Zoo dachten ook de Staten-Generaal, en zij traden krachtig op voor de

bedreigde vereeniging, die zij het aanzijn geschonken hadden. Dadelijk

bevestigden zij het verleende octrooi en bepaalden, dat de Staten van

Holland hunne bezwaren daartegen bij hen hadden in te brengen om ze te

doen onderzoeken. Eerst wanneer die bezwaren geldig bevonden waren,

zouden de Staten-Generaal overgaan tot de intrekking van het

octrooi[1282]. Deze krachtige houding had het gewenschte gevolg: de

Hollandsche heeren zagen in, dat zij te ver gegaan waren. Tegen hunne

gewoonte bukten zij voor de generaliteit; ten minste het blijkt niet,

dat die van Holland ooit aan de oproeping eenig gevolg gegeven hebben.

De nieuwe pretendenten, dus door hunne beschermers verlaten, gaven hunne

eischen op, en wachtten op gunstiger tijden om ze door te zetten. De

Noordsche Compagnie liet de acht steden niet toe[1283], en handhaafde

haar octrooi tot aan het jaar 1642.

[1282] R. S.-G. 22 Dec. 1636.

[1283] Dit maak ik op uit de Resolutie der Haarlemsche vroedschap

van 6 Maart 1642 (Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.),

waaruit blijkt, dat de N. C. in dat jaar o. a. met Dordrecht en

Haarlem over hare opneming in de compagnie onderhandelde.

