kunnen herhalen?

Men kan beginnen met ook die vraag te beantwoorden door een analoog

voorbeeld aan het oneindige heelal ontleend. Als wij ons een tweede

wereldlichaam denken ergens in het heelal gelegen, dat bij eenzelfden

stand ten opzichte van de zon uit dezelfde grondstoffen bestond als de

aarde en dezelfde verhoudingen in grootte had, dan is het zeker, dat

dit wereldlichaam, door gelijke oorzaken als onze aarde gebracht tot

ontwikkeling van organisch leven, volkomen dezelfde planten- en

diersoorten zou moeten voortbrengen en eindelijk ook door intelligente

menschen moest worden bewoond. In dichtstukken is daarvan dikwijls

gebruik gemaakt, maar het berust (bij de in het oogvallende

overeenkomst van veel kosmische scheppingen, bij voorbeeld van veel

vaste sterren met onze zon) op een veel strengeren grondslag dan de

meeste menschen meenen. Eveneens is het volkomen zeker, dat indien

heden onze aarde door de ééne of andere gewelddadige gebeurtenis weer

in den toestand van een chaotische nevelvlek zou terugkeeren, zonder

dat er anders iets veranderde aan haar stoffelijke samenstelling of

haar astronomische betrekkingen, na een periode van zoo en zooveel

millioenen jaren alles bij haar weer bij het oude zou zijn, dezelfde

planten-, dieren- en menschenwereld in al haar individuen en hun

lotgevallen weer aanwezig zou zijn, zóódanig, dat alle handelingen bij

voorbeeld bij ons menschen, die na de catastrofe aanwezig zijn, zich,

als ware er niets geschied, moesten aansluiten aan hetgeen vóór de

catastrofe gebeurd was op het oogenblik, dat de aarde in denzelfden

ontwikkelingstoestand verkeerde als thans.

Dit alles zijn dingen, die uit de ernstig opgevatte consequentie der

levensontwikkeling noodzakelijk voortvloeien. De zaak wordt echter iets

anders, wanneer wij een dergelijk geval nu op één en dezelfde planeet

in eenzelfde periode van de geschiedenis der aarde moeten construeeren.

Opdat het paard tweemaal, in Europa en Amerika, zou ontstaan, zouden in

het verloop der tertiaire periode de omstandigheden in de grassteppen

van dat Europa en Amerika absoluut gelijk moeten geweest zijn. Rijkdom

en wijze van plantengroei, verhoudingen te land en te water, klimaat en

aanvallende dieren, oorspronkelijk aantal individuen enz., dat alles

moest gedurende millioenen jaren een absolute identiteit hebben

gehandhaafd. Het is moeilijk zich dit te denken.

