machtiger Noordsche Compagnie niet vol te houden; de Staten dier
provincie zagen het zelven in, en reeds spoedig na het vertrek der
schepen hernieuwden zij hunne pogingen om in de generale compagnie te
worden opgenomen[1239]. Het recht der Friezen werd nu eindelijk door de
Staten-Generaal erkend, en eene conferentie tot stand gebracht, waarop
beide partijen met elkaar over een accoord in der minne zouden
beraadslagen[1240]. De Noordsche Compagnie, die er rond voor uitkwam,
dat zij de taktiek volgde, om met Friesland »sacht te handelen om haer
wt te houden”,[1241] was echter ook nu weder oorzaak, dat het tot het
voorjaar van 1636 duurde, eer men iets verder kwam. De Friesche
compagnie had toen hare schepen reeds weder gereed voor eene tweede reis
en drong herhaaldelijk op eene beslissing aan[1242]. Maar het was niet
mogelijk de partijen te vereenigen en nogmaals werden de Friezen
voorloopig naar de opene zee verwezen[1243]. Eindelijk werden in Juli de
uitgestelde conferentiën met ernst hervat.[1244]. De Noordsche
Compagnie, sinds de oppositie van eenige Hollandsche steden door de
provincie, die steeds haar machtigste steun was geweest, verlaten, gaf
ten slotte iets toe, en den 25 Juli 1636 troffen partijen door
bemiddeling van Nobel, een lid der Staten-Generaal, en van den bekenden
Lieuwe Van Aitzema, een verdrag[1245].
[1239] R. S.-G. 2 Juli, 8 Oct. 1635.
[1240] R. S.-G. 14 Febr., 28 Mrt. 1636.--R. H. 15 Febr. 1636.
[1241] Aanteekeningen v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer. met de N.
C. (1^{e} confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
ov. de N. C. R.-A.
[1242] R. S.-G. 9, 10, 11 Apr. 1636.
[1243] R. S.-G. 14 Apr. 1636.
[1244] R. S.-G. 20 Juni, 15, 21, 28 Juli 1636.--R. H. 18 Juli 1636.
[1245] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 359, 413.
Men kwam daarbij overeen, dat de Friezen in de Noordsche Compagnie
zouden worden opgenomen; hun aandeel zou zijn 3000 quarteelen traan in
de vangst, die op 27.000 geraamd werd. (art. 2.)[1246] De baaien en het
terrein, door de Noordsche Compagnie in de IJszee gebruikt, zouden
voortaan ook voor de Friezen openstaan, mits zij de andere leden der
compagnie niet door te groote nabijheid in hunne nering hinderden. (art.
3.) Alle concurrentie van Nederlanders op Spitsbergen en van
buitenlanders op de Nederlandsche markt zou met vereende krachten
geweerd worden. (art. 5-8.) Drie jaarlijksche algemeene vergaderingen
zouden strekken om de uitrustingen der compagnie te regelen. (art. 9,
10.) Het praesidium daarbij zou drie jaren bij de Hollandsche kamers,
het vierde bij de Zeeuwsche blijven, terwijl Friesland éene stem zou
hebben tegen Holland en Zeeland zes en twee. (art. 14.) Ontdekkingen,
door leden der compagnie gedaan, zouden gedurende vijf jaren ten bate
der vinders, daarna door de geheele Noordsche Compagnie geëxploiteerd
worden. (art. 19, 20.) Twisten tusschen kamers der compagnie of leden
der kamers onderling zouden beslist worden door de neutrale leden of
door wederzijds te benoemen arbiters. (art. 22.)[1247] Op dezen voet
werd nu de Noordsche Compagnie hervormd; twee nieuwe kamers werden
opgericht te Harlingen en te Stavoren[1248]. Op de oostzijde van het
Deensche eiland aan Spitsbergens noordwesthoek werd door de Friezen eene
nieuwe nederzetting gevestigd, die weldra den naam van de »Harlinger
kokerij” kreeg[1249].
