Niettegenstaande het contract van 1617 bleef er tusschen de Hollandsche
en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst nog steeds een groot
onderscheid. Zeeland bleef van Jan Mayen-eiland natuurlijk uitgesloten;
de oude Noordsche Compagnie was de eenige der drie mededingsters, die
hare uitrustingen zoowel naar Spitsbergen als naar Jan Mayen-eiland kon
zenden. Deze ongelijkheid hinderde de Zeeuwen steeds, maar door de
ondervinding geleerd, waagden zij het niet weder zonder uitdrukkelijke
verklaring van de Staten-Generaal aan Jan Mayen-eiland te verschijnen.
Eene eerste poging, reeds in 1618 tot het verkrijgen van zulk eene
verklaring aangewend, stuitte natuurlijk af op het blijkbare recht der
Hollanders[1197]. In het voorjaar van 1620 werd het verzoek der Zeeuwen
met meer nadruk en ook met meer recht herhaald[1198]: de beide
Hollandsche compagniën hadden nu reeds vier jaren aan Jan Mayen-eiland
gevischt, de kleine zelfs reeds vijf jaren, en de tijd bij het »generael
octroy” bepaald was dus verstreken. Het schijnt echter, dat de Hooge
Raad bij zijn vonnis den tijd der vier reizen heeft willen doen ingaan
met 1618[1199] en het gelukte den Hollandschen reeders dan ook, de
toelating der Zeeuwen aan het eiland te doen verschuiven tot twee jaren
na de aanvrage. De Zeeuwen berustten daarin, en niettegenstaande hunne
onaangenaamheden met de Engelschen op Spitsbergen in 1617 en 1618
hielden zij vol en zonden telkens weder hunne schepen daarheen. In de
aan de Mauritius-baai grenzende inham, die de Zeeuwsche baai genoemd
wordt, vestigden zij zich afgescheiden van hunne deelgenooten; kort na
1624 verhuisden de Vlissingers zelfs naar het door de Denen lediggelaten
terrein in de Mauritius-baai[1200]. Toen echter het octrooi van 1617,
dat alleen verleend was »sonder prejuditie van het recht op het Eylant
in questie by d’ Ondeckers van ’t selve uyt krachte van het Generael
Placaet verkregen”[1201], met het jaar 1621 geëindigd was[1202], begreep
de Noordsche Compagnie zelve, dat verdere pogingen om de Zeeuwen van Jan
Mayen-eiland verwijderd te houden vruchteloos zouden zijn. Zij nam het
initiatief en noodigde de Zeeuwsche walvischvaarders tot eene
conferentie om over de voorwaarden eener algeheele vereeniging te
beraadslagen[1203]. De zaak slaagde naar wensch en 8 Januari 1622
verzochten beide compagniën te zamen verlenging van het octrooi voor de
walvischvangst[1204]. De toegevendheid der Noordsche Compagnie was
waarschijnlijk niets dan eene list om eene combinatie met de gehate
kleine Noordsche Compagnie te vermijden: met de Zeeuwen vereenigd voelde
zij zich sterk genoeg om alle concurrentie te trotseeren. De
Staten-Generaal waren echter van een ander gevoelen; wij zagen reeds,
dat door hunne tusschenkomst de drie compagniën gedwongen werden voor
het jaar 1621 zich bij de vangst tot een bepaald getal quarteelen traan
te beperken. Terwijl aan de groote en kleine Hollandsche compagniën
10,000 en 6000 quarteelen traan werden toegelegd, bedroeg het aantal der
Zeeuwen in de te vangen 21,000 quarteelen slechts 5000. Maar tevens werd
dan ook hun recht op de visscherij bij Jan Mayen-eiland, dat sinds het
vierjarig octrooi der ontdekkers geëindigd was, onder het octrooi der
Noordsche Compagnie behoorde, uitdrukkelijk erkend[1205]. De Hollanders
schijnen echter, nu eens de toestemming der Staten verkregen was, weder
minder willig geweest te zijn om de resolutie uit te voeren; althans het
reglement, dat volgens het verlangen der regeering in den geest der
jongste regeling door de compagnie zelve opgemaakt moest worden, stuitte
bij hen voortdurend op zwarigheden[1206]. Geen wonder dan ook, dat de
Zeeuwen hunne medeleden wantrouwden; gedachtig aan hun wedervaren van
1616 verzochten zij de Staten-Generaal om eene afzonderlijke akte,
waarbij hun uitdrukkelijk verlof gegeven werd om aan Jan Mayen-eiland
hunne traankokerijen te mogen bouwen. De akte werd dadelijk
verleend[1207], en op het einde des jaars werden de Zeeuwen evenals de
kleine Noordsche Compagnie mede begrepen onder de definitieve verlenging
van het octrooi der walvischvaarders voor twaalf jaar[1208]. Voortaan
was er dus in Nederland slechts éene compagnie, waarvan alle kamers
geheel dezelfde rechten genoten.
