[1311] De brief bevindt zich in een zeer slordig afschrift zonder
eenige aanduiding van schrijver of geadresseerde onder de papieren
van Buchelius op het archief der provincie Utrecht. Ik vond hem te
laat om er in den tekst melding van te maken.
BIJLAGE III. (p. 39.)
POINTEN geproponeert opte Nauigatie benoorden om, naeden
Coninckrycken van China ende Japan.
Dat omme de vruchten vande costen Inden voorleden Jare gedaen,
eensamentlyck vande voorszeide nauigatie te mogen genijeten voor dezen
Jare daertoe toegerust ende wtgezonden zullen worden drie schepen vande
groote van ontrent hondert lasten, elck met een Bot Jacht van ontrent
vyffthien lasten, gemant elck Schip ende Jacht met vyfftich mannen ende
voorzien voer zesthien oft achthien maenden van alle behoeften tot de
reyse, Dat bouendyen twee Jachten elcx ~van tusschen twintich ende
dertich lasten~ („vijffthien lasten gelyck de voergaende”[1312]) zullen
worden mede gesonden gemant elck met vyffthien mannen.
[1312] De woorden, tusschen haakjes geplaatst, zijn aanteekeningen,
in het origineele stuk op de kant geschreven; het zijn de „Advisen
op de Marge” van Moucheron en de andere Zeeuwsche gedeputeerden,
waarvan de R. S.-G. 9 Mei 1595 spreken.
De voerszeide Schepen ende Jachten sullen Int Meersdiep byden anderen
wezen jegens den 11^{en} Juny naestcommende,
Sullen van daer metten eersten wint haere reyse voorderen deur de
Vaygats, voorts nae het promontorium Tabyn ende gepasseert zynde tzelve
promontorium, zulcx dat zy ~zuydelyck een dach oft twee daernae geseylt
zullen wezen~ („gesien zullen hebben dat dandre schepen tvoorszeide
promontorium gedoubleert hebben”) zullen te rugge commen de voerszeide
twee Jachten van ~tusschen XX ende XXX lasten~ deur de Vaygats naer deze
landen, omme Rapport te doen van tgunt tot daer toe opte reyse es
gepasseert ende beuonden,
De voerszeide drie schepen met haere Jachten zullen voorts haer cours
nemen naede hauen ende Stadt van Quinsay ende by alle middelen aerbeyden
omme aldaer te mogen hauenen, ende landen, ende te verstaen oftmen
aldaer zoude mogen trafficqueren wt deze landen wat coopmanschappen
aldaer aengenaem zyn, ende voer retour herwaerts zullen wezen te
becommen,
Sullen van daer by zoe verre zy Guinsay nyet en connen becommen noch
aldaer negotieren, voorts besoecken de hauenen ende Steden opde zelue
custen zuytwaerts gelegen tot dat zy iegens het Noorteynde van Jappan
zullen wezen gecommen ten eynde als vooren.
Sullen daernae zoe verre zy te voeren geen profytelycke hauen geuonden
hebben zeylen naer het Noorteynde van Jappan ende aldaer gelyck
onderzoeck doen,
De voerszeide Rycken, Hauenen, ende Steden successiuelyck als bouen
besocht hebbende, zullen hen begeuen opde wedercompste zoe tytlyck dat
zy jn Julio, Augusto ofte September XCVI de Veygatz weder mogen
repasseren, houdende opte reyse van alles goede notitie, zulcx jn
voorleden Jare by Instructie es belast, ende tzelue particulierlyck te
rapporteren.
Sullen onder wegen twee van de drie Jachten tytlyck affzeynden omme te
besoecken, oft zy achter Noua Zembla om, de reyse naer deze landen
zouden connen doen, onder belofte dat de ghene die opte zelue Jachten
zullen wezen by succes vande reyse een eerlycke recompense
extraordinarie zullen genyeten.
