Mannen als dezen, in de walvischvangst zoo ervaren, waren dadelijk met

hun plan gereed. Er werd besloten den door de Staten-Generaal voor het

rapport der ontdekking gestelden termijn van veertien dagen na de

terugkomst van het schip te laten verloopen en voor eigene rekening eene

uitrusting naar het eiland te doen: de betrekking der bewindhebbers was

voor hen geen bezwaar, om als concurrenten op te treden der vereeniging,

wier belangen zij moesten waarnemen. Kerckhoff en zijn stuurman Pieter

Douckesz. werden met eenig bootsvolk, dat de reis van 1614 medegemaakt

had, in dienst genomen en in het voorjaar van 1615 in het geheim[1128]

weder naar Jan Mayen-eiland gezonden met een schip, geheel tot de

walvischvangst uitgerust. De onderneming beantwoordde volkomen aan de

gekoesterde verwachting: Kerckhoff nam bezit van het eiland, plantte er

de wapens der Staten-Generaal en noemde het Mauritius naar den naam van

Z. Exc. Ook de walvischvangst gelukte uitnemend: met een rijken buit

keerde het schip huiswaarts[1129].

[1128] Misschien werd als het doel der reis IJsland opgegeven,

althans Kyen verzocht 18 Mei 1615 uit naam der „compaignie van

Islandt” van de Stn.-Gen. vijf gotelingen te leen, om zijne schepen

te beschermen op de visscherij aan IJsland, „alwaer ordinaris veel

Roovers haer onthouden.” De Stn. stonden het verzoek toe „tot

vermeerderinge van neringe in dese landen.” (R. S.-G. 18 Mei 1615.)

[1129] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)

1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--Req.

der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche

togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

Onderwijl had ook de Noordsche Compagnie niet stilgezeten. De

Amsterdamsche bewindhebbers hadden in het begin van 1615 bij afwezigheid

van alle andere kamers besloten dit jaar eene nieuwe ontdekkingsreis te

doen ondernemen. Het schip »Tswaentgen”, ook wel genoemd »het duyffgen”,

werd onder bevel van kapitein Jan Sybrantsz. Paelman van Opperdoes

uitgezonden, om nieuwe eilanden te ontdekken en tegelijk Jan

Mayen-eiland nader te onderzoeken met het oog op eventueel aldaar te

verkrijgen voordeel[1130]. Reeds in Augustus kwam Paelman overhaast

terug met het bericht, dat hij aan het eiland het schip van Kyen en

Leversteyn met de walvischvangst bezig had gevonden.

[1130] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)

1615 in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland.

R.-A.--„Debath gedaen maecken” door Kyen en Leversteyn, in:

Noordsche togten. 1. R.-A.--Zee-atlas van Van Keulen. I p. 75.

Dadelijk wendden zich nu de bewindhebbers tot de Staten-Generaal, die

zich de arbitrage over geschillen, uit het »generael octroy” ontstaande,

hadden voorbehouden. Zij verzochten volmacht om beslag op het schip van

Kyen en Leversteyn te mogen leggen en eischten, overeenkomstig met hun

tweeslachtig sustenu, dat niet alleen schip en goed volgens de

bepalingen van hun octrooi verbeurd verklaard, maar dat de reeders ook

veroordeeld zouden worden in de boete van 50,000 dukaten, op den inbreuk

van het »generael octroy” gesteld. Een paar dagen later verzochten zij,

na breedvoerige uiteenzetting hunner grieven tegen Kyen en Leversteyn

octrooi voor de ontdekking van Jan Mayen-eiland volgens het plakkaat van

27 Maart 1614[1131]. De regeeringen van Amsterdam, Enkhuizen, Hoorn,

vooral die van Delft, ondersteunden de Noordsche Compagnie krachtig

tegen hare mededingers[1132], en de Staten-Generaal besloten Kyen en

Leversteyn voor zich te ontbieden. Den 17 Augustus 1615 verschenen

beide partijen »geassisteert met heure Advocaten respective” in de

vergadering: aan de Staten-Generaal was het nu om tusschen hen te

beslissen.[1133]

[1131] R. S.-G. 13 Aug., 2 Sept. 1615.

