WILHELM BÖLSCHE.
HET PAARD
IN ZIJNE NATUURLIJKE ONTWIKKELING
BEWERKT DOOR
DR B. C. GOUDSMIT.
GEBR. GRAAUW.—AMSTERDAM—WELTEVREDEN.
VOORREDE.
De ontdekking, dat ons paard oorspronkelijk afstamt van zeer kleine
dieren van de grootte van kleine honden, wier pooten op in het
oogvallende wijze aan onze menschenhand herinnerden, is één der
merkwaardigste en minst verwachte veroveringen der nieuwere dierkunde.
In meer beperkten kring is deze op voldoende wijze gewaardeerd. Onder
de onafzienbare menigte van paardenkenners, liefhebbers van
paardensport en andere practische paardenvrienden is zij daarentegen
nog lang niet bekend geworden in die mate, als de belangrijkheid van de
stof dit zou eischen. Het is ten slotte ook niet voldoende alleen de
paradoxale mededeeling daaromtrent te doen. Er moet iets bij verteld
worden, een stuk wereldgeschiedenis dat ten slotte nog veel kostbaarder
en belangrijker is. Wat wij thans weten, wat wij mogen veronderstellen
tot aan de grens der zekerheid op dit gebied, is veel meer dan die
weinige woorden te kennen geven. Een werkelijke geschiedenis van het
paard kan worden ontworpen, beginnende in een oertijd even vreemd als
een sprookjeswereld, eindigend in de speling der dingen, die ons thans
nog practisch in beroering houdt en die naar boven voert langs een
keten van de zonderlingste voorouders der paarden tot aan onze tamme
rassen toe. Hoe dikwijls heb ik niet door leeken de vraag hooren doen,
of ons kultuurpaard van den zebra afstamt; of wel, of het een veredelde
ezel is? Men peinsde er in het wilde over en besliste dan ten slotte,
dat het vraagstuk onoplosbaar was en dientengevolge dergelijke vragen
eigenlijk zonder eenige practische beteekenis waren. Met een ongeloovig
lachen werd de soms gedane opmerking: dat de neushoorn een verkapt
paard is, of dat de tapir een overgebleven oerpaard is, beantwoord. Die
dingen zijn echter feitelijk reeds lang uit het stadium van het
twijfelachtige getreden. Zij kunnen worden beantwoord. Maar men moet nu
eenmaal een uurtje den tijd nemen om bepaalde gedachten van
natuuronderzoekers daarbij grondig na te gaan. Ik zou wenschen, dat dit
kleine handige boek hier zoo geheel terloops eens dienst deed in
zoodanig vrij uurtje tusschen de practische werkzaamheden van
paardenliefhebbers; na een rit; tusschen sportoefeningen; in vrije
oogenblikken na den diensttijd. Ook in de aanbrekende periode der
automobielen mogen wij het toch nog wel vrij bekennen, wat voor een
heerlijk bezit der cultuur het paard is. Waarom zouden wij daaraan niet
op het juiste oogenblik een uur van ernstig nadenken wijden?
Dit paardenboek vormt een geheel op zich zelf staand, afgesloten
geheel. Intusschen is het uit den aard der zaak tevens ook waar, dat
hij die kennis genomen heeft van het dierenboek, daardoor nog een ruim
stuk perspectief mede krijgt. Daar waar de geschiedenis van het paard
begint, treedt hem reeds een groote ontwikkelingslijn te gemoet.
Uit het dierenboek moet dan ook ter wille van den noodzakelijken
samenhang voor den nieuwen lezer het volgende nog eens in het kort
worden weergegeven. Ons paard is een betrekkelijk hoog ontwikkeld
zoogdier. In het dierenboek wordt nu uitvoerig verhaald, hoe het
zoogdier in het algemeen is ontstaan. Hoe het zich in zeer ver
teruggelegen, voorwereldlijke tijden, die nog vele milioenen jaren vóór
het ontstaan van het paard lagen, heeft opgewerkt uit schepselen, die
met kruipende dieren overeen kwamen. Hoe het daarna als vogelbekdier
zijn jongen nog in een soort ei ter wereld bracht; hoe het begon die
jongen met melk te voeden, te zoogen, hoe het langen tijd het jong nog
in een soort huidzak met zich mededroeg, een handelwijze, die wij thans
nog bij de zoogenaamde buideldieren terugvinden. Hoe het zich een
inwendige verwarming, een blijvende warmte van het bloed aanschafte en
de oude schubben van kruipende dieren langzamerhand aflegde ten gunste
van een nieuwe bekleeding der huid met haren. Alle nog levende of
uitgestorven tusschenschakels, die door de oudere overgangen worden
belichaamd, worden uitvoerig in het „dierenboek” geschetst. Daarna
vertoeft het bij een buitengewoon belangrijk station, namelijk het
eerste groote station naar de hoogere zoogdieren, naar die zoogdieren
waartoe ten slotte ook paard en mensch behooren. Hier werd de
beschouwing eener groep van zoogdieren uiterst belangrijk, een groep
die thans geheel is uitgestorven, die vroeger echter, naar het schijnt,
zeer groote uitgestrektheden der aarde in haar geheel heeft bevolkt.