[1197] R. S.-G. 21 Apr. 1618.
[1198] N. Z. 4 Febr., 12 Mrt. 1620.--Miss. v. Zeeland dd. 4 Febr.
1620, achter: N. Z. 1620.
[1199] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622. (Gr. Placaetb. I p.
675.)--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in:
Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.
[1200] Zie meer hierover: hiervóor p. 142, 43.--Vgl. ook over de
walvischvaart der Zeeuwen van 1619-22: hiervóor p. 109 Noot
5{[357]}.
[1201] Gr. Placaetb. I p. 672.--R. S.-G. 21, 24 Jan. 1617.
[1202] Het octrooi was verleend voor vier jaren, maar ging door de
éenjarige verlenging van het octrooi der N. C. op 1 April 1615 eerst
met het jaar 1618 in.
[1203] Resol. N. C. 29 Juli 1621, bij het: Request der kleine N. C.
aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2
Admiraliteit. R.-A.
[1204] R. S.-G. 8 Jan. 1622.
[1205] R. S.-G. 3, 4 Febr. 1622.
[1206] N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss. v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, in:
N. Z. 1622.--R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622--Ook de kleine N. C.,
aanvankelijk bereid om de Zeeuwen op Jan Mayen-eiland toe te laten
(Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:
Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.), schijnt later bezwaren
gemaakt te hebben. (R. S.-G. 4 Febr. 1622.)
[1207] R. S.-G. 28 Mei 1622.--Zie de akte afgedrukt in: Gr.
Placaetb. I p. 673,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 218.
[1208] R. S.-G. 20, 22 Dec. 1622.--Gr. Placaetb. I p. 673.
Een derde aanval op de uitsluitende rechten der Noordsche Compagnie kwam
van eene geheel andere zijde. De Staten-Generaal, afkeerig van monopolie
als zij waren, hadden het octrooi der compagnie alleen zóover
uitgestrekt als zij dat voor den bloei der walvischvangst noodig
oordeelden: tusschen Novaya-Zemlya en straat Davis meende men, dat eene
compagnie een veld ter ontginning had, ruim genoeg om daarvan te bestaan
en om zelfs groote winsten te maken. De beperking had tevens misschien
ten doel, de geheel op zich zelf staande walvischvangst, door sommige
Nederlanders reeds lang vóor de oprichting der Noordsche Compagnie aan
de Noordkaap en bij IJsland gedreven, ook naast de bevoorrechte
vereeniging te laten bestaan. En werkelijk bleef dit bedrijf zich
zoolang het octrooi duurde nevens de compagnie handhaven. Maar daar de
in die wateren gevangen walvisschen steeds kleiner en minder rijk aan
traan waren dan de bewoners der Spitsbergsche wateren,--vooral daar het
verbod van den Deenschen koning de visschers gedurig dwong hun bedrijf
te staken of zich van Deensche paspoorten te voorzien, was deze
concurrentie voor de Noordsche Compagnie nooit eenigszins gevaarlijk
geweest[1209]. Bedenkelijker scheen het, toen anderen dit voorbeeld
volgende ook elders met de compagnie trachtten te wedijveren op
plaatsen, buiten haar octrooi gelegen en waarop niemand eenige aanspraak
maakte. Nog erger voor de vereeniging was het, dat die poging uitging
van Zaanlanders, die reeds van ouds getoond hadden, geschiktheid en moed
genoeg voor het gevaarlijke bedrijf te hebben.