[1246] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) verhaalt, dat Friesland
van hare 3000 quarteelen weder 300 moest uitkeeren aan die van
Amsterdam. Het accoord spreekt daarvan niet, maar daar Aitzema
natuurlijk als medebewerker van de schikking bizonder goed ingelicht
was, is het waarschijnlijk bij onderhandsche afspraak zoo
geregeld.--Het accoord vermeldt nog (art. 2), dat op de 27.000
quarteelen „ter Zee gebraght souden mogen werden ses Saloupen ofte
duysent quarteelen;” de zin dezer bepaling is mij niet duidelijk.
[1247] Het accoord is afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
360,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.
[1248] Het bestaan der kamer van Harlingen blijkt uit het: Iournael
v. Raven. p. 5; dat van die te Stavoren wordt bewezen door de: Sent.
v. h. Hof v. Holl. dd. 31 Juli 1641.--Dat de Friezen aanvankelijk
recht op drie of vier kamers meenden te hebben, blijkt uit de:
Repartitie der N. C. te Amst. dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn. N. C. v. d.
Hrl. gedeput. R.-A.
[1249] Zie o. a. de kaart van Spitsbergen, bij: Zorgdrager, Groenl.
vissch. p. 85.--Zie over de pogingen, door Friesland in 1642 en 43
aangewend om ~op geheel gelijke wijze~ deel te krijgen aan de O. I.
C.: Van Rees, Gesch. der Staathuishoudk. II p. 205 vlg.
De meerdere buigzaamheid, door de Noordsche Compagnie in 1636 getoond,
was het gevolg eener oppositie, die van elders kwam en de vereeniging
met groot gevaar dreigde. Door de overeenkomst met de Friezen hoopten de
bewindhebbers zich te sterken tegen de pretensiën van acht Hollandsche
steden, die mede in het octrooi begeerden toegelaten te worden[1250].
Niettegenstaande de Hollandsche gedeputeerden ter generaliteit in 1633
uitdrukkelijk mede toegestemd hadden in de verlenging van het octrooi
der Noordsche Compagnie, had de tegenstand door Friesland geboden,
eenige leden der Hollandsche statenvergadering op het denkbeeld gebracht
om met gelijke eischen op te treden.
[1250] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Accoord der N. C. met de
Friezen, art. 5-8, bij: Aitzema l. c. II p. 360.
Niet lang na de verlenging schijnen eerst Dordrecht, daarna Haarlem,
Leiden en Alkmaar, later Edam, Monnikendam en Medemblik, en eindelijk
ook Gouda aanspraak gemaakt te hebben op toelating tot het octrooi. Er
werd gefluisterd, oogenschijnlijk niet zonder grond, »datt verscheijden
landt-steden in Hollandt gheen ghelegentheijtt hebbende om ter See te
equiperen, ~bij perticuliere persoonen in andere ghelegender Steden
woonende~ wierden opgemaeckt[1251].” Hoe dit zij, de aandrang werd
weldra zoo hevig, dat de regeering zich daarmede bemoeide. In Mei 1634
werd in de Hollandsche statenvergadering geproponeerd, »dat eenigen tijd
geleden uyt goede consideratien ende ten dienste van dese Provincie het
Octroy voor de Noortsche Compagnie ende Walvisch-vanghst, ter
Vergaderinge van de Heeren Staten-Generael voor acht jaren was
gecontinueert, ende Leden van dese Vergaderinge welckers Ingezetenen in
’t voorszeide Octroy participeren, of daer op pretenderen, elck anderen
dienden te verstaen, of vereenight te werden, ten eynde ’t voorszeide
Octroy te beter mochte werden gemainctineert.” De Staten besloten
dadelijk, dat de participeerende en pretendeerende leden der vergadering
voor hunne ingezetenen met elkander in conferentie zouden treden, om te
trachten eene overeenkomst te treffen »aengaende de participatie ende
verdeylinghe respective in de voorszeide Compagnie, tot conservatie van
’t voorschreve Octroy ende vande Neringe in dese Provincie[1252].”
[1251] Repartitie door de N. C. kamer Amst. aan gedeput. der Stn. v.
Holl. overgegeven 19 Mrt. 1636, in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1252] R. H. verg. v. 4-20 Mei 1634. p. 47.
