Een erfenis van dat veelbewogen steppenleven is ook de zoo ongelijke

ontwikkeling der zintuigen, die door den ongeoefenden en oppervlakkigen

waarnemer eveneens gemakkelijk wordt beschouwd als een criterium van de

werkelijke verstandelijke eigenschappen. Het paard is geen dier met een

scherp ontwikkeld gezicht, dat zijn handelingen nauwkeurig afweegt naar

bepaalde voorwerpen, die het met de oogen waarneemt. In de eentonige

grasvlakte is er trouwens niet veel te zien. Indien er hier plotseling

het ééne of andere nieuwe voorwerp van de verte uit binnen zijn

gezichtskring binnenkomt, dan is het meestal raadzaam, dat hij dit in

plaats van het te naderen ter betere aanschouwing, liever uit den weg

gaat, wat trouwens ook voor het paard verreweg het gemakkelijkst is.

Van daar dus de snelle instinctieve angst ook van het tamme paard, nog

niet zoozeer voor het werkelijk vijandelijke, maar ook reeds voor het

eenvoudig vreemdsoortige, merkwaardige, wat in zijn gewone bestaan

afwisseling brengt, iets wat op den oppervlakkigen beschouwer weer den

indruk maakt van buitengewone kortzichtigheid en onnoozelheid; men

denkt: kan dan het paard niet zien, dat een wilgenbosch geen beer is!

Daarenboven zijn de paarden oorspronkelijk ook sociale dieren, waarvan

een aantal in een kudde medeloopen, op den aanvoerder vertrouwen en wat

het uitkijken betreft zich in de bescherming der kudde veilig wanen als

een tam paard tusschen de oogkleppen. Daarentegen kan een paard met den

neus over de vrije vlakte uitstekend speuren, niet te vergeefs heeft

het paard dien reusachtigen „neusschedel”, die hem zijn karakteristiek

gelaat geeft; niet te vergeefs heeft hij zijn neusgaten, die zoo

wonderbaarlijk veel uitdrukking hebben, al heeft de cultuur juist op

het neuszintuig bij het paard niet meer zooveel gewicht gelegd. Maar in

de eerste plaats is het, een in een kudde levend dier, van het

allereerste begin af reeds een natuurlijk signaaldier, gewoon op het

geringste signaal van het aanvoerende dier even nauwgezet te reageeren

als een soldaat. Die eigenschap is omgekeerd één der belangrijkste

eigenschappen geworden bij ons cultuurpaard,—zonder deze zouden wij

nooit met het paard iets ernstigs hebben kunnen beginnen; zij komt

zelfs reeds duidelijk uit bij het armoedigste vigelantepaard, dat

onmiddellijk gehoorzaamt aan de zwakste aanraking van den teugel, en

het is zeker, dat het paard in dit opzicht bewezen heeft, geschikt te

zijn tot verdere opvoeding en ontwikkeling. De geschiktheid, om op een

zeer fijn teeken op de ééne of andere wijze te reageeren—zooals het

scheen zelfs een teeken, door een mensch onbewust en ongewild

gegeven—is het laatste gebleven, wat het in der tijd beroemde paard:

„de Slimme Hans” werkelijk van andere paarden onderscheidde; in ieder

geval was het een paard, dat buitengewoon gevoelig reageerde, en dat

bij willekeurige rekenkunstige vragen zóó lang met den hoef stampte,

totdat het uit het ééne of andere teeken van den vrager in de buurt van

het getal, dat het juiste antwoord aanwees, het bevel afleidde van op

te houden. Dergelijke bewegingsteekens leiden echter werkelijk reeds

tot het gebied, waar men het „verstand” van het paard in het algemeen

niet hoog genoeg kan waardeeren,—en wel overal, waar het juist ook om

de hulp der hersenen bij het bewegingsmechanisme te doen is.

