Het resultaat der reis was dus waarlijk niet gunstig voor de reeders!

Zij vielen klachtig aan hunne souvereinen de aartshertogen, die hunne

bezwaren aan het Engelsche hof kenbaar maakten[1089]. Maar onderwijl was

men van het bezoeken van Spitsbergen afgeschrikt: noch in 1614[1090],

noch in de eerstvolgende jaren vertoonde zich een Duinkerksch schip aan

het eiland[1091]. Maar de stoutmoedige geest, die reeds kapitein Fopp

gedreven had om in het hooge noorden nieuwe plaatsen voor zijn bedrijf

te zoeken, bleef zijne stadgenooten bezielen. In 1614 reedde

eene Duinkerksche compagnie, aan wier hoofd een Engelschman John

Clarke (door de Nederlanders veelal Jan De Clerck genoemd)

stond,--waarschijnlijk dezelfde vereeniging, die ook kapitein Fopp had

uitgezonden[1092],--weder een schip ter ontdekking uit. Het resultaat

was gunstig: den 28 Juni 1614 werd Jan Mayen-eiland bereikt[1093].

Terwijl dus de Duinkerksche ontdekkers ongetwijfeld beter recht hadden

dan de Nederlandsche, wier schepen eerst in Juli van hetzelfde jaar van

Spitsbergen vertrokken, schijnen zij bovendien, verstandiger dan dezen,

dadelijk van de uitmuntende gelegenheid voor de walvischvangst gebruik

gemaakt te hebben. Want hoewel de algemeene aandacht zich waarschijnlijk

eerst na 1616 door de reizen der beide Noordsche Compagniën eenigszins

op Jan Mayen-eiland vestigde, vinden wij daar reeds in den zomer van dat

jaar een of twee schepen van de Duinkerksche compagnie, bemand met

Engelsch scheepsvolk onder bevel van Guillaume Le Gouverneur en Marten

Clarke, Johns broeder, als kapitein en commies, en voorzien van de voor

de visscherij noodige Basken[1094]. Dit jaar schijnen de schepen zonder

hinder van de Noordsche Compagnie of haar mededingster, de zoogenaamde

kleine Noordsche Compagnie, gevischt te hebben; een twist met de

Zeeuwsche walvischvaarders over het onderhuren van eenige Basken had op

de rechtsquaestie geene betrekking. Eerst toen Clarke en zijne

deelgenooten in den zomer van 1617 op nieuw eene uitrusting ter

walvischvangst naar Jan Mayen-eiland deden, kregen zij onaangenaamheden

met de schepen der Noordsche Compagnie, die zich toen reeds in vrij

groot getal aan het eiland vertoonden. De Duinkerksche schippers werden

door de Nederlandsche »beschadicht” en van hunne vangst beroofd; van de

zes schepen ter walvischvangst aangekomen werden slechts twee

toegelaten, nadat zij plechtig beloofd hadden er nooit weder te zullen

komen[1095]. Natuurlijk deden de reeders toen hunne klachten weder bij

de aartshertogen, die den 15 Januari 1618 hun request met eenen

aanbevelingsbrief aan de Staten-Generaal zonden[1096].

[1089] Verclaringh vande Francoisen dd. 12 Mei 1615, in: Noordsche

togten 4. Loop. N. C. R.-A.

[1090] Verclaringh vande Francoisen l. c.

[1091] Muller, Mare Clausum. p. 162.

[1092] Ik maak dit op uit het feit, dat de Duinkerksche schepen, die

in 1613 aan Spitsbergen verschenen, evenals de vloot van deze

reederij gedeeltelijk met Engelschen bemand waren,--en vooral uit de

verklaring der N. C., dat Clarke en de zijnen „als bederuers vande

gemeene handelinge ende negotie” door de Engelschen verjaagd waren.

(Req. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche togten. 2

Admiraliteit. R.-A.)