Het was te voorzien, dat de Noordsche Compagnie niet gemakkelijk van
haar verkregen recht zou afstand doen, en werkelijk werd men het na
maandenlang gehaspel niet eens. De pretendenten waren over den
tegenstand der compagnie zeer ontevreden; zij zagen weldra in, dat het
niet aanging de compagnie tot toegevendheid te bewegen. Ten einde hunnen
wensch een schijn van recht te geven, grepen zij toen een middel aan,
zoo uiterst onbillijk, dat het op het eerste gezicht niets dan een
voorwendsel bleek te zijn.
Het is van algemeene bekendheid, dat de personen, die de provinciën als
hare vertegenwoordigers naar de Staten-Generaal zonden, slechts als
lasthebbers hunner principalen optraden en eigenlijk tot geen besluit
mochten medewerken, waarover zij niet eerst den wil hunner committenten
gehoord hadden. Het spreekt echter van zelf, dat men in oneindig vele
gevallen van die gedragslijn moest afwijken. Dagelijks kwamen er zaken
voor, die dadelijk afdoening vorderden; dagelijks werden er besluiten
aan de orde gesteld, die van veel te weinig belang waren, om de Staten
van elk der zeven gewesten daarover te raadplegen. Het gebruik had dan
ook ingevoerd, dat de leden der Staten-Generaal in dergelijke zaken ook
zonder bepaalden last besloten; wel is waar bleef het natuurlijk den
Staten der provinciën voorbehouden, hunne vertegenwoordigers te
desavoueeren, maar hoogst zelden kwam het tot zulk een uiterste. De
Hollandsche afgevaardigden, wier committenten op slechts weinige
schreden afstands van de zaal der Staten-Generaal vergaderden, maakten
natuurlijk van deze door het gebruik gewettigde vrijheid een minder ruim
gebruik dan die der andere gewesten, en zoo was dan ook het laatste
octrooi der Noordsche Compagnie van 1622, dat den 20 December in de
Staten-Generaal aan de orde gesteld was[1253], eerst twee dagen later
gearresteerd[1254], nadat de Hollandsche Staten hunne afgevaardigden den
vorigen dag tot de goedkeuring gemachtigd hadden[1255], iets waartoe de
andere provinciën uit den aard der zaak geen tijd gehad hadden. Maar
toen den 25 October 1633, terwijl de Staten van Holland niet bijeen
waren, het nieuwe octrooi aan de orde was gekomen, hadden de Hollandsche
afgevaardigden geene zwarigheid gemaakt, om in de verlenging toe te
stemmen, daar hun geene bezwaren daartegen, geene pretensiën van
Hollanders bekend waren[1256]. Misschien maakte de aandrang der
Friezen, die dien dag juist afwezig waren, het toen voor de Hollanders
zelve gewenscht, dat de zaak nu dadelijk zonder verdere deliberatiën
doorging. De Staten van Holland hadden natuurlijk, toen zij weder
samenkwamen, van de zaak vernomen, maar noch toen noch gedurende de
eerste maanden dachten zij er aan, de handelwijze hunner afgevaardigden
af te keuren. Wij zagen zelfs, dat zij veelmeer nog in Mei 1634
verklaarden, dat het octrooi »eenigen tijd geleden uyt goede
consideratien ende ten dienste vande Provintie ter vergaderinge van de
Heeren Staten-Generael was gecontinueert.” Het was dus waarlijk niet
twijfelachtig, of de verlenging hunne goedkeuring had weggedragen, en
niets luidde vreemder dan de verklaring, door de pretendenten eerst in
December 1634 gedaan, dat het octrooi verlengd was »sonder kennisse van
haer Ed. Groot Mog.” en dat zij zich dus niet aan eene beperking hunner
vrijheid dachten te storen, die zij onrechtmatig oordeelden, maar
integendeel voorgenomen hadden, openlijk met de Noordsche Compagnie te
gaan concurreeren[1257].
[1253] R. S.-G. 20 Dec. 1622.
[1254] R. S.-G. 22 Dec. 1622.
