der voorwereldlijke schepselen, in de laatste tijden in de hand
gewerkt. In de eerste plaats de omstandigheid, dat daar geheel aan de
oppervlakte, dikwijls werkelijk voor het grijpen, voorwereldlijke
dierenbeenderen in bijna ongeloofelijke massa bij elkander rusten. Maar
bovendien de wijze van exploiteeren. Daar ginds wachten die schatten
der wetenschap niet, totdat een industrieel, die voornemens is een
steengroeve of een mijn te exploiteeren met het doel, daaruit winst te
behalen, toevallig terloops daarop stoot. De palaeontologie is daar een
sport. Millionairs, die reeds lang hun zaken aan kant hebben gedaan,
werpen zich op dat vak, zooals zij zich op renpaarden of
zeilwedstrijden werpen. Dit heeft een ontzaglijk materiaal geleverd. Al
loopt er van tijd tot tijd wat reclame onder, om toch maar het record
te slaan in het vinden van den „langsten sauriër”, of om alle
voorgangers te overtreffen met een paar meters brontosaurus of
diplodokus: toch blijft het waar en is het feitelijk van belang, dat de
palaeontologie door die Amerikaansche millioenen een sprong vooruit
heeft gedaan verder dan men tot nu toe had vermoed. De groote
afgietsels van het kolossale skelet van den diplodokus, die
tegenwoordig herhaaldelijk ook in onze Europeesche musea als geschenk
van de overzijde worden opgenomen, steken uit als een uitwendig
symbool. De beslissende en voornaamste beteekenis ligt echter in den
detailarbeid, die er bij komt, nadat geschoolde geleerden het materiaal
zorgvuldig hebben onderzocht. Onder dat soliede werk, dat als zoodanig
niets meer te doen heeft met het sportvermaak, en dat dus niet deel
neemt aan zijn stemmingen en goedmoedige overdrijvingen, staat nu de
arbeid omtrent het paardengeheim bovenaan. En zoo is een eenvoudige
keten van vaststaande gegevens voor den dag gekomen, die als zoodanig
buiten elke theorie staan en door iedere partij bepaald moeten worden
toegegeven.
In het diluviale tijdperk (dus ongeveer in de dagen der noordelijke
groote glaciaire periode met haar warmere tusschenperioden, haar
verbinding met steppenperioden en haar vervanging in zuidelijke streken
door groote regenperioden en allerlei andere beroeringen op onze
planeet) leefde in Noordamerika en (door landverhuizing) ook in
Zuidamerika in groote hoeveelheden ons thans nog bestaand paard.
Natuurlijk als wild paard, zooals het tegenwoordig nog in Centraalazië
bestaat en eenigszins anders, als zebra, in het heete Afrika. Maar in
het skelet reeds typisch de als paard aangeduide soort, dus met slechts
één teenwortel en teen aan den voet en twee zwakke rudimentaire
griffelbeenderen daarnaast.
Dat dit echte Amerikaansche wilde paard reeds vóór de ontdekking van
Amerika weer geheel is te gronde gegaan, terwijl zijn makkers in Azië
en Afrika tot heden toe in stand gebleven zijn, moge merkwaardig
schijnen, maar het feit staat als zoodanig niet op zich zelf. Ook de
mastodonten en mammouths, die in die dagen Noordamerika bevolkten, zijn
eveneens absoluut verdwenen. Dezelfde redenen, hoewel die ons tot heden
toe niet volkomen duidelijk zijn, zouden even goed de wilde paarden in
Amerika kunnen uitgeroeid hebben als de mastodonten en mammouths. Als
een aanwijzing, hoe een talrijk verbreid groot wild ook zonder
verandering van klimaat of van voedingsplanten en zonder menschenhand
somtijds tot op de grens van totale vernietiging kan worden
gedecimeerd, kunnen beschrijvingen dienen van het verdwijnen der
reusachtige wilde buffels in Duitsch- en Britsch-Oostafrika in de
laatste vijf en twintig jaar. In het jaar 1887 schoot (zooals
Schillings bericht) Graaf Teleki aan den Nguaso-Niyuki in drie maanden
nog vijf en twintig buffels neer. Richard Böhm ontmoette kudden van
honderden van die buffels, zoodat men herinnerd werd aan de bisons van
Noordamerika. Die bisons zijn door de vuurwapenen verdelgd. De
Amerikaansche buffel werd daarentegen in 1890 overvallen door de
runderpest, die door het tamme vee werd overgebracht. Een Engelsch
ambtenaar vond op één dag ongeveer honderd besmette, stervende dieren.