[1132] Ook Petrus Plancius--met de bewindhebbers der N. C.

Tweenhuysen en Harencarspel voor de vaart op Nieuw-Nederland in

compagnie (O’Callaghan, New Netherland. I p. 94)--koos de zijde der

Noordsche Compagnie, en stond de reeders evenals in 1613 met zijne

aardrijkskundige kennis bij. Hij trachtte in eene memorie, vergezeld

van „sekere raijinge,” te bewijzen, dat Jan Mayen-eiland onder het

octrooi der compagnie behoorde. („Cort advertissement” v. Kyen c. s.

aan de gecommitt. der Stn.-Gen. dd. 29 Febr. 1616, in: Noordsche

togten. 1. R.-A.)

[1133] R. S.-G. 17 Aug. 1615.

Bij de onvolledigheid der gegevens is het hoogst moeielijk een oordeel

te vellen over de quaestie, wie der partijen het recht aan zijne zijde

had in eene zaak, die zoo geheel van het vervullen of verwaarloozen van

formaliteiten afhing en waarin van beide zijden zoozeer geknoeid schijnt

te zijn om elkaar de loef af te steken. Het komt mij echter volkomen

zeker voor, dat de Noordsche Compagnie gelijk had met de bewering, dat

Kyen en Leversteyn niet alleen »int regart van de generale societeyt

nijet al te sinceerlick mette compagnie ofte heure geassocieerde

gehandelt hadden”, maar ook dat de beide bewindhebbers »meer sochten

haer particulier proffyt als het beste vande gemene Compaignie twelck

sij schuldich waeren te besorgen.” Maar afgezien van de moraliteit der

zaak schijnt het mij toe, dat de Noordsche Compagnie ~door de

Staten-Generaal~ bepaaldelijk in het ongelijk gesteld moest worden. De

bewindhebbers erkenden zelven, dat zij niet voldaan hadden aan de bij

het »generael octroy” gestelde voorwaarde; zij mochten nu de fout, door

hen begaan, op rekening hunner tegenpartij schuiven en van »het versuym

ofte veel eer eygenbaatsouckicheyt” van Kyen en Leversteyn spreken, te

ontkennen was het niet, dat zij hun recht op een octrooi van vier jaren

voor goed verbeurd hadden. Zelven schijnen zij dit gebrek in hun sustenu

te hebben ingezien, althans zij trachtten vrij onhandig de Staten te

overtuigen, dat het nieuw ontdekte eiland eigenlijk reeds onder het

octrooi der Noordsche Compagnie begrepen was als behoorende onder »de

Kusten ende Landen van Nova Sembla tot Fretum Davidis toe” en als een

van de »andere Landen die onder Groenlant gevonden souden mogen werden.”

Juist om dergelijke redeneeringen te voorkomen, was echter het »generael

octroy” uitgevaardigd, en de eenvoudige lezing van het octrooi der

Noordsche Compagnie in verband met het plakkaat van 27 Maart 1614

overtuigt dan ook ieder van de ongegrondheid dezer beweringen. Dit feit

als bewezen aannemende, verklaarden de gedaagden dan ook ronduit, dat

de beoordeeling der middelen, waarmede zij hun voordeel »in mari libero”

gezocht hadden, niet aan de Staten-Generaal stond; slechts een uitspraak

over de feitelijke quaestiën, of het eiland al of niet onder het octrooi

der Noordsche Compagnie behoorde, en zoo neen wie als ontdekker daarvan

moest beschouwd worden, werd van de Staten geëischt[1134].

[1134] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.