Men vindt tegenwoordig de overblijfselen dier beenderen hoofdzakelijk
nog in Noord-Amerika en bovendien op een bijzonder gunstige plaats in
de zoogenaamde Cernays-lagen bij Reims in Frankrijk. Naar die laatste
vindplaats heeft men menigmaal die geheele oeroude groep van zoogdieren
(die reeds tot de oudste tertiaire periode, het zoogenaamde Eocene
tijdperk, behoorde) eenvoudig de dieren van Cernays genoemd. Die dieren
van Cernays bezaten de hoogst merkwaardige eigenschap dat zij een zeer
bepaalde, oorspronkelijke uitgangsgroep voorstelden van alle latere en
thans nog bekende hoogere zoogdieren, aan gene zijde van die volkomen
oorspronkelijke vogelbekdieren en buideldieren, voor zoover die hoogere
zoogdieren, (waartoe tegenwoordig bij voorbeeld de apen en de
roofdieren, de hoefdieren en de walvisschen behooren) ook, wat hun huid
betreft, zich daarna van elkander hebben afgezonderd. In één opzicht
geleken al hunne echte vertegenwoordigers inderdaad in hoofdzaak nog
volkomen op elkander, zoodat men zag, dat zij werkelijk onderling nog
een bijna gesloten groep vormden. Meestal kleine, lage dieren met lange
staarten, lange gezichten en kleine hersenen, bezaten zij nog het
oorspronkelijke, volledige gebit van de oudste zoogdieren in het
algemeen, dat nog niet bepaald veranderd was om dienst te doen voor de
gewoonten van roofdieren en hoefdieren. Ook bezaten zij in den bouw der
vier pooten (of handen van voren en pooten van achteren) van oudsher
den fundamenteelen bouw der oorspronkelijke zoogdieren, namelijk vijf
vingers of teenen aan iedere hand of iederen voet, waarachter het vlak
of de zool oorspronkelijk bij het gaan nog geheel tot zelfs met de hak
werd neergezet. In beperkten zin toonden echter die dieren van
Cernays—en dat is nu het belangrijkste voor de verdere ontwikkeling—in
hunne verschillende vertegenwoordigers reeds kleine afwijkingen,
waardoor zij zich reeds van elkander begonnen af te scheiden, en
toonden zij dergelijke bijzonderheden louter in richtingen, die tot het
uiterste ontwikkeld, later werkelijk het wezen der roofdieren,
hoefdieren enz. moesten uitmaken. Eenigen vertoonden reeds een geringe
neiging tot het gebit der roofdieren, anderen tot den bouw van het
skelet van een zoogenaamden halfaap, dus één trap vóór den echten aap
en den mensch; een derde soort eindelijk tot den karakteristieken voet
van een hoefdier. Ongetwijfeld ziet men hier die latere hoofdgroepen in
al hare verscheidenheid zich eerst merkbaar ontwikkelen uit den
gemeenschappelijken wortelstam der dieren van Cernays. Duidelijk zijn
daarbij reeds te herkennen die latere roofdieren, die latere hoefdieren
en die latere apen, als het ware zich vertoonend in drie varianten van
de echte dieren van Cernays, die men gewoon is te onderscheiden als
Creodonten (oorspronkelijke roofdieren), Condylarthren (oorspronkelijke
hoefdieren) en Pachylemuriden (oorspronkelijke apen). Juist die drie
loten van den ouden stam hebben zich later in menig opzicht op tamelijk
ongelijke wijze van den ouden bodem verwijderd. Zoo staan aap en
mensch, ondanks de kolossale menschenhersenen, thans nog door den bouw
van hun gebit en bovenal van hun hand betrekkelijk zeer dicht bij de
dieren van Cernays, terwijl bij voorbeeld de hoefdieren zich meestal
juist in die deelen van hun skelet buitengewoon ver vandaar hebben
verder ontwikkeld. Juist op zulk een bijzonder typisch hoefdier, het
paard, worden in het hier gegeven boek onze beschouwingen gericht. Wij
zullen echter zien, hoe ten slotte toch ook de stamboom van dat paard
zich volkomen juist laat terugvoeren tot die dieren van Cernays en wel
tot hunne vertegenwoordigers, die reeds licht duiden op hoefdierachtige
wezens, die genoemde Condylarthren.
Het dierenboek beschreef dan verder nog uitvoerig zekere achterblijvers
van die hoogst belangrijke wereld van Cernays, die ten deele nog meer
echt, ten deele reeds meer gewijzigd tot heden nog levend behouden zijn
gebleven in onze zoogenaamde insecteneters, egels, mollen en consorten.
Het toonde eenige zijtakken aan, die misschien reeds vóór de splitsing
van den hoofdstam in die oorspronkelijke hoefdieren, roofdieren en
apen, zich hadden afgescheiden van de wereld van Cernays, namelijk de
vleermuizen, huidvliegers en de Amerikaansche gordeldieren, luiaards en
aanverwante dieren. Ten slotte behandelde het dan nog uitgebreider de
oorspronkelijke hoefdieren. Het maakte duidelijk, hoe de tegenwoordige
klauw van het roofdier, de nagel van den aap en de hoef zelf zich uit
den meest eenvoudigen op klauwen gelijkenden grondvorm oorspronkelijk
hadden ontwikkeld zonder absolute tegenstellingen te zijn. En het
besprak eindelijk bij die gelegenheid een kleine groep van zoogdieren,
die ook thans nog zoo klein zijn als konijntjes, maar toch reeds een
soort van hoef dragen, de zoogenaamde klipdas. Geen twijfel is er dat
dit alles voor dit boek reeds belangrijke lijnen trekt en de eigenlijke
inleiding levert. Het paardenboek gaat allereerst van boven naar
beneden en bereikt eerst zeer laat weder het oude aansluitingspunt. Wie
dan in ernst van het paard den dieperen oorsprong wil leeren kennen,
die moet er toe besluiten, ook het dierenboek zelf ter hand te nemen.
Ik moet nog opmerken, dat dit dierenboek onder zijn tien platen, die
het als inleiding toekwamen, twee heeft, waarop ook dit boek zich bij
voorkomende gelegenheden kan beroepen. De ééne plaat stelt
gereconstrueerd het uitgestorven oorspronkelijke hoefdier Phenacodus
voor, de andere plaat eveneens een uitgestorven merkwaardigen
neushoorn, het Elasmotherium.
Ook dit zou ik uit de voorrede van het dierenboek willen herhalen:
mijne populaire beschrijving neemt een zeker rustig standpunt in
tegenover den zenuwachtig voorthollenden tegenwoordigen stroom van het
vakonderzoek. Even zoo goed als het levende dier, eischt ook dat
onderzoek zelf een zekere „waarneming”. Men moet een stap achterwaarts
gaan, en zich met geweld een oogenblik tot rust dwingen. Wat ik geef,
is het gevolg van een zoodanige waarneming, gedurende een reeks van
jaren. Ik heb mijn veld, op een bepaald oogenblik, afgebakend en
inwendig gerangschikt, zonder naar rechts of links te zien, of de
schuimende ketel der dingen reeds weer ergens op nieuw begint over te
koken.
Mittel-Schreiberhau in het Reuzengebergte.
WILHELM BÖLSCHE.
HET PAARD.