[1209] Eene geschiedenis van dit bedrijf is bij de onvolledigheid
der gegevens niet samen te stellen en zou waarschijnlijk ook blijken
van weinig belang te zijn. Zie intusschen over die geschiedenis een
en ander: hiervóor p. 240 Noot 1{[861]}.
Het was in 1626, dat Pieter Gijssen en Gijs Pieters[1210], twee Zaansche
kooplieden, van den prins commissie vroegen om te mogen varen op
Ruslands noordkust, op »de Samoetsche Cust” en door de straat van Nassau
verder oostelijk[1211]. Men wist, dat zich daar geene walvisschen
ophielden, maar vooral bij Novaya-Zemlya was overvloed van walrussen en
de Zaandammers, de oudste Nederlandsche walrusjagers, meenden
voornamelijk met de tanden der gevangene dieren ruime winsten te zullen
behalen. Frederik Hendrik vroeg de voorlichting der Staten-Generaal met
de mededeeling, dat de nieuwe vereeniging zich steeds buiten het gebied
der Noordsche Compagnie, bij »plaetsen noyt in dier vougen wesende
bevaeren,” dacht op te houden. Maar het was toch niet dan onder
uitdrukkelijke vermaning, dat het octrooi der Noordsche Compagnie door
de commissie van den prins vooral »niet en soude werden geinfringeert,”
dat de Staten gunstig op het request der Zaandammers adviseerden[1212].
[1210] Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) noemt de reeders „twee
gebroeders Sybrant en Claes Cornelis. soonen, Serdammers.” De namen,
door de R. S.-G. opgegeven, schijnen mij echter meer gezag te
hebben.
[1211] Wassenaer (Hist. verh. XI fol. 56) verhaalt, dat de reeders
van plan waren „om noch hooger als de vorighe onder den Noortschen
Pool te loopen, en daer den Walrus vangst te vorderen.” Het schijnt,
dat hij bij dit verhaal het oog had op de Poolzee ten noorden van
Spitsbergen (hoewel „’t gevoelen was, dat onder de Pool al meest
ghebroocken Eylanden lagen, alsmen in Spitsberghen bevindt”), maar
het verhaal is verward en uit den afloop der reis blijkt duidelijk,
dat de opgave der R. S.-G. juister is.
[1212] R. S.-G. 7 Mrt. 1626.
Twee schepen, van eenige kleine stukken geschut voorzien en met dertien
koppen bemand, vertrokken dan ook in Mei 1626 naar het noorden[1213]. De
onderneming was echter allerongelukkigst. Walrussen werden niet
gevonden, slechts éen walvisch werd gedood; aan de straat van Nassau
gekomen vonden de schepen die zoo geheel verstopt met ijs, dat de reis
moest opgegeven worden[1214]. Werkelijk bleef het ijs steeds een
bezwaar, dat ieder beletten zou met de Noordsche Compagnie, die hare
tochten naar het bijna altijd ijsvrije Spitsbergen richtte, met vrucht
te concurreeren. Hoewel de reeders de zaak nog niet opgaven en van plan
waren in 1627 op nieuw naar het noorden te zeilen, hooren wij dan ook
verder van de zaak niets en men mag dus aannemen, dat de onderneming is
opgegeven.
[1213] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 56.
[1214] Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 134.
