[1162] De naijver tusschen de N. C. en Van der Graeff eindigde

hiermede niet. Van der Graeff en een Rotterdamsch koopman, Willem

Van Muylwyck, schijnen zich door aankoop in het bezit van eene

groote party aandeelen in de Noordsche Compagnie gesteld te hebben

(de beperking der vangst door de Stn.-Gen. had vele reeders der

kleine N. C. van het bedrijf afkeerig gemaakt. cf. Miss. v. Delft

aan de Gecommitt. Raden v. Holl. dd. 7 Febr. 1622, in: Noordsche

togten. 4. Loop N. C. R.-A.) en in 1622 met eene grootere uitrusting

dan het reglement der compagnie hun toeliet ter walvischvangst

uitgevaren te zijn. De N. C., vooral de Amsterdamsche kamer,

protesteerde hiertegen met kracht en 13 April 1623 kwam het tot een

vergelijk, waarbij de compagnie de geheele uitrusting, die de

reeders voor eene nieuwe reis hadden aangekocht, overnam op

voorwaarde, dat Van der Graeff zich metterwoon te Amsterdam zou

vestigen en lid der daar bestaande kamer zou worden, totdat bij eene

nieuwe regeling elders eene bewindhebbersplaats voor hem openkwam.

(R. S.-G. 24 Mrt., 4, 8, 11, 12, 14 Apr. 1623.) Van Muylwyck was

ondertusschen overleden, maar Van der Graeff lag nog anderhalf jaar

na dit contract met de N. C. overhoop. (R. S.-G. 10, 12 Mei

1623.--Sent. v. h. Hof v. Holl. dd. 11 Sept. 1624.)

[1163] R. S.-G. 5, 20 Febr., 3 Mrt. 1622.--Daartoe kwam het echter

waarschijnlijk niet. (Vgl. de akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche

walvischvaarders dd. 28 Mrt. 1622, in: Gr. Placaetb. I p. 673, 74.)

Nu de regeering zoodoende tot eenheid gedwongen had, nam ook het

onderlinge twisten der mededingsters een einde. De proef van een jaar

gelukte uitnemend: den 20 December 1622 verzochten beide compagniën, nu

tot éene vereenigd, om verlenging van haar octrooi[1164]. De

Staten-Generaal waren dadelijk bereid het verzoek toe te staan[1165], en

de kleine Noordsche Compagnie deelde voortaan als tweede Delftsche kamer

der geoctrooieerde compagnie voor de walvischvangst in alle voordeelen

harer oudere zuster[1166].

[1164] R. S.-G. 20 Dec. 1622.

[1165] R. S.-G. 22 Dec. 1622.

[1166] Nog onder het contract der N. C. met Friesland van 25 Juli

1636 teekenden voor de Delftsche kamer twee personen, Jacob Van de

Graaf (waarschijnlijk voor de kleine N. C.) en Dirk De Haan (voor de

groote N. C.). De opgave der bewindhebbers over den staat der N. C.

in Februari 1636 spreekt echter behalve van de gewone Delftsche

kamer van eene 1^{e} Delftsche kamer, waarvan de aandeelen verdeeld

waren tusschen een Zeeuw Willem Pedij en een Enkhuizenaar Jacob

Meyn,--en eene 2^{e}, die verdeeld was tusschen de kamers van

Vlissingen, Delft, Hoorn en Enkhuizen. (Stn. v. d. Hrl. gedeput.

betr. de N. C. R.-A.)

De tweede aanval op de alleenheerschappij der Noordsche Compagnie kwam

van Zeeuwsche zijde. Toen de Staten-Generaal in 1614 octrooi verleend

hadden aan de vereenigde walvischvangers, had Zeeland zich met kracht

hiertegen verzet. De provincie meende, dat het als eene uittarting van

den machtigen vorst van Groot-Britannië zou beschouwd worden, zoo men

niettegenstaande diens bepaald uitgedrukt verlangen openlijk de

overtreders van zijn gebod in bescherming nam en hunne handelwijze

wettigde. Door zijdelingsche ondersteuning en aanmoediging van

staatswege, dus schreven de Staten van Zeeland, zou de Nederlandsche

walvischvangst weldra in staat zijn zich met de Engelschen te meten;

dezen zouden dan geen aanval meer wagen en de koning zelf zou dan niet

langer aandringen op de erkenning van souvereiniteitsrechten, wier

handhaving onmogelijk gebleken was. Eerst wanneer dit resultaat door

bezendingen en goede woorden verkregen was, zou de tijd gekomen zijn om

aan de walvischvaarders het verzochte octrooi te verleenen.