Een paard, dat niet verschrikt is, en dat individueel acht geeft op den

weg, is steeds een prachtig gezicht. Alle voortreffelijke individueele

eigenschappen komen hier tot haar recht. Het individueele leeren viert

hier zijn triomfen. Men moet in het Reuzengebergte het gedrag der

paarden waarnemen, die met den zwaren vrachtwagen met volle biervaten

de zwaarste wegen opklimmen naar de hoogliggende hutten in het

gebergte, men moet zich eens laten verhalen, hoe op IJsland de

rijpaarden met hun last op het gevoel af de natuurlijke steenen trappen

der verkoelde stroomen lava afdalen. Hier ligt de echte zijde van het

verstand van het paard, die sedert duizenden en duizenden jaren

eenzijdig is gekweekt en waardoor het paard in de hand van den mensch

ook ongetwijfeld werkelijk nog een heel eind verder is gekomen. Men

moet in de eerste plaats hieraan denken, hoe de mensch hier het paard

(ik neem het woord in zijn meest uitgebreide beteekenis, waaronder dus

ook bij voorbeeld het muildier moet gerekend worden) tot een echt dier

van het gebergte voor zich heeft weten te vervormen. Het is steeds wel

is waar gaarne een dier der steppen van het hoogland geweest (zooals in

Centraal-Azië, waar ontzaglijke steppen, feitelijk van de hoogte van

den Mont-Blanc, zich van horizon tot horizon uitstrekken), dus wat het

klimaat betreft hier van oudsher goed aangepast. Maar hoe het muildier

tegenwoordig verstandig en zeker over de hooge Alpenpassen trekt, dat

is toch (niettegenstaande de bouw van hoeven en pooten onveranderd is

gebleven) ongetwijfeld een belangrijke vooruitgang in zijn verstand. En

in die richting liggen ook alle resultaten der dressuur van paarden in

een circus, een eigenaardige reeks van bravourstukjes van zijn

verstand, waar dit op beweging berust. Die eigenaardige richting van

het verstand is, wat zijn hersenen betreft, de kracht van het paard,

doch tevens zijn eenzijdigheid. Wat het paard leert, moet het als het

ware met de pooten leeren. Daarom was het dan ook reeds van te voren

zoo onwaarschijnlijk, dat de „Slimme Hans” ingewikkelde abstracte

rekenkunstjes zou hebben geleerd, terwijl het opletten op nog zoo fijne

bewegingsteekens (op zich zelf trouwens merkwaardig genoeg) toch in

ieder geval bleef in de lijn van het van ouds bestaande.

Het hoogtepunt vertoont echter de constructie van het been zelf. Hier

worden voor ons werkelijk al die geschetste eigenaardigheden

onmiddellijk duidelijk, en blijken deze even zoovele machinale

kunstgrepen te zijn uit dien geheelen samenhang. Het been is ontlast

tot op de grens der uiterste mogelijkheid—zooals een boom, waarvan men

alle takken heeft afgeslagen. Dat begint reeds bij de beenderen van het

eigenlijke been, waarvan de onderbeenen, de evenwijdige dubbele

beenderen, die wij menschen aan het onderbeen en den onderarm dragen

(elleboogspijp en spaakbeen, scheenbeen en kuitbeen) tot een enkele

stang beginnen samen te groeien, terwijl het toppunt bereikt wordt in

dien beenachtigen steltvorm der voeten. Te gelijker tijd worden echter

die rechte stelten, waarop het lichaam is geplaatst, tot op het

uiterste bewegelijk gemaakt en in haar onderdeelen verschuifbaar. En

juist daarvoor dient de kunstgreep met het naar boven schuiven van den

voet hoog in de constructie van het been. Terwijl een beenachtig

verlengd steil voetstuk zoowel wat plaats als wat wezen betreft in de

plaats treedt van het onderbeen—het voetstuk tusschen het voornaamste

teengewricht en het enkelgewricht—wordt dit teengewricht feitelijk

enkelgewricht en het enkelgewricht kniegewricht. Vooral de streek van

dat nieuwe enkelgewricht wordt daarbij de plaats van de meest volkomen

beweeglijkheid. Zoo wordt voor dat geheele lichaamsdeel als het ware

een gewricht gewonnen, en wel het oude kniegewricht. Terwijl het been

op die plek reeds lang genoeg van afmetingen is, kan het daarboven

liggende oorspronkelijke bovenbeen als het ware nog aan den romp

verwerkt worden, het kan nog een zoowel stevig als beweeglijk been tot

aanzetstuk van de spier tusschen het vrije lichaamsdeel en het stijve

bekken en het stijve borstbeen schuiven als een door het lichaam stevig

vastgepakten en bestuurden steel van het steile beenwerktuig daaronder.

