daar wij tot nu toe nog altijd op het onderzoek der voeten uit zijn,
nog een onmiskenbare overeenkomst met die van onze vospaardjes der
volgende periode. Ook hier rust het lichaam zoowel bij de hand als bij
den echten voet met zijn grootste zwaarte op drie stevige hoefteenen,
waarvan de middelste nog steeds, volgens het model der paarden, de
stevigste en langste is. In de deelen, die bij onze vospaardjes als
kwastjes en griffelbeenaanzetsels optraden, is trouwens één gedeelte
weer wat meer ontwikkeld in dien zin, dat het meer nadert tot onze
menschenhand en onzen menschenvoet. Van voren, aan de eigenlijke
handen, is de pink zóó ver voorbij zijn stadium van kwastje, dat hij op
ieder eenigszins week terrein in elk geval nog goed meewerkt, zoodat op
zulke oogenblikken de hand hier zonder twijfel op vier vingers steunt.
Doch te gelijker tijd is ook de duim het stadium van griffelbeen
voorbij, en is bij het loopende dier in het stadium van kwastje. En in
overeenstemming daarmede is aan den achtervoet de kleine teen volkomen
als hulpsteun voor bijzondere omstandigheden, de groote teen, die bij
de vospaardjes nog in iederen vorm ontbrak, als kwastje ontwikkeld. Men
zou kunnen zeggen, dat er bij dien voet een kleine sprong vooruit is in
vergelijking met het vospaardje: men zou zich een tusschenvorm kunnen
denken, die daar eerst den kleinen teen als volkomen griffelbeen of
kwastje vertoonde, den grooten als begin van het griffelbeen. Het lijkt
alsof er een tusschenvorm was als nauwere verbindingsterm, welke vorm
hier echter verloren is gegaan. Intusschen is die sprong in beginsel
toch weinig belangrijk. De voor oogen liggende haltplaats is nog steeds
onmiskenbaar in de hoofdlijn gelegen. Evenzeer kan het nauwelijks
verbazen, dat de vinger- en teenwortels nu reeds in het geheel niet
langer meer zijn dan de vingers en teenen zelf, wanneer men zag, hoe
reeds bij de oudere equiden de oorspronkelijke tegenstelling van het
paard hier voortdurend meer verloren ging, totdat volkomen de
afmetingen der hand bereikt werden.
Slechts één enkele omstandigheid schijnt werkelijk anders te zijn en
voorbij al het vroegere te wijzen op een absoluut nieuwe richting. De
eindleden der half- of volkomen ongebruikte gebleven zijvingers en
zijteenen zijn zóó eigenaardig samengedrukt, dat men daarin in het
geheel geen breeden hoef meer ziet. Zij schijnen veel meer overeen te
komen met een spitsen, op een scheede gelijkenden klauw. En heffen wij
nu in eens onzen blik op tot het geheele skelet, dan wordt het ons
plotseling duidelijk: bij die vier equidenpooten, die reeds op de
uiterste grens staan, maar die wij toch nog in hun belangrijkste
kenmerken daarvoor moesten houden, behoort een lichaam, dat in de
meeste van zijn kenmerken nu niet meer aan een echten equide behoort.
Een dier is te voorschijn getreden, dat met kenmerken van hoefdieren,
paarden, op de meest in het oog vallende wijze ook kenmerken vereenigt
van oorspronkelijke roofdieren, zelfs halfapen,—een zoogdier, dat in
ieder geval nog een zeer primitieve mengvorm is op den drempel der
hoogere zoogdieren.
Waartoe veel woorden?... Wij zijn zóó diep afgedaald in de reeks der
hoe langer hoe oudere tertiaire lagen van Amerika, dat wij thans in de
nabijheid der oudste eocene lagen, eenvoudig midden in die dierenwereld
gekomen zijn, die bij ons in Europa hoofdzakelijk in Cernays bij Reims,
maar buiten Europa in de eerste plaats in Nieuw-Mexico haar
karakteristieke beenderen heeft achtergelaten—beenderen van een
menggroep aan den drempel der ontwikkeling van alle hoogste groepen der
zoogdieren, waartoe ons onze beschouwing vroeger steeds weer gebracht
heeft, van beneden opklimmend. [4]
Als de onmiddellijk overlevenden uit die groep hadden wij de
insecteneters (egel, mol en consorten) begroet. Onder hun uitgestorven
vormen hadden wij zóódanige waargenomen, die reeds iets naar boven
wezen naar de halfapen en latere apen tot aan den mensch; andere, die
het levende type van het roofdier reeds juist begonnen aan te wijzen;
en ten slotte zoodanige, die reeds blijkbaar losstuurden op het
hoefdier. Die laatste deelgenooten van die merkwaardige oorspronkelijke
en gemengde troep noemden wij met een in de nieuwere systematiek
ingeburgerden weinig handelbaren naam: Condylarthren; in plaats van een
onmogelijke, werkelijke vertaling van dat anatomische speciale woord
zullen wij ze oorspronkelijke hoefdieren noemen.