Niettegenstaande alle pogingen van Den Haag uit aangewend, bleef Zeeland

in zijne oppositie volharden en het octrooi werd eindelijk zonder de

toestemming der provincie verleend[1167].

[1167] R. S.-G. 27 Jan., 22 Febr., 27 Mrt., 4 Apr. enz. 1614.--N. Z.

30 Jan., 8 Febr., 19, 20 Mrt. 1614.--Miss. v. de Stn. v. Zeeland aan

hunne Gedeput. ter Generaliteit dd. 3 Febr. 1614, als bijlage achter

de: N. Z. 1614.

De Staten-Generaal hadden ongetwijfeld het recht, zich niet aan den

tegenstand van eene provincie te storen. De grondwet der Vereenigde

Provinciën had het verleenen van octrooien als niet dependeerende van de

Unie aan de gewesten gelaten, en het was dus volgens de Unie van Utrecht

aan zes provinciën volkomen geoorloofd een octrooi uit te geven, al

weerhield de zevende zuster hare toestemming. Ook het gebruik, die

gewichtige rechtsbron in de republiek, wettigde het besluit der

Staten-Generaal. Het was namelijk reeds dadelijk in 1579 gewoonte

geworden of liever gebleven, om sommige onderwerpen, wier regeling de

Unie aan de provinciën had overgelaten, bij de vergadering der

Staten-Generaal te brengen, ten einde meer eenstemmigheid in de

vastgestelde maatregelen te verkrijgen. Tot die onderwerpen behoorde ook

zonder tegenspraak het verleenen van octrooien. En daar dit eene zaak

was, in verreweg de meeste gevallen van zeer ondergeschikt belang,

hadden de provinciën stilzwijgend van haar recht afstand gedaan en

besloot men daarin steeds bij overstemming. Het gebruik had deze

regeling bekrachtigd en hechtte dus ook nu zijn zegel aan het besluit

der generaliteit, om geen acht te slaan op Zeelands tegenstand.

Wettigden dus recht en gewoonte gelijkelijk het verleenen van het

octrooi, de positie van Zeeland bleef min of meer dubbelzinnig. De Unie

van Utrecht liet de Staten der tegenstrevende provincie als souvereinen

in hun gewest toe een afzonderlijk provinciaal octrooi te verleenen; de

gewoonte vorderde, dat zij zich aan den wil der Staten-Generaal

onderwierpen en zich gebonden rekenden door het door hen verleende

octrooi. Ook hier weder week men echter in de republiek in sommige

gevallen van het eenmaal vastgestelde af. De Staten-Generaal zelven

hadden weldra het onmogelijke ingezien, om hun door gewoonte verkregen

recht te handhaven. Was het reeds ondoenlijk gebleken machtige

provinciën tot onderwerping aan de generaliteit te dwingen, waar de Unie

dit uitdrukkelijk beval; hoeveel te minder was dit uitvoerbaar, waar de

weerstrevende provincie den letter der wet in haar voordeel had. De

Staten-Generaal waren dan ook steeds geneigd bevonden om toe te geven,

wanneer eene machtige provincie meende zich niet door het tegen haren

zin doorgegane besluit te moeten laten binden, en Zeeland had dus ook nu

veel kans hare vrijheid erkend te zien.

Niet lang duurde het, of de provincie besloot van de gunstige positie,

waarin haar het toeval geplaatst had, gebruik te maken. Nauwelijks bleek

het, dat de Hollanders in de walvischvangst uitnemend slaagden en ook de

Engelschen zich aanvankelijk rustig hielden of Jan Lampsius en eenige

andere Vlissingsche kooplieden wendden zich tot de Staten van hun gewest

met de mededeeling, dat zij voornemens waren zich nevens de Hollanders

op de walvischvangst te gaan toeleggen. Daar echter de uitsluitende

geest der Noordsche Compagnie hun te goed bekend was, verzochten zij van

de Staten eene akte »om hun te indempniseren van zoodanigen schade als

hun by de Hollanders zoude mogen aengedaen werden.” De Staten van

Zeeland, naijverig op hunne vrijheid, verklaarden dadelijk: »dat, alzoo

de Heeren Staten van Zeelant in het voorschreve Octroy niet en hadden

geconsenteert, men niet en verstond dat selve soude strecken tot

prejuditie van de Neeringe van hunne Ingesetenen, die daerom vryelyck

nevens andere van dese Landen mochten aldaer visschen[1168].”