Men zou wel is waar kunnen zeggen: in beginsel zou dit ook kunnen

bereikt zijn zonder optrekken en verlengen van den voet, eenvoudig door

een nieuw gewricht in te voegen bij voorbeeld midden in het been van

het onderbeen en door het rekken der zoo gewonnen deelen van dat

onderbeen. Maar het is nu eenmaal een karakteristieke trek bij de

vorming van ieder skelet, dergelijke radikale vernieuwingen te

vermijden, en tot aan het uiterste toe te komen binnen de grenzen van

de algemeene grondschets van wat voorhanden is. Dit beginsel is reeds

ongeveer zeventig jaar vóór het optreden van Darwin door Goethe

uitgesproken in zijn voortreffelijke anatomische studies. Hij noemde

dit de grondwet van het type. Een bepaald type van skelet was voor een

dierengroep, bij voorbeeld die der zoogdieren, als grondvorm gegeven.

Bij voorbeeld aan de onderste ledematen de verdeeling: bovenbeen,

onderbeen, voetwortel, middenvoet, teenen, en dat alles aan elkander

vastgeschakeld met beweeglijke gewrichten. Dat type trachtte zich

steeds weer in ieder bijzonder geval te handhaven. Maar daar binnen had

men dan de noodige speelruimte. De lengte der beenderen kan bij de

verschillende diersoorten verschillend zijn. Het aantal teenen kan naar

beneden toe afwisselen. En zoo voort. Goethe zelf verklaarde reeds die

verschillen binnen de gegeven speelruimte volkomen juist als een

aanpassing aan de telkens bestaande bijzondere wijze van leven der

afzonderlijke diersoorten. Voor de ééne diersoort waren lange beenderen

voor de pooten beter geschikt, voor de andere korte. Die aanpassing

zette zich dus voort door de ééne of andere macht der natuur. Doch het

type kan daardoor niet worden omgezet. Wij zouden tegenwoordig die wet

Darwinistisch iets minder abstract opvatten, haar daarentegen echter

scherper willen definieeren in de wijze van zijn tot stand komen. In

het steeds weer doordringen van het „type” zien wij de erfelijkheid,

die telkens op nieuw een oorspronkelijken gemeenschappelijken stamvorm

van elke groote dierengroep ook nog in de verste nakomelingschap tracht

voort te zetten, zoo ver het maar mogelijk is. In de aanpassing zoeken

wij een werkelijke historische verandering van die nakomelingschap

onder den aanhoudend gedurende groote tijdsruimten daarop inwerkenden

dwang van zijn milieu, waarvoor Darwin in zijn leer der teeltkeus ook

den korteren weg meent gevonden te hebben. Doch nog geen enkele theorie

geeft een in ieder opzicht bevredigende verklaring. Er zijn daar nog

uiterst raadselachtige zetten op het schaakbord der organisatie. Zoo

sleepen bij voorbeeld optredende veranderingen, ook zonder het type op

zich zelf in de war te brengen, dikwijls zeer bepaalde, blijkbaar aan

vaste wetten gebonden veranderingen aan andere, volkomen daarvan

onafhankelijke, lichaamsdeelen na zich, die niet in het minste verband

staan met het nut dier wijziging. Darwin noemde dat de „wet der

correlatie”, zonder die zelf verder te kunnen verklaren. Het maakt den

indruk, als ware er nog een derde macht en een derde instantie behalve

type en aanpassing. Overal zijn wij nog steeds omgeven door geheimen.

Maar onafhankelijk van iedere theorie: in die wet der typen op zich

zelf ligt een waarheid, dat is zeker. Als in den paardepoot een nieuw

gewricht gebracht was, zonder dat dit aansloot aan het officieele type

van het skelet, dan zou dit een schaakzet tegen het type hebben

beteekend, en wij zien, dat dit steeds wordt vermeden. Daarom moet de

voet zich weten te helpen met zijn gewone gewrichten, en moet hij hoog

in het been passen.

Misschien dat nu menig lezer het paard uit dit oogpunt nog eens op

nieuw beschouwt—en wel in verband met zijn merkwaardige eigenschap als

sterk geprononceerd „voetdier”; men zou ook kunnen zeggen „handdier”,

als men het uiteinde der voorste ledematen als hand beschouwt; in dat

geval krijgt de zaak een nog veel dieper zin. Wij hebben in een ander

werk [2] reeds een zoogdier besproken, dat met de handen door de lucht

vloog: de vleermuis. Hier zien wij het dier (en het paard is slechts

een enkel voorbeeld in dien zin voor een geheele reeks andere dieren,

die dergelijke wegen hebben ingeslagen), dat in de ware beteekenis van

het woord met de hand loopt, een schrale, dezen keer tot één enkelen

vinger teruggebrachte hand, die tot den elleboog reikt, en een even

schralen voet, die tot aan de knie reikt.