In het merkwaardige Faustgedicht, dat als „Het Boek Job” in het Oude
Testament is gekomen, wordt een natuurbeschrijving gevonden met zulke
geweldige beelden en zóó krachtige woorden, dat geloovigen zoowel als
kinderen der wereld zich daaraan van oudsher hebben te goed gedaan en
daarin stichting hebben gevonden. De groote vraag van het noodlot des
menschen is opgeworpen: hoe het in het wereldsche beloop moet worden
verklaard, dat ook de rechtvaardige smart moet ondervinden en de
zondaar kan juichen? In het debat tusschen de menschenkinderen, die
twijfelen en met elkander twisten, grijpt ten slotte de Wereldgeest in
eigen persoon in. En om de onbeduidendheid en de armoede van alle
menschelijke oplossingen, die alleen berusten op indrukken van het
oogenblik, tegenover een dergelijk ontzaglijk wereldprobleem te
geeselen en neer te slaan, legt de groote dichter (wiens naam ons niet
is overgeleverd) dien Wereldgeest een hymne in den mond op de
onnavorschbare en ontzaglijke verschijnselen der werkende natuur,
waarin alle verschrikkingen van den kosmos ons gemoed in beroering
brengen.
De aarde wordt geschetst in den zin der oude Babylonische voorstelling:
zwevend boven en beneden de getemde oorspronkelijke wateren. Boven haar
schittert de gordel van Orion en verrijst de morgenster. Dan wordt het
duister van wolken, de sluizen des hemels openen zich en storten hare
wateren uit, de bliksemschichten schieten neer. Voor den storm vliegen
de raven weg, en de leeuwen brullen om voedsel, terwijl boven de donder
rolt. Daarna wendt zich het natuurbeeld tot de dieren der aarde, en nu
volgt een schildering, die voortdurend grootscher en verhevener wordt.
[1]
Van de wilde geiten van het gebergte (of, zooals in de vertaling staat,
de gemzen) strekt zich de blik uit tot de eenhoevige dieren der
steppen, de wilde ezels of wilde paarden. De woestijn is hun tot woning
aangewezen en de steppe tot verblijfplaats, die zij snel, van alle
banden bevrijd, doorvliegen. De woudezel lacht om het stadsgewoel,
luistert niet naar het geroep van den drijver. Hij doorsnuffelt de
bergen als zijn weide, en zoekt er allerlei groen kruid op. En naast
dit type van wilde dieren wordt daar gesproken van het dier, dat door
Luther als de éénhoorn wordt voorgesteld, terwijl inderdaad daarmede de
geweldige woudos is geschetst, die toen eveneens nog het bergachtige
noorden van het Babylonische stroomland en den Libanon heeft bewoond.
Op hem is volkomen toepasselijk het woord, dat hij u niet kan dienen en
overnachten aan de kribbe (zooals het tamme rund), dat hij niet achter
u loopend den dalgrond kan eggen en uw zaad kan inbrengen en op uw
dorschvloer zal inzamelen. De struisvogel eindelijk voert u geheel naar
de woestijn, die door de zon doorgloeid is, waar zij haar eieren op den
grond laat liggen en ze in het zand verwarmt, zoodat zij worden
uitgebroed. „God heeft haar het verstand ontzegd, anders zou zij zich
wel in de hoogte verheffen en spotten met het paard en zijn ruiter.”
Daarmede is dan weer een nieuw, wonderschoon beeld gegeven.
Paard en ruiter! Het getemde paard in de hand van den mensch!
Het dient den mensch en toch heeft de mensch het niet geschapen. De
natuur heeft reeds het paard zijn eigenaardigheid, zijn individualiteit
medegegeven, zijn manen, zijn gang, die het doet huppelen als een
sprinkhaan. En dan vervolgt de Wereldgeest met de onvergetelijke
woorden: „Hoe ontzagwekkend is zijn fier gesnuif! Het krabt in het dal,
zich in zijn kracht verheugend, en trekt uit, der wapenrusting te
gemoet. Spot met de vrees en wordt niet vervaard, deinst voor het
zwaard niet terug. Boven hem rinkelt de pijlkoker, het lemmet der lans
en de strijdknots. Ontstuimig en wild verslindt het den bodem, en staat
niet stil als de bazuin klinkt; het hinnikt zoo vaak de bazuin wordt
gestoken, reeds van verre ruikt het den strijd, de donderende stem der
aanvoerders en het krijgsgeschreeuw.”
Als het paard van de aarde verdwenen was zooals de oeros, en wij van
dat dier geen ander waarheidsgetrouw bericht bezaten dan het
bovenstaande, dan zouden wij toch reeds vermoeden, dat wij te doen
hadden met één der edelste en meest interessante dieren, die onze
planeet ooit heeft voortgebracht.
Met een dier, dat uit tweeërlei oogpunt merkwaardig is. In zijn wezen
als dier onder de overige dieren. En in zijn betrekking tot den mensch.
Onze beschouwingen hebben ons vroeger wel gevoerd langs een bonte rij
van zoogdiervormen van de meest merkwaardige soort. Van de rij af
hebben wij in haar karakteristieke omtrekken trachten te schetsen: het
vogelbekdier, het buideldier, het schubdier, den insecteneter, (egel en
verwanten), den huidvlieger, de vleermuis, de Amerikaansche tandeloozen
(luiaard, gordeldier) en den klipdas. Onder al die merkwaardige klanten
was er echter zonder eenigen twijfel geen enkel huisdier. Van
uitgestorven Amerikaansche aardluiaards is vroeger wel eens beweerd,
dat zij door de Indianen evenals het vee binnen een omheining gehouden
waren, dit is echter een zeer losse hypothese. Van een aantal kan men
reeds uit hun geïsoleerd en verborgen leven afleiden, dat het geen
huisdieren kunnen zijn zooals de vogelbekdieren, schubdieren en
klipdassen. Van het nut van onzen egel wist men vroeger niets af. Bij
de groote en zoo vormenrijke groep der buideldieren is het echter zeer
in het oog vallend, dat er geen huisdieren onder gevonden worden. Het
Australisch-Polynesische gebied, waartoe uitsluitend reeds in den
praehistorischen menschentijd de buideldieren voor een groot deel en in
hun krachtigste vormen behoorden, is volstrekt niet vrij van
huisdieren. Het zwijn, het hoen, en in de eerste plaats de hond, waren
ook daar in dienst van den mensch. Geen enkel buideldier daarentegen
moet geschikt geweest zijn, huisdier te worden. Men zal toch wel moeten
aannemen, dat bij die oudste en laagste orden der zoogdieren niet
alleen het bloote toeval een grendel heeft voorgeschoven, maar dat het
beletsel ook lag in hun geringere intelligentie, in den grooteren
afstand, waarop zij van den mensch verwijderd waren. Hij die
buideldieren in gevangen toestand in onze zoölogische tuinen verzorgd
heeft, heeft steeds den indruk gekregen, dat een inwendige hinderpaal,
die ongetwijfeld in de hersenen gelegen is, zich tegen het temmen
verzet. Slechts in drie groepen van zoogdieren heeft de mensch
huisdieren weten te verkrijgen: de hoefdieren, de roofdieren en de
knaagdieren. Alle drie groepen zullen wij misschien later nog
bespreken. Het paard is echter, zooals een kind wel weet, het meest
duidelijke voorbeeld van een huisdier. Daarmede is voorloopig de engere
richting bij dat dier voor ons bepaald.