[1093] R. S.-G. 8 Jan. 1619.--Wel beweerde de N. C. 2 Febr. 1634,

dat zij genoodzaakt was geweest „de supporter de grande(s) questions

et disputes avecq quelcques marchands de Dunquercque, lesquels

soustenoijent avoir esté les premiers trouveurs ~de Spitsberguen~”,

maar Clarke zelf verklaarde, dat het door hem gevonden eiland

gelegen was op 71-1/2° NB. (R. S.-G. 8 Jan. 1619), en uit alles

blijkt overtuigend, dat de Duinkerkers juist aan Jan Mayen-eiland

hunne nering oefenden. (Zie o. a. het vonnis v. de H. R. in zake

Lampsius c. Clarckque dd. 31 Juli 1620, dat uitdrukkelijk zegt, dat

de Duinkerkers aan „het Eijlandt In questie” vischten.)--Het is niet

onwaarschijnlijk, dat Clarke uit Hull afkomstig was, en dat Jan

Mayen-eiland dus bij deze gelegenheid den in Engeland lang gangbaren

naam van Trinity-island kreeg. (Zie hiervóor p. 190, 191.) Is dit

juist, dan stond de oprichting der Duinkerksche compagnie in verband

met plannen, om te concurreeren met de in Engeland geoctrooieerde

Moscovische Compagnie. Jakob I heeft in dat geval het recht der

compagnie op het eiland in 1618 bekrachtigd (zie hiervóor p. 191,

192 Noot 2{[716]}), hetgeen weder zeer goed sluit met de latere

interventie van Carleton voor Clarke.

[1094] Zie de twee vonnissen v. d. H. R. in zake Lampsius c.

Clarckque dd. 31 Juli 1620.

[1095] Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (lees: 1618), in: Noordsche

togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G. 16 Febr. 1618.--Dictum v. d.

H. R. dd. 1 Dec. 1622.

[1096] R. S.-G. 16 Febr. 1618.

Door schade wijs geworden, wendden Clarke en zijne compagnons Pieter

Tenge en Roland Gerard zich het volgende jaar vóor het vertrek hunner

walvischvaarders tot de Nederlandsche regeering en verzochten van deze

brieven van vrijgeleide voor vier schepen, die zij hadden uitgerust tot

de walvischvangst naar Groenland (d. i. hier Jan Mayen-eiland.)[1097] De

Noordsche Compagnie protesteerde natuurlijk, evenals hare jongere zuster

de kleine compagnie voor de walvischvangst, ernstig tegen de inwilliging

van dit verzoek, als »streckende tot confusie ende bederff vande negotie

ende handelinge vande geoctroyeerde Compaignie.” Zij noemde de

requestranten »enterloopers” en »bederuers vande gemeene handelinge ende

negotie,” die zij als onder geene geoctrooieerde compagnie behoorende

diep verachtte. Hun verzoek eindelijk, meende de Noordsche Compagnie,

behoorde afgewezen te worden als strijdig met haar recht 1^{o}. als

ontdekster van Jan Mayen-eiland, 2^{o}. als bezitster van het octrooi

van 1614, en eindelijk 3^{o}. als rechthebbende uit het contract, in

1617 met het scheepsvolk van Clarke gesloten, als voorwaarde waarop men

hen toeliet[1098]. Niettegenstaande dit krachtig aangedrongen advies,

dat in latere jaren voldoende zou geweest zijn om het verzoek der

Duinkerkers onmiddellijk te doen afwijzen, besloten de Staten-Generaal

aan Clarke te schrijven, dat de Nederlandsche schepen hem op bepaald

bevel der regeering geene verhindering in zijne nering zouden

aandoen[1099]. De schepen van Clarke schijnen dan ook in 1618 rustig aan

Jan Mayen-eiland gevischt te hebben, en ook voor het volgende jaar werd

niettegenstaande het herhaald protest der Noordsche Compagnie aan de

Duinkerkers op hun verzoek voor een jaar verlof verleend om met twee

schepen aan het eiland te mogen visschen en hun traan aan land te koken.

Ditmaal werd echter uitdrukkelijk de voorwaarde aan dit verlof

verbonden, dat het niet zou praejudiciëeren het recht van partijen in

het proces ten principale[1100].