Item alzoe omme te aengenamer te wezen jnde voerszeide landen, wel
dienstelyck zoude wezen mette voerszeide Schepen eenige Coopmanschap
aldaer te brengen, ende de Coopluyden op een zoe onzekere reyse nyet
gaerne en zullen hazarderen, zoe salmen denzeluen daertoe Inviteren met
belofte van vrydomme ~vanden toll ende vande vuytgaende ende jncomende
goederen~, jnde conuoyen ende licenten, ende oick vry van
Scheepsvrachten derzeluer goederen,
Ende zullen de Gedeputeerde weder byden anderen comen tegen den
. . . . . . . om nopende de ladinge vande voerszeide Coopmanschap ende
Superjntendentie vande zelue eenen gemeenen voet ende ordre te ramen
daernae men hem zal jndyen regarde reguleren,
Item dat Cornelis Cornelisz. van Enckhuysen zal hebben de
Superjntendentie vande Nauigatie, gelyck jnt voergaende Jaer, met
zulcken verstande nochtans dat jngeual hy thert ende Resolutie nyet en
hadde om voorts te varen, dat dandere tzelue zullen mogen doen, ende dat
jndyen geualle de voerder Superjntendentie zal hebben . . . . . .
Dat tydelyck int Meersdiep Commissarisen sullen geordoneert worden die
de voerszeide Schepen jn behoorlycken eede zullen brengen van deze
Instructie oft zulcke ander als gemaeckt zal worden te achteruolgen,
Dat binnen middelen tyde oick geleth zal worden oftmen eenige
quaetdoenders op het Landt zal stellen etc.
Item dat d’Officiers, ende ander Scheepsvolck zullen worden gegageert
ende getracteert tot meesten voordeel ende minsten coste vanden Lande op
eenen gemeenen voet.
Geraemt den IX^{en} May 1595.[1313]
[1313] Zie het origineel in de verzameling: Noordsche togten. 1.
R.-A.
(Resolutiën der Staten-Generaal van 9 Mei 1595. „Compareren d’Heeren
Parduijn, Oldt-Burgemeester, Mr. Johan van den Werck, Pensionaris der
Stadt Middelboorch, ende Moucheron, Coopman residerende binnen derselver
Stadt, gecommitteerde vanden Heeren Staten van Zeelandt, ende In
haerluijder presentie geresumeert wesende de beraemde poincten daer op
dat men wederom soude mogen besoecken ende continueren de Vaert
Benoorden om naer den Coninckrijcke van China ende Japan daer diet’
voorleden Jaer gelaten is, met het gevoechde Advis opde Marge van
deselve poincten van de voorszeide comparanten,
Es geresolveert ende geconsenteert dat men de voorschreven vaert als
vooren ~opde voorszeide beraemde poincten, ende alsulcken vorder
Instructie als tot dien eijnde noch alhier sal werden geresolveert~,
wederom zal besoecken ende continueren, ende dat de lasten derselver
zullen worden vervallen uijtte Incomptsten van de gemeene middelen der
Convoijen ende Licenten,
Verclarende die van Utrecht niet te verstaen dat het Remboursement van
de selve lasten sal mogen geschieden uijtte middelen totten Oorloge te
lande gedestineert, zoo verre t’ selve In desen zoude alsoo werden
gemeent daer van protesterende bij desen.”)
BIJLAGE IV. (p. 39 Noot 2.)
INSTRUCTIE voor Ian Huyghen van Linschoten, ende Francoys de la
Dale, principale Commisen, waer nae sy hun sullen reguleeren in de
Coninckrijcken van China, ende andere Coninckrijcken ende Landen,
die besocht sullen worden by de Schepen ende Iachten, ghedestineert
tot de Voyagie by Noorden-om, door de Vaygats, ofte Strate van
Nassou.