Zoo was ook deze aanval op het monopoliestelsel mislukt en in lange
jaren had de compagnie geene mededingers meer te vreezen. Krachtig en
onaangevochten stond zij in 1622 daar met een ruim kapitaal, met
ervarene zeelieden, en in het vooruitzicht van twaalf jaren
binnenlandsche rust. Wat kon men niet in die twaalf jaren van bijna
ongestoorden arbeid van hare pogingen verwachten! Tot welk een bloei kon
de walvischnering niet door de vereenigde krachten van alle kamers,
zelfstandig en toch vereenigd, gebracht worden! Welk een ruime winst
beloofde dit tijdvak (1622-1634) aan de aandeelhouders! Juist echter de
rust, die der compagnie gegund werd, ontwikkelde de zaden van
tweedracht, die reeds in eigen boezem schuilden. De tijd werd met
kleingeestig gekibbel om den voorrang doorgebracht, elke kamer was
slechts op eigen voordeel bedacht en benadeelde de belangen der andere
zooveel mogelijk; alleen de noodzakelijkheid hield de twistende partijen
bijeen. De concurrentie, die door het octrooi bedwongen was, wroette nu
in de eigene ingewanden der compagnie.
Wij zagen, dat reeds in het jaar der oprichting een ernstige twist
ontstond tusschen twee bewindhebbers der Delftsche kamer en hunne
ambtgenooten, en dat die twist zelfs tot eene scheuring leidde. De twee
schuldigen, door de overigen met verwijten overladen, namen de
gelegenheid waar om den Amsterdamschen bewindhebbers voor de voeten te
werpen, dat zij zelven door hunne afzonderlijke walvischvangst aan de
Noordkaap met Deensche passen de belangen der vereeniging op veel ergere
wijze benadeelden dan de ontdekkers van Jan Mayen-eiland dat ooit konden
doen[1215]. Zij, die zoo klaagden, schijnen op hunne beurt door de
IJslandsche visscherij met de Noordsche Compagnie geconcurreerd te
hebben[1216]. De Enkhuizensche en Hoornsche kamers lagen lange jaren
overhoop over de verdeeling van de gedane vangst[1217]. Uitvoerig
schetste ik reeds in het vijfde hoofdstuk de concurrentie, der generale
compagnie aangedaan door de ontdekkingsreizen, die ondernomen werden op
kosten van enkele kamers en vooral van enkele leden, onder wie de
energieke Adriaen Dircxz. Leversteyn eene eerste plaats inneemt. Dit
alles zijn echter slechts op zich zelf staande feiten, die alleen
bewijzen, dat monopolie geen wedijver uitsluit, maar ze slechts
verplaatst en van aard doet veranderen. Belangrijker was het streven van
éene kamer, die jaren achtereen trachtte het overwicht over de andere te
verkrijgen. De Amsterdammers, die in de oorspronkelijke Noordsche
Compagnie van 1614 voor de helft participeerden[1218], waren niet
tevreden met het overwicht, dat hunne positie hun van zelf verschafte.
Evenals overal in de geschiedenis der Nederlandsche republiek vertoont
zich ook hier het streven der Amsterdammers naar zelfstandigheid en
overmacht duidelijk. Het zou niet moeielijk zijn, daarvan talrijke
bewijzen aan te voeren; slechts enkele voorbeelden wil ik hier noemen.
[1215] „Cort advertissement” en „Debath” v. Kyen en Leversteyn tegen
de N. C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.
[1216] R. S.-G. 18 Mei 1615.
[1217] Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 22 Dec. 1633, 20 Jan.
1634.--Dictums v. d. H. R. dd. 28 Mrt., 3 Apr. 1637.--Sent. v. d. H.