[1255] R. H. 21 Dec. 1622.
[1256] R. S.-G. 25 Oct., 19 Nov. 1633. (Tegenwoordig was voor
Holland o. a. de heer van Heemstede)--Een praecedent hadden de
Hollanders in het gebeurde in 1617, toen het octrooi der N. C.,
hoewel de Staten van Holland bijeen waren, zonder hunne voorkennis
verleend was.--Vgl. ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.--Toch
schijnt er reeds in Juli 1633 verschil tusschen eenige Hollanders en
de N. C. geweest te zijn, waarin o. a. Haarlem gemengd was. (R. H.
13 Juli 1633.) Wat daarvan was, blijkt niet.
[1257] R. H. 5 Dec. 1634.
De Noordsche Compagnie kon dan ook thans evenmin als vroeger besluiten,
de eischen der acht steden toe te geven: eene commissie, door Holland
benoemd om de twistende partijen te vereenigen en »in stilheyt een
bequame uytkomste te vinden[1258],” bracht het na maandenlange
conferentiën niet verder dan de vorige[1259]. In Maart 1635 dreigde men
eindelijk, dat de oneenigheid »in tyd ende wylen wel eenige ongemacken
soude mogen veroorsaecken[1260];” later drong Dordrecht aan, om het
volgens haar niet geldige octrooi »te houden voor nul ende van
onwaerden[1261],” en werkelijk begonnen de pretendeerende steden in den
zomer van dit jaar zonder zich aan de compagnie te storen de
walvischvangst aan Spitsbergen[1262].
[1258] R. H. 5 Dec. 1634.
[1259] R. H. 3, 22 Mrt., 4, 5, 24, 27 Apr., 1, 24 Mei, 27 Juni 1635.
[1260] R. H. 3 Mrt. 1635.
[1261] R. H. 24 Mei, 27 Juni 1635.
[1262] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e}
confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stu. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N.
C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 270, 72.
Toen eindelijk zag de bedreigde vereeniging het gevaar in en verklaarde
zich bereid de nieuwe pretendenten toe te laten. Met nieuwen ijver
werden nu de conferentiën hervat: de gecommitteerden (de heer Van
Noortwyck met een gedeputeerde van Haarlem, Leiden en Alkmaar[1263])
beproefden onvermoeid eene schikking tot stand te brengen. De
bewindhebbers, door Hollanders en Friezen te gelijk bedreigd, gaven
eindelijk toe. Zij verklaarden zich bereid de nieuwe pretendenten toe te
laten; maar zij stelden dadelijk als voorwaarde dier toegevendheid drie
eischen: de Staten-Generaal moesten het octrooi der Noordsche Compagnie
verlengen voor twintig jaar, den invoer van alle uitheemsche
walvischtraan verhinderen of zeer hoog belasten, en aan alle
Nederlanders streng verbieden om ter walvischvangst uit te varen. Op
deze voorwaarden schijnt door de Staten van Holland geene aanmerking
gemaakt te zijn, maar meer moeielijkheid baarde de voorloopige
begrooting van het aandeel, dat de nieuwe participanten in de compagnie
zouden krijgen. Er werden zeer hooge eischen gesteld. Nadat de Noordsche
Compagnie verklaard had, dat zij aannam, wanneer alle concurrentie door
de Staten-Generaal op de bovenvermelde wijze geweerd werd, hare vangst
van 16.000 quarteelen traan op 24.000 te brengen, maakten de acht
Hollandsche steden dadelijk aanspraak op de geheele vermeerdering van
8000 quarteelen. Het was zeker wel wat veel gevergd, terwijl Zeeland
slechts 1/4 bezat en Friesland zich eerlang met 1/9 moest tevreden
stellen, dat men aan acht steden eener provincie, die reeds het
leeuwendeel in het octrooi bezat, nog 1/3 aandeel in de vangst zou
inruimen, en de Noordsche Compagnie meende dan ook, dat men zich met
5000 quarteelen behoorde tevreden te stellen. Bovendien eischte zij, dat
de nieuwe aandeelhouders een deel zouden betalen van de kosten van
ontdekking der tot de visscherij noodige eilanden en van de processen,
door de compagnie over het bezit daarvan gevoerd. De indringers bleven
echter bij hunnen eisch; slechts op éen punt was men eenstemmig: de
Friezen moesten met vereende krachten geweerd worden[1264].