Bij eene zoo duidelijke redeneering kan het oppervlakkig eenigszins

zonderling schijnen, dat de gedaagden aanvankelijk geen aanspraak op

uitsluitende rechten gemaakt schijnen te hebben. Maar zoo sterk als

hunne zaak was voor de Staten-Generaal, die slechts over inbreuken op

het octrooi der compagnie en over het recht op de voordeelen van het

»generael octroy” als arbiters uitspraak doen konden, zoo uiterst zwak

was zij, wanneer hunne tegenpartij den gewonen weg van rechten wilde

inslaan. De Noordsche Compagnie was dadelijk begonnen met aan de Staten

over te leggen de Instructie van de bewindhebbers der compagnie, waarvan

art. 10 bepaalde, dat niemand de besluiten der vereeniging of hetgeen

hij in zijne hoedanigheid als aandeelhouder gehoord had, tot zijn

partikulier voordeel mocht aanwenden. Volgens dit artikel waren de

bewindhebbers natuurlijk volkomen gerechtigd hunne ambtgenooten, die op

het van Kerckhoff in ~hunne hoedanigheid van bewindhebbers~ vernomene

het ontdekte eiland, dat in het gunstigste geval ten bate der Delftsche

kamer had moeten komen, in hun eigen voordeel geëxploiteerd hadden, voor

de gewone rechters aan te spreken tot vergoeding van de schade, die de

Noordsche Compagnie door de gevolgen hunner onrechtmatige daad geleden

had. De verdediging van Kyen en Leversteyn was op dit punt uiterst

zwak[1135].

[1135] „Debath,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.--Mijn oordeel over

de zaak is natuurlijk gegrond op de voorstelling, die ik van de

feiten gegeven heb. Ik moet echter bekennen, dat deze uit de enkele

stukken, ons over de quaestie bewaard, onvolledig en niet altijd met

volkomen zekerheid op te maken zijn. Reeds dadelijk maakt het geen

goeden indruk, dat de N. C. na het vonnis van den Hoogen Raad in

1617 Kyen en Leversteyn niet voor den gewonen rechter om

schadevergoeding aangesproken schijnt te hebben; het bewijst, dat

ook de compagnie zich eenig onrecht bewust was. Mag men de

mededingers der N. C. gelooven, dan hadden de Amsterdammers zich o.

a. schuldig gemaakt aan afzonderlijke walvischvangst aan de

Noordkaap met Deensche passen.

Het zal dan ook wel door het bewustzijn geweest zijn, dat dit gevaar hen

dreigde nu hunne handelwijze bekend geworden was, dat Kyen en

Leversteyn, toen zij voor de door de Staten-Generaal benoemde

commissie[1136] verschenen, voorstellen deden, die men van

rechthebbenden volgens het »generael octroy” niet verwacht hebben zou.

Zij sloegen voor: dat men hun zou toelaten met vier schepen aan het

»eylant in questie” te visschen, terwijl de Noordsche Compagnie daarheen

zoovele schepen zou mogen zenden als zij wilde; òf dat men hun verlof

zou geven tot de vier reizen naar het eiland op de voorwaarden, dat zij

al, wat de ondervinding hun over de ligging en de geschiktheid daarvan

voor de visscherij had geleerd, aan hunne medebewindhebbers zouden

mededeelen en dat zij door den verkoop hunner traan de markt voor de

Noordsche Compagnie niet zouden bederven. Toen deze voorslagen werden

geweigerd, verzochten Kyen en Leversteyn eindelijk, dat de

Staten-Generaal in plaats van de »enorme sware conclusie” der Noordsche

Compagnie toe te wijzen zouden bevelen, dat beide partijen zonder

prejuditie der wederzijdsche aanspraken dit jaar aan Jan Mayen-eiland

zouden mogen visschen. Men zou zoodoende in de gelegenheid zijn het

sustenu der Noordsche Compagnie met betrekking tot de ligging van het

eiland behoorlijk te onderzoeken en na acht of tien maanden zouden de

Staten met kennis van zaken uitspraak kunnen doen[1137]. Dit voorstel

werd eindelijk 29 Februari 1616 door de Staten-Generaal

goedgekeurd[1138]. De Noordsche Compagnie was echter slechts door de

bedreiging, dat men anders met afwijzing van al hare actiën tegen Kyen

en Leversteyn over het vroeger gebeurde de nu voorgestelde regeling voor

goed zou vaststellen, tot berusten in deze uitspraak der Staten te

brengen[1139].