Laat ons eerst nog een oogenblik vertoeven bij de vraag, wat een
huisdier is. Dat begrip staat ons zóó helder voor oogen, dat het geen
nadere verklaring schijnt te vereischen. Maar het begrip „mensch” staat
ons nog helderder voor oogen, en toch is het voor ons een ontzettend
werk geweest, den mensch zóó te teekenen binnen de overige natuur, dat
men hem zag als een werkelijk onderdeel in de huishouding der natuur.
Als een dergelijke verschijning in het drijven van de huishouding der
natuur op aarde zou men ook het huisdier van den mensch moeten
opvatten.
Daar komt ons het woord „gevangenschap” in de gedachte. Gevangen
dieren. De geheele dierentuin is een duidelijke illustratie van dat
woord. Sommige geleerden, die het begrip huisdier wilden verklaren,
hebben gemeend, daaraan reeds voldoende te hebben. Voor Cuvier was het
wezen en het grondbegrip van het huisdier „slavernij”. Als een ruwe
huurkoetsier zijn armen knol afranselt, heeft het er werkelijk veel
van. Maar de verstandige en ontwikkelde dierenfokker zal dit zeker
ontkennen. Latere onderzoekers vatten volkomen terecht de juiste
verhouding op als een „symbiose”. Wij hebben dat woord reeds vroeger
genoemd, toen wij van de groene mieren in den pels der luiaards
spraken. In den meest uitgebreiden zin beteekent het een samenleven van
twee verschillende soorten van levende wezens tot wederzijdsch nut. In
den meer beperkten zin bedoelt men er mede, dat de deelgenooten niet
alleen als twee individuen van tijd tot tijd samenkomen, maar dat
gedurende een aantal generaties het samenleven een vast gebruik blijft,
zonder hetwelk men zich ten slotte die soorten in het geheel niet meer
kan denken. Dergelijke gevallen komen zeer veelvuldig voor tusschen
plant en plant, plant en dier, en ten slotte tusschen dier en dier.
Bij de planten zijn het beroemdste voorbeeld de zoogenaamde
korstmossen, die men langen tijd voor een afzonderlijke plantensoort
hield, totdat men op zekeren dag ontdekte, dat hier een wier en een
paddenstoel vast aan elkander gehecht in de meest trouwe symbiose
leven, waarvan ieder den anderen bepaalde voordeelen oplevert. Dat die
compagnieschap niet uit elkander gaat, daarvoor wordt gezorgd, doordat
bij de voortplanting iedere jonge paddenstoel reeds een jonge wierencel
en iedere jeugdige wier een jeugdigen paddenstoel medeneemt. Het
mooiste geval van symbiose tusschen dier en plant levert wel de
paddenstoel kweekende mier van Zuid-Amerika. Zij bereidt aan een
champignon, die haar in op koolrapen gelijkende knolletjes een
bijzondere voedingsstof biedt tot ruimen oogst, bijzonder gemeste
akkers in den vorm van kunstmatige mesthoopen, en ook hier draagt
iedere jonge mierenkoningin, die naar het gebruik van dat merkwaardige
volkje uittrekt, om een nieuwen staat met nieuw broedsel te
grondvesten, als een waren talisman der natie, in haar mondholte (zoo
te zeggen in een wangzak) een stukje ontwikkelingsvatbaren paddenstoel
mede, opdat ook de symbiose zich in iedere nieuwe generatie zeker kan
voortplanten. Eindelijk tusschen dier en dier zijn het meest leerzaam
die andere mieren, die de suikerzoete pis van bladluizen met gretigheid
opslorpen en die bladluizen als de voortbrengsters van zulke
„lekkernijen” verdedigen als een herder zijn schapen verdedigt tegen
den wolf; uit kleine kruimeltjes aarde bouwen zij voor hen echte
schuthokken, en in het ingewikkeldste geval hebben ook zij de geheele
gecompliceerde oppassing en verzorging van de eieren hunner melkdieren
op zich genomen, dus ook het voortduren der symbiose gewaarborgd.
Volkomen duidelijk kan men opmerken, dat in dit laatste geval ten
gunste van het van beide kanten zoo goed gelukte samenwerken bepaalde
instincten bij beide partijen zijn ontwikkeld, die anders tusschen die
vreemde diersoorten niet zouden bestaan. De bladluis vlucht niet voor
de anders zoozeer gevreesde mier. Vrijwillig staat zij de tastende mier
haar sap af, terwijl zij het aan andere dieren, die bij haar
aankloppen, weigert. Omgekeerd zal de mier zich zelfs in den
wintertijd, als zij het meest behoefte aan voedsel heeft, nooit
vergrijpen aan het ei der bladluis, dat haar is toevertrouwd.