[1168] N. Z. 11 Mrt. 1615.

Niettegenstaande deze gunstige beschikking ging er met de uitrusting

der schepen te veel tijd heen, dan dat men nog dit jaar eene reis kon

doen[1169]. Eerst in 1616 rustte de Vlissingsche reederij twee schepen,

de »Cabbeliau” kapitein Willem Willemsz., en een ander schip, kapitein

Jan Verelle, naar het noorden uit. De Noordsche Compagnie protesteerde

wel daartegen, maar de Staten-Generaal handhaafden de vrijheid van

Zeeland en bevalen commandeur Schrobop de Zeeuwen evenals de Hollanders

tegen hunne vijanden te beschermen[1170]. In den zomer verschenen dan

ook de twee schepen aan het pas ontdekte Jan Mayen-eiland en hadden eene

goede vangst[1171]. Maar nauwelijks kregen de bewindhebbers der

Noordsche Compagnie hiervan bericht, of zij schreven aan den commandeur

met bevel om de beide Zeeuwen te arresteeren en naar eene Hollandsche

haven te voeren. Het gevolg was, dat het schip de »Cabbeliau” werkelijk

in Texel opgebracht werd en de Noordsche Compagnie zich gereed maakte

het te laten verbeurd verklaren[1172]. De reeders wendden zich dadelijk

in groote onrust aan de Staten van Zeeland. Zij klaagden over de

gewelddadige handelwijze der Hollanders, niettegenstaande de akte van

vrijgeleide hun door de Staten van Zeeland verleend, niettegenstaande

het bevel der Staten-Generaal aan den commandeur om de Zeeuwen te

beschermen, en zij eischten van hunne regeering, dat zij ter handhaving

van hun vrijgeleide hunne onderdanen van het dreigende proces zouden

bevrijden. De Staten van Zeeland, verontwaardigd over het door de

Hollanders gepleegde geweld, zeiden den supplianten terstond hunne hulp

toe en schreven aan hunne gedeputeerden naar Den Haag om hen op alle

mogelijke wijzen bij te staan[1173].

[1169] Dit blijkt uit de Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620, die de

reis, waarop de arrestatie der Zeeuwsche schepen plaats vond, noemt

„de eerste reijse.” Edge (Dutch disturbance, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 467) verhaalt ook, dat de Zeeuwen, die in 1617 op

Spitsbergen kwamen, „were neuer in those parts before.”

[1170] R. S.-G. 3 Juni 1616.

[1171] Sent. v. d. H. R. in zake Jan Lampsius c. s. c. Jan Clarcque

c. s. dd. 31 Juli 1620.

[1172] R. S.-G. 30 Aug. 1616.--Sent. v. d. H. R. dd. 31 Juli 1620.

[1173] N. Z. 15 Oct. 1616.

Hoe gunstig zich de zaak dus aanvankelijk voor de Vlissingsche reeders

liet aanzien, de afloop was hun zeer nadeelig. En terecht! De

Staten-Generaal hadden het recht van Zeeland erkend om ongestoord alle

voordeelen te genieten, die aan de Noordsche Compagnie ~volgens haar

octrooi~ toekwamen. Waarschijnlijk zou deze dan ook hare mededingers

gewillig op Spitsbergen hebben toegelaten. Geheel anders stonden echter

de zaken, nu de Zeeuwen aan Jan Mayen-eiland hunne nering wilden

oefenen. Niet krachtens het octrooi, maar door haar verkregen recht als

ontdekkers volgens het plakkaat van 27 Maart 1614 vischten de beide

Hollandsche compagniën aan dit eiland. De provincie Zeeland had zelve

medegewerkt tot het vaststellen van dit plakkaat en was dus aan de

bepalingen daarvan gebonden. Zeeuwsche compagniën hadden hier niets voor

boven Hollandsche: het was hun evenmin als dezen geoorloofd gedurende

vier jaar aan Jan Mayen-eiland met de beide bevoorrechte vereenigingen

te concurreeren. Weldra beter ingelicht, mengden zich dan ook de Staten

van Zeeland niet verder in het proces. Het gearresteerde schip werd

spoedig tegen cautie in vrijheid gesteld[1174], maar de Hooge Raad, aan

wien de zaak door de Staten-Generaal in handen gegeven was[1175],

besliste 13 April 1617, dat de Vlissingsche reederij gedurende den tijd

bij het »generael octroy” bepaald geen recht had aan »het eylant in

questie” te visschen. Over het gearresteerde schip zouden partijen zoo

mogelijk eene minnelijke schikking treffen, en daartoe voor den

raadsheeren Rombout Hoogerbeets en Adriaan Junius verschijnen[1176].