[1263] R. H. 5 Dec. 1634.--Versl. v. d. Hrl. gedeput. ov. de confer.
met de N. C., in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1264] Deze en de volgende bizonderheden over eene quaestie,
waarover juist van elders bijna niets bekend is, ontleen ik aan de
aanteekeningen, door den Haarlemschen gedeputeerde (den burgemeester
Van der Camer) van de zes door hem in 1636 bijgewoonde conferentiën
gemaakt om rapport te doen aan de Staten van Holland. Ze zijn
grootendeels geschreven op de keerzijde van andere stukken, en met
eenige andere papieren over de N. C. vereenigd in eenen bundel: Stn.
v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.--Het hier medegedeelde is een
overzicht van het verslag der eerste conferentie v. 14 Febr. 1636.
Twee conferentiën werden nu weder spoedig na elkaar gehouden, voordat
men iets vorderde; maar den 19 Maart 1636 zond de Amsterdamsche kamer
der Noordsche Compagnie eindelijk eenen uitgewerkten voorslag bij de
commissie in. Zij wees er daarin op, dat het onmogelijk zou zijn ooit in
eene algemeene vergadering tot eenstemmigheid te komen, wanneer men in
elk der pretendeerende acht steden volgens haar verlangen eene nieuwe
kamer der Noordsche Compagnie oprichtte; reeds nu »vielen dickwils in
eene vergaderinge maer te veel swaricheijden voor om alle de verstanden
ende sinnen in een te brenghen.” Bovendien zou eene inruiming aan de
acht steden op zoo groote schaal als zij eischten noodzakelijk eene
groote uitbreiding in de vangst ten gevolge moeten hebben, zoo men allen
wilde voldoen; en zulk eene uitbreiding zou bij grootere kosten dadelijk
eene belangrijke prijsvermindering van de traan te weeg brengen. De
Amsterdammers stelden dus voor, aan Dordrecht, Haarlem en Leiden toe te
staan elk 800 quarteelen, aan Gouda, Alkmaar, Edam en Medemblik elk 600,
en aan Monnikendam 400 quarteelen. De Haarlemmers wilde men voegen bij
de Amsterdamsche kamer, Gouda bij de Rotterdamsche, Alkmaar bij Hoorn;
Enkhuizen zou vereenigd worden met Medemblik, Leiden met Delft of
Amsterdam, terwijl Edam en Monnikendam samen slechts éene kamer zouden
uitmaken. Alleen Dordrecht zou dus eene afzonderlijke kamer
hebben[1265].
[1265] Repartitie door de Amst. kamer der N. C. aan de gedeput. der
Stn. v. Holland overgegeven 19 Maart 1636, in: Stn. v. d. Hrl.
gedeput. ov. de N. C. R.-A.