R. dd. 4 Apr. 1637.
[1218] Contr. der N. C. met die v. Zeeland dd. 19 Mrt. 1617, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Wij zagen reeds, dat de eigenmachtige handelwijze der Amsterdamsche
kamer met de door de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie
verleende konvooischepen in de jaren 1616, 1617 en 1618 de vereeniging
met het machtige Engeland in moeielijkheden wikkelde, die het een tijd
lang zelfs twijfelachtig maakten of de Nederlandsche walvischvangst zich
op Spitsbergen zou kunnen handhaven en die, ofschoon dit gevaar gelukkig
afgewend werd, aan de kamers van het Noorderkwartier en van Zeeland eene
aanmerkelijke schade veroorzaakten[1219]. De ernstige gevolgen, die deze
willekeurige handelwijze had, schrikten echter de Amsterdammers niet af:
hun streven naar onafhankelijkheid toonde zich sedert steeds
duidelijker. Toen de Zeeuwen in 1622, na de overeenkomst van de drie
Nederlandsche compagniën door tusschenkomst der Staten-Generaal, zich
gereed maakten de walvischvangst te hervatten, werden de Amsterdammers
weigerachtig bevonden om eenig reglement te helpen beramen, dat de
wederzijdsche rechten en verplichtingen nauwkeurig omschreef[1220]. Voor
de handhaving harer eigene rechten was de oppermachtige kamer niet
bevreesd; tegenover hare zwakkere bondgenooten wilde zij meer en meer
eene onafhankelijke stelling innemen. Er waren meer teekenen, die reeds
dadelijk van dit streven blijk gaven. Toen Pieter Van der Graeff, een
der woeligste leden van de kleine Noordsche Compagnie, reeds bij de
resolutiën van 11 en 12 Februari 1622 door de Staten-Generaal zéer
bevoordeeld, door aankoop van aandeelen en misschien door andere
middelen dreigde een gevaarlijk overwicht te verkrijgen, rustten de
Amsterdammers, bevreesd voor den toenemenden invloed der Delftenaars
niet, voordat Van der Graeff zich naar hunne stad had verplaatst en met
zijne aandeelen lid der Amsterdamsche kamer geworden was[1221]. Maar er
was nog meer. Niet alleen poogden de Amsterdammers, die niets met de
vergoeding der schade van 1617 wilden te doen hebben en zich hooghartig
van alle voorlichting over het in 1618 voorgevallene verschoonden,
zonder de andere kamers te kennen vergoeding hunner in 1613 geledene
schade te verkrijgen[1222]; maar zij wendden zich zelfs tot de
Staten-Generaal met het verzoek om de hun bij de loting voor dit jaar
toegevallene Mauritius-baai, de voordeeligste baai op Spitsbergen en de
eenige, waar de Nederlandsche walvischvaarders aan geene aanvallen van
buitenlandsche mededingers blootstonden, voor goed voor zich alleen te
mogen behouden. Zij voegden er de schoonschijnende verklaring bij, dat
zij er niets tegen hadden, zoo de andere kamers met de hun voor dat jaar
toebedeelde baaien evenzoo handelden, en zij beloofden, alsof dit niet
van zelf sprak, dat men in dat geval over geen overlast van de
Amsterdamsche zuster zou hebben te klagen[1223]!
[1219] Zie meer hierover: hiervóor p. 229-33.
[1220] R. S.-G. 20 Febr., 3 Mrt. 1622.--N. Z. 17 Mrt. 1622.--Miss.
v. Zeeland dd. 17 Mrt. 1622, achter: N. Z. 1622.
[1221] Het accoord met Van der Graeff van 13 Apr. 1623, is opgenomen
in de: R. S.-G. 14 Apr. 1623.--Zie meer over deze zaak: hiervóor p.
322 Noot 3{[1162]}.--Eveneens handelde de Amsterdamsche kamer in
1636, toen zij voorsloeg, bij de opname der nieuwe participanten de
Haarlemmers, die het grootste aandeel zouden hebben, met de
Amsterdammers te vereenigen. (Repartitie dd. 19 Mrt. 1636, in: Stn.
N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.)
[1222] R. S.-G. 4 Nov. 1622.--Verbaal der ambass. naar Eng. 1621-23
ad 27 Nov. 1622.
[1223] R. S.-G. 5 Nov. 1622.--De toeleg der Amsterdammers schijnt
gelukt te zijn; althans de N. C. verklaarde nog in 1631, dat de
Mauritius-baai aan de Amsterdamsche kamer behoorde. (Aitzema, Saken
v. Staet. I p. 1150.)
Onder deze en dergelijke onderlinge twisten verliep langzamerhand de
tijd van het octrooi en men begon zich gereed te maken, om een nieuw te
verzoeken. Maar te gelijk was het ook gedaan met de rust, die de
Noordsche Compagnie sinds 1622 van binnenlandsche mededingers had gehad.