De gedachte, ontleend aan de ontwikkelingsgeschiedenis, zooals die ons

half bij toeval weer in den zin kwam, bezit echter in dat prachtige

bewegingsapparaat van ons paard uit den tegenwoordigen tijd nu nog een

soort van classieke plaats, waaruit zij zich in weerwil van allen

twijfel en alle aanvallen tot nu toe met geen middelen heeft laten

verjagen. De paardepoot heeft, zooals ik zeide, slechts één teen, en

omdat hij slechts één enkelen teen heeft, heeft hij ook slechts één

enkelen teenwortel—zooals de anatoom het uitdrukt, slechts één enkel

middelvoetsbeen, al is het dan ook zóó lang en zóó dik, dat het

bevorderd is tot den rang van een werkelijk onderbeen. Die wijze van

uitdrukking vereischt nu, zooals wij bij wijze van voorzorg reeds

eenmaal hebben vermeld, een kleine verbetering—een wel is waar kleine,

maar toch hoogst belangrijke.

Volkomen zonder beteekenis sluiten zich aan genoemde beenderen nog twee

kleine beensplintertjes aan, die aan weerszijden van boven komen en die

achterwaarts in een fijne punt eindigen, van geen belang in het

gebruik, als gold het slechts werkelijk twee afgesplinterde

woekeringen, die door het ééne of andere toeval vereeuwigd zijn. Naar

hun vorm noemt men ze griffels of griffelbeenderen. Bij al hun

onbeduidendheid is de plaats, waar zij gevonden worden, niet van zóó

weinig beteekenis, dat zij ons niet noopt tot een bepaalde verklaring.

Ik vergeleek dien paardepoot met een stam, waar men alle takken heeft

afgehouwen, namelijk alle andere teenen en teenwortels. Op een goed

gladgemaakten boomstam zoude men echter de snoeiplaatsen nog als

overblijfselen van stompjes herkennen. De griffelbeenderen van den

paardepoot zitten nu juist daar, waar een zoodanig afgekapt

overblijfsel van een „teentak” in stand zou hebben moeten blijven, als

aan weerszijden naast den overgebleven „stamteen” een dergelijke tak

zou zijn afgeknot. Zij bestaan uit één enkel lang stuk stift en

vergezellen alleen den teenwortel, nu die behouden is gebleven: het

zullen dus wel zelf ook alleen maar zulke overblijfselen van

teenwortels zijn, geen teenstompjes zelf. Maar dat is reeds voldoende,

om de zaak belangrijk te maken. Indien men nauwkeurig onderzoekt, hoe

dat griffelbeen aan die onderlaag van den voetwortel zelf verbonden is,

en iedere bijzonderheid overdenkt, dan wordt de zaak letterlijk

absoluut zeker. Men heeft te doen met een geval van zoogenaamde

„rudimentaire organen”, organen van een levend dier, die bij dat dier

geen direct doel meer hebben voor het gebruik, maar die door de natuur

nog steeds, hoewel in verkwijnden miniatuurvorm, in de groote

inventaris van het lichaam worden medegevoerd, hetzij, omdat het de

ontwikkeling nog niet is gelukt, ze geheel af te stroopen, hetzij (wat

mij waarschijnlijker voorkomt), omdat zij (overdrachtelijk gesproken)

als een soort van reserve worden medegesleept, om als het noodig mocht

zijn desnoods weer snel te kunnen worden hersteld. Ons eigen

menschelijk lichaam is vol van zoodanige overblijfselen, ik herinner

slechts aan het beruchte wormvormige verlengstuk van onzen blinden

darm, den zetel der ontsteking van den blinden darm, een gedeelte van

de buik, die bij sommige zoogdieren een belangrijke afdeeling vormde

van het darmkanaal, terwijl het bij ons niets anders is dan een

verloren plekje, dat hoogstens somtijds de eigenschap heeft verwarring

te stichten; de meeste rudimentaire organen hebben niet eens die

eigenschap, zij blijven volharden in hun onverschillige rust.