Tegenwoordig ligt de steppe vol met gebleekte schedels. De buffels zijn
bijna geheel uitgeroeid. Wie kan dus na zooveel tijd nog raden, wat
voor toevallige processen en vermeerderingen in het rijk der protozoën,
die leidden tot het ontzettend toenemen van den een of anderen
doodelijken ziekteverwekker, in de dagen vóór Columbus ook over
Noordamerika kunnen zijn heengetrokken? In dergelijke gevallen heeft er
een natuurlijke schifting plaats, die niemand in de verste verte kan
berekenen. De ééne diersoort blijkt minder vatbaar te zijn voor een
epidemische ziekte, als deze verwoestend over het land heentrekt, de
andere diersoort is daarentegen vatbaarder. Het zou kunnen zijn, dat de
Amerikaansche wilde paarden het slachtoffer zijn geworden van een
Tsetse-vlieg, die de smetstof in hen inentte, zooals sommige muggen ons
de malaria inenten, terwijl de bison en de gaffelantilope derzelfde
prairie toen bleven voortbestaan, om veel later echter weer even
onverbiddellijk in de vizierlijn van het schietgeweer van den
cultuurmensch te vallen, waartegen ook het immuun zijn tegen
epidemische ziekten niets meer helpt. Zooals gezegd is, is zelfs de
juistheid van het feit zelf tegenwoordig in twijfel getrokken. Het
paard zou wel is waar in Mexico en Peru onbekend geweest zijn, maar
niet absoluut over het geheele werelddeel uitgeroeid, en het zou eerst
werkelijk verdwenen zijn, toen het zich vreedzaam vermengde met de snel
verwilderde, door onze cultuur ingevoerde paarden, waarbij het versche
bloed der laatsten in enkele geslachten de kleine eigenaardigheden der
wilde paarden spoorloos zou hebben doen verdwijnen. Een interessant nog
open vraagstuk, dat echter nog niet met vaststaande feiten kan worden
opgelost.
Laat ons thans den wijzer van het geologische uurwerk iets achteruit
zetten. Tot voorbij de schommelende grens van de diluviale periode tot
aan de geologisch zoo bekende tertiaire periode. Wij herhalen nog eens,
dat die tertiaire periode een tijdsruimte van minstens verscheidene
millioenen jaren omvat. Zij vormt het stuk aardgeschiedenis, dat den
overgang vormt tusschen de periode der groote sauriërs en den
diluvialen en nieuwen tijd. In die periode wordt de hooge vlucht der
hoogere zoogdieren voltooid aan gene zijde van die groep van Cernays,
[3] waarvan zij uitgingen. In overeenstemming met de groote spanne
tijds, die ook nog die periode omvat, wisselen daarin nog herhaaldelijk
de grenzen van land en water af, geweldige gebergten, zooals de Alpen,
het Himalayagebergte, de Cordillera’s rijzen eerst binnen den duur dier
periode op door plooiingen in de aardkorst, een wisseling van het
klimaat heeft in haar tweede helft plaats, een wisseling, die Europa en
Noordamerika slechts zeer geleidelijk uit een bijna tropisch klimaat
voert; die periode is het schouwtooneel ook van verwoestende locale
catastrofes, zooals kolossale uitstroomingen van bazalt, die als
gloeiende lava uitgestrekte streken op aarde bedekken. Naar oud
gebruik, dat echter slechts in ruwe trekken natuurlijke hoofdstukken in
de geschiedenis der aarde kan begrenzen, verdeelt men die periode in
drie of, nog later, in vier afdeelingen in onze geologische tabellen:
van beneden naar boven de eocene, oligocene, miocene en pliocene
periode. Aan gene zijde der diluviale periode komen wij dus het eerst
op het laatste gedeelte der tertiaire periode, dat het dichtst bij
onzen tijd gelegen is: de pliocene periode. Uit die pliocene periode
zijn ons in Noord- en Zuidamerika niet te miskennen duidelijke
afzettingen overgeleverd, waarin na dien tijd niets meer van beteekenis
is veranderd of later bijgevoegd is, en waarvan de ingesloten beenderen
dus afkomstig moeten zijn van een niet meer diluviale, maar iets
oudere, een pliocene dierenwereld. De verschillende afzettingen
verschillen weder onderling iets in leeftijd, terwijl enkele uit het
oudere, andere uit het jongere gedeelte der pliocene periode afkomstig
zijn. Ook dit kan nog zeer goed worden gedetermineerd.