Maar de tijden van ongestoorde rust waren toch voor de vereeniging

voorbij: in de nog overige jaren van haar bestaan schijnt zij zich ten

gevolge der Hollandsche resolutie van 11 December 1636 in eene

eenigszins dubbelzinnige positie bevonden te hebben. De concurrentie van

niet tot de compagnie behoorende Nederlanders, waaronder misschien vele

Hollanders uit de acht pretendeerende steden, die het octrooi voor

vernietigd hielden, schuilden, nam steeds toe[1284], en in 1641 was het

reeds zoover met de Noordsche Compagnie gekomen, dat de gedeputeerden

der Staten-Generaal op de conferentie te Staden aan Christiaan IV

officiëel durfden verklaren en op schrift verzekeren, dat er in

Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst meer

bestond[1285]. In deze omstandigheden meende natuurlijk ieder op zijne

beurt deel aan het octrooi te kunnen krijgen. Overal vormden zich

vereenigingen, die hun geld in de vaart op Spitsbergen wilden wagen, en

aangemoedigd door het geluk van Friesland verzochten achtereenvolgens

alle provinciën om toelating tot het octrooi. Die van Utrecht, reeds in

1622 begeerig om hun kapitaal in de walvischvangst te beleggen[1286],

waren de eersten, die zich bij de Staten-Generaal aanmeldden. Mr. Jacob

Le Petit verzocht 29 September 1638 om met zijne compagnie ter

walvischvangst naar Spitsbergen te mogen uitreeden onder belofte, dat

hij zich drie à vijf mijlen van de Hollandsche baai verwijderd zou

houden; hij hield staande, dat Utrecht evenals de andere provinciën in

het octrooi moest worden ingelaten. De Staten-Generaal plaatsten zich op

een onzijdig standpunt; het request werd in handen der Noordsche

Compagnie gesteld, en onwillig als deze was, verliep de tijd met het

wisselen van re- en duplieken[1287]. Overijssel had reeds in 1634 te

gelijk met Friesland getracht deel in de Noordsche Compagnie te krijgen,

maar hare pogingen waren toen mislukt[1288]. Beide provinciën besloten

nu den wettigen weg te bewandelen. Tegen het einde van het octrooi der

compagnie wendden zij zich met Gelderland tot de Staten-Generaal met het

verzoek, om bij de eventueele vernieuwing van het octrooi mede daarin

toegelaten te worden. Utrecht herinnerde aan de pretensie van Le Petit

en zijne compagnie; Overijssel wenschte Jan Van Gesscher en Johan

Struckel met de hunnen toegelaten te zien; Gelderland noemde later

Eustaes Feij en Willem Everts als de hoofden der door haar begunstigde

compagnie. Gedachtig aan het met Friesland voorgevallene beriepen de

drie provinciën zich reeds dadelijk op het recht, dat hun volgens de

Unie van Utrecht toekwam, en verklaarden, dat de vernieuwing van het

octrooi der Noordsche Compagnie bij overstemming of in hare afwezigheid

niet ten nadeele der nieuwe pretendenten zou mogen geschieden[1289]. De

Staten-Generaal, die aanvankelijk alleen beloofden op het verzoek der

drie provinciën te zullen letten, wanneer de vernieuwing van het octrooi

ter sprake kwam, verklaarden later uitdrukkelijk, dat zij de supplianten

zouden toelaten als het octrooi verlengd werd[1290]. Daardoor

aangemoedigd deed eindelijk ook de zevende provincie, Stad en Lande,

eene gelijke verklaring als hare drie zusters; het schijnt echter, dat

zij daarmede meer ten doel had haar recht niet te verliezen, dan om

bepaald tot het reeds »in effecte gecesseerde” octrooi te worden

toegelaten: althans de namen der pretendenten werden niet genoemd[1291].

[1284] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.

[1285] Verbaal der zending v. 1641 naar Staden en Glückstadt ad

20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct. 1641. R.-A.

[1286] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1287] R. S.-G. 29 Sept. 1638, 31 Jan., 18 Mrt., 22 Juli, 22 Oct.

1639, 27 Jan., 1 Mei 1640.

[1288] R. S.-G. 17 Mrt. 1634, 13 Jan., 26 Apr. 1635.

[1289] R. S.-G. 11 Nov. 1641, 24 Febr. 1642.

[1290] R. S.-G. 3 Mrt. 1642.

[1291] R. S.-G. 10 Juli 1642.

Zoo scheen er dus eenige kans te zijn, dat de Noordsche Compagnie

werkelijk eene »generale Nederlantsche compagnie” zou worden, maar de

concurrentie was te groot dan dat men dit plan zou hebben kunnen

verwezenlijken. De acht Hollandsche steden herinnerden reeds in Mei 1641

aan hunne aanspraken van 1636[1292], en ook nieuwe Hollandsche

pretendenten meldden zich aan. Eenige reeders te Jisp, die vier schepen

uitgerust hadden, verzochten van de Staten-Generaal verlof om ter

walvischvangst te mogen varen[1293]; Amsterdamsche kooplieden, voor wie

Cornelis Ys, een naam in de geschiedenis der walvischvangst niet

onbekend, optrad, verzetten zich tegen de verlenging van het octrooi der

Noordsche Compagnie[1294].

[1292] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808--R. H. 25 Nov. 1641.--Req.

der N. C. (dd. 18 Jan. 1642), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N.

C. R.-A.

[1293] R. S.-G. 3 Apr. 1640.

[1294] R. S.-G. 23 Sept., 1 Nov., 11 Dec. 1642.