[1097] R. S.-G. 30 Jan. 1618.

[1098] Zie deze rescriptie v. de N. C. (verkeerdelijk gedateerd 15

Maart 1619), in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.--R. S.-G.

15 Mrt. 1618.

[1099] R. S.-G. 10 Apr. 1618.--Vgl. Miss. der Stn. v. Zeel. aan de

Gedeput. dd. 4 Febr. 1620, in: N. Z. Bijlagen.

[1100] R. S.-G. 8 Jan., 16 Mei, 8 Juni 1619.--Miss. v. de Stn. v.

Zeel. aan de gedeput. ter Generalit. dd. 4 Febr. 1620, als bijlage

achter: N. Z. 1620.

Toen namelijk de klachten van Clarke over de hem in 1617 toegebrachte

schade met zijn verzoek om vergoeding den 16 Februari 1618 door de

aartshertogen aan de Staten-Generaal waren aanbevolen, hadden dezen de

stukken dadelijk in handen der Noordsche Compagnie gesteld om daarop te

antwoorden[1101]. Het lag in den aard der zaak, dat deze eerst dan door

de schade te vergoeden haar ongelijk erkennen zou, wanneer zij toegaf,

dat Clarke recht had aan Jan Mayen-eiland te visschen. Wij zagen reeds,

dat de bewindhebbers aan niets minder dachten en het is dus licht te

begrijpen, dat de geest van uitsluiting, die hen drong tot het advies om

de Duinkerksche compagnie niet aan het eiland toe te laten, hun ook het

vergoeden der schade zou ontraden. De strijd, die door de Noordsche

Compagnie tegen hare Duinkerksche zuster gevoerd werd, was dan ook,

hoewel het niet tot een eigenlijk proces kwam, lang en verbitterd. Eerst

na vele maanden kwam het eerste antwoord der compagnie op Clarke’s

klachten in, en van toen af werden gedurende een paar jaren

onophoudelijk replieken en duplieken bij de Staten-Generaal ingeleverd.

De bedrijvige Duinkerkers hadden gewoonlijk reeds weder twee of drie

nieuwe requesten gereed om hunne mededingster nader aan te sporen,

terwijl deze hun het antwoord op vroegere memoriën nog steeds schuldig

was[1102]. De Noordsche Compagnie handhaafde voortdurend het standpunt,

door haar reeds in Maart 1618 ingenomen, dat de beweerde ontdekking van

het eiland door de Duinkerkers verdicht was en zij zelve alleen dus

recht op het bezit had[1103].

[1101] R. S.-G. 16 Febr. 1618.

[1102] R. S.-G. 12, 13 Oct., 7 Nov., 4 Dec. 1618, 11, 15 Febr., 7,

29 Mrt., 30 Apr., 14, 17 Sept., 1 Oct. 1619, 25 Jan., 17 Febr., 10

Mrt., 6 Apr., 15 Juli, 9, 30 Sept. 1620.--Req. v. de N. C. dd. 10

Mrt. 1620, in: Noordsche togten. 2 Admiraliteit. R.-A.

[1103] Rescr. der N. C. dd. 15 Mrt. 1619 (1618), in: Noordsche

togten. 2 Admiraliteit. R.-A. (De ontkenning ligt in de bewering der

ontdekking door Nederlanders opgesloten.)--R. S.-G. 23 Dec. 1620.