I. In den eersten sullen syluyden, nae dat Mr. Christoffel Splindler
Slavoen, aen landt sal gheweest zijn, ende versocht hebben, of men
aldaer sal mogen aencomen, hen te lande vinden by den Coninck,
Gouverneur ofte andere Overicheyt aldaer, ende den selfden aenbieden,
(van wegen dese Landen) alle vriendtschappe: ende openen de Conditie
deser Landen, namelick: dat sy hen geneeren van over Zee met alle
Coninckrijcken ende Natien van de gheheele Werelt, vriendtlick ende
oprechtelic te traffikeren, negocieren, ende handelen, hebbende daer toe
vele commoditeyten van diversche soorten van coopmanschappen ende
andersins.
II. Item dat d’ Overicheyt deser Landen, sekerlick geinformeert
wesende, datmen in de selve Coninckrijcken ende Landen oprechte
handelinge, traffijcke ende negociatie was doende, goet ghevonden
hebben, eenige Schepen derwaerts te senden, onder goede ordre, politie
ende geregeltheyt, oock met eenighe waren, penningen ende andere
commoditeyten, om de handelinge te beginnen door sekere ghetrouwe ende
vrome luyden, in deselve Schepen wesende, voor den welcken sy vrye
toeganck aldaer sullen versoecken ten eynde voorszeid.
III. Sullen versoecken dat tot vroome, ghetrouwe, ende oprechte
gestadige handelinghe, traffijcke ende navigatie, tot gemeene welvaren
van de selve Coninckrijcken ende dese Landen: Midtsgaders den
Ingesetenen der selver, mach worden verstaen. Ende soo t’ selfde aldaer
goet ghevonden wordt, sullen verclaren dat men henlieden met een goede
Ambassade ten selven eynde, met de eerste gheleghentheyt van meeninghe
is te besoecken indien henluyden sulcks aenghenaem soude wesen.
IV. Sullen aldaer moghen openen wat commoditeyten ende Coopmanschappen
uyt dese Landen aldaer van tijt tot tijt sullen mogen worden ghebracht,
ende neerstelick ondersoecken, omme te verstaen wat Coopmanschappen ende
goederen daer tegens by retour uyt de selve Conincrycken ende Landen
sullen moghen worden ghetoghen, ende in dese Landen ghebracht.
V. Sullen van alle t’ ghene op de Reyse passeert, so wel binnen
Scheepsboort, in de opdoeninghe van de Landen, Havenen, ende alle andere
geleghentheyden, als van t’ ghene te lande hen sal voorcomen, goede ende
partinente noticie houden, om terstont op hare wedercomste by geschrifte
den Heeren Staten Generael, van alles te doen goet ende getrou rapport.
Aldus gedaen ende gearresteert in de vergaderinghe van de Heeren
Generale Staten der vereenichde Nederlanden, in S. Graven-Haghe den xvj.
Junij Anno xv^{c}. xcv. Sloeth. vt. ter ordeninghe van de voornoemde
Heeren Staten.
C. Aersens[1314].
[1314] Overgenomen uit: Linschoten, Voyasie ofte schip-vaert fol. 24
vso.
BIJLAGE V. (p. 42.)
RESOLUTIE der Amsterdamsche vroedschap »nopende de toerustinge van
twee schepen omme by Noorden Noua Zembla te zeylen.”
Vergaderinghe gehouden den XXV^{en} Marty XV^{c}XCVI.