Een ieder ziet, dat wij juist met dit voorbeeld van de mieren
onmiddellijk ook tot het vraagstuk der menschelijke symbiose bij onze
huisdieren zijn gekomen. De cultuurmensch staat trouwens tegenwoordig
zóó hoog boven ieder dier, wat betreft zijn intelligentie, die zulk een
wijd veld kan overzien, dat de verhouding iets verschoven lijkt in de
richting der eenzijdige opperheerschappij van den mensch. Maar wij
mogen niet vergeten, dat die cultuurmensch niet zou kunnen bestaan
zonder veeteelt en (voor de plant geldt ditzelfde) zonder koren en de
overige gekweekte gewassen. Van den kant van het dier zelf is echter
dezelfde „aanpassing” aan die blijvende symbiose met den mensch gevolgd
als bij de mier. Voor het echte huisdier is zijn voedsel bereid door
den mensch, en zoo ook zijn woning, zijn bescherming. De hoogste
intelligentie van den mensch staat in zekeren zin in ieder opzicht ook
in zijn dienst. Op de meest verfijnde wijze houdt de mensch toezicht op
zijn voortplanting, regelt hij die en werkt hij die in de hand. Juist
omdat ook hier de symbiose over ontelbare rijen van geslachten zonder
eenige onderbreking voortgaat, hebben zich zijn lichaamsvormen in de
meer speciale behoeften van die symbiose langzamerhand ingevoegd en
zich daaraan ook aangepast. Zijn instincten zijn anders geworden: het
jong van het reeds gedurende duizenden jaren verzorgde konijn, om
slechts een enkel voorbeeld te noemen, is van den eersten dag af
tegenover den mensch „tam”. En ook daar waar de mensch voor zijn eigen
levensbehoeften somtijds de individuen decimeert en het rund slacht,
behoudt toch de soort het geheele voordeel der symbiose, omdat ook haar
voortduren bij dat slachten juist wordt gewaarborgd. Men moet bedenken,
wat voor een absoluut verwoestende macht de mensch tegenwoordig is voor
alle dieren, die hij niet opzettelijk verzorgt en kweekt. Maar hem, die
gekomen is binnen het gebied dier verzorging en kweeking, valt
omgekeerd daardoor een zóó groote zegen ten deel, dat het geringe en
stelselmatige decimeeren door het slachten daarbij niet in aanmerking
komt, nog afgezien hiervan, dat niet alle huisdieren geslacht worden en
juist die, welke het edelst en het meest met ons verbonden zijn, het
minst. Bij den hond en het paard heeft de symbiose in enkele gevallen
een zóódanige hoogte bereikt, dat ook het individu hier in den waren
zin van het woord wordt gewaardeerd. Geen bezitter van een paard of een
hond met groote individueele gaven en bruikbare eigenschappen zal hun
dood wenschen. Heeft de symbiose hier bij het dier geleid tot de meest
volkomen aansluiting der fijnste individueele begaafdheden aan de
wenschen van den mensch—tot zelfs in die mate, dat het dier geworden is
tot een levend werktuig van den mensch—, zoo is omgekeerd in het
schoonste bloeitijdperk der cultuur dit dier als individu bij den
mensch binnengedrongen tot in het ideale beschermende veld zijner
ethiek. Medelijden met het dier, verzet tegen dierenmishandeling, het
denkbeeld ook van een bescherming van het dier, als het oud en
afgeleefd is, en dus niet meer van onmiddellijk nut is, kortom al
datgene, wat er van ethische beteekenis is in ons begrip van
„dierenbescherming” toegepast op getemde dieren, welk begrip te midden
der groote ruwheid, die nog steeds in den mensch gevonden wordt, toch
merkbaar meer en meer doordringt—in die woorden openbaart zich de
hoogste triomf van die symbiose in steeds toenemende mate ook in de
hoogst verheven, edelste menschelijke eigenschappen.
Binnen de wereld der zoogdieren, waartoe wij menschen nu
eenmaal—daaromtrent bestaat tegenwoordig geen twijfel—in het groote
veld der natuur het nauwste behooren, is deze intensieve symbiose van
den mensch eigenlijk een zeer eigenaardig verschijnsel. Wel vindt men
enkele aansluitingen, men zou kunnen zeggen vriendschappen tusschen
verschillende soorten, bij vele gezellig levende zoogdieren. Schillings
heeft een aantal merkwaardige voorbeelden gegeven van de aansluiting
van gnoe-antilopen en zebra’s, en van oude olifanten en giraffen op den
Kilimandsjaro, en dit door passende photografische opnamen gefixeerd.
Maar een geval, dat zelfs maar in de verte aan de mieren en bladluizen
herinnert, is anders bij de zoogdieren niet bekend. De mensch heeft
zich ook in dit opzicht gehandhaafd als het universeele wezen, dat van
een bepaald punt af alle denkbare mogelijkheden van het organische
leven begon uit te spelen. Dat punt lag echter eerst op een bepaalde
hoogte van zijn beschaving. Eerst daar hebben zich voor het eerst zijn
groote symbiosen geopenbaard.
Het schijnt, dat wij het beslissende keerpunt nog ongeveer kunnen
bepalen. De praehistorische jagerstammen van Europa, die ons de bekende
karakteristieke holencultuur der zoogenaamde oudere steenperiode hebben
nagelaten, die in Midden-Europa nog jacht maakten op de diluviale
olifanten en neushoorns en de omtrekken dier jachtdieren reeds zoo mooi
op de wanden van hun holen wisten te schilderen, zoodat wij zeer
nauwkeurig kunnen nagaan, met wat voor vreemdsoortige en merkwaardige
klanten zij nog hebben samengehuisd—die stammen hadden, zooals alle
vondsten ons leeren, nog geen huisdier. Eerst in de periode der
paalwoningen komen onweerlegbare getuigenissen van dergelijke reeds
gevorderde symbiosen voor. Al verplaatst men die mammouthperiode al met
een paar flinke nullen achter het cijfer één naar achteren terug—in
verhouding tot het bestaan van den mensch zelf op aarde is dat toch nog
een klein en nog volstrekt niet oud getal. Al is er ook sedert dien
tijd menige gaping gekomen in de zoogdieren, die op onze planeet
aanwezig zijn—ik behoef slechts te herinneren aan den mammouth
zelf—toch was het hoofdbeeld onzer wereld van wilde zoogdieren reeds in
die dagen voltooid. Hond en rund, zwijn en schaap zijn door den mensch
eerst tot symbiose opgeleid, nadat deze evenals de mensch zelf reeds
lang op dezelfde planeet met hem samen hadden geleefd,—en wel in wilden
toestand, zooals hij zelf ook in de beteekenis der cultuur zoo lang
„wild” was geweest. En zoo was het ook met het paard. De lichaamsbouw
van het paard heeft ons eerst een stuk wereldgeschiedenis te vertellen,
dat nog volstrekt niets te maken heeft met de symbiose.