Met alle vertegenwoordigers der groep van Cernays vertoonden die
oorspronkelijke hoefdieren nog de oorspronkelijke vijfvingerige hand en
den oorspronkelijken voet met vijf teenen van de oudste zoogdieren. Dit
is alles vroeger uitvoerig verhaald. Uit den bouw dier groep van
Cernays hebben de apen en met hen wij menschen tot op den huidigen dag
onze vijf vingers en vijf teenen behouden. Maar in dien ouden tijd zelf
bezaten ook die oorspronkelijke hoefdieren in de groep hetzelfde aantal
aan hand en voet. Dit maakt duidelijk, waarom, toen wij bij ons zoeken
naar het paard met onze het laatst geschetste schepsels onverwacht in
die groep binnenkwamen, hand en voet op eens zoo ontzettend veel
overeenkomst hadden met die van den mensch, met uitzondering alleen van
de ook hier nog aanwezige hoeven.
Intusschen hebben wij vroeger medegedeeld, hoe ook de hoef zelf bij
deze oorspronkelijke hoefdieren als het ware begint weg te nevelen. Die
hoef is historisch een product, een ontwikkelingstoestand van den
klauw. Het is dus niet te verwonderen, dat in de reeks dier
oorspronkelijke hoefdieren nog allerlei overgangsvormen, waarbij klauw
en hoef en ook de derde vorm, de nagel, die toen eerst langzaam als uit
de moederloog uit kristalliseerde, en die aap en mensch zoo stevig
hebben bewaard, nog meer of minder in elkander overgaan. En dit is het
nu weer, wat wij ook bij ons oorspronkelijk hoefdier bij zijn
paardachtigen poot opmerkten, dat zijn zijvingers en zijteenen, die bij
het loopen minder gedrukt waren, plotseling een neiging vertoonden tot
klauwachtige of nagelachtige scheppingen. En juist dien trek kunnen wij
zelfs binnen verschillende soorten van die oorspronkelijke hoefdieren
met op paarden gelijkende voeten nog een eind vervolgen.
De op de laatste plaat van het „Dierenboek” gereconstrueerde
vertegenwoordiger, dien de Amerikaansche geoloog Cope zijn geestelijke
tweede vader, op grond der vondst van de beenderen „Phenacodus” heeft
gedoopt, had historisch in Amerika op die plek nog een voorganger, die
door dienzelfden Cope „Euprotogonia” genoemd werd. In zijn geheelen
bouw reeds bijna geheel gelijk aan den Phenacodus, had hij toch aan den
voorvoet zoowel als aan den achtervoet: duim en pink, grooten en
kleinen teen, die nog alle volkomen buiten het stadium van het half of
geheel ongebruikte kwastje lagen,—al die toppen van vingers en teenen
raakten evenzeer reeds met hun uiteinden bij het loopen den bodem, als
de drie oorspronkelijke, van voren en van achteren, in het midden. Maar
tevens waren bij die van nu af aan ondubbelzinnig vijfvingerige
dieren,—wier middenvinger en middenteen zelfs niet dikker meer waren
dan hun naastliggende makkers en nog slechts zóó weinig langer als in
onze menschenhand de middelste vinger,—alle tien toppen van alle tien
vingers en teenen nog slechts bekleed met de besproken mengvormen van
klauw en hoef—zoodat van nu af aan, evenals de laatste flauwe
weerschijn van den equidenaard, zoo ook in het algemeen het echt
karakeristieke der hoefdieren scheen te verduisteren en te verdwijnen
als afzonderlijke soort, die het stelsel bepaalde.