Ter voorsseide vergaderinghe hebben Burgermeesteren den heeren XXXVI
Raden voorgedragen, dat op de leste daghvaert vanden Heeren Staten van
Hollandt ende Westvrieslandt voorgeslagen zynde, ten eynde eenige nyeuwe
toerustinghe van schepen van slands weghe mochte werden gedaen, omme
nochmaels t’ ondersoucken by Noorden Noua Zembla te zeylen etc. t’
selffde (hoe wel meest alle de Steden daer toe eerst waren jnclinerende)
ten lesten is affgeslagen ende Geresolueert, soe verre enighe Steden
ofte Coopluyden int particulier, ten eynde voorsseid eenige schepen
souden begeren toe te maecken ende wt te zenden, dat den selffden
(Indien zy de voorsseide vaert quamen te vinden) voor een premium van
slandts wege toegevought zal worden, de somme van XX ofte XXV^{m}
guldens, Ende want bysunder dese Stad (als principaelyck Inde
coophandel ende nauigatie bestaende) ende oick ’t gemeene landt ende
d’Ingesetenen vandien in neringe, coophandelinge ende ryckdomme,
grootelicx souden kommen te floreren, by soe verre de voorsseide vaert
(daer toe goede hope wordt gegeuen) mochte werden geuonden[1315], Soe is
by den Heeren Burgermeesteren ende XXXVI Raden goet geuonden ende
Geresolueert, dat van stads wege twee schepen, te weeten een tusschen de
L ende LX ende ’t ander van omtrent XXX lasten, ten minsten coste
(diemen verstaet dat bouen de XII^{m} guldens nyet sullen bedragen)
datelyck zullen werden toegemaect, ende als vooren gebruyckt, Ende ten
eynde ’t selffde te beter mach worden geuordert ende geeffectueert
Sullen d’Heeren Burgermeesteren daer toe mogen gebruycken eenige
persoonen, die (volgende d’Instructie ende d’ordre hen te gheuen) zullen
verzorgen, alle ’t gundt tot wtrustinge vande voornoemde schepen van
noode wezen zal.[1316]
[1315] Vgl. R. H. 19 Febr. 1596. p. 112.--De resolutie werd 13 April
door de Stn.-Gen. overgenomen.
[1316] Uit het resolutieboek der vroedschap op het Amsterdamsche
archief.
BIJLAGE VI. (p. 42.)
GETUIGENISSEN van twee reisgenooten van Jan Cornelisz. Rijp over de
noordpoolreis van 1596, 97.
Nous Bourgmaistres et Regens de la ville d’Amsterdam faysons foy A tous
quil appartient et certifions pour la verite que pardevant nous est
comparu Arent Martenssen d’Anvers aagé d environ 40 ans habitant de
ceste ville juridiquement adjourné pour rendre tesmoignage de verite a
linstance de Lambert van Tweenhuysen Jacques Nicquet et Consorts, Lequel
a declaré deposé et affirmé par serment solemnel Estre veritable Qu’en
lan 1596 sesquipperent pour ceste ville d’Amsterdam deux navires dont
estoijent Maistres de lun Jean Cornelissen Reip et de lautre Willem
Barentsz. qui s’envoyerent au nord Aijant iceluij tesmoing navigé avec
ledit navire de Jean Simonssen Reip pour Pilote estant venus le X^{e} de
Juillet a certaine petite Isle laquelle (a cause quils ij avoijent prins
un Ours) ils nommerent Beeren Eijlant qu’est a dire Lisle aux Ours et
passans outre Jusques a la Terre ferme qui est a l’hauteur de huictante
degrez et onze minutes furent la quelques Jours en beaucoup d’endroicts
de Paijs ou ils prirent et tuerent plusieurs Bestes et Volaille et
allerent aussi querir à Terre une partie de Lest quils mirent en leur
navire Auquel Paijs ils donnerent alors le nom de Spitsberguen ores
nommé par les Anglois Gronlande Declare en outre quil fust conclu et
ordonné par le Conseil du Navire qu’on mist tant audit Spitsberguen
qu’autres Lieux et Endroicts a terre quelque Pieux en signe que nos Gens
avoijent esté en ces paijs et quartiers Aussi vray Dieu le Tout puissant
puisse estre en Aijde a iceluij Attestant Ens Tesmoing de quoij le seau
aux causes de ceste dite Ville est imprimé sur l’Espace le 25 de
Novembre 1630. Estoit signe I. de Haen avec le seau de ceste dite Ville
imprimé en Cire verde au bas sur le space[1317].
[1317] Naar een afschrift onder de bijlagen van het: Request der N.
C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop.