Als wij van dien tijd der oudste holenbeschaving nog een eind verder
teruggaan, dan hebben wij, zooals wij reeds meermalen hebben opgemerkt,
van de zoogdieren van den toen beginnenden voortijd meest alleen
beenderen en skeletten over. Er is nu niet gemakkelijk een betere weg
te vinden, om ons te brengen tot de oorspronkelijke natuurlijke
eigenaardigheid van het paard in het algemeene beeld van het zoogdier,
dan de vergelijking van het skelet van een paard met dat van een
mensch. Skeletten maken op den leek een weerzinwekkenden indruk, door
het ongelukkige denkbeeld den dood als geraamte voor te stellen.
Goethe, die alle grove en ruwe vermaningen aan den dood gaarne uit den
weg ging, heeft onophoudelijk het skelet geprezen als een ware
openbaring, als één der schoonste werken der natuur, zooals deze de
geestelijke eigenschappen vast in zich bewaart. Inderdaad is er
nauwelijks een tweede plaats op aarde, waar de zuiver wiskundige logica
der ontwikkeling zóó wonderduidelijk en prachtig helder voor oogen
treedt als bij een skelet. Het moest de taak zijn bij het onderwijs in
de natuurlijke historie, de kinderen reeds in de allereerste jeugd zóó
op te voeden, dat zij evenzeer den onwaardigen angst voor een geraamte
verliezen als de dwaze vrees voor spinnen en padden.
Als men een leek zet voor een skelet van een mensch of een paard, dan
kan men hem dadelijk met een grappige vraag overbluffen. Gij hebt allen
wel gehoord van den duivel in het volkssprookje: aan zijn menschelijk
lichaam draagt hij een paardevoet. Teeken nu eens een dergelijk mensch
met een paardevoet. Gij teekent hem netjes zooals ook alle groote
schilders vóór u hebben gedaan: aan de menschelijke knie hecht gij
namelijk eenvoudig een onderbeen van een paard vast met den hoef als
voet. Kom nu voor het skelet en wijs mij bij mensch en paard de
beenderen, die daarin zouden moeten steken.
Hier hebt gij bij het geraamte van den mensch het bovenbeen, het
eenvoudige, lange dijbeen, dat van het bekken afdaalt. Daaraan sluit
zich het benedenbeen aan, dat eigenlijk bestaat uit twee beweeglijke
beenderen, het scheenbeen en het kuitbeen, maar dat in beginsel toch
overeenkomt met één enkel hoofdbeen, dat van de knie naar den voet
loopt. En hier eindelijk is de voet zelf. Dus drie hoofdgedeelten met
twee buigplaatsen, twee gewrichtsplaatsen. Haak nu het skelet van den
voet en dat van het onderbeen los, en hang daarvoor in de plaats het
stuk onderbeen van het paardenskelet met het skelet van den hoef,—dan
hebt gij het skelet van uw Mephistobeen. Haak echter die stukken weer
aan het paard vast, en tel na, van onderen naar boven. Daar hebt gij
den hoefvoet, het zooeven gebruikte onderbeen, daarboven het bovenbeen
en dan—zou het bekken moeten komen. In plaats daarvan hebt gij nog één
been te veel. Een boven-bovenbeen. Het paard heeft, naar het schijnt,
een heel been meer in de reeks dan de mensch! De grap kan echter zeer
wel verklaard worden. Feitelijk heeft ook het paard slechts drie groote
beenderstukken in zijn been. Het zoogenaamde boven-bovenbeen komt
overeen met het werkelijke menschelijke bovenbeen. Het zoogenaamde
bovenbeen is in werkelijkheid reeds het onderbeen. Het stuk echter, dat
nu volgt, en dat wij beschouwden als het onderbeen van Mephisto, is
reeds „paardevoet”, dat wil zeggen: het is reeds een echte voet, en
komt overeen met onzen voet van den enkel tot aan het begin der teenen.
Het eenige verschil is, dat het zoo reusachtig lang is uitgerekt, en
ons zoo als één geheel tegemoet komt, waardoor het dwaalbegrip zou
kunnen ontstaan, dat het nog in het geheel niet een voet, maar een
onderbeen is. En die vergissing was nog des te gemakkelijker te
verklaren, daar er bij het paard, dat nog met zijn vleesch bedekt is,
voor het uiterlijk nog een zeer merkwaardig verstoppertjesspel bijkomt.
Het ware bovenbeen van het paard stak zoo te zeggen in den romp. Waar
van buiten het been eerst begint, daar loopt het al over het
kniegewricht heen. Dan komt reeds het feitelijke onderbeen als een
bovenbeen te voorschijn en het buigt weer af tegen het reusachtige
voetstuk (voetbeen zou men wel kunnen zeggen), zoodat men zou meenen,
dat eerst hier de knie zit. Om dus uw menschenbeen een echten
paardepoot te geven, zou werkelijk het volgende noodig zijn. Gij zoudt
van het menschelijke skelet niet het onderbeen moeten loshaken, maar
alleen den voet. Dan zoudt gij echter het menschelijke bovenbeen zóó
naar boven moeten schuiven, dat het, als het met vleesch bedekt was,
gewoon weg in het lichaam naar boven verdween en zijdelings zich
plaatste naast het bekken. Daardoor zou natuurlijk nu het onderbeen ook
zóó ver naar boven gaan, dat zijn bovenste hoek, de knie, onmiddellijk
in de heupen kwam te liggen, terwijl zijn gewricht bij den voet nu daar
hing, waar vroeger de knie was. Om nu echter van die valsche knie de
leege tusschenruimte tot op den bodem te overbruggen, moest gij hier
dan echter het ontzaglijk steile voetbeen van den paardepoot er
tusschen voegen, dat geheel van onderen bij den hoef als de schoen van
den laatsten teentop nog weer eens eenigszins omgebogen is. Nu eerst
zou het skelet een echten „paardepoot” hebben,—en tevens is op die
manier ook de tegenstelling van mensch en paard in dit geheele
steunorgaan volkomen duidelijk.