Ofschoon dus door mededingers overstelpt, beproefde de belaagde

compagnie in den aanvang nog tegen den stroom op te roeien en poogde

hare vijanden te bevredigen. Op de aanzoeken der vier landprovinciën,

zeker meer door kwaadwilligen opgestookt dan door hoop op eigen voordeel

gedreven, schijnt zij geen acht geslagen te hebben, maar met de

Hollanders hoopte zij tot eene schikking te komen. Zij stelde voor op

nieuw conferentiën met hen te houden, en de Staten van Holland toonden

zich geneigd, tot het maken eener vaste verdeeling der vangst mede te

werken[1295]. Maar de eischen der steden waren te groot. Hoewel de

Noordsche Compagnie veel verder ging in hare aanbiedingen dan in 1636 en

o. a. aan Dordrecht en Haarlem zelfs ieder 1200 quarteelen traan

aanbood, mits zij in de verlenging van het octrooi bewilligden, nam

alleen Dordrecht daarmede genoegen. Haarlem drong niet eens op verdere

beraadslagingen aan, maar verklaarde »mette voorseide presentatie int

minste nijet te sijn te vreeden” en liever zelve met eenige andere

steden moeite te willen doen om een nieuw octrooi van de Staten-Generaal

te verkrijgen[1296]. Met zulke kwaadwilligen was niets aan te vangen. De

Noordsche Compagnie mocht zich beroepen op hare ontdekking der

noordelijke landen, op de vestiging der walvischvangst in de Vereenigde

Provinciën door hare zorgen, op de bezwaren, die zij had doorgestaan en

die nog steeds de walvischvangst bedreigden, zoo men ze niet met

vereende krachten overwon, eindelijk op de »confusie ende disordren”,

die het noodzakelijk gevolg zouden zijn van het gemis van »een

behoorlyck ende voorsichtich reglement[1297]”, het baatte alles niets.

De vernieuwing van het octrooi werd tallooze malen door de Staten van

Holland besproken[1298]; herhaaldelijk verzocht men om last van de

principalen[1299], maar tot eene ernstige beraadslaging kwam het niet

meer. Men begreep, dat het groote aantal der »Competiteuren” het

onmogelijk maakte hun allen voldoening te geven[1300], en de

moeielijkheid om het eens te worden over de verdeeling der traan, die

reeds in 1636 een der commissarissen tot den raad gedrongen had, om de

walvischvangst voorloopig aan ieder vrij te laten zonder eenige

verhindering[1301], deed nu dien voorslag definitief aannemen. Het jaar

1642 ging voorbij zonder dat de vernieuwing van het octrooi in de

vergadering der Staten-Generaal zelfs ter sprake kwam, en met het einde

van het jaar »liep ’t octroy in ’t wilde ende desert[1302]”.

[1295] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in:

Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--R. H. 13 Dec. 1641,

29 Jan., 4 Juli 1642.

[1296] Resol. v. de Haarl. vroedsch. dd. 6 Mrt. 1642, in: Stn. v. d.

Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

[1297] Req. der N. C. aan de Stn. v. Holl. (dd. 18 Jan. 1642), in:

Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.

[1298] R. H. 25 Nov., 13, 21 Dec. 1641, 18, 24, 28, 29 Jan., 4 Juli,

30 Sept. 1642.

[1299] Punten v. beschr. der Stn. v. Holl. tegen 17 Juni 1642, art.

14,--tegen 8 Sept. 1642, art. 13,--tegen 18 Nov. 1642, art. 24.

[1300] R. H. 30 Sept. 1642.

[1301] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Conc.

rapp. v. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C.

R.-A.

[1302] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 808.