Weldra bleek het nu, dat velen begeerig waren in de voordeelen der
walvischvangst te deelen. Hilbrandt Dircksz., burgemeester van
Harlingen, en Wybe Jansz. van Stavoren, die de Amsterdamsche kamer der
Noordsche Compagnie jarenlang als scheepskapitein gediend had[1224],
verzochten van de Staten van Friesland om verlof om ter walvischvangst
te mogen uitreeden. Terwijl het twaalfjarig octrooi der Noordsche
Compagnie eerst met het jaar 1634 verstrijken zou, liet dan ook
Friesland reeds 13 November 1632 bij de Staten-Generaal aanhouden op
weigering van eventueele verzoeken der vereeniging om verlenging van
haar octrooi. De provincie begeerde, dat de vrijheid der vaart ook in
dit opzicht gehandhaafd, of in ieder geval haren inwoners een aandeel in
de vangst ingeruimd worden zou[1225]. Den 7 Maart 1633 werd dit verzoek
nader aangedrongen[1226], maar desniettegenstaande verlengden de
Staten-Generaal den 25 October van dat jaar in de afwezigheid der
Friesche afgevaardigden het octrooi der Noordsche Compagnie nogmaals
voor acht jaar[1227]. Het is waarlijk niet te verwonderen, dat de
Friezen daarover zeer ontstemd waren: zij protesteerden den 19 November
en verklaarden niet in de verlenging te bewilligen. Holland liet
dadelijk een lang »tegenbericht” voorlezen[1228], maar de verongelijkte
provincie drong »seer yverich ende met grooten ernst” op haar recht aan.
De oneenigheid, die zoo ontstond, was een natuurlijk gevolg van den
onzekeren toestand van het publieke recht in de republiek[1229]. Terwijl
de Staten-Generaal bij hun besluit de oude gewoonte gevolgd waren,
beriep Friesland zich met nadruk op de letter der wet. Hare
gedeputeerden stelden aan de Staten-Generaal de bepaalde vraag, »off het
recht dat d’ een provincie soowel toecompt als d’ andere, by absentie
van die Provincie by d’andere Provincien mocht worden vergeven,” en
verklaarden, dat zij, hetzij de Staten-Generaal die vraag beantwoordden
of niet, volgens hun recht zouden handelen[1230]. En waarlijk, zij
hadden gelijk: de toegevendheid der Staten-Generaal voor Zeeland in 1615
gaf Friesland recht om te eischen, dat het hoogste regeeringscollegie
haar niet zou verbieden te concurreeren met eene compagnie, in wier
octrooi zij niet had toegestemd. De Staten-Generaal waren dan ook in
groote verlegenheid, en besloten eindelijk eene commissie te benoemen om
met de Friezen in conferentie te treden. Maar men poogde blijkbaar de
zaak op de lange baan te schuiven: tot de benoeming dier commissie kwam
het niet[1231]. Toen tastte Friesland door en ging over tot het
verleenen van een partikulier octrooi aan de beide requestranten, die
zich op de walvischvangst wilden gaan toeleggen. (22 November 1634.)
[1224] Octrooi der Friesche comp., bij: Zorgdrager, Groenl. vissch.
p. 221.--Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634 (Bijl.
K.), in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
[1225] R. S.-G. 13 Nov. 1632.
[1226] R. S.-G. 7 Mrt. 1633.
[1227] R. S.-G. 18, 25 Oct. 1633.
[1228] R. S.-G. 19 Nov. 1633.
[1229] Zie daarover: hiervóor p. 323, 24.
[1230] R. S.-G. 17 Mrt. 1634.
[1231] R. S.-G. 16 Dec. 1634.