Ons paard behoort niet alleen tot die dieren, die (op de vroeger
geschetste wijze) hun teentop met een harden schoen, een „hoef” hebben
omkleed. Maar het behoort ook tot die dieren, die zoowel teen als voet
zóó steil hebben opgetrokken, dat het lichaam alleen nog maar op den
teentop en den hoef balanceert. Maar ten slotte is het paard ook de
vertegenwoordiger van dat uiterste type, waarbij aan ieder been nog
slechts één enkele zoodanige hoef zit, zoodat feitelijk slechts vier
teenen het geheele viervoetige lichaam hebben te belemmeren, in plaats
dat, zooals bij ons menschen, als wij op vier voeten op de teenen
zouden willen loopen, in de toppen van onze vingers en teenen twintig
dergelijke steunpunten zouden aanwezig zijn. Slechts één enkele teen
aan iederen voet: dan ligt het echter voor de hand, dat met dien éénen
teen slechts één enkele wortel als voornaamste steun in het middendeel
van den voet overeenkomt. Bij iederen druk van de hand kan men in onze
menschenhand het volgende waarnemen (en bij onzen voet is het volkomen
hetzelfde): achter onze vijf vingers komt in het gezamenlijke
middendeel onzer hand met ieder dier vingers onder de huid en het
vleesch der spieren telkens één enkel wortelbeen overeen. Men kan die
vijf wortels zelf onder de huid van den rug der hand één voor één
tellen en ze gemakkelijk voelen. Eerst vlak bij het polsgewricht hangen
die wortels zelf weer als in een enkel wortelbed in een mozaïek van
kleinere beentjes, den eigenlijken gemeenschappelijken handwortel. Vijf
vrije vingers of teenen bij ons: en in overeenstemming daarmede vijf
verschillende wortels. Één teen slechts bij het paard: daarom zal daar
slechts één wortel aanwezig zijn. En met uitzondering van een
onbeduidend feit, dat voorloopig nog geheel bijzaak is, en waarop ik
eerst later nog terug kom, is dit ook zoo. Dat ééne uitsluitende
wortelbeen van den teen bij den eenigen nog bestaanden teen van het
paard vormt juist dat gewaande onderbeen of „voetbeen”, dat ons zooveel
hoofdbrekens heeft gekost. Hij vormt dit, door uit te groeien tot een
betrekkelijk kolossalen beenen staak, die nu als zoodanig in zijn
afmetingen volstrekt geen overeenkomst heeft met onze vingerwortels of
wortels der teenen. Terwijl de teen, die tot den hoef loopt, zelf zeer
matige afmetingen blijft behouden, schuift door die ontzaglijke
tusschenstang van den voet het eigenlijke been daarnaast. Dit moet zoo
zijn, daar anders het lichaam van het paard op stelten van een
onmogelijke lengte zou komen te staan. Van daar het naar boven drukken
van het geheele bovenbeen tot in den romp, waarvan het gevolg is, dat
het blijvende vrije been feitelijk alleen uit onderbeen en voet
bestaat, en het op de gewone plaats van de knie niet meer de werkelijke
knie, maar reeds het voetgewricht heeft, terwijl daar, waar men het
voetgewricht zou verwachten, reeds het engere gewricht van den teen
binnen in den voet, de buigplaats tusschen teenwortel (middenvoet) en
teen gelegen is.
Als men nu die geheele tegenstelling van paard en mensch overziet, dan
moet één zaak ondubbelzinnig duidelijk worden. In dien bouw van het
paard heerscht in tegenstelling met den mensch een dubbele strekking.
In de eerste plaats de strekking, om aan het geheele lichaamsdeel, tot
aan de uiterste spits den bouw te geven van een in één enkele lijn
uitgestrekt been, een stelt. Van daar ook de merkwaardige beperking van
den geheelen voet tot één enkelen middenwortel in plaats van splitsing
van den hoofdstam in vijf takken, zooals bij onzen menschenvoet of onze
menschenhand. En van daar dan ook het bijna volkomen optillen van dien
voet van dien stam in den rechten steltstand van het been. In de tweede
plaats echter een even duidelijke strekking, om dien op een been
gelijkenden voet nu ook naar boven toe, zoover als maar eenigszins
mogelijk is, tot een werkelijk vrij been te maken, dat vrije been,
zooveel mogelijk te vervangen door den voet.
Beide strekkingen worden echter in haar samenhang zoowel als in haar
beteekenis onmiddellijk duidelijk, als men nagaat, waarvoor het paard
zijn uiterste ledematen gebruikt. De dichter van het „Boek Job” spreekt
reeds van de stoutheid, waarmede het opspringt, en vergelijkt dat met
het wegvliegen van den sprinkhaan. Het paard in zijn zoowel meest
natuurlijken als ook meest edelen gang is geen karrepaard of
vigelantepaard. Het is een renpaard, dat vrij voortholt over de
uitgestrekte, vlakke baan. Het is hier geen schepsel, dat den bodem
drukt, dat zich in de eerste plaats op een breed steunvlak tracht op te
houden. Het slaat den grond in zijn loop. Het beheerscht dien grond in
die mate, dat het schijnt daarover heen te zweven, zoodat slechts de
scherpste blik de enkele oogenblikken kan waarnemen, waarop die Antaeus
de aarde nog juist even aanraakt om zijn kracht te vernieuwen. Die gave
van de suizende vlucht over de vlakte geeft aan het paard zijn
karakteristieke eigenschappen, waar het ons nog in zijn meest
oorspronkelijke vrijheid in de vrije natuur te gemoet komt als wild of
weer verwilderd galoppeerend dier der eindelooze grassteppe; maar
tevens is daardoor ook zijn hoogste waarde bepaald als zuiver sportdier
binnen de grenzen onzer cultuur.
Het meer eigenaardige geheim van dit schitterende bezit is echter, dat
het in dit geval juist verbonden is aan een zeer groot, en in zijn
meest edelen aard kolossaal dier. Een zoogdier van die grootte moet
noodzakelijker wijze een kracht bezitten, die daarmede in
overeenstemming is. De keerzijde echter van alle reuzengestalten is
hunne zwaarte. Een reus zijn kracht te laten en hem toch even licht
beweeglijk te maken als een dwerg, dat zou eerst eene gelukkige
oplossing zijn. Bij het paard is die oplossing bijna bereikt. Zij is
bereikt, in zooverre wel niet de zwaarte op zich zelf is opgeheven,
maar deze is geneutraliseerd door een schitterend bewegingsapparaat.