[1174] R. S.-G. 9 Sept. 1616.

[1175] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in:

Lias loop. 1617.

[1176] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Miss. v. Zeeland aan

de Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, als Bijlage achter de N. Z.

1620.--Waarschijnlijk is het schip vrijgegeven op voorwaarde, dat de

compagnie, die het uitgezonden had, nooit weder op Jan Mayen-eiland

zou doen uitreeden, althans in de aangehaalde missive van de Stn. v.

Zeeland van 1620 wordt gezegd, „dat of eenigh Verdragh werde

geobiciëert tegens eenige Zeelantsche Groenlants Vaerders (die

verlof hadden verzocht naar Jan Mayen-eiland te stevenen) als ofte

die mette Hollanders over de Visscherye van dien Eylande hadden

getransigeert, dat zulcx geen plaetse kon grypen, dan misschien

tegen Jan Lampsius cum Suis, ende niet tegen anderen.”

Voor deze laatste verzoenende bepaling was veel reden: de strijdende

partijen stonden reeds niet meer vijandig tegen elkander over; het waren

nu compagnons, die onderling twistten. Reeds in October 1616 was er in

de statenvergadering van Zeeland ernstig beraadslaagd over het verzoek

der Noordsche Compagnie om verlenging van haar octrooi, dat met het jaar

1617 eindigen zou[1177]. Nu zich in Zeeland zelf eene compagnie voor de

walvischvangst gevormd had, toonden de Staten van dat gewest zich

geneigd tot de verlenging mede te werken, mits men hunne onderdanen voor

een gedeelte in de geoctrooieerde vereeniging toeliet[1178]. De vraag

was nu echter, hoe de Hollanders, die natuurlijk met het oog op de

voortdurende concurrentie der Zeeuwen, dezen gaarne in hunne compagnie

wilden opnemen, bij die toelating zouden willen handelen. De Staten van

Zeeland wenschten te weten, of de bedoeling der Hollanders was, de

kapitalen der beide vereenigingen te combineeren en gezamenlijk éene

compagnie uit te maken, waarvan alle leden gelijke aanspraak op winst en

verlies hadden en allen door dezelfde bewindhebbers bestuurd werden, dan

wel of de vereenigingen alleen zouden samenwerken in het gezamenlijk

aanvragen van octrooi. In het laatste geval toch zou elke kamer der

compagnie voor eigene rekening schepen uitrusten, terwijl men daarbij

alleen door een reglement, door de gezamenlijke kamers gemaakt over de

grootte en uitrusting der schepen en het samenblijven tot

gemeenschappelijke verdediging tegen vijanden, in zijne vrijheid beperkt

zou zijn. (regulated company.)[1179] Aan zulk een vrijzinnigen voorslag

dachten echter de Hollandsche reeders niet: eene regeling als deze zou

voor de Zeeuwen een ruim veld ter concurrentie overlaten, en de

bezwaren, door de Noordsche Compagnie tegen de oprichting der Zeeuwsche

geopperd, zouden zoodoende bijna allen blijven bestaan. Zij wezen er dan

ook dadelijk op, dat twist onvermijdelijk was, wanneer men zich niet

geheel vereenigde; het was toch onmogelijk, aan ieder der compagniën

afzonderlijke baaien voor hare visscherij aan te wijzen en twee of drie

zouden dus naast elkander haar bedrijf moeten oefenen. Bovendien was het

noodzakelijk, dat men ook over het getal der uitterusten schepen

bepalingen maakte, want »de neringe selve was soo groot niet, dat die

vruchtbaerlyck met onbepaeldt getal van schepen soude connen werden

gedaen.” De Noordsche Compagnie was dus van plan de verlenging van het

octrooi voor zich alleen aan te vragen, »als vele costen gedragen

hebbende met cleine profictien.” Wel wilde zij de Zeeuwen voor een nader

te bepalen deel toelaten, maar het zou zijn op voorwaarde, dat zoowel

het kapitaal als de risico vereenigd zouden worden en dus ook de

uitrustingen voor gezamenlijke rekening zouden plaats hebben. Stonden de

Zeeuwen er echter bepaald op, zich op zich zelf te houden, dan wenschten

de Hollanders ieders aandeel in de vangst afzonderlijk te bepalen; de

verschillende uitrustingen zouden dan »tot gemeenen behouve den visch

vangen, die men in loco soude deelen en ijder sijn contingent mede

gheven.”[1180].