Onder de verdere makkers der Euprotogonia waren er te gelijker tijd
gestalten van dergelijke „verdwijnende hoefdieren” (verdwijnend in de
beteekenis van een oplossing in een volkomen gegeneraliseerden
oorspronkelijken grondstam), die hun voet met vijf teenen en hun
daarmede overeenstemmende hand niet meer alleen met de toppen van
teenen en vingers neerzetten, maar die zich bij het loopen evenals een
beer of een loopend mensch geheel en al op de platte zool lieten
vallen, met de hak te beginnen,—zoodat zij daardoor ook in dit punt het
laatste doel en de laatste beteekenis van het hoefdier aflegden ter
wille van die oudste en meest oorspronkelijke methode van loopen bij de
zoogdieren, waarvan wij vroeger reeds bij de algemeene beschouwing van
den hoef in het „Dierenboek” uitvoerig gesproken hebben.
En eindelijk moet hier nog aan worden toegevoegd, dat, evenals de echte
equiden ten slotte reeds samenschrompelden tot schepsels van de grootte
van vossen, onder die alleroorspronkelijkste eocene wezens nu werkelijk
vormen voor den dag komen, die in hun grootte zelfs afdaalden tot die
maten, die wij van een „hoefdier” nooit zouden mogelijk achten, als ons
niet nog tegenwoordig in dien in het „Dierenboek” geschetsten klipdas
feitelijk een echte, zij het dan ook een ouderwetsche hoevendrager voor
oogen stond, die nog slechts de grootte heeft van een konijn. De
beschreven en in beeld weergegeven Phenacodus had nog
vertegenwoordigers van zijn soort, die het tot de afmetingen van een
tapir brachten, naast andere, die, trouwens volkomen in overeenstemming
met de vospaardjes, niet grooter waren dan honden en vossen. Andere
soorten van dat gilde daalden echter ook toen reeds af tot de maat der
klipdassen, en daarmede bevestigden zij het beginsel, dat die
merkwaardige achteraanblijver uit onze dagen, ons zoo al niet de
onmiddellijke physionomie der oorspronkelijke hoefdieren in alles voor
oogen tooverde, toch in zijn grootte van een konijn nog een stuk der
alleroudste geschiedenis der hoogere zoogdieren in het algemeen, en van
de hoefdieren in het bijzonder, levend vertoonde.
Ik heb die geheele keten van opvolgende beelden, te beginnen met de
Amerikaansche wilde paarden tot aan de eocene Euprotogonia tot nu toe
opzettelijk doen voorbijgaan in de beteekenis van een zuiver
historische reeks, waar telkens het ééne beeld op het andere volgt,
zonder veel commentaren er aan toe te voegen. Hij die buitengewoon
voorzichtig zou willen onderrichten, zou hier het boek sluiten en
zeggen: verder geeft de wetenschap er niets meer bij, en wat gij er u
nog zoudt willen bijdenken, is een subjectieve geloofsbelijdenis en
bespiegelende natuurfilosofie, die den exacten natuuronderzoeker niets
aangaan.
De eenvoudige logica, die toch ten slotte de grondslag van alle juiste
natuuronderzoek is en moet blijven, laat zich echter niet zoo
afschepen. Van het oogenblik af, dat het denkbeeld bestaat in de wereld
der gedachte, dat er een voortdurende ontwikkeling in de dierenwereld
kon zijn, een ontwikkeling, die reeds gedurende millioenen jaren van de
ontwikkeling der aarde voortduurt, die reeds ontelbare rijen van
geslachten omvat en binnen die samenhangende keten van geslachten in
langzame omvorming groote en in het oog vallende veranderingen te
voorschijn brengt,—van dat oogenblik af moet zich ook een logische
waarschijnlijkheid aan ons opdringen, dat in die geschiedenis van den
paardepoot een bijzonder aanschouwelijk voorbeeld van een dergelijke
ontwikkeling voor oogen wordt gevoerd.