Hoe zwaar trouwens het paard is in zijn beste ras (dat juist zoo streng
zijn grootte handhaaft), wordt oogenblikkelijk duidelijk, als men het
paard ziet, als het op den grond is gevallen, uitsluitend overwonnen
door de zwaartekracht, onmachtig om zijn ontzettenden last weer op de
dunne stelten van zijn bewegingsmechanisme op te richten, ja zelfs
ernstig in gevaar, dat een verkeerd aangewende poging om op te staan
het fijne mechanisme door de geringste scheeve belasting breekt als
glas, juist omdat het zoo ontzettend fijn is. En toch is bij het paard,
als het rechtop loopt, die zwaarte niet alleen zóó overwonnen, dat een
voortreffelijk, onder bepaalde omstandigheden bijna ongeloofelijk
harddraven mogelijk wordt, maar dat de lichaamskracht van den reus nog
een belangrijke overmaat beschikbaar heeft. Die kracht gaat niet
verloren door de beweging alleen: zij weet zich te sparen, zoodat het
paard nog meer kan volbrengen. Hier openbaren zich juist zoo duidelijk
die twee voortreffelijke hoedanigheden, die aan het paard in de
symbiose met den mensch zijn zoo bijzonderen roep hebben verschaft. Aan
den éénen kant zijn volharding, die het niet alleen maakt tot een dier,
dat gedurende een kort oogenblik flink draven kan, maar tot een dier,
dat bij een niet te onregelmatig tempo een onschatbare draver over
groote afstanden is. Aan den anderen kant zijn overmaat van kracht,
waardoor het zelfs bij een snelle en langdurige beweging niet alleen
zijn eigen reuzengewicht spelend overmeestert, maar door dat eigen
gewicht volstrekt niet wordt uitgeput, en zelfs een aanzienlijke van
buiten aangebrachte belasting nog rustig kan verdragen.
Het bewegingsmechanisme is feitelijk zóó practisch ingericht, dat het
nog voldoende is voor een aanzienlijk grootere massa, het werkt met een
groot overschot en een groote speelruimte. Dit geeft aan het vrije
wilde paard een groote souvereiniteit van macht, het heeft steeds
kracht in overvloed bij de hand, zijn bewegingen krijgen iets
overmoedigs, vermetels, iets trotseerend-zekers, dat zich op een wijze,
zooals dit bij geen ander schepsel gevonden wordt, combineert met het
nog steeds daarachter doorschemerende type van het zware, in den grond
der zaak logge dier. Het tamme paard maakt echter met dit middel in de
symbiose der cultuur het rijden onder den man en het trekken mogelijk.
Binnen die speelruimte van de overmaat van kracht van den natuurreus,
die niet ten volle is in beslag genomen, kan hij het volle gewicht van
den ruiter op den koop toenemen bijna zonder dat dit eenigen invloed
heeft op zijn vermogen, zich gemakkelijk te bewegen. Het kan een wagen
voorttrekken, terwijl het slechts weinig, en als het niet te erg is,
zeker niet te veel van zijn snelheid en volhardingsvermogen opoffert.
Dit wonderlijke bewegingsmechanisme, dat een reus zóódanig ontlast, dat
hij zijn kracht kan gebruiken als een dwerg, die nauwelijks eenigen
overlast ondervindt van zijn zwaarte, is nu in het geheele skelet van
het paard tot zelfs in ieder beentje weergegeven, als goed ingebeitelde
letters, die nooit verloren gaan. Natuurlijk niet alleen in het skelet.
Ook alle andere deelen en stelsels van het lichaam staan duidelijk
merkbaar in dien dienst, in de eerste plaats ook de hersenen van het
paard.
Over hetgeen die hersenen kunnen praesteeren vindt men meeningen, die
elkander in velerlei opzichten tegenspreken, en dat zelfs bij de beste
kenners. Nu eens wordt dit overschat, dan weer niet op de juiste waarde
gesteld. Naar mijne meening moet men het verstand van het paard
voornamelijk in die richting zoeken, waarin het bewegingsmechanisme van
het paard ter sprake komt.
Het paard is dom, blind, schrikachtig, het is „schuw” en dwaas in zijn
handelingen, naar gelang men bij hem stoot op een bepaalden
oorspronkelijken aanleg en zijn instincten afmeet met den maatstaf van
ons menschenverstand. Men moet daar geen rozen van een doornbosch
willen oogsten. Het paard is nooit een loerend roofdier geweest, dat
een aanval met overleg voorbereidt, en evenmin ooit een voorzichtig
klein dier, dat zich verstopt. Zijn verdediging, de verdediging van den
sociaal levenden graseter in de steppe, was van den eersten oorsprong
af een wild wegrennen, een razende vlucht. Daartoe diende juist zijn
ontzaglijk ontwikkelde beweeglijkheid met zijn volhardingsvermogen. Het
instinct van die vlucht, die reeds begon bij het zien van een slechts
half begrepen beeld, na het signaal van den aanvoerder der kudde of
iets dergelijks, is nog heden gelegen in het „schrikken” van het paard,
dat alleen dikwijls verkeerd verklaard wordt, zooals zooveel instincten
van dieren, en dat dikwijls tot zijn verderf leidt, daar het
eigenaardige onzer cultuur medebrengt, dat wegen worden afgesloten en
worden versperd en gebarricadeerd in tegenstelling met de open steppe,
waarop het instinct van het onnadenkend er op los razen oorspronkelijk
was ingericht. Als een kazerne verbrandt, (waarvan ik mij nu juist een
geval herinner) en de paarden, na zich te hebben losgerukt, in een
zinnelooze vaart op een open schipbrug naar buiten razen en over de
leuning heen onmiddellijk in den stroom rennen, dan is dat geen domheid
van de dieren, maar het is hetzelfde oude instinct der steppen, waarbij
zij bij een prairiebrand eenvoudig onwillekeurig over de vlakte rennen,
omdat zij daar zeker zijn van een terrein, dat zich zonder letsel en
gevaar uitstrekt tot aan den horizon.