[1136] R. S.-G. 3 Oct. 1615.

[1137] „Cort advertissement,” in: Noordsche togten. 1. R.-A.

[1138] R. S.-G. 29 Febr. 1616.--De commandeur van het konvooi der

walvischvaarders voor 1616, Jan Jacobsz. Schrobop, kreeg dan ook van

de Stn.-Gen. bevel om met zijne stuurlieden te nemen „de rechte

Polus Hoochte vande gelegentheyt van t’ selue Eylandt, wat

streckinge, ende hoedanige opdoeninge tselue Eylandt is hebbende,”

en om van zijne bevindingen zoo spoedig mogelijk rapport te doen aan

de Stn.-Gen. (Instr. v. Schrobop dd. 23 Mei 1616, art. 5, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

[1139] R. S.-G. 16, 18, 23 Apr. 1616.

In den zomer van 1616 vischten beide partijen, nadat zij overeengekomen

waren, dat men de door beiden te vangen walvisschen zou verdeelen naar

evenredigheid van het getal der sloepen[1140], in vrede aan het eiland;

maar spoedig wendden toch beiden zich weder tot de Staten met verzoek om

bepaling van den tijd, waarin zij de bij het »generael octroy” vermelde

vier reizen moesten doen[1141]. De Staten-Generaal toonden zich geneigd

de zaak voor het volgende jaar nogmaals te schikken evenals in

1616[1142], maar de nadere kennismaking had beide partijen het gewicht

van het eiland doen beseffen. De verbittering was zoo groot, dat zij

beiden de Staten-Generaal verzochten om zonder uitstel in hunne zaak te

beslissen. De stukken waren reeds vroeger gesteld in handen van den

Hoogen Raad[1143] en na vele aanmaningen gelukte het nu, den 13 April

1617 eene definitieve uitspraak van dit college te verkrijgen[1144].

Waarschijnlijk op grond der bepaling in het »generael octroy,” dat »bij

soo verre in ofte ontrent, een tijdt, ofte in een Jaer, een ofte meer

Compagnien, nieuwe Passagien, Landen, Havenen ofte Plaetsen vonden ende

ontdeckten, de selve te samen het Octroy ende Privilegie souden

genieten,” besliste de Hooge Raad met het oog op de beide reizen van

Kerckhoff en Paelman in 1615, dat beide partijen gedurende vier jaren,

ingaande met 1618[1145] »met gelyck recht, ende sonder malkanderen

eenich beleth te doen het eylant in questie souden mogen beuisschen op

alsulcken ordre als syluyden metten anderen onderlinge souden ghoedt

vinden, off anders by de hoochgemelte heeren Staten generael soude

werden gearbitreert[1146].”

[1140] Instr. van Schrobop, art. 7, in: Noordsche togten. 4. Loop.

N. C. R.-A.--Niet te verklaren schijnt mij een request van Kyen,

Monier en Leversteyn (de drie Delftsche bewindhebbers der N. C.),

waarvan de R. S.-G. 30 Aug. 1616 spreken.

[1141] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Juni 1616, in:

Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland. R.-A.--R. S.-G. 3, 18

Oct. 1616.

[1142] R. S.-G. 3 Oct., 24 Dec. 1616, 16 Mrt. 1617.

[1143] Miss. der Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 16 Mrt. 1617, in: Lias

loop. 1617. R.-A.

[1144] R. S.-G. 25, 28, 29 Mrt., 3 Apr. 1617.

[1145] Octrooi der N. C. dd. 22 Dec. 1622, in: Groot Placaetb. I p.

675.--R. S.-G. 16 Mrt. 1618.