[1177] N. Z. 12, 13 Oct. 1616.--Men meende in Zeeland, dat het

octrooi met het jaar 1616 eindigde. (Miss. der Stn. v. Zeel. aan

hunne gedeput. dd. 14 Oct. 1616, in: N. Z. 1616.) Het was echter in

1615 met een jaar verlengd (R. S.-G. 1 Apr. 1615) en eindigde dus

eerst met 1617.

[1178] N. Z. 14 Oct. 1616.

[1179] Miss. v. de Stn. v. Zeel. aan de Gedeput. dd. 14 Oct.

1616,--en v. Gecommitt. Raden v. Zeel. aan den magistraat v.

Zierikzee dd. 23 Oct. 1616, achter: N. Z. 1616.

[1180] Miss. v. de Gedeput. aan de Stn. v. Zeeland dd. 19 Oct. 1616,

in: Archief Zeeland.

De onderhandelingen duurden lang. Zeeland schijnt zich met de haar

eigene doorzettende vrijheidsliefde tegen eene geheele vereeniging

verzet te hebben, en tot eene combinatie van kapitalen kwam het dan ook

niet. Toch kregen de Hollanders in zooverre hunnen zin, dat het getal

schepen onderling bepaald werd en aan elk der contractanten een vooruit

bepaald aandeel aan de uitrustingen werd toegekend. Zij boden daarop den

Zeeuwen 1/5 aan[1181]; de Vlissingsche reederij was niet ongeneigd, voor

1/4 aandeel als lid der vereeniging op te treden[1182]. Door bemiddeling

der Staten-Generaal[1183], die in de talrijke concurrenten der Noordsche

Compagnie vijanden der eenheid en macht zagen, die zij door het octrooi

aan de Nederlandsche walvischvaarders hadden willen geven, werden de

twee compagniën het nu weldra eens, en gezamenlijk werd bij de

Staten-Generaal een nieuw octrooi aangevraagd[1184]. Den 24 Januari 1617

werd dit op naam der beide vereenigingen voor vier jaar verleend[1185].

De Staten van Zeeland, die in deze zaak met groote behoedzaamheid

handelden en niet dan met volkomen kennis van zaken hunne toestemming

verleenen wilden[1186], keurden het 27 Januari goed[1187].

[1181] N. Z. 26 Jan. 1617.

[1182] N. Z. 27 Jan. 1617.

[1183] R. S.-G. 24 Dec. 1616.

[1184] R. S.-G. 21 Jan. 1617.

[1185] R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I p. 671.

[1186] N. Z. 12, 13, 14 Oct. 1616, 26 Jan. 1617.--Miss. der Stn. v.

Zeel. dd. 14, 23 Oct. 1616, in: N. Z. 1616. (Bijlagen.)

[1187] N. Z. 27 Jan. 1617.

Weldra kwam nu de zaak in orde: den 19 Maart 1617 sloten de Hollandsche

en Zeeuwsche compagniën voor de walvischvangst eene overeenkomst,

waarbij aan die van Zeeland 1/4 deel in het gemeenschappelijk octrooi

werd ingeruimd. Er werd verder bepaald, dat gedurende drie jaren Holland

vier stemmen zou hebben tegen Zeeland éene, terwijl de vergaderingen

onder praesidium van eene der Hollandsche kamers in die provincie zouden

gehouden worden; het vierde jaar zou Holland drie stemmen hebben tegen

Zeeland twee, terwijl een der Zeeuwsche bewindhebbers de algemeene

vergadering in Zeeland zou praesideeren. (art. 2-4.) De meerderheid der

kamers zou de minderheid binden aan alle besluiten der algemeene

vergadering. (art. 5, 7.) Nieuwe bewindhebbers eener kamer zouden uit

een dubbeltal, door de overblijvende bewindhebbers uit de hoogste

participanten opgemaakt, gekozen worden door den magistraat der stad,

waar de kamer gevestigd was. (art. 10.) Over de jaarlijksche

uitrustingen zou de algemeene vergadering beslissen. (art. 12.)