Zoo dikwijls ergens een zoodanig verkwijnd orgaan wordt gevonden, heeft

het, zooals reeds vroeger is medegedeeld, maar hier nog eens herhaald

moge worden, voor ons begrip een gewichtige beteekenis. Het wijst

namelijk op veranderingen in het verledene, op het opduiken van nieuwe

organen van een andere soort en het op zijde treden van die organen,

welke vroeger niet konden worden gemist, in één woord het wijst op

ontwikkelingen, die hebben plaats gegrepen, op voorouders van het

bedoelde schepsel, die een anderen bouw hadden. Zoo besluit men terecht

uit de rudimentaire organen van ons menschelijk lichaam tot dierlijke

voorouders van den mensch, daar die organen, die bij hem tegenwoordig

buiten dienst zijn gesteld in afwachting dat zij misschien later weer

in hun rol worden hersteld, en die alleen in rudimentairen toestand

aanwezig zijn, bij bepaalde dieren nog in volle grootte en kracht

worden aangetroffen.

Heeft ons paard dus in zijn beide griffelbeenderen aan iederen voet nog

twee rudimentaire teenwortelbeenderen, dan zou dit bij hem moeten

beteekenen, dat het oorspronkelijk moet zijn afgestamd van dieren, die,

in plaats van één enkelen, drie zulke teenwortels bezaten. En daar bij

drie teenwortels gemakkelijk drie teenen te denken zijn, moeten wij

naar een stamvorm van het paard zoeken, die een voet bezat met drie

teenen. En ook die laatste zaak wordt hierdoor zeker, dat af en toe wel

eens onder het groote aantal onzer paarden abnormale gevallen

voorkomen, waarbij aan zulke paardepooten niet alleen de

griffelbeenderen ontwikkeld zijn, maar waarbij aan de ééne of andere

griffel feitelijk ook nog werkelijk een overblijfsel van den teen

hangt. Dit komt dan ook overeen met het somtijds waargenomen geval, dat

een mensch een spitsoor of een uitwendig zichtbaren staart bezit, en

dus enkele organen abnormaal nog eens in voltooiden toestand vertoont,

die anders alleen nog maar in rudimentaire, verborgen aanwijzing bij

het tegenwoordige menschengeslacht voortbestaan. Ja zelfs, er zijn

gevallen bekend geworden, waar een dergelijke paardepoot zelfs een zóó

volledig ontwikkelden bijteen droeg, dat ook nog de hoef daaraan zat,

en dat ons dus een paard met twee echte hoeven (de abnormale was

trouwens iets kleiner) aan denzelfden poot voor oogen werd geplaatst.

Dergelijke merkwaardige paarden zijn reeds in vroegere tijden

waargenomen. Men zegt, dat het beroemde rijpaard van Alexander den

Grooten die eigenschap heeft bezeten. Ook Goethe kende dit feit en

verklaarde het als een van tijd tot tijd naar voren treden van het

type, dat oorspronkelijk aan alle zoogdieren meerdere teenen toekende,

en dat ook daar, waar het zich tot één enkelen teen had laten

terugbrengen, zijn ideëel voortbestaan gaarne nog eens in den vorm

eener schijnbare abnormaliteit wilde aantoonen. Hebben wij hier ook

werkelijk te doen met een ontwikkeling van één der beide normale

griffelbeenderen en niet met een misgeboorte van den zich

verdubbelenden hoofdteen (waartegen behalve andere redenen ook nog de

ongelijkheid in grootte kan worden aangevoerd; tweelingen zijn

gewoonlijk even groot), dan kan die geschiedenis werkelijk niet

gemakkelijk duidelijker worden aangetoond. Daar in een dergelijk geval

behalve dien ontwikkelden teen aan den bijhoef bovendien ook nog een

griffelbeen bestond, wordt men hier verwezen naar een stamvorm met

oorspronkelijk vier teenen.