[1146] Sent. v. d. H. R. dd. 13 Apr. 1617.--Zie eene geheel

verkeerde voorstelling dezer quaestie by Wassenaer (Hist. verh. X

fol. 107), die echter iets van de ware toedracht der zaak vernomen

schijnt te hebben.--Om de herhaling van dergelijke onaangename zaken

te voorkomen, hielden de Staten-Generaal bij de verlenging van het

octrooi der N. C. in 1617 de beslissing van alle geschillen tusschen

de participanten aan zich. (R. S.-G. 24 Jan. 1617.--Gr. Placaetb. I

p. 673, 74.)--De N. C. stelde voortaan als straf op het openbaren en

het tot eigen voordeel gebruiken van resolutiën, adviezen,

ontdekkingen of andere geheimen der compagnie eene boete van ƒ 100

voor de armen, vergoeding van alle schade aan de N. C. en bovendien

~ontzetting van de betrekking van bewindhebber~. (Contr. der N. C.

met Zeeland, art. 8, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.)

Zoo hadden dus de kapitalisten, die hun geld in de onderneming van Kyen

en Leversteyn steken zouden, recht om ten minste gedurende vier jaren

nevens de Noordsche Compagnie openlijk als mededingers op te treden. De

gelegenheid was te schoon om ze niet te gebruiken: aan Jan Mayen-eiland

had men niet zooals aan Spitsbergen eene zware concurrentie van

buitenlanders te vreezen. De ondernemingszucht der Nederlandsche

kooplieden aarzelde dan ook niet, aandeelen op ruime schaal te nemen.

Reeds in 1616 was »de cleyne Noortsche Compagnie”, zooals men de

vereeniging noemde, in staat geweest, vijf schepen naar het eiland te

zenden, terwijl de uitrusting der Noordsche Compagnie uit slechts zes

schepen bestaan had[1147]. Eene quaestie tusschen de beide wedijverende

compagniën over den zin van het vonnis schijnt geen gevolg gehad te

hebben[1148], en de Noordsche Compagnie berustte weldra in wat niet te

veranderen was. Den 25 Mei 1620 trof zij met hare jongere zuster eene

overeenkomst, waarbij partijen op de gemeenschappelijke visscherij aan

het eiland orde stelden[1149], en elkander tot behoud der goede

verstandhouding een gedeelte van het strand tot de oprichting van de tot

de vangst noodige gebouwen toedeelden[1150].

[1147] Instr. v. Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.

[1148] R. S.-G. 17 Jan., 9 Febr. 1618.--De Stn.-Gen. verwezen

partijen weder aan den H. R., maar een nieuwe uitspraak schijnt niet

gevolgd te zijn.

[1149] Req. der kleine N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in:

Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1150] Akte der Stn.-Gen. voor de Zeeuwsche walvischvangers, in:

Groot Placaet-boeck. I p. 674.