De zaak zou trouwens gemakkelijker verklaard kunnen worden, als men een

keuze deed tusschen bepaalde theorieën van de noodzakelijkheid der

ontwikkeling, en dan de meest geschikte uitzocht. De groote massa van

hen, die aan de ontwikkeling gelooven, nemen tegenwoordig aan, dat

iedere ontwikkeling in het bereik van het leven hoofdzakelijk tot stand

komt door den dwang der uitwendige omstandigheden, die de soorten

dwingt, zich te wijzigen in de lijn van bepaalde aanpassingen; voor hen

is het paard in iedere vezel een prachtig bewijs van een dergelijke tot

het hoogste punt opgevoerde aanpassing. De methode, waarop levende

wezens het tot stand brengen, werkelijk op een dergelijken dwang te

reageeren, zich op een voor het doel geschikte wijze tegenover de

eischen te vervormen, zich „aan te passen”,—is dan weer een zaak van

engere theorieën. Darwin denkt aan een voortdurend blind voortbrengen

van varianten, waarbij de uitwendige eischen steeds de meest bruikbare

varianten in stand doen houden. Over den aard en de kracht van die

varianten wijken de meeningen van Hugo de Vries en van andere

leerlingen van Darwin tegenwoordig van elkander af. Omgekeerd houden de

voorstanders van Lamarck meer rekening met een meer actieve en directe

geschiktheid tot aanpassing van de levende individuen, die dat proces

der blinde teeltkeus met zijn ontzettende decimeeringen in meerdere of

mindere mate onnoodig maakt. Bij beide wegen blijft echter de

beslissende macht der uitvoerige eischen bestaan. Om tweemaal het paard

op dezelfde wijze voort te brengen, zou zoowel voor de theorie van

Darwin als voor die van Lamarck die absolute identiteit der uitwendige

omstandigheden, van het Europeesche en het Amerikaansche milieu,

gedurende een onmetelijke tijdsruimte noodig geweest zijn, dus iets wat

niet gemakkelijk is te denken.

Om aan dien eisch tegemoet te komen, zou alleen een theorie dienst

kunnen doen, die de beteekenis van dien dwang van het milieu op den

achtergrond stelde ten gunste van een dwang tot ontwikkeling, die

geheel van binnen uit en zelfstandig werkt in de levende wezens zelf.

Ook dat denkbeeld heeft aanhangers, al heeft het tegenwoordig geen

enkelen op den voorgrond tredenden vertegenwoordiger. Volgens dat

denkbeeld moet de vaste ontwikkelingslijn van alle dieren en planten in

hoofdzaak in hen zelf liggen. De buitenwereld zou zich tegenover die

ontwikkeling slechts zóó gedragen als de broedwarmte tegenover het

kippenei. Dit denkbeeld put al zijn kracht voor de stamgeschiedenis der

soorten werkelijk uit de analogie met hetgeen in de kiem, in het ei of

in de pop geschiedt. Een pop van een vlinder, behoorlijk rustig en warm

gehouden, brengt denzelfden vlinder voort op grond van een inwendige,

als een uurwerk loopende regelmatigheid, even goed ginds in Amerika,

als, naar ons overgebracht, in Europa. Zoo zou het dan ook ongeveer met

de oorspronkelijke hoefdieren geweest zijn. In de Amerikaansche,

evenzeer als in de Europeesche prairie, zou, als maar voldoende tijd en

rust gewaarborgd was, het inwendige, opgewonden uurwerk der

ontwikkeling in een bepaald aantal generaties het paard moeten te

voorschijn brengen, en wel het volkomen identieke paard. Die theorie is

niet, zooals wel wordt beweerd, een onwetenschappelijke theorie zonder

meer, want zij berust in ieder geval op een analogie, namelijk op het

op zich zelf volkomen natuurlijke verloop der ontwikkeling in ei of

pop. Alleen blijft zij volkomen het antwoord schuldig op twee vragen,

die de zooeven genoemde andere vorm der ontwikkelingsidee spelend

oplost. En wel in de eerste plaats, wie het uurwerk heeft opgewonden.

In de geschiedenis der kiem, in het ei, is het naar de tegenwoordig

gangbare opvatting juist de stamgeschiedenis zelf geweest. Voor de

stamgeschiedenis bleef er dan een onbekende onderstelling open. Ten

tweede, hoe het komt tot de duidelijk zichtbare „vooruit vaststaande”

harmonie tusschen de resultaten van dat inwendige uurwerk en de eischen

van aanpassing der buitenwereld. Waarom tikt het inwendige uurwerk het

paard juist als een zoo voortreffelijke aanpassing aan de steppen naar

buiten?

Het is niet de taak van dit boek, in het groote spel en tegenspel van

dergelijke theorieën tegenwoordig scherpe beslissingen te nemen. Ik

wilde den lezer daarop alleen wijzen, als de stof daaraan noodzakelijk

raakt. Het geldt daarbij, zooals gezegd is, interessante vraagpunten

binnen het kader der groote ontwikkelingsidee zelf, vraagpunten, die de

inspanning van de besten en de edelsten ten volle waard zijn. Maar voor

ons vraagstuk over het paard is er gelukkig een oplossing, waarbij wij

die vraagstukken kunnen ter zijde laten ook zonder de noodzakelijkheid

van een beslissende oplossing.

Het paard · 第 5 / 16 段