N. C. R.-A.--Het getuigenis is in zooverre eenigszins verdacht, dat
de getuige, in 1630 ongeveer 40 jaar oud, reeds op zijn zesde jaar
of daaromtrent als stuurman moet zijn uitgevaren. Maar het feit, hoe
verbazend ook op zich zelf, dat personen van minderen stand in die
tijden geheel niet wisten, welken leeftijd zij bereikt hadden, komt
te dikwijls voor, dan dat men daarom alleen het stuk onecht zou
noemen, te minder omdat falsarissen op dergelijke in het oog
springende zaken zeker veel nauwlettender zouden toegezien hebben
dan het Amsterdamsche stadsbestuur.--Arend Martensz. is in den tekst
(p. 42) verkeerdelijk als Amsterdammer vermeld.
Nous Escoutette Bourgmaistres Eschevins et conseil de la ville de
Leijden Compté d’Hollande Faisons foij et attestons à tous par cestes
Que ce jourdhuij dabte des presentes par devant André Jasparssen de
Vesanevelt et Mr. Jean Goes Eschevins esticij establi et comparu
Anthoine Classen Herman, Capitaine de Navire, habitant de ceste Ville
aagé d’environ trente huit ans, juridiquement adjourné par vn Sergeant
porte verge de ceste dite Ville pour rendre tesmoignage de verite à
l’instance et requeste de Lambert van Tweenhuijsen Jaques Niquet et
Consorts Lequel par consequent a dit et attesté par serment solemnel a
luij deferé et prins de luij estre veritable Que l’an mille cinq cens
nouante six estans esquippez pour la Ville d’Amsterdam deux navires pour
s’en aller au Nord chascun du port de cinquante Lestes dont estoijent
Maistres de l’un Jean Cornelissen Reip et de l’autre Willem Barentsz.,
iceluij Deposant auroit navigé sur ledit navire de Jean Cornelissen Reip
avec lequel ils estoijent sortis du Flie Et que le dixiesme jour de Juin
de la mesme année veindrent à une petite Isle située à soixante cinq
milles Nordouest du Cap Septentrional ou environ: ou ils Allerent à
terre avec le Batteau et prenans la hauteur de l’orient trouverent estre
a septante cinq degrez moins seise minutes suijvant quoij ils prindrent
leur cours nord-nordwest de ladite Isle jusques à la hauteur de
huictante degrez: ou ils trouverent la terre quils nomment Terre neufve
et aussi Spits-berguen et Gronlande Item une plage ou Baije quils
nommerent le grand Inwijcq trouverent aussi plus haut a septante neuf
degrez un coing quils nommerent Vogel-hoeck quest a dire le Coing aux
Oijseaux aupres du quel ij a une Riviere sur la quelle ils navigerent
bien une lieue ou deux pensant de traverser mais a cause de la Glace
furent Contraints de retourner Araison de quoij ils nommerent icelle
Riviere Queerweicq Aijans bien plus haut à 80 degrez trouvé plusieurs
Isles rompues ou ils furent à Terre et aussi à la terre ferme où ils
allerent querir beaucoup de volaille et d’oeufs et y tuerent ou
prindrent un ours blanc et allerent querir du lest de terre ou ils
Trouverent aussi des dens de Baleines Ramans avec le Bateau dans les
Golphes ou destours sans pouvoir recognoistre quil ij eust esté quelque
Gens Et pourtant trouverent ils en quelques lieux sur quelques Valons de
grand monceaux de Pierres entassées Dans quelques uns desquels ils
mirent un Bois ou Pal en signe pour ceux qui en apres y pourroijent
venir pour voir quil ij avoit esté des Gens Ne declarant autre Chose a
dit Aussi vraij Dieu le Toutpuissant puisse estre en Aijde a iceluij
Comparant En tesmoing de quoij Nous avons fait imprimer cij dessous
Nostre seau aux causes du quel nous vsons maintenant Et fait corroborer
la presente par la signature de Nostre Greffier Ce 2^{e} de Decembre
l’an mil six cents trente estoit signé J. van Bancken avec le seau de
ladite Ville imprimé aupres en Cire verde[1318].
[1318] Naar een afschrift onder de bijlagen van het: Request der N.
C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop.