Eindelijk, na twee jaren van twist, werd de zaak op verzoek van Clarke

in handen van eene commissie uit de Staten-Generaal gesteld om partijen

te hooren en zoo mogelijk te vereenigen[1104], maar een paar maanden

later moest men deze pogingen weder opgeven[1105]. Ook de kleine

Noordsche Compagnie, die mede aanspraak op Jan Mayen-eiland maakte,

bemoeide zich met de zaak[1106] en de wisseling van stukken begon op

nieuw[1107], toen de ambassadeur Carleton zich de zaak van den

Engelschen onderdaan aantrok en aandrong op »vuytinge” van de quaestie

met Clarke[1108]. Toen eindelijk scheen er een einde aan de zaak te

zullen komen; men besloot ze aan den Hoogen Raad van Holland in handen

te geven om er in te vonnissen, nu de pogingen tot schikking mislukt

waren[1109]. Maar ook bij dit laatste middel stuitten de Staten-Generaal

op onverwachte moeielijkheden. Zij hadden den Hoogen Raad vrij

zonderling bevolen te vonnissen »tot costen van partijen[1110]”, en deze

nam daaruit aanleiding om de behandeling der lastige zaak, waarin

zoovele belangen gemoeid, zoovele rechten betrokken waren, te weigeren

met de merkwaardige verklaring, dat »alle souueraine Princen ende

republycken schuldich ende gehouden syn haere ondersaten recht en

Iustitie sonder der seluer costen te doen administreren, gelyck tot noch

toe In dese Prouintiën Is gebruyct geweest.” Naar het oordeel van den

Raad zou het zijn »Jegens de Hoocheyt ende reputatie deser Landen,

mitsgaders digniteyt ende luyster van hun collegie, dat sy tvoorseide

proces tot coste der partyen visiteren ende daerinne sententieren

souden, als haere Hooch Mog. op hen waren begeerende[1111].” Hoewel het

later bleek, dat dit alles niets was dan een schoonschijnend

voorwendsel, terwijl de ware reden was, »dat dese saecke soo veele

ingesetenen van dese landen was aengaende, Ende dat de trefves vuyt

waren[1112],” bleven alle onderhandelingen om den Hoogen Raad van zijn

gevoelen aftebrengen vruchteloos[1113]. Men waagde eindelijk eene

poging, om partijen over te halen hun geschil bij overeenkomst aan den

Hoogen Raad als scheidsrechter te onderwerpen[1114], en waarschijnlijk

was het ten gevolge van zulk eene schikking, dat deze 1 December 1622 in

de zaak uitspraak deed. Evenals het vorige jaar bevreesd om partikuliere

belangen te kwetsen, poogde men ook nu nog partijen door de heeren Van

Vosberghen en Pauw te doen »vereenigen,” maar voor het geval, dat dit

niet gelukte, veroordeelde de Raad de Noordsche Compagnie, om aan Clarke

en zijne deelgenooten te vergoeden de hoofdsom met interessen van alle

schade, door hen geleden »deurt belet hen gedaen In haren Walvischvanck

ende het affnemen van haerluyder traen[1115].” Toen eindelijk schijnt de

Noordsche Compagnie in de schikking toegestemd te hebben[1116], want tot

een nader vonnis kwam het niet.

[1104] R. S.-G. 1 Mei, 30 Sept., 3 Oct. 1620.

[1105] R. S.-G. 20 Oct., 5 Nov., 3 Dec. 1620.

[1106] R. S.-G. 3 Dec. 1620.

[1107] R. S.-G. 16, 23 Dec. 1620.

[1108] R. S.-G. 4 Jan. 1621.

[1109] R. S.-G. 5 Jan. 1621.

[1110] Miss. v. de Stn.-Gen. aan den H. R. dd. 5 Jan. 1621, in: L.

loop. 1621.

[1111] Miss. v. d. H. R. aan de Stn.-Gen. dd. 23 Apr. 1621, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--R. S.-G. 27 Apr. 1621.

[1112] R. S.-G. 4 Mei 1621.

[1113] R. S.-G. 28, 29 Apr., 4, 11, 22 Mei, 13 Juli 1621.

[1114] R. S.-G. 4 Mei 1621.

[1115] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

[1116] De N. C. beweerde in 1634, „qu’il a Convenu a ceux de la

Compaignie de supporter de grande questions et disputes avecq

quelcques marchands de Dunquercque, lesquels aussi soustenoijent

avoir esté les premiers trouveurs de Spitsberguen (lees: Jan

Mayen-eiland), Toutes lesquelles traverses et molesties il a fallu

qu’ils aijent superées avec grande patience, et defendre leur bon

droict ~avec frais et despens excessifs, de sorte qu’à cela ont esté

despendus et consumez Capitaux tout entiers~.” (Req. der N. C. c.