Wij zijn met onze beschouwing die ontwikkelingslijn in tegengestelden
zin te gemoet gegaan. Doch als werkelijk historisch proces moet de lijn
van beneden naar boven gestegen zijn. De beteekenis dier lijn was de
omzetting, vervorming van een voet, die oorspronkelijk vijf teenen had
en van een hand met vijf vingers, in vorm overeenkomende met onze
tegenwoordig nog bestaande menschelijke hand bij een klein zoogdier,
zooltreder en op klauwen loopend, en van zeer ouderwetsche vorming—,
welke vervorming door een aantal langzaam zich wijzigende
overgangsvormen voortging tot het merkwaardige eenteenige, steile en in
het been opgetrokken, van een hoef voorziene bewegingsapparaat der vier
paardepooten aan het lichaam van een groot, geweldig zwaar dier, dat
echter, wat de wijze van zijn voortbewegen betreft, is geholpen op een
wijze, die onder zijn omstandigheden als het ware een ideaal is. Van
station tot station zien wij, doch nu van beneden naar boven, de keten
nog eens overziende, hoe de hoeven en de steile stand zich van handen
en voeten meester maken, zien wij, hoe het lichaam, dat door die
ledematen gedragen wordt, hoe langer hoe grooter en zwaarder wordt,
zien wij, hoe de overtollige vingers en teenen stuk voor stuk eerst
dienst doen als reservestutten, daarna tot kwastjes, die al geen waarde
meer hebben, eindelijk tot griffelbeenderen en griffelaanhechtsels
overgaan, totdat zij eindelijk ten minste voor een deel absoluut
verdwijnen, terwijl de ééne middenteen van den paardepoot, die in volle
stevigheid overblijft, ten slotte de geheele kracht van het geheel in
zich vereenigt en alleen handhaaft.
Hoe wij ons ook de drijvende krachten, de wegen, waarlangs dergelijke
omvorming en ontwikkeling heeft plaats gegrepen, mogen denken—en er
zijn werkelijk binnen de ontwikkelingsidee ongetwijfeld verschillende
logische mogelijkheden, die ruimte laten tot discussie en bespreking
(Darwin toch had in de bijzonderheden niet dezelfde meeningen hierover
als Cope, de man, die met het gunstigste resultaat de zuiver
geologische feiten juist op dit gebied heeft ontraadseld, en nog
anderen hebben daarover weer andere meeningen),—toch zullen hierin toch
alle partijen binnen de ontwikkelingsidee eenstemmig denken, dat hier
een ontwikkeling voor oogen wordt gesteld, waarvan de engere beteekenis
nog gelegen is in de vervorming van een orgaan door een zeer bepaalde
behoefte voor het gebruik.
De levenswijze van het tegenwoordige paard is in beginsel nog altijd de
verklaring van het eerste begin. Op een uitgestrekte, harde vlakte,
waar het lichaam niet inzakt, en het dus zijn teenen niet behoeft uit
te spreiden, om niet in het moeras te blijven steken, wordt het
beginsel in de hand gewerkt, den vierteenigen voet op het middenstuk te
concentreeren, en met één enkelen stoot der elastische middenhoeven den
harden grond te stampen. In het begin helpt dit kleine dieren op de
vlucht, bij het trekken over de stevig dragende grasvlakte beter voort,
zoodat het zich op de ééne of andere wijze in hare organisatie als
„aanpassing” afdrukt. Als dit kenmerk er eenmaal is, maakt het ook aan
grootere, zwaardere vormen die levenswijze mogelijk, maakt het
mogelijk, dat het dier zwaarder wordt zonder dat zijn beweeglijkheid
daarbij vermindert, en daarbij dat de kracht veel meer wordt
geconcentreerd. Maar voortdurend, hoe zwaarder het dier wordt binnen de
perken van de eischen aan de beweging gesteld, moet het
bewegingsapparaat in de eenmaal ingeslagen richting verder verbeterd en
verfijnd worden. De middenteen wordt ten slotte alles. Wat nog een tijd
lang als reserve wordt meegevoerd, zooals de kwastteenen, dat wordt
eindelijk als ballast ook over boord geworpen, opdat het groote schip
zal kunnen zeilen. Totdat ten slotte na zooveel duizenden jaren, na
zooveel ontwikkelingstrappen, de eischen der functie zich een toestel
hebben geschapen van een zóó bewonderenswaardige sierlijkheid, en zóó
tot in het uiterste verfijnd, als wij dien tegenwoordig in den
paardepoot vóór ons hebben.
Dit ongeveer is het, wat naar mijn meening door iedere engere
ontwikkelingstheorie in onze dagen als de „grondbeteekenis” van het
geheele proces zal worden toegegeven. Van den eersten dag af dat,
oorspronkelijk nog zeer onvolkomen, die geologie van den paardepoot in
Amerika te voorschijn kwam, is er dan ook voor de aanhangers eener
ontwikkelingsidee in alle legerkampen geen twijfel geweest, dat er niet
licht een duidelijker voorbeeld kon worden gegeven van de werkelijke
wijze, waarop een ontwikkeling plaats had, en van het doel dier
ontwikkeling, dan bij het hier gegeven voorbeeld van het paard.