De vereeniging der beide compagniën schijnt reeds toen vrij nauw geweest

te zijn[1151], en toen weldra de tijd aanbrak, waarop de kleine

Noordsche Compagnie door het einde van haar vierjarig recht zich zou

moeten oplossen, had de geoctrooieerde vereeniging, door herhaalde

verliezen verzwakt, er niets tegen zich door de opname der kleinere met

haar vrij aanzienlijk kapitaal te versterken. Wel is waar moest dan het

uitsluitende recht der Noordsche Compagnie op Spitsbergen opgegeven

worden, maar de visscherij aan dat eiland, waar Engeland en Denemarken

om den voorrang twistten, had in de laatste jaren sinds de exploitatie

van Jan Mayen-eiland veel van haar belang verloren. Men besloot dan ook

4 December 1620 om het volgende jaar, wanneer ook het octrooi der

Noordsche Compagnie ten einde liep, op naam der twee compagniën aan de

Staten-Generaal verlenging daarvan te vragen; tegen 26 Augustus 1621

zouden afgevaardigden van de beide vereenigingen in Den Haag verschijnen

om nadere maatregelen te beramen. Met de Zeeuwsche walvischvaarders

vereenigd, hoopte men eene groote compagnie vrij van alle concurrentie

te vormen[1152]. Toen echter de combinatie der Noordsche Compagnie met

de Zeeuwen spoedig tot stand kwam,--toen misschien eene goede vangst in

den zomer van 1621 de walvischvaarders verrijkte, schijnt de Noordsche

Compagnie gemeend te hebben, dat zij de medewerking der kleine Noordsche

wel kon ontberen. Zeker is het ten minste, dat de oude animositeit weder

opleefde, en toen de afgevaardigden der kleine Noordsche Compagnie op

den bepaalden tijd in Den Haag aankwamen, vonden zij hunne partij van

gevoelen veranderd. Tegenspraak baatte niet, en werkelijk verzocht de

Noordsche Compagnie 1 September 1621 alleen op haar eigen naam

verlenging van het octrooi voor twaalf jaren[1153]. Dadelijk

protesteerde de kleine Noordsche, en verzocht van hare zijde een octrooi

voor de walvischvangst van zes jaren[1154].

[1151] Dit maak ik op uit het feit, dat de Resolutiën der N. C.,

medegedeeld bij het request der kleine N. C. dd. 2 Sept. 1621

(Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.) getrokken zijn uit „het

resolutiebouck vande heeren Bewinthebberen vande grootte ende ~de

consorten~ vande cleyne geoctroyeerde noortsche compagnie.”

[1152] Resol. N. C. 4 Dec. 1620, 25 Mrt., 29 Juli 1621, bij het:

Req. der kl. N. C. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2

Admiraliteit. R.-A.

[1153] R. S.-G. 1 Sept. 1621, 8 Jan. 1622.--Req. der N. C. aan de

Stn.-Gen. dd. 1 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan

Mayen-eiland. R.-A.

[1154] R. S.-G. 24 Aug., 2 Sept., 6 Oct. 1621.--Req. der kl. N. C.

aan de Stn.-Gen. dd. 2 Sept. 1621, in: Noordsche togten. 2

Admiraliteit. R.-A.

De Staten-Generaal waren nu in een moeielijk geval. Eenheid in de

uitrustingen ter walvischvangst te brengen en daardoor dit bedrijf

niettegenstaande den tegenstand van buiten in de Vereenigde Nederlanden

te vestigen was steeds hun streven geweest. Hunne pogingen, in 1614 door

de vereeniging van alle bestaande compagniën onder éen octrooi zoo goed

geslaagd, waren reeds in 1616 door de oprichting van twee nieuwe

compagniën weder vruchteloos gemaakt. Wat wonder was het, dat zij, nu

twee der mededingsters zich met eensluidende verzoekschriften tot hen

wendden, dadelijk besloten om te beproeven van beide compagniën en

eventueele nieuwe participanten bij deze gelegenheid eene nieuwe

generale compagnie voor de walvischvangst te vormen[1155]. Het kapitaal

van beiden zou zoodoende voor de Nederlandsche walvischvangst behouden

blijven, zonder dat er gevaar was dat de eene compagnie de andere

doodvaren zou.

[1155] R. S.-G. 2 Sept. 1621.