Vrolicq dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.)

Was dus Clarke tegen de Noordsche Compagnie in het gelijk gesteld, het

kon hem nu gewis vrij onverschillig zijn. Zeker was het hem minder om de

schadevergoeding zelve te doen geweest, dan om zijn recht voor het

vervolg erkend te zien, maar eene zoo late erkenning baatte hem niets.

Want hoewel de Hooge Raad de Duinkerkers bij dezelfde uitspraak zelfs

ontsloeg van het hierboven vermelde contract van 1617, waarbij hun

scheepsvolk zich verbonden had, niet weder op Jan Mayen-eiland te

verschijnen[1117], en hun recht op de vrije visscherij dus bepaald

erkend was, komt het mij niet twijfelachtig voor, dat hunne

walvischvangst daardoor in geenen deele bevoordeeld is. Reeds in 1620

was er, toen Clarke van de Staten-Generaal hangende het proces wederom

verzocht had te zorgen, dat de Noordsche Compagnie de schepen, die hij

ook nu weder voornemens was naar Jan Mayen-eiland te zenden, niet

hinderde[1118], op zijn request geene dispositie gevolgd en dus de

visscherij aan het eiland voor hem onveilig geworden. Mogelijk heeft hij

echter niettegenstaande de herhaalde oneenigheden met de Noordsche

Compagnie dit jaar nog volgehouden, maar toen »de trefves vuyt waren”

was het ondenkbaar, dat de onderdaan der aartshertogen zich zou kunnen

handhaven tegen de machtige Nederlandsche compagnie, voortaan door den

oorlog gerechtigd tot openlijke vijandelijkheden[1119].

[1117] Dictum v. d. H. R. dd. 1 Dec. 1622.

[1118] R. S.-G. 27 Mrt. 1620.

[1119] Dat de Duinkerkers de walvischvangst opgaven, schijnt ook

opgemaakt te kunnen worden uit de verklaring der N. C. in haar

request aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.

* * * * *

Bij de groote overeenkomst van de geschillen der Noordsche Compagnie met

Vrolicq en Clarke in aanleiding en doel, verschillen zij echter

onderling in twee opzichten. Terwijl over de zaak van Vrolicq nagenoeg

geen enkel stuk uit de nog voorhanden, hoewel verspreide verzameling

gemist wordt, is van de gedurende vier jaren tusschen de Noordsche

Compagnie en Clarke gewisselde stukken er nauwelijks éen overgebleven om

ons over het sustenu der partijen in te lichten. Zelfs de resolutiën der

Staten-Generaal, anders soms een vruchtbare bron, geven hier, hoewel zij

zeer dikwijls van de zaak spreken, nagenoeg niets dan bevelen, die op de

wisseling der stukken betrekking hebben. Ook de registers onzer

rechterlijke collegiën kunnen ons hier slechts weinig helpen. Het

hierboven over Clarke en zijne pretensie medegedeelde is dus slechts het

geraamte eener zaak, die, wanneer men ze door betere kennis der

omstandigheden vleesch en bloed kon bijzetten, misschien even leerzaam

zou zijn voor de kennis der beginselen, die de Noordsche Compagnie

leidden, als de andere in dit hoofdstuk behandelde. Nu reeds bezit zij

in tegenstelling met deze het belang, dat zij ons overtuigend bewijst,

dat, terwijl de Noordsche Compagnie, reeds bij hare oprichting even

exclusief als gedurende haar geheele verdere bestaan als geoctrooieerde

compagnie, ook tegenover de ontdekkers van het door haar bezeten land

haar onrechtmatig systeem volhield, de Staten-Generaal hunne vrijzinnige

beginselen wijzigden, naarmate de omstandigheden het belang der

Nederlanders verplaatsten. Terwijl de regeering in 1618 verstandig

genoeg was om in