Men moet hierbij echter in het oog houden,—en dit is ook van toepassing
voor hen, die twijfelen,—dat ook bij dit voorbeeld moet gelden: men kan
niemand dwingen tot het aannemen van het ontwikkelingsdenkbeeld op
zichzelf. Hij die haar eenvoudige grondgedachten niet ontleent aan de
gevolgtrekkingen, de logica en de wetten van het meest alledaagsche
leven en gebeuren, zooals wij die bij ons zelf beleven en ervaren,
zooals wij die in iedere courant lezen, zooals zij ons geheele openbare
en particuliere leven onafgebroken beheerschen,—hij die niet van
daaruit de groote logische analogie en denkmogelijkheid medebrengt tot
in het leven der dieren en planten van thans en eertijds,—hij die niet
bij dat leven van planten en dieren de eenvoudige fundamenteele
opvattingen meebrengt, die bij voorbeeld iedere rechter ten grondslag
legt bij ieder menschelijk proces, dat namelijk de dingen zich naar hun
logische juistheid en natuurlijke consequentie hebben ontwikkeld en de
loop van het misdrijf of van de onschuld niet plotseling wordt gekruist
door een bovennatuurlijk wonder,— —hij, die, zeg ik, van die beteekenis
niet reeds de grondgedachte in zich omdraagt om ze nog maar alleen te
toetsen aan de mogelijkheid, dat zij verder doorwerkt en vruchten
draagt: die kan niet overtuigd worden, en vooral niet door de meest
voortreffelijke geologische bewijzen. Hij die de grondidee der
ontwikkeling als zoodanig niet wil erkennen en alle middelen der
fantasie laat medespelen, om daarnaast een anderen uitweg te zoeken
voor zijn gedachten, kan ook tusschen twee logische stations van een
dergelijke ontwikkeling van den paardepoot, hoe mooi die ook mogen
wezen, een bovennatuurlijk ingrijpen aannemen, het wandelen van een
geest, die geen geologische voetstappen achterliet. Hij heeft daar tijd
genoeg voor, en niemand heeft werkelijk het veranderingsproces direct
gezien, zooals steeds het geval is bij alle geologische dingen, die
steeds voor ons berusten op louter aanwijzingen, hoe het tijdens het
leven geweest is. Ten slotte zou zelfs dat met eigen oogen zien nog
niet voldoende zijn, immers het bovennatuurlijke tusschen twee
processen zou zóó snel kunnen gaan, zóó in het verborgen kunnen
geschieden, dat iedere controle van onze grove zintuigen ophield. Hij
die aanneemt, dat in de geschiedenis der menschelijke kiem in den
moederschoot alles zóó toegaat in een trapsgewijze ontwikkelingsreeks,
als onze embryologen het ons leeren, maar dat toch op de ééne of andere
bepaalde plek door een bliksemsnelle en niet te controleeren daad de
individueele ziel met haar erfzonde en mogelijkheid van verlossing er
ingeblazen wordt, in plaats dat de enkel langs natuurlijken weg
ontwikkelde zielswerkzaamheid voortschrijdt, die kan rustig ook al die
feiten der geologische beeldenreeks van den paardepoot toegeven, en
toch er bij kunnen blijven volharden, dat tusschen twee opvolgende
beelden telkens één, misschien wel honderden bovennatuurlijke
scheppingsdaden liggen.
Ik geloof, dat men daarover niet kan disputeeren. Maar het is niet te
dulden, dat nu de vertegenwoordigers van die opvattingen tegenwoordig
gaarne de meening verkondigen, dat ook voor hem, die principieel een
ontwikkelingsidee, die een organisch geheel vormt, niet afgebroken door
wonderen, erkent als de „meest waarschijnlijke denkmogelijkheid” ook
voor dergelijke geologische processen, een keten van feiten als die wij
hier zoo objectief mogelijk omtrent den paardepoot hebben medegedeeld,
geen wezenlijken zin en geen bewijskracht zou hebben. Hier komt thans
niet meer, zooals daar, de fundamenteele meening, maar de eerlijkheid
van iedere logische gevolgtrekking in aanmerking, nadat men zijn geloof
heeft uitgedrukt aan het onbeperkt heerschen van een zoodanige logica.
Hij die aan de geologie logica toekent, moet naar mijne meening hier
het hoofd buigen.