De Staten-Generaal handelden dusdoende niet alleen zeer verstandig, maar

ook zeer consequent. De noodzakelijkheid van samenwerking en eenheid

tegenover de aanvallen van vreemde natiën was hun hoofdmotief voor het

verleenen van het octrooi geweest; nu Engelschen en Denen hunne

pretensiën uitdrukkelijk hadden opgegeven, hadden de Nederlandsche

walvischvaarders niets meer van hen te vreezen en de concurrentie van

andere natiën was niet belangrijk genoeg, om de Staten-Generaal op zulk

een gewichtig punt van hunne oude vrijzinnige politiek te doen

afwijken[1303]. Toch bleef het altijd eenigszins een waagstuk, om een

bedrijf, waartoe zulk een groot kapitaal, zoovele voorbereidingen noodig

waren als de walvischvangst, voor de concurrentie geheel open te

stellen. Het was de vraag, of enkele partikulieren de macht en den moed

zouden hebben om zoo groote sommen te steken in gevaarlijke

ondernemingen, die waarschijnlijk niet dan uiterst schrale winst zouden

opleveren. De Noordsche Compagnie had dikwijls verlies gehad in plaats

van winst: wat zou het zijn, zoo de groote concurrentie de prijzen van

traan en balein sterk deed dalen? Werkelijk sloeg de walvischvangst na

den val der Noordsche Compagnie weldra aan het kwijnen: de visschen

werden door de vele schepen schuw en verdwenen uit de van ouds bezochte

baaien; het liet zich aanzien, dat deze nering met de vele daaraan

verbondene bedrijven in Nederland evenals in Engeland zou

ondergaan[1304]. Maar eerlang toonde zich de Nederlandsche energie in al

hare grootheid: de wijkende prooi werd verder nagezet, de kostbare

inrichtingen op de noordsche stranden werden verlaten, de schepen anders

ingericht en moedig in het drijfijs gestuurd. En met uitstekend gevolg!

De ijsvisscherij leverde door grootere bezuiniging in administratie en

uitrusting ruime winsten; het getal schepen nam verbazend toe en vijf en

twintig jaren na den val der Noordsche Compagnie kon men roemen, dat het

aantal Nederlandsche walvischvaarders in dien tijd ~vijftienvoudig~

verdubbeld was[1305]. De Noordsche Compagnie zelve was voortaan een

afschrikkend voorbeeld, dat overal werd aangehaald, waar het gold de

nadeelen van monopolie en bescherming overtuigend te bewijzen: de

geschiedenis der bevoorrechte vereeniging werd een krachtig wapen in de

handen der mannen van vrijheid en vooruitgang.

[1303] Vgl. Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p.

191.--Uit het voorgaande blijkt genoegzaam, dat de reden door Luzac

(Hollands rijkdom. I p. 347) opgegeven voor den val der N. C.

onjuist is. („De geringe voordelen, welke misschien door de kosten

van bewind werden ingezwolgen, gaven aanleiding, dat de Noordsche

Maatschappij van zelve een einde nam.”)--Vgl. ook: Tegenw. Staat. I

p. 591.

[1304] Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 238, 241.

[1305] Aanwysing der heils. polit. Gronden en Maximen. p. 84.

BIJLAGEN.

BIJLAGE I. (p. 35.)

INSTRUCTIE voor Wilhem Barentsz. waer naer hy hem sal hebben te

reguleren, omme die reyse by Noorden (Noua sembla[1306]) om, t’

ondersoucken, ende te vinden naer ’t Coninckryck van China

etc.[1307]

[1306] De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn in het origineel

bijgeschreven door Oldenbarnevelt zelven. Het is merkwaardig, en het

getuigt van zijne kennis van al, wat op de noordpoolreizen

betrekking had, dat die bijvoegingen altijd betrekking hebben op het

plan van Plancius om benoorden Novaya Zemlya om te zeilen.

[1307] Twee zaken schijnen mij in deze Instructie vreemd: 1^{o}. dat

het stuk uitging van de Stn.-Gen., niet van de Amsterdamsche

vroedschap, op wier kosten zooals men weet het schip, waarover

Barendsz. het bevel voerde, was uitgerust, 2^{o}. dat de Instructie

door de regeering gegeven werd niet aan Nay, den „superintendent”

der expeditie, maar aan Barendsz., die voor zoover wij weten niets

met de schepen der Stn.-Gen. te maken had. Beide zaken getuigen wel

voor het gewicht, dat men aan Barendsz.’ tegenwoordigheid reeds op

deze eerste reis hechtte.

Inden Iersten sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman het

volcommen commandement hebben, ende goede ordre houden ouer spys, ende

dranck, deselue ten meesten oorboer gebruyckende, ende daerbenevens

goede discipline houden ouer alle tscheepsvolck, achtervolgende d’

artyckelbrieff daerop gemaeckt,

Ende sal den voorszeiden Wilhem Barentsz. stuerman met zyn schip, ende

schipsvolck in dese maendt van Meye hem gereet vinden int meersdiep,

omme van daer met de twee andere schepen totte voyage gedestineert de

voorszeide reyse te voorderen soohaest alst doenlyck ende mogelyck sal

wesen,

Ende sullen de voorszeide dry schepen hen byden anderen houden waerouer

die Superintendentie sal hebben Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen in