Tusschen haakjes zij hierbij vermeld, dat meermalen vermoed is, dat ons

paard zelfs in normalen toestand nog een laatste klein rudimentje

vereeuwigd heeft van een voormaligen zijhoef in de bekende haarlooze en

hoornachtige plekken in de nabijheid der vier voetwortels, die men de

zwilwratten van den paardepoot noemt; de hoef van een verloren

voortzetting van het griffelbeen zou dan hier, naar een eenigszins

vreemde plek verdwaald, nog als een eeltplek oppervlakkig op de huid

zijn gekleefd. Tegen deze meening is eigenlijk alles te zeggen, maar

vooral ook dit, dat bij de zebra’s zoowel als bij de ezels, dus ook

ongetwijfeld paarden en verwanten van paarden uit onze dagen, die

zwilwratten aan de achterpooten eenvoudig ontbreken; als het hier een

zoo belangrijk overoud rudiment der voorvaderen gold, dan zou het

ongeloofelijk zijn, dat de taaiheid, waarmede het rudiment voortduurde,

bij zóó verwante makkers zou schommelen tot aan een verdwijnen op

bepaalde plekken. En inderdaad is men ook slechts op dat denkbeeld

gekomen, omdat men tot op heden niet weet, wat die zwilwratten

eigenlijk als actieve organen beteekenen. Misschien zijn het rudimenten

van oude klieren. Wij hebben ze in ieder geval verder bij onze

beschouwing niet noodig.

Voor onze beschouwing is alleen nog van belang, dat de ligging van den

behouden gebleven paardeteen van onze dagen tusschen de beide

evenwijdige griffelbeenderen aan weerszijden, zonder eenigen twijfel

bewijst, dat die teen geen buitenste teen (dus in de beteekenis van

onzen voet geen groote of kleine teen, in de beteekenis van onze hand

geen duim of pink is), maar moet behoord hebben tot het middenstuk van

den voormaligen waaier met de verschillende stralen als teenen. En de

geheele anatomische toestand wijst er nog in meer beperkten zin op, dat

die teen in de beteekenis van onze hand zelfs juist de middenstraal, de

middenvinger is.

Hiermede zouden wij nu ongeveer gekomen zijn op het einde van datgene,

wat de levende paardepoot van tegenwoordig ons kan leeren. Maar nu

komen er juist op die plek een aantal werkelijk historische documenten

bij, waarover, sedert zij bekend zijn geworden, bij de zoölogische

theoretici van alle partijen twist en vreugde over de overwinning met

elkander hebben afgewisseld—waarvan echter in ieder geval zóóveel

vaststaat, dat zij bijzonder merkwaardig zijn.