Voor den leek is de groote moeilijkheid, dat die draden tegenwoordig
alle door elkander heen loopen. Vertegenwoordigers van die
wereldopvatting buiten alle doorloopende natuurlogica (die, zooals
gezegd is, aan niemand kan worden opgedrongen maar ook niet kan worden
ontnomen bij de vrijheid van het subjectieve denken, die een zoo groote
verovering is van onze cultuur), treden de kampplaats der
ontwikkelingsgeschiedenis binnen en spelen daar hun sceptische
opvattingen tegen de feiten uit. Om tot steun dier twijfelzucht te
dienen, wordt een grenzelooze fantasie ontplooid, hoe de dingen anders
zouden kunnen zijn—terwijl toch het eenvoudige schrift der natuur hier
zóó ondubbelzinnig is, dat er niets ondubbelzinnigers bij mogelijkheid
kan gedacht worden. Het zal echter gaan als altijd. Ten slotte zal het
eenvoudigste toch wel zijn weg vinden, en dan zal men eindelijk ook
inzien, dat het zelf innerlijk rijker en dieper is dan al de praal der
fantasie, die daartegen is verzonnen. Hij die onder den logischen
eenvoud van de ontwikkelingsgedachte banaliteit en oppervlakkigheid
verstaat, heeft trouwens zelf het echte vaandel verlaten.
De geheele prachtige keten is ons nu niet uitsluitend in de pooten van
het paard overgeleverd. Als proef op de som dient, dat men die keten
naar verkiezing in vooruit- of achteruitgaande richting ook kan
doorloopen bij andere deelen van het skelet, om even aanschouwelijke
beelden eener volkomen consequente ontwikkeling te verkrijgen.
Aan het been zelf is nog het been van het onderbeen of den benedenarm
bijzonder leerrijk. Zooals wij reeds eenmaal hebben medegedeeld, is het
bij ons paard niet meer in dien zin een dubbelbeen als bij ons
(ellebeen en spaakbeen in den arm, scheenbeen en kuitbeen in het been).
Daar het onderbeen van het paard, wat plaats en functie betreft,
eigenlijk tot bovenbeen bevorderd is, maar het bovenbeen (en ook de
bovenarm) naar het oorspronkelijke type van alle dieren, die van armen
en beenen voorzien zijn, steeds uitsluitend bestaat uit één enkelen, op
zich zelf één geheel vormenden, solieden en onbeweeglijken beenen stam,
lag het uit een werktuigkundig oogpunt weer voor de hand, dit onderbeen
van het paard ook zelf stevig te maken op de wijze van het bovenbeen.
Dit is nu ook zóó geschied, dat aan den voorpoot van het paard de
ellepijp in verkwijnden toestand met het spaakbeen stevig vergroeit,
maar dat aan den achterpoot van het paard van het geheele kuitbeen,
uitwendig zichtbaar alleen een fragment van het bovenste stuk als
griffelbeen behouden blijft. In beginsel en voor het gebruik valt dus
het tweede been daar zoowel als hier eenvoudig weg, en het onderbeen
vormt een enkelen stam in de beteekenis van een werkelijk bovenbeen.
Dat tot bovenbeen worden van het onderbeen kan nu in de keten volkomen
evenwijdig met het tot onderbeen worden van den voet eveneens
historisch worden gevolgd als iets dat langzamerhand „geworden” is. De
oorspronkelijke hoefdieren, Euprotogonia en Phenacodus, bezitten nog
ellepijp en kuitbeen als even lange, vrij beweeglijke beenderen naast
spaakbeen en scheenbeen, volkomen op dezelfde wijze als wij menschen,
die ook hier trouwer gebleven zijn aan het oorspronkelijke type. Ook
bij de vospaardjes, dus reeds bij de oudste echte equiden, is de zaak
nog eveneens. Op de volgende geschetste equidentrappen ziet men dan
absoluut duidelijk, hoe van voren de ellepijp zich hoe langer hoe meer
vastlegt tegen het spaakbeen, zich eerst wat de plaats betreft daarmede
vereenzelvigt, zooals twee menschen, die elkander stevig omarmen, maar
hoe zij daarna werkelijk vergroeit; terwijl tevens van achteren het
kuitbeen dun wordt, zich eindelijk van onder op de dunste plek losrukt
en in het blijvende boveneinde tot een hoe langer hoe korter
griffelbeen wordt. De kwasthoevige dieren van de grootte van een egel
hadden reeds ellepijp en spaakbeen vast aaneen verbonden en hadden als
kuitbeen reeds een dun spits griffelbeen.
Een andere proef op de som leveren de tanden.