De Staten van Friesland beriepen zich in dit octrooi vrij zonderling op
de vrijheid der zee, die voor allen openstaat en door den een voor den
ander niet gesloten mag worden[1232], en wijdden verder uit over de
buiten hunne toestemming verleende verlenging van het octrooi. Zij
overwogen »dat sy ofte hunne Ingesetenen door den voorszeiden hunnen
Oppositie niet konden sijn ghehouden aen de observantie van de
voorszeide Prolongatie (indien de selve verkreghen soude moghen sijn)
ende dat oock strijdigh soude sijn teghens de Tractaten ende Articulen
van de Unie, dat den eene Provintie doorden anderen soude worden
ontrocken de Negotien ende Trafijcquen in eenen vryen Zee, alwaer aen de
voorszeide hunne Provintie naerder geleghen was als de voorszeide andere
beyde Provintien, ende alsoo voor een groot deel ontbloot soude worden
van de middelen waer uyt de contributien tot de gemeene saecken geheven
worden.” Op deze gronden verleenden zij aan de compagnie, die zich onder
toezicht der requestranten gevormd had, en aan hen, die binnen de maand
verklaren zouden, daarin te willen treden, octrooi tot de walvischvangst
voor twintig jaar op een reglement, door de compagnie samen te
stellen[1233].
[1232] De zinsnede schijnt overgenomen te zijn uit het request van
Dircksz. en Jansz. aan de Staten van Friesland.
[1233] Zie het octrooi afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p.
412,--en bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221.
De Friesche compagnie was dus gegrondvest: in twee kamers, gevestigd te
Harlingen en te Stavoren, verdeeld[1234], maakte zij zich tot de
walvischvangst gereed. Maar de Friezen zelven, die zoo stoutmoedig hun
recht handhaafden, begrepen, dat dit recht alleen hen niet tegen de
Noordsche Compagnie zou beschermen; het was te voorzien, dat er, zoodra
de nieuwe compagnie schepen uitzond, op Spitsbergen moeielijkheden
zouden ontstaan met de veel talrijker vloot van de oudere vereeniging.
De Friezen oordeelden het dus veiliger om nogmaals eene poging te
beproeven, ten einde de verlenging van het octrooi op de oude
voorwaarden tegen te gaan, nu den Staten-Generaal getoond was, dat het
de provincie ernst was met haar protest. Maar te vergeefs! Men had
gerekend buiten Holland, dat niettegenstaande het blijkbare goed recht
van Friesland de Noordsche Compagnie steunde en zelfs hooghartig durfde
eischen, dat de provincie het verleende octrooi zou intrekken, voordat
het tot eenige onderhandelingen kwam[1235]. Eindelijk gaven de Friezen
de hoop op eene schikking dan ook op, en rustten drie schepen ter
walvischvangst uit. De gedeputeerden der provincie verklaarden aan de
Staten-Generaal, dat zij, wanneer de schepen niet tegen geweld van de
Noordsche Compagnie beschermd werden, de schade zouden verhalen op de
quote van Friesland voor den oorlog te water. Het gevolg was, dat
H.H.M., onder protest tegen de in deze verklaring vervatte bedreiging,
besloten, dat de nieuwe compagnie voor dat jaar zonder prejuditie der
van weerszijden beweerde rechten op de walvischvangst zou mogen
uitreeden[1236]. Maar ook nu nog rekenden de Friezen zich niet veilig
voor hunne mededingers. De drie schepen vertrokken wel; maar oefenden
dien zomer volgens overeenkomst met de Noordsche Compagnie[1237] hun
bedrijf in de opene zee bij Spitsbergen, waar de visscherij volgens het
octrooi aan ieder vrijstond. Die van Stavoren kwamen met eene vangst van
8-1/2 walvisch weder thuis[1238].
[1234] Ik maak dit op uit het feit, dat bij alle gelegenheden door
de Friezen een persoon uit Harlingen en een uit Stavoren genoemd
wordt. (Octrooi der Fr. comp., en: Accoord der N. C. met de Friezen,
bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 221, 23.--R. S.-G. 9 Apr. 1636.)
[1235] R. S.-G. 25 Nov., 16 Dec. 1634, 12, 13 Jan., 20 Febr., 3, 8
Mrt., 17, 20, 26, 30 Apr., 1, 3, 5 Mei 1635.
[1236] R. S.-G. 19 Mei, 9 Juni 1635.--Aitzema, Saken v. Staet. II p.
359.--Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 223.
[1237] R. S.-G. 19 Mei 1635.
[1238] R. S.-G. 14 Apr. 1636.--Sent. v. h. Hof v. Holl. in zake
Moutmaker c. Phillipsz. dd. 31 Juli 1641.