De commissarissen beloofden van dezen voorslag rapport te zullen doen en
trachtten te verkrijgen, dat de Noordsche Compagnie de beslissing over
deze zaak aan de Staten van Holland overliet. Amsterdam en Delft keurden
dit goed, maar Rotterdam, Hoorn en Enkhuizen herhaalden, dat zij niet
»van haeren ouden tax ende quote wilden gaen, ofte soo sij seyden niett
en konden missen”[1266]. Zij leverden aan de commissie eene
»aenwijsinghe” over, waarin zij uiteenzetten, dat zij »geene
inruijminghe conden toestaen,” tenzij het aandeel van ieder hunner met
500 quarteelen vermeerderd werd; geschiedde dit niet, dan zou het
aandeel van »de drij voornaemste zeesteden van Hollant naest Amsterdam”,
dat nu reeds »seer cleen” was, »geheel vruchteloos worden
gemaect”[1267]. Van den voorslag om zich aan de Staten van Holland te
onderwerpen kwam dus niets, en daar de commissie weigerde tot de
inwilliging van de drie eischen der compagnie mede te werken, voordat
men het over de repartitie eens was[1268], schijnt men 6 September 1636
eindelijk overeengekomen te zijn, dat Dordrecht, Haarlem en Leiden elk
800 quarteelen zouden hebben, Gouda en Alkmaar elk 600, Medemblik, Edam
en Monnikendam elk 400. De oude kamers der compagnie zouden dan echter
ook verplicht zijn, de onlangs toegelatene Friezen met 2000 quarteelen
te voldoen uit hun aandeel van 16.000, niet uit de geheele nieuwe raming
van 20.800 quarteelen[1269]. De nieuwe aandeelhouders weigerden
bovendien iets bij te dragen tot de kosten, door de ontdekking van
Spitsbergen en Jan Mayen-eiland en de over hun bezit gevoerde processen
veroorzaakt, op grond dat het octrooi der Noordsche Compagnie vervallen
was(!) en zij de voordeelen der visscherij sinds jaren als vergoeding
dier kosten alleen genoten had. Alleen eene recognitie voor het gebruik
van hare gereedschappen en inrichtingen werd aan de compagnie
toegestaan[1270].
[1266] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (Versl.
v. de 4^{e} confer. dd. 21 Mrt. 1636,--en: Conc. rapport v. d. Hrl.
gedeput. dd. 19 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl gedeput. ov. de N. C.
R.-A.
[1267] Aenwysinghe door de kamers der N. C. v. Rott., Hoorn en Enkh.
overgeleverd aan de gedeput. der Stn. v. Holl., in: Stn. v. d. Hrl.
gedeput. ov. de N. C. R.-A.
[1268] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (5^{e}
confer. dd. 29 Juli 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1269] Ook een ander pretendent, Pieter Ranst, directeur der
compagnie van Nieuw-Nederland (O’Callaghan, N. Netherland. I p.
411), moest door de oude kamers met 600 quarteelen tevreden gesteld
worden. (Versl. der 6^{e} confer. v. 6 Sept. 1636.) Omtrent diens
van elders onbekende pretensie zeggen de Amsterdammers, dat zij
gaarne zouden „ontlast blyuen vande equipage Van Pieter Ranst,
dewelcke volgende hett contract, ende om redenen vorenverhaelt (?)
getollereertt soude moetten werden, voor den tijtt van noch seuen
aenstaende equipagien, mits datt de generale Compaignie daer van de
recognitie trecke.” (Repartitie der Amst. kamer N. C., in: Stn. v.
d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[1270] Verslag v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C.
(Versl. der 6^{e} conferentie v. 6 Sept. 1636), in: Stn. ov. de N.
C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.--Het stuk deelt de hierboven vermelde
opgaven mede; het is echter mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk,
dat het alleen het antwoord der pretendeerende steden is op de
eischen der N. C.
Den bewindhebbers werd nu eindelijk verlof gegeven om te
vertrekken[1271] en de verdere conferentiën werden uitgesteld tot 25
November, als wanneer men hoopte het ook met de Zeeuwen eens te zullen
worden, die tegen dien dag naar Den Haag beschreven waren[1272]. Men had
tot nog toe steeds gehoopt de zaak onder de hand te zullen kunnen
schikken met de Hollandsche kamers, die men geneigd meende te zullen
vinden aan hare zusters een aandeel in de winst aftestaan[1273]. Daarin
had men zich echter geheel bedrogen: de Hollanders hadden zich zeer
natuurlijk ongeneigd betoond alleen den geheelen last te dragen, en het
was dus onmogelijk geweest in de afwezigheid der Zeeuwen eene
definitieve overeenkomst te sluiten. Maar ook nu was de hoop daarop
gering. De bewindhebbers der Zeeuwsche kamers hadden namelijk, nadat de
conferentiën om hunnentwil tot na de algemeene vergadering van Maart
geschorst waren, zich zeer onhandelbaar getoond. Eerst was er niemand
van hen verschenen[1274], daarna hadden zij zich van de behandeling der
zaak geëxcuseerd tot zij voltallig waren[1275]. En de afwezigen bleven
weg niettegenstaande het opontbod der Staten-Generaal[1276]. De
Hollanders van hunne zijde rekenden het nutteloos zonder hunne
ambtgenooten eene overeenkomst te treffen, en meenden »dattet nijet
geraden was onder den anderen te accorderen, dewyl sy beducht waren dat
Zelant op syn luymen lach.” Maar dit uitstel was niet het eenige gevolg
van den onwil van Zeeland: hare eischen zelve waren onredelijk. De
bewindhebbers bleven er op staan, dat hun aandeel van 1/4 in de geheele
uitrusting ongeschonden zou blijven en dus bij de vergrooting der
generale raming ook hun deel vergroot moest worden zonder eenige
vermindering door de toelating der nieuwe participanten, die alleen
Holland aangingen[1277].