tgene dat tot voorderinge van dese voorszeide voyage, off reyse sal

strecken, Ende oft gebeurde (twelck Godt verhoede) dat dese schepen door

storm, of onweder, oft oock door lanckduerige mist, oft ysganck, oft

anderssins vanden anderen dwaelden, oft eenich ongeluck ouerquame, dat

In sulcken geualle een ydert van d’ andere schepen euenwel hare

voorszeide reyse sal voorderen, sonder dat d’ een d’ andere inde

voorszeide voyage sal mogen empescheren ofte verhinderen,

Ende gepasseert zynde de noortcaep sullen hen alsdan verdeylen te weeten

Cornelis Cornelisz., ende Brant Ysbrantsz. sullen haer cours nemen, nade

Vaygatz ende Willem Barentsz. nae noua zemla, omme by alle mogelycke,

ende doenlycke middelen t’ ondersoucken daer door te commen in de zee

van Tartarien genaempt Mare tabin, Ende Ingeualle de voorszeide Wilhem

Barentsz. door (oft om de) noua zemla niet soude connen passeren sal

alsdan gehouden wesen de andere schepen te volgen door de Vaigatz, Ende

ter contrarien d’ andere schepen niet connende passeren door de Vaigatz,

oft door de Vaigatz alreede eenige mylen geseylt zynde, ende beuindende

empeschement, oft letsel van ys, sulcx dat zy niet voorder souden connen

door commen, sullen alsdan mede haer voyage dirigeren naer noua zemla,

ende d’ ander schip volgen,

Ende sal de voorszeide stuerman scherpelyck letten op de forme,

gesteltenisse ende gelegentheyt van t’ eylandt (ende wateren van ende om

noua sembla, ende alle andere eylanden ende wateren, die hij opte reijse

om noua sembla sal beuinden, ende zoo hij nade Vaygats mede compt te

seylen, oick) van vaygatz, hoe tzelue gesitueert is, ende op wat

hoochte, ende ondersoucken die wyte, ende breete vande canalen

derzeluer, Insgelycx die diepten, ende gronden soo aende Noortzyde nae

(van) noua zemla, als aende suytsyde wesende aende custen van moscouien,

ende Tartarien, ende van gelycken wat droochten, sanden, ende riffen

daer mogen wesen, ende oft daer oock hauenen, oft Reeden zyn om schepen

te bergen soo voorden ysganck, als anderssins, Ende daerbeneffens wat

volck op tzelue Eylandt, Ende aen beyde custen derzelue woont etc. Ende

dit alles pertinentelyck aen te teekenen ende by gescrifte te stellen,

Ende door den canael van Vaygatz gepasseert synde sal de voorszeide

stuerman alsdan synen cours nemen oost noort oost, ofte noortoost ten

oosten aen op de noortcaep van tartarien genaempt de caep van tabin,

ende neerstelyck letten op de hoochte vande selue caep, op de gedaente

van tlandt ende gelegentheyt vande diepten ende die steylten, oft

vlacten vande strandt aldaer met alle voordere circumstantien daertoe

dienende,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. onder anderen bysonder letten

wat eylanden op dese voorszeide vaert gelegen zyn, ende waer, Ende wel

distinctelyck aenteeckenen haere situatie ende die hoochte van dien, die

commoditeyten van hauenen, ende Reeden derseluer, ende by wat volck d’