In beide lagen liggen nu weer ondubbelzinnig beenderen van paardachtige
dieren zoowel weer in Noord- als in Zuidamerika. Zij leveren het
volgende beeld.
In de bovenste, nieuwe laag, de pliocene periode, die het dichtst ligt
bij het diluvium, wemelde het over het geheele werelddeel aan de
overzijde reeds van talrijke echte wilde paarden der diluviale soort.
Doch daartusschen vertoonden zich groote hoeveelheden eener diersoort,
die ieder volgens haar geheelen bouw reeds van verre zou hebben
gehouden voor een dergelijk wild paard, alleen wat korter van pooten,
wat kleiner en plomper. Men moet zich in het algemeen die echte
diluviale wilde paarden niet denken als trotsche Arabische renpaarden,
maar men houdt zich voor den gedachtengang het best aan de bekende
omtrekken der kleinere zebra’s of nog juister der Aziatische
Przewalski-wilde paarden, zooals zij in den laatsten tijd in onze
dierentuinen gevonden worden. Tusschen deze forsche, lage en
grootkoppige dieren, die de grootte hadden van stevige ponie’s, waren
dus nog iets steviger en meer ineen gedrongen wezens gemengd als van
een ras, waarbij die kenmerken sterker op den voorgrond traden. Maar
één blik op het eigenaardige kenmerk van het paardenlichaam zou
voldoende geweest zijn, om onze verbazing op te wekken. De kortheid der
pooten ontstond bij die eigenaardige wezens hoofdzakelijk door iets
meerdere kortheid van dat beenachtige bot in hun vier middenvoeten.
Daarentegen waren echter de griffelbeenderen, dus dat stuk, dat
tegenwoordig zoo weinig beteekent, in verhouding een heel stuk langer
dan bij de echte wilde paarden. En nu het vreemdste: aan den buitenkant
der voorpooten zat zelfs nog naast het griffelbeen aan dien kant een
heel klein stompje van een derde griffelbeen. Die kleine stompjes
hadden hier nog een spoor van een rudiment van den aangrenzenden vinger
aan dien kant. Als de groote algemeene paardenvinger de middenvinger
was en dus het binnenste griffelbeen het overblijfsel van den wortel
van den wijsvinger, en het buitenste griffelbeen in overeenstemming
daarmede dat van den ringvinger, dan hadden die zonderlinge dieren hier
ten minste aan den voorpoot, menschelijk gesproken aan hun hand, ook
nog een wortelstompje van den pink. En wel bezaten zij die abnormale
beentjes niet als individueele, slechts een enkelen keer voorkomende
misvormingen, zooals bij ons de zoo even besproken paarden, die wel
eens individueel een afwijking vertoonen, maar stuk voor stuk
vertoonden zij alle diezelfde verandering.
Dat zou nu niet meer beschouwd worden als een klein rassen- of
soortkenmerk, immers zóózeer wijkt tegenwoordig geen tam of wild paard,
geen zebra, zelfs geen egel van het normale type af. Die pliocene
Amerikanen met een paardenvorm, maar toch niet meer met volkomen
nauwkeurige paardepooten moesten gerekend worden tot een nieuwe soort
van paardachtige dieren. Toch bleven het, zooals de vakuitdrukking
luidt, echte equiden, of vertaald „paardachtigen”.