[1271] R. S.-G. 30 Sept. 1636.
[1272] R. H. 1 Oct. 1636.--R. S.-G. 27 Oct. 1636.
[1273] R. H. 29 Jan. 1636.
[1274] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (2^{e}
confer. v. 12 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. ov. de N. C.
R.-A.
[1275] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (3^{e}
confer. v. 15 Mrt. 1636), in: Stn. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[1276] R. S.-G. 28 Mrt. 1636.
[1277] Repartitie der Amst. kamer N. C. dd. 19 Mrt. 1636. (Stn. v.
d. Hrl. gedeput. ov. de N. C. R.-A.)
Op dezen eisch schijnt dan ook de geheele zaak afgesprongen te zijn. De
gezamenlijke bewindhebbers verschenen eindelijk op den bepaalden tijd in
Den Haag en de conferentiën met den heer Nobel, door de Staten-Generaal
daartoe gecommitteerd, begonnen. (1 December 1636.)[1278] Maar reeds
eene week later bleek het, dat alle moeite vergeefs zou zijn: de
Noordsche Compagnie leverde eene remonstrantie bij Holland in, om
»ghemaintineert te worden by haer octroy, in voegen gelyck het selve
laetstelijcken ter Generaliteyt was geprolongeert.” Na »lange
discoursen” over de »consideratien tegen de prolongatie van den Octroye
bij verscheyde leden gemoveert,” verklaarden de Staten van Holland
echter, dat de Noordsche Compagnie vóor 25 December »redelijck
contentement” aan de acht steden had te geven; »bij faute vandien”
zouden de Staten van Holland het octrooi houden voor »nul en van
onwaerden”[1279]. (11 December 1636.) De Staten van Holland traden dus
openlijk toe tot het systeem der nieuwe pretendenten; zij desavoueerden
het gedrag hunner afgevaardigden ter generaliteit ten aanzien van een
besluit, meer dan drie jaren geleden genomen en door hen reeds
zijdelings goedgekeurd. Ook al neemt men aan, dat deze met alle recht en
billijkheid strijdige handelwijze wettig was, omdat de gedeputeerden
werkelijk geen last gehad hadden[1280], dan nog streed het met den tekst
der Unie en met de constante gewoonte, een octrooi door vijf van de
zeven provinciën verleend voor »nul en van onwaerden” te verklaren op
grond, dat een der beide overige gewesten weigerde zich te onderwerpen.
De hoogste eisch, dien Holland stellen kon, was, dat men haar toestond
een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen, en ook dit nog was
met het oog op het groote getal Hollandsche participanten eenigszins
twijfelachtig[1281].
[1278] R. S.-G. 1, 2 Dec. 1636.
[1279] R. H. 10, 11 Dec. 1636.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 413.
[1280] Aitzema (Saken v. Staet. II p. 413) zegt, dat de Stn v. Holl.
„daer mede te kennen gaven, dat sy den Staten Generael niet
toestonden eenigh Recht van Souverainiteyt.” Hij bedoelt er
waarschijnlijk mede, dat men den gedeputeerden der provinciën het
recht ontzeide zonder last hunner committenten een besluit te nemen.
Het komt mij trouwens voor, dat dit bepaaldelijk in zaken als deze
geen betoog behoefde.
[1281] Vgl. over deze quaestie: hiervóor p. 323, 24.