Ontdekkingen, door schepen der Noordsche Compagnie gedaan, zouden komen

ten bate der generale compagnie. (art. 19.)[1188]

[1188] Zie het contract als bijlage achter het request der

Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel., in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Evenals de Hollandsche walvischvaarders werden nu ook de Zeeuwen in

kamers verdeeld. De hoop op vereeniging met de groote compagnie voor de

walvischvangst had nieuwe mededingers opgeroepen. Eene tweede

Vlissingsche compagnie, aan het hoofd waarvan zekere Jan De Moor stond,

was naast Lampsius en de zijnen opgetreden[1189] en zond in het voorjaar

van 1617 naast zijne twee schepen een derde naar Spitsbergen. En weldra

meldden zich nog meer Zeeuwen aan, die begeerig waren in de winsten der

walvischvangst te deelen. De Staten van Zeeland hadden dadelijk na het

verleenen van het nieuwe octrooi, brieven rondgezonden aan de

verschillende Zeeuwsche steden, ze aanschrijvende binnen veertien dagen

opgave te doen van de kooplieden, die in elke stad in de nieuwe

compagnie wilden participeeren[1190]. Het resultaat was zeer bevredigend

geweest, en uit de oude participanten, te zamen met de nieuwe

pretendenten werden nu bij het contract met de Hollanders drie kamers

gevormd. De beide Vlissingsche reederijen werden tot éene kamer der

Noordsche Compagnie vereenigd[1191]; uit de nieuwe participanten werden

twee andere kamers gevormd, die zich te Middelburg en te Veere

vestigden[1192]. Deze verdeeling bleef bestaan tot den val der Noordsche

Compagnie toe.

[1189] Getuigenissen in zake het gebeurde met de Engelschen op

Spitsbergen in 1617, als bijlagen bij het: Request der Zeeuwsche

reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeeland, in: Noordsche togten 4.

Loop. N. C. R.-A.

[1190] N. Z. 27 Jan. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 27 Jan. 1617.

(Bijl. achter N. Z. 1617.)

[1191] In het request der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621

(in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.) worden

Lampsius en De Moor naast elkander als bewindhebbers van de

Vlissingsche kamer der N. C. genoemd.

[1192] Hoewel in 1617 alleen de beide Vlissingsche compagniën hare

schepen naar Spitsbergen zonden, werd echter deze verdeeling in drie

kamers reeds dadelijk in het contract aangenomen. Dit blijkt uit de

onderteekening daarvan door verschillende personen voor Middelburg,

Vlissingen en Veere. Waarschijnlijk was het jaar reeds te ver

verloopen, dan dat de nieuwe participanten reeds in 1617 eene

uitrusting konden gereed krijgen.

Boven hebben wij reeds gezien, dat de vereeniging van Hollanders en

Zeeuwen aanvankelijk niet de gewenschte vruchten droeg[1193]. Door hunne

bondgenooten alleen gelaten konden de drie schepen der Vlissingsche

compagniën in 1617 geen verlof van de Engelschen krijgen om hun bedrijf

aan Spitsbergen te oefenen, en werd een der schepen van Lampsius door

hen zelfs van alles beroofd[1194]. Eene poging, door de teleurgestelde

reeders gewaagd, om zich voor dergelijke aanvallen in het vervolg te

behoeden door zich te vereenigen met eene nieuwe Engelsche compagnie,

die zich gereed maakte met de Moscovische Compagnie te concurreeren,

mislukte[1195] en in 1618 wreekten twee Vlissingsche walvischvaarders en

een van Veere zich op de Engelschen door het berooven van het schip »the

Pleasure” in Sir Thomas Smiths-bay[1196].

[1193] De onderlinge naijver schijnt met het sluiten van het

contract niet opgehouden te zijn; ten minste voor de uitrusting van

1618 was het noodig, dat partijen eene nieuwe overeenkomst sloten.

(R. S.-G. 7 Dec. 1617.) De onaangenaamheden over den omslag der

schade, den Zeeuwen in 1617 door de Engelschen in de afwezigheid der

Hollanders toegebracht, kunnen hiertoe medegewerkt hebben.

[1194] R. S.-G. 9 Nov. 1617.--Miss. v. Zeeland dd. 21 Dec. 1617,

als: Bijlage achter de N. Z. 1617.--Zie meer hiervóor p. 211, 12.

[1195] Macpherson, Annals of commerce. II p. 287.

[1196] Zie meer hiervóor p. 215-17.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 38 / 52 段