Evenals de echte diluviale wilde paarden reeds overal voorkomen in het
allerlaatste gedeelte der tertiaire periode, zoo is het overigens wel
mogelijk, dat ook die equiden met hun merkwaardige overblijfselen van
een pink, op enkele plaatsen in Amerika zelf ook nog geleefd hebben tot
in de diluviale periode. In dat vroeger beschreven wonderbare
Patagonische hol, dat ons nog met haren voorziene stukken huid van
reuzenluiaards heeft geleverd, is ook een paardepoot voor den dag
gekomen, die nog hierbij schijnt te behooren. Ook hij draagt nog een
ring van verbleekt geel rood vel. Ouder als diluviaal kan hij werkelijk
niet goed zijn. De verdedigers der meening echter, dat het geheim van
dit hol eigenlijk hierin bestaat, dat de overblijfselen, die daarin
gevonden zijn, afkomstig waren van dieren, die tegenwoordig nog in het
binnenland een onbekend en tot nu toe niet onderzocht leven leidden,
zouden zelfs van oordeel moeten zijn, dat ook allerlaatste
achteraankomers van die pliocene dikpooten nog tot in onze dagen
rondzwierven in het donkerste Patagonië; waarschijnlijk is dit echter
helaas al te boud gesproken, hoewel het natuurlijk nog interessanter
was dan alleen het voortleven van echte Amerikaansche wilde paarden tot
in den historischen tijd of in mengsels van rassen, tot zelfs in onze
dagen.
Doch hoe dit ook moge zijn: het zuiver historische onderzoek der oude
echt-tertiaire beender-voorraadschuren leert ons, als wij nog verder
terugzoeken, iets nieuws kennen.
In de oudere afzettingen der pliocene periode zijn er in Amerika geen
beenderen meer van echte wilde paarden. Die wilde paarden bestonden
toen nog niet. „Nog niet” in de historische rij van beneden naar boven.
Wel daarentegen waren er die merkwaardige wezens met dat veel
beteekenende verlengstukje van den pink en die lange griffelbeenderen,
ja zelfs zij beheerschten tegen dien tijd volkomen alleen den toestand
over het geheele onmetelijke werelddeel.
Nu komt de miocene periode. In het laatste gedeelte dier periode leven
reeds diezelfde „pinkdieren”. Maar daartusschen is thans nog in de
overgangsperiode van plioceen een nogmaals nieuwe soort van equiden
gemengd. Dieren, die naar hun vorm volmaakte paarden zijn, al zijn zij
ook in het oog vallend klein, meestal niet grooter dan onze kleinere
ezels. Dieren echter, die weer een anderen paardepoot vertoonen. Wel
hebben zij eveneens het overblijfsel van den pink, zoodat zij in dit
opzicht dus in zekeren zin de „pinkdieren” omvatten. Maar de beide
zijdelingsche griffelbeenderen zijn van voren en van achteren niet meer
alleen bijna even lang als de middenstam, maar aan ieder van die
zijtakjes hangt nog iets vast. Wel niet iets, dat evenals het hoefstuk
van den voetstam nog tot op den bodem reikt. Maar een verlengstuk, dat
aan weerszijden slechts als een kleine kwast of een vrucht daaraan heen
en weer bungelt. Het steeltje van die vrucht is echter, nauwkeurig
bezien, niets anders dan een echte miniatuurteen of een
miniatuurvinger, een teen met drie leden juist zooals de grootste
middenste paardeteen. En de vrucht zelf is aan weerszijden een echte
kleine hoef, die op het onderste lid van den teen zit als een hoedje.
Als ons dier liep, dan liep het feitelijk ook zoo nog altijd op den
grooten hoef van den middenteen of den middenvinger als een echt paard,
want, zooals gezegd is, die was de eenige, die op den bodem kwam; maar
te gelijker tijd hingen ongebruikt rechts en links als echte kwasten
die voor de sierlijkheid waren aangebracht, de beide luxevingertjes met
hun hoefjes naar beneden, de wijsvinger en de ringvinger, die er wel
waren, maar die niets te doen hadden.
Zonder dat eenige twijfel mogelijk is, was hier in blijvenden toestand
bij een geheel, in ontelbare hoeveelheden over de uitgestrekte steppen
der nieuwe wereld rennend equidenvolk, datgene aanwezig, wat die enkele
misgeboorten bij onze levende paarden vertoonden. Al die
„kwasthoevigen” geleken (en zelfs aan beide zijden) op het paard van
Alexander den Grooten en op het paard, zooals Goethe het zich als het
oorspronkelijke type voorstelde.
Hoe dieper wij afdalen in de miocene lagen en wij haar
equiden-kerkhoven bloot leggen (de beenderen dier equiden zijn als het
ware de fossielen, die de richting en het karakter van die geheele
geologische laag bepalen, die overal naar voren dringt), des te
duidelijker wordt de eigenlijke heerschappij van die kwasthoevige
dieren voor die geheele lange periode der aardgeschiedenis. De
pinkdieren treden geleidelijk ook volkomen terug, hun tijd schijnt,
zoodra men een stuk naar beneden gaat in de miocene periode, nog in het
geheel niet te zijn aangebroken. De kwasthoevigen daarentegen
beheerschen in allerlei bijzondere vormen ten slotte het geheele
terrein—gedurende een tijdsruimte, die men zeker niet te kort taxeert
op een millioen jaar.
Nu nog eens de gordijn naar beneden gehaald, en een stuk
wereldgeschiedenis terug. De miocene periode wordt voorafgegaan door de
oligocene, een soort van overgang of tusschenbedrijf tusschen de beide
innerlijk meest van elkander verschillende afdeelingen der groote
tertiaire periode. De profeet echter verzamelt weer zijn beenderen in
het museum en laat een dierenwereld verrijzen.
Verdwenen is de geheele heerlijkheid der kwasthoevigen. Over het land
wemelt het vóór en na van equiden. Maar zij zijn nog maar zoo groot als
schapen. Hoezeer zij in hun geheele houding nog steeds „paard” zijn,
het is toch nauwelijks meer mogelijk van een paardepoot bij hen te
spreken. De kwastteenen met hun in de lucht zwevende hoeven hebben zich
namelijk te gelijk vergroot en uitgerekt. Met de uiterste hoeken raken
zij dus reeds onmiddellijk den grond. Men heeft één der meest zeldzame
vormen van voet voor oogen, die denkbaar is: een voet, die als het ware
voor tweeërlei gebruik afwisselt. Op een volkomen hard, vlak terrein
kan een dergelijk paardje alleen met den middenhoef nog maar den grond
stampen en galoppeeren als een paard uit onze dagen, dat aan iederen
poot slechts één hoef heeft. Op een week terrein, op den drassen bodem
van het woud of op een moerasgrond daarentegen zal de poot zóó diep
inzinken, dat hij reeds op alle drie hoefvlakken, die in grootte
volstrekt niet meer zooveel van elkander verschillen, stevig aandrukt
en dus daarmede in uitgespreiden toestand het lichaam draagt. Een
dergelijke dubbele functie vindt men in enkele zeldzame gevallen ook
bij andere zoogdieren. Onze zwijnen bij voorbeeld hebben iets van dien
aard. Hun voet is trouwens reeds in beginsel anders gebouwd, maar in
het gebruik bezit hij ook die mogelijkheid: op den vasten bodem drukt
hij slechts met een stam, die uit twee hoefteenen bestaat, in het
moeras daarentegen kan hij er nog twee hulpteenen bij achteraan
trekken. Naar gelang van de omstandigheden mag men in verband met het
gebruik ook onzen oligocenen equide nog een éénhoevig of reeds een
driehoevig dier noemen. Uit een zuiver anatomisch oogpunt zal echter de
naam „driehoevig” dier als de eenig juiste moeten worden gekenschetst.
Een moeilijk te begrijpen zaak: een driehoevig paard. Men zou kunnen
vragen, wat aan dat dier dan nog eigenlijk paard is. Maar aan het
overige gedeelte van het skelet is er geen enkele reden te ontdekken,
waarom het dier op een andere plaats in het stelsel zou thuis behooren,
dan onder de „equiden”, de echte paardachtige dieren. Om de
merkwaardigheid echter volledig te maken, nemen wij ook bij die
driehoevige paardjes ter grootte van een schaap een verschil waar
tusschen voorpoot (hand) en achterpoot. De handpoot heeft ook hier,
behalve zijn drie van hoeven voorziene volledige vingers, nog dat
worteloverblijfsel van den pink, dat wij nu reeds bij de beide het
eerst besproken equiden vonden. Maar dezen keer begint ook deze zich
werkelijk met ernst in te voegen in het totale beeld. Hij is langer
geworden,—hij begint een echt griffelbeen te vormen. Drie hoefvingers
(de wijsvinger, de middenvinger en de pink) zijn voltooid, en een
vierde vinger, de kleine, ten minste als griffelbeen in aanleg,—hoe
lang zal dat zoo voortgaan, eer wij hoe langer hoe kleinere paardjes
hebben met hoe langer hoe meer op menschenhanden gelijkende handen!
Maar tevens zijn de vingerwortels voortdurend korter geworden, terwijl
zij onderling ongeveer even lang werden, het steile optrekken van hand
en voet en arm en been, dat zoo karakteristiek was voor ons paard,
schijnt zich eveneens heel zacht te vervluchtigen.