selue bewoont wordden, ende voorts daervan alle voordere kennisse nemen,

sulcx als hy noodich ende dienstelyck sal beuinden,

Van gelycken sal de voorszeide Wilhem Barentsz. acht nemen op de

stroomen, ende getyen van dese geheele passaige, soo by westen, als by

oosten die Vaigatz, ende wel distinctelyck aen teeckenen op wat

plaetssen, ebbe, ende vloet gaet, ende hoe hooch dattet daerop vloet,

ende hoe lanck dat die ebbe, ende vloet op alle dese plaetsen gaet, Ende

bouen dien ondersoucken de nature, ofte qualiteyt vande wateren aldaer

te weeten, off deselue sout ofte soet, ofte brack zyn, Ende sal hier van

pertinente notitie houden,

Alle tgene voorszeid is met Godts hulpe volbracht ende van alles

pertinente notitie gehouden, ende alle aenteeckeninge scriftelyck gedaen

zynde, soo sullen de voorszeide schepen wederkeeren, ende alsdan heuren

cours nemen, die eenen lancx de custen van noua zemla, ende d’ andere

lancx de custen van Tartarien, wel scherpelyck lettende op de streckinge

ende gedaente vande Landen, ende die hoochte derseluer, mitsgaders die

diepten, ende gronden, ende van gelycken die droochten, clippen, sanden,

ende riffen met alle circumstantien daertoe dienende, Ende sullen die

voorszeide schepen malcanderen verwachten ontrent het eylandt Colgoyeue,

Voorts sal de voorszeide Wilhem Barentsz., ende van gelycken synen onder

stuerman, oft schipper pertinent Journael houden van alle die coursen,

geduerende dese voyage, beginnende vanden noortcaep aff, ter tyt dat die

schepen aldaer wederom door Godts genade gecomen sullen wesen, Ende sal

tallen tyden, ende plaetssen des doenlyck zynde die hoochte affmeeten

geduerende dese voorszeide reyse, als voorszeid is Ende daervan goede

notitie houden, Ende voorts van alles een pertinent verbael maecken

naer behooren, omme d’ Heeren Staten ouergeleuert te wordden,

Ende ten eynde eenen Iegelyck veroirsaeckt sal wesen syn vuyterste

debuoir te doen sal de voorszeide Willem Barentsz. voor al van syne

belooffde penningen betaelt wordden, ende de saecke wel geluckende, ende

de reyse door Godts hulpe volbracht ende wederom hier te lande gecommen

zynde, Sal de voorszeide Wilhem Barentsz. noch daerenbouen eerlyck

gerecompenseert wordden, mitsgaders zyn scheepsvolck nade neersticheyt

die een yegelyck in tvolbrengen van tgene voorszeid is gedaen, oft

gemeriteert sal hebben,

Ende sal de voorszeide Wilhem Barentsz. vande reyse wederom gecommen

synde hem vervougen met zyn schip, ende scheepsvolck ter plaetsse daer

hy toegerust is, ende hem terstont addresserende aende Magistraten

derseluer plaetsse, die hem sullen verclaren, waer naer hy hem sal

hebben te reguleren, houdende middelertyt syn volck in scheepsboort,

sonder te voren om eenige oorsaecken yemant van henlieden aen landt, oft

oock van tlandt aen boort te laten commen,

Aldus gedaen, besloten, ende gearresteert Inde vergaderinge vande heeren

generale Staten vande Vereenichde Nederlantsche Prouincien in

Sgrauenhage den XVI^{en} Meye XV^{c} vier ende tnegentich.

J. van Oldenbarnevelt.[1308]

[1308] Uit het: Register der Instructien van de Stn.-Gen. 1588-1611.

R.-A.

BIJLAGE II. (p. 38.)

BRIEF over de Nederlandsche noordpoolreis van 1594.