N. C. R.-A.--Op dit stuk past dezelfde aanmerking als op het vorige
omtrent den leeftijd van den getuige.
BIJLAGE VII. (p. 43.)
EXTRACT uit het scheepsjournaal van Willem Barendsz. betreffende de
ontdekking van Spitsbergen.
Le 18. de May, stile neuve, nous sommons partis de Texel, & arriverent
le 22. contre Fayril[1319] & pres des Orcanesses[1320].
[1319] Fair-island, een eiland halfweg tusschen de Orcadische en
Schetlandsche eilanden.
[1320] De Orcadische eilanden.
Le 5. de Iuing, summons venus en la glace, laquelle a nostre advis
estoit venu de Groenland, car nous faissions compte d’estre environ 25.
lieues au dehors dudict Groenland, l’eau estoit verdet, brun de couleur,
jetterent le sonde sans trouver fond, la glace, s’estendoit au long de
la Mer, Sudest & Norouest, & estoit du tout en pieces, ou escosses.
Le lendemain faysoyent nostre route Nordest & Norest quard du nort 9.
lieues, arriverent contre une grande glace, par laquelle ne pouvoyent
passer, ne trouverent nul fond a 120. brasses, a nostre advis estoyent
55. lieues de l’Isle Luffoet vers Nordouest, & du Cap de Nord 110. ou
115. lieues.
Tournoyent alors vers l’Est & arriverent le 10. de Iuing a l’Isle des
Ours, a la hauteur de 74. degrées 35. min. & faisant voile de la Norest,
arriverent en la glace, auquel jecterons ancre, & fumes contraints de
retourner soubs l’Isle, De l’Isle des Ours summons departis, & faisoyent
Oest noroest pensant trouver vers le nord meilleur passage, car ceux de
l’autre Navire, vouloyent tousiours tirer vers l’oest, & j’avoy desir
d’estre plus vers l’Est, avons couru jusques au soir Oest noroest 16.
lieües, la nuict jusques au matin Noroest 15. lieues.
Le 14. Avancé jusques au soir Nord quar d’oest 22. lieues. Lors le temps
devient clair, & nous nous trouvions pres de la glace, & nous sembloit
veoir terre vers le Nord[1321], mais nous n’en estions pas asseuré.
[1321] De zuidpunt van Prince Charles-foreland?
Le 15. Nous tournions ven du vent, sondions sans trouver fond a 150.
brasses, routoyant jusques au midy, Sudest & Sudest quart d’est 5.
lieues, ayant la hauteur de 78-1/4 degrés.
Alors nous allions vent arriere, vers l’Est, 7. lieues.
Et apres jusques au soir Nornordest, 5. lieues.
Passions une grande Balaine morte, sur lequel y avoit plusieurs meauves.
Le 16. Il faisoit brun, le vent Oest passans jusques a midy, Nornord Est
21. lieues, arrivans en la glace, & nous nous retirans passans au loing
d’icelle Nordest 5 lieues.
Et derechef hors de la glace Sudest 6. lieues.
Iusques a ce que nous venions derechef avec la roete de S. S. Oest, en
la glace 4. lieües, lequel estoit du matin.
Le 17. Il faisoit calme iusques au midi, alors trouvamus la hauteur de
80. degrées & 10. minutes, nous louvions, car avoyons vent au vent, pour
sortir hors de la glace, estoyons passe Si, ou 6. lieues, ayans vent
Oest jusques au soir, ayant le fond de 90. brasses. Passants outre
encore un quartier avec vent Sudest, allions Sud Siroest 4. lieues.
Alors vismes terre & allions encore Oest Siroest, la terre s’estendoit
Oest quar de Noroest, & Est quart de Sudest, bien 8. ou 9. lieues, la
terre estoyt haute & tout couvert de neige, & du pointe du Norouest,
s’estendoit ceste terre iusques a un autre pointe.
Le 18. Siroest quart d’Oest, 6. lieues, & la nous trouvions la hauteur
de 80. degrées.
Allions contre vent au long de la terre, avec vent Oest & Noroest.