Holland, als altijd toongevend in een besluit dat handel en zeevaart

betrof, poogde dadelijk de beide twistende vereenigingen door hare

tusschenkomst tot een vergelijk te brengen. Na langdurige conferentiën

sloegen de gedeputeerden der Staten van dit gewest voor, de

aandeelhouders der kleine compagnie over de kamers van Maas en

Noorderkwartier te verdeelen; de onderlinge verhouding van de kamers der

Noordsche Compagnie zou dan in zooverre gewijzigd worden, dat, terwijl

Zeeland het haar toekomende 1/4 van de geheele vangst behield, de

overschietende 3/4 in drie gelijke deelen tusschen de kamers van

Amsterdam, de Maas en het Noorderkwartier verdeeld zouden worden. Maar

deze regeling stuitte af op den bepaalden onwil der groote compagnie,

voornamelijk zeker van de Amsterdamsche kamer, die dusdoende haar

overwicht zou verloren hebben. Een andere voorslag »omme de cleyne

Compaignie te laten soo die is,” d. i. eene afzonderlijke kamer op te

richten, vond niet meer genade in de oogen der oudste zuster en ook de

jongere was hardnekkig en »wilde oick niet en affstaen.” Het scheen

onmogelijk de twistenden tot overeenstemming te brengen; de tijd der

nieuwe uitrusting naderde en de commissie wist dan ook geen beter raad

te geven, dan om »alsoo de disputen langer tyt requireerden” de beide

compagniën te machtigen, dat jaar nog op den ouden voet haar bedrijf te

oefenen en onderwijl de onderhandelingen voort te zetten. De Staten van

Holland vereenigden zich met dezen voorslag en gelastten hunne

gedeputeerden ter generaliteit in dien geest werkzaam te zijn[1156]. Zij

deden dit met het beste gevolg: reeds den volgenden dag werd door de

Staten-Generaal eene commissie benoemd, om de twee requestranten tot een

vergelijk en tot berusten in den wil der Staten-Generaal te

brengen[1157]. Na eenige weinige conferentiën bleek het echter ook aan

deze gedeputeerden, dat de onderlinge naijver der twee compagniën te

groot was om spoedig eene verzoening te weeg te brengen: de commissie

adviseerde de Staten-Generaal »hierinne met authoriteyt te decreteren

ende decideren.” Zij zelve deed daartoe in den geest van de resolutie

door Holland genomen eenen voorloopigen voorslag, dien zij wenschten,

dat de Staten-Generaal de beide compagniën op verbeurte van haar octrooi

zouden doen aannemen. Dienovereenkomstig werd besloten[1158] en de

voorslag 4 Februari 1622 gearresteerd. De geheele jaarlijksche vangst

der Nederlanders was daarbij begroot op 21.000 quarteelen traan en de

Staten-Generaal beslisten nu, dat van dit getal de geoctrooieerde

Noordsche Compagnie zou mogen vangen tot 10.000 quarteelen, terwijl de

kleine met 6000 zou moeten tevreden zijn[1159]. De kleine Noordsche

Compagnie bleef bij hare vangst als vroeger beperkt tot Jan

Mayen-eiland; de groote zou echter in mindering van haar aandeel aan de

visscherij bij dit eiland haar bedrijf ook aan Spitsbergen of elders

mogen oefenen. De voorslag zou het recht van geene der partijen bij eene

definitieve regeling praejudiciëeren, maar het was dan ook alleen bij

aanneming daarvan, dat de Staten-Generaal voorloopig nog voor éen jaar

aan beiden verlof tot de walvischvangst gaven[1160]. Aan Pieter Van der

Graeff, Reyer Van der Burch en Adriaen Dircxz. Leversteyn, die te zamen

1/4 aandeel hadden in de kleine Noordsche Compagnie, werd op hun

herhaald verzoek eene afzonderlijke vermeerdering van hunne portie

toegestaan met 1500, later met nog 300 quarteelen[1161], zoodat de

kleine Noordsche Compagnie nu bestond uit drie deelen, elk van 1500

quarteelen, en een vierde, dat onder drie kooplieden verdeeld was, die

gezamenlijk recht hadden op 3300 quarteelen[1162]. Uit de resolutie van

4 Februari zou daarop volgens de voorstellen van alle compagniën een

reglement op de walvischvangst door de Staten-Generaal gearresteerd

worden[1163].

[1156] R. H. 24 Jan. 1622.

[1157] R. S.-G. 25 Jan. 1622.

[1158] R. S.-G. 3 Febr. 1622.

[1159] De overige 5000 quarteelen werden aan de Zeeuwsche

walvischvaarders toegeleid. (Zie hierna p. 331.)

[1160] R. S.-G. 4 Febr. 1622.

[1161] R. S.-G. 10, 11, 12 Febr. 1622.--Miss. v. Delft aan de

Stn.-Gen. dd. 9 (lees: 10) Febr. 1622,--en: Req. v. Van der Graeff

c. s. aan de Stn.-Gen. (dd. 12 Febr. 1622), in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan Delft dd. 11 Febr.

1622, in: Lias loop. 1622.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 37 / 52 段