Vl. sal wel vernomen hebben het arriuement jn hollandt vande IIII

scepen, die ouer vier maenden van hier vertrockken, om die nauigatie van

Indien te vinden, ende van China achteromme, hebbende haer vornemen

verricht, Vl. sal weeten, dat die twee, derseluer hebbende die hoichte

gehadt vandie witte zee, sijn oostwartz aengeloopen, so om die Reuier

Obij te soucken, (van waer aen allen sijden wyt Armenien koemen(de),

herwartz worden gebracht, tot beter coepe, als die selue tot Venetia

gelden) als oeck dien wech nae Chjna te mogen gebruijcken, alsoe hy

naerder is, als lanxs Groenlandt, ende gecoemen aen die Vaigats (die

welcke die plaetz is, daer alltijt die difficulteit van passeren is

geweest, alsoe Oliuier Brunel tot daer sijnde gecomen, vont selue al

toegeuroren, jnt midtse des somers, ende hadde alsoe 18 jaeren

geweest[1309]), dese Vaigatz is een Eijlandeken, leggende jn een

straete van beide seyden anderhalff meile vant landt, all waer koemende,

jnt leste van Julio, vondent als dat voll ijs, twelck al 4, 5 vadem

bouent water lach, ende daer nae koemende die hette, was jn drie dagen

wech, soe versmolten als ewech gedreuen, door den stercken stroom die

daer ginck, waermede die selue scepen, door(t) gat liepen, Geuende die

selue den naem, die Straet van Nassouwe, vervolgende voorts hae(r) reise

nae Obij, xvi daegen langh, soe wel mit contrarie wijndt, vindende een

groote zee, ende ouerall groote diepte, 120, 140, 150 ende meer vademen,

hebbende 130 meijlen geseijlt, Ende synde op 20 mylen nae by Obij,

vresende off die wijnt gecoert hadde, ende dat sy daer door nijet weder

soude door die Vaigatz hebben gecost, om den vorst, die daer stracks

begost, keerde wederom, hebbende genoich discouuert, gheene sij

begeerden, Deze en hebben nergens aent landt geweest, dan door die

vaigatz sijnde, sagen eenen man opt landt die sy mit een boet aent landt

gaende vervolg(d)en, dan liep ewegh, ende stracks quaemen op haer 30

ofte 40 mans, mit pijlen sittende elcx in een sleede van een hardt

getrocken, waer af die Bootzgesellen vervaert sijnde wederom sceepe

gingen, dander twee scepen gingen noortwaerts aen ende coemende op 78

graden, vondent lant, twelcke noua Sembla was, waeraf sij gebracht

hebben viele mons(t)ers van Christall de montagna, datter mit bergen

voll is, oeck van anderen Mineralen, onder anderen van desen en(i)gen

Bergen, die se seggen vol gouts soude weesen, Ende gheen volck daer

geuonden, hebben van daer gegaen, vonden onderwegen, dese 2 Schepen, die

de Straette hadden gepasseert, ende soe syn tsamen thuys gecoemen. Die

Staetten schijnt willen op die Vaigatz 2 Schanssen maecken, soe om die

vaert alleen te houden, alse om dat haer van die volck wt Indien

vaeren(de) daer huer vertreck hebben, alst Gat toe waer geuroren[1310],

het volck sal mettertyt wonder wtrichten. Godt geue wat salich is.

Giellisz heft een passagier gesproecken, die daer mede is geweest, ende

hem dese relatie heeft gedaen[1311].

[1309] Merkwaardig is wederom deze vermelding van Brunel als den

man, van wien de Nederlanders hunne berichten over de poolstreken

ontleenden; het is een nieuw bewijs van zijne algemeene bekendheid.

Het bericht zelf over hem medegedeeld is van belang, omdat het ons

meldt, dat zijne noordpoolreis niet, zooals ik in den tekst (p. 31)

zeide, reeds aan de Pechora geëindigd is, maar dat hij eerst na

vruchtelooze pogingen om de straat van Nassau te passeeren op zijne

terugreis in den mond der Pechora zijn schip verloor. Mogelijk heeft

ook het bezoek van Kostin-sjar (zie p. 27) op deze reis plaats

gehad; het blijft echter zonderling, hoe hij op zijne reis in

Nederlandschen dienst na met zijne patroons gebroken te hebben, een

Russischen gids had kunnen krijgen.--Dat de straat van Nassau in

1584 in geen achttien jaren open geweest was, is natuurlijk onjuist:

Pet en Jackman waren ze nog in 1580 gepasseerd. Het bericht wekt het

vermoeden, dat ook het bezoek van de straat van Nassau, evenals

waarschijnlijk dat van Kostin-sjar, misschien vóor 1580 in dienst

zijner Russische patroons heeft plaats gehad.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 41 / 52 段