Iusques au midi, le 20. Lors estoit le cap d’ouest de la terre, de nous
environ Sud suroest 5. lieues. Passions outre Sud suroest & Siroest quar
de su 5. lieues, & arrivames joinct a une ance large[1322], laquelle
s’estendoit en la terre vers le Sud: & encore une Baye devant laquelle y
avoit un Isle, laquelle Baye s’estendoit bien avant vers le Su[1323].
[1322] De Roode baai?
[1323] De Zeeuwsche baai met de Archipel en de Mauritius-baai.
Retournasmes alors de la terre, & passions oultre jusques au soir,
Norouest quart du Nort 2. lieues, & arrivames derechef en la glace,
parquoy nous falloit tourner vers le Su.
Le 21. Il faisoit grand vent & naigeoit fort du Siroest, & nous courions
au vent jusques au soir, mouillons l’ancre proche de la terre pres de
nostre Compagnon, justement devant l’entrée du Canal, a 18. brasses,
fond de sablon, Au pointe d’Est de l’embouchure y avoit une Roche,
laquelle estoit fendue par desus, fort bon a connoistre[1324]. Il y
avoit encore un petit Isle ou Rocher, environ le tiers d’une lieue dudit
bout d’Est. Au pointe d’Ouest y avoit ausi un Rocher bien proche.
[1324] Cloven-cliff en de andere eilandjes van den „Archipel.”
Le 22. Prenions de Lest de 7. Chalupes plain de callions, d’autant que
nostre Navire estoit peu lestée. Et vient un grand Ours naiger pres du
Navire, lequel poursuivions avec 3 Chalupes, & fut tué, sa peau avoit
longeur de 12. pieds, nous entrames ce jour la avec la Chalupe en
l’entre, pour cercher meilleur port, ce qu’estoit necessaire, &
trouvames en dedans, la terre du tout separée & rompue, & aucuns Isles,
ou il avoit bon ancrage en plusieurs endroits.
Le 23. Cerchames nostre vray Meridional, par le Cercle Astronomique, &
trouvions avant midy, 11. & apres midy, 16. degrées, declinaison, que le
Compas, ou l’aiguille tournoyt vers le Noroest, tellement que le Cercle
n’estoit pas correct. Nous sortions hors la Baye, pour rechercher
jusques ou la coste se pouvoit estendre, car il faisoit fort clair, ne
pouvions apercevoir le bout de la terre, laquelle s’estendoit Sud quart
de Siroest 7. lieues, Iusques a un bout haut & montueus, lequel se
descouvrit, comme s’il estoit une Isle[1325]. Prenions de minuict
l’hauteur du Soleil, de 13 degrées, tellement que nous estions a la
hauteur du Pole de 79. degrées 34. min.
[1325] Fair-foreland.
Le 24. Avant midy, faisoit il calme avions le vent Siroest, la terre (au
long duquel prenions nostre route) estoit la plus part rompue, bien
hault, & non autre que Monts & montaignes agues, parquoy l’appellions
Spitsbergen.
Nous navigeames environ Siroest & Siroestquart de Su 7 lieues, & lors
nous estions environ 10. ou 12. lieues, du lieu ou nous avions sondée la
premiere fois l’ancre, plus vers l’Est.
Nous destournames du soir derechef de la terre, le bout du Noroest:
estoit Nordest de nous, & partions de la terre oest, & oest, quart du
noroest, 8. lieues.
Iusques a la fin du premier quartier.
Destournasmes vers le Est, & allions Sudest & quart du Sud 8. lieues,
jusques le 25. a midy.
Apres arrivames pres de la terre, & seiglants vent arriere Nornordest,
2. lieues.
Et le mouillerons arriere un pointe a 18. brasses, fond de sablon, &
nous sembloit qu’il y avoit flus, & reflus, car nous trouvions en 12.
heures de temps, un courant du Siroest, & un autre du Nordest, si fort
que les boyns de nos ancres, se casseans dessoubs leauë.