Wij komen nu in de eocene lagen, de eerste en oudste afdeeling der
tertiaire periode. Het morgenrood van den nieuwen tijd, zoo heb ik
vroeger al eens het woord vertaald. Maar zeker is het, dat dit
morgenrood heel ver van ons verwijderd straalde. Maar nog steeds werpen
die lagen paardenbeenderen naar ons toe. Bijna reeds paardebotjes.
De problematische driehoevige paarden zijn uit geheel Amerika
verdwenen. In hun plaats: equiden nog slechts ter grootte van een vos.
De eerste blik doet zien, dat die vospaardjes nu consequent zoowel van
achteren als van voren steeds op drie hoefteenen moeten loopen, waarvan
de zijdelingsche alleen nog maar in de dikte van de middelste
verschillen. Maar tevens is aan den voorpoot dat griffelbeen van den
pink even duidelijk in het stadium van den kwasthoef gekomen. Het heeft
den hoef en alle drie leden van den vinger ontwikkeld, maar hangt, daar
het nog niet voldoende gerekt is, nu nog evenzeer terug tegenover de
drie voornaamste hoefvingers, als bij de kwasthoevige dieren de beide
zijdelingsche voornaamste vingers dat deden tegenover den middenstam.
De eocene periode op zich zelf is echter weer geweldig lang. Ontelbare
geslachten van dergelijke vospaardjes volgen elkander daarin op. In het
begin (van boven af gerekend) zijn zij uitsluitend driehoevigen met
kwastjes. Dan, verder in die periode, zijn er vospaardjes onder gemengd
met nog eenigszins andere pooten. Van achteren, aan den eigenlijken
voet, komt plotseling een in wording zijnd griffelbeentje thans ook van
den kleinen teen te voorschijn. Wat van voren reeds kwastje is,
vertoont zich daar voor het eerst in het stadium van griffelbeentje.
Een tijd lang beheerschen die griffelvosjes den toestand. Maar dan
vindt men bij geslachten, die nog een stuk ouder zijn, weer een kleine,
maar toch uiterst karakteristieke nieuwigheid.
Aan den voorpoot, dus aan de hand van die vosjes, groeit tegenover het
pinkkwastje ook een griffelbeentje in eerst juist merkbaren aanleg. Er
is geen twijfel aan: hier zien wij den duim in het stadium van
griffelbeen. Wij hebben dus aan de hand, van nu af aan in aanleg,
overgang en voltooiing, als griffelaanleg, kwastgriffelbeentje of
voltooiden hoefvinger, alle vijf vingers van onze hand aangeduid; en
van achteren, aan den voet, op dezelfde wijze minstens vier teenen. Te
gelijker tijd is bij die vospaardjes hoe langer hoe meer de totale
lengte en de steilte der hand- en voetbeenderen verminderd. De
„verbeening” der pooten in de uiteinden is verlaten, de stam van den
voet van ons paard heeft zich hoe langer hoe duidelijker vertakt.
Hadden de vospaardjes niet voor en na in hun geheele skelet de
ondubbelzinnigste karaktertrekken van het paard, dan zou men aan hun
poot het paardenkarakter ten slotte nog maar alleen van de blijvende
dikte en zwaarte van stap van den middelsten teen kunnen aflezen.
Doch ook onder de paardenkenmerken in het overige lichaam hebben zich
reeds allerlei afwijkingen en bijzonderheden vermengd, die reeds
openlijk beginnen af te buigen van het paard. Men heeft het zekere
gevoel, dat als dat nog een enkelen trap zoo verder ging, men ook bij
het geheele skelet niet meer van echte equiden zou kunnen spreken.
De gordijn valt voor den laatsten keer. Wij staan in de oudste eocene
laag van Noordamerika. Er is nog geen enkel vospaardje. Maar op
dezelfde plek dolen door de grasvlakte bij het kreupelbosch die
schepsels, waarvan een vertegenwoordiger, Phenacodus genaamd, op de
laatste plaat van het vroeger genoemde „Dierenboek” in zijn
gecompleteerden ruwen omtrek is weergegeven. Die weergave kon zonder
veel bijmengselen der fantasie gelukken, daar juist van dat dier de
volledigste skeletten zijn overgeleverd.