Cuvier, met wien de wetenschappelijke kennis der uitgestorven dieren

uit vroegere perioden van de geschiedenis der aarde haar eerste

triomfen vierde,—Cuvier, die als theoreticus niet geloofde aan

ontwikkeling, maar aan telkens zich herhalende moeilijk te begrijpen

nieuwe scheppingen in den loop van de geschiedenis der aarde, wist nog

niet, waar hij in het stelsel der levende dieren aan het levende paard

zijn vaststaande plaats moest aanwijzen. Het moest voor hem natuurlijk

buiten twijfel zijn, dat het een „hoefdier” was. Het was immers juist

het grondtype van een hoefdier. Maar het ontging Cuvier niet, dat het

begrip „hoefdier” bij de zoogdieren niet maar zoo onder een hoed kon

worden gevangen. Een groote groep van die hoefdieren, de runderen,

geiten, schapen, herten, kameelen, giraffen, hadden, behalve hun

hoeven, nog de karakteristieke gewoonte van het herkauwen. Van daar dat

hij die dieren, die inderdaad allen merkwaardig met elkander overeen

kwamen, als orde der herkauwende dieren samenvatte. Nu bleven voor hem

echter als rest der hoefdieren over: de olifanten, (juist door hem tot

verbazing van alle vakgenooten hieronder gerangschikt) klipdassen, die

de grootte hadden van konijnen, de zwijnen, de nijlpaarden, de

neushoorns, de tapirs en eindelijk de paarden zelf. Het was zeker wel

het ongelukkigste oogenblik bij de geheele systematiek der zoogdieren

van Cuvier, toen hij voor die bonte reeks den titel „Pachydermen”,

dikhuidigen uitvond. Dat woord spookt nog steeds in de hoofden, en in

de natuurlijke geschiedenis van het volk is het een zóó gewone

uitdrukking geworden, als geen tweede kunstmatige uitdrukking van het

nieuwere stelsel. Ieder meende, dat hij daarbij iets kon denken, en

toch kan men zich feitelijk bij een juiste systematiek wetenschappelijk

niets daarbij voorstellen. Onder die groote onheilsrubriek maakt Cuvier

ook nog een paar onderrubrieken, die niet veel gelukkiger waren. De

olifanten en de klipdassen nam hij bij elkander, wat nog de beste zet

was, de zwijnen echter bracht hij samen met tapir en neushoorn tot een

werkelijken anatomischen Minotaurus, en de paarden liet hij weer als

eenhoevige dieren geheel op zich zelf staan. Om het maar dadelijk te

vermelden: bij de volgende poging tot systematiek is ten minste

getracht, de paarden uit dien warwinkel weer uit te visschen, maar

voorloopig wist men nog niet goed, waar ze heen te brengen. Als een

mozaïek van zwijn, tapir, neushoorn, nijlpaard, klipdas en olifant

heeft een afgesloten orde van hoefdieren nog voortgeleefd in de eerste

drukken van Brehms „Leven der Dieren”, door welk werk de ongelukkige

zaak nog wel het meest onder het volk is verspreid. Tegenwoordig is zij

wetenschappelijk voor goed dood, en er kan niet genoeg op gewezen

worden, dat het wenschelijk is, dat het woord „dikhuidigen” ook weer

uit het spraakgebruik wordt uitgeroeid.

Dezelfde Cuvier (aan wiens onvergankelijke grootheid dergelijke

dwalingen in de bijzonderheden volstrekt geen afbreuk doen) ontdekte

aan het paard ten minste één geheel nieuwe zaak. Hij stelde uit

versteende beenderen vast, dat er reeds in een tamelijk ver verleden

van de geschiedenis der aarde dieren bestonden, die op paarden geleken.

Reeds in de oudere tertiaire periode hadden dergelijke paarddieren,

zooals men het Latijnsche woord „Equida” zou kunnen vertalen, in kudden

rondgesprongen op den bodem van het tegenwoordige Frankrijk. Het moest

reeds toen, onmiddellijk na zijn ontdekking, den indruk maken, dat over

de paardenbeenderen uit de voorwereld een bijzonder gunstig gesternte

had geschenen. Hetzij het een gevolg was van de groote hoeveelheid

individuen bij die dieren, hetzij van hun samenblijven binnen een eng

begrensd gebied, dat op dezelfde plek bij gelegenheid eener catastrofe

geheele catacomben bijeen lagen, hetzij dat paardebeenderen een groot

weerstandsvermogen bezaten—zeker is het, dat de oude aarde, die ons in

haar eigenzinnigheid zooveel heeft onthouden, in dat geval bijzonder

verkwistend was en bleef. Reeds in de eerste tientallen jaren na Cuvier

werd het waarschijnlijk, dat wij meer zouden vernemen over het

voorwereldlijke paard dan misschien over eenig ander zoogdier der oude

tijden. Toen de ontzaglijke vindplaats van beenderen van tertiaire

zoogdieren bij de pachthoeve Pikermi dicht bij Marathon—een in dubbele

beteekenis classieke plek—ontbloot werd, kwamen daar zóó volledige

overblijfselen van geheele exemplaren van tertiaire voorwereldlijke

paarden voor den dag, dat in het museum te München het skelet van een

zoodanig voorwereldlijk dier even gemakkelijk kan worden opgericht als

van een tegenwoordig bestaand paard. De kroon werd daarop echter in

lateren en zelfs in den laatsten tijd gezet in Amerika.

Theoretisch zou er niet gemakkelijk een plek op aarde kunnen gevonden

worden, waar men minder naar overblijfselen van paarden zou moeten

zoeken dan Amerika. Toen Columbus Amerika voor ons had ontdekt, en de

Spaansche goudzoekers in een vreeselijk bloedbad de inheemsche

Indiaansche beschaving van Mexico en Peru uitroeiden, waren de van

Europa medegebrachte paarden een belangrijke factor voor het succes van

hun ruw optreden. Geen bewoner van Mexico of Peru had tot nu toe een

ruiter te paard gezien, evenmin als een vuurwapen. Het paard was, ten

minste in symbiose met den cultuurmensch, in geheel Amerika in die

dagen onbekend. Of het in wilden staat nog in enkele troepen daar

ergens bestaan heeft in de dagen van Columbus en Cortez, is eerst in

den laatsten tijd tot een onderwerp van debat geworden; wij zullen

daarover nog spreken. Maar in ieder geval is dit punt eerst ter sprake

gekomen, nadat men op het einde der negentiende eeuw het verwonderlijke

feit had geconstateerd, dat geen land, van het hoogste noorden tot het

laagste zuiden, zóó opgepropt vol lag met fossiele beenderen der meest

verschillende soorten van paarden en paardachtige dieren, als Amerika.

Het paard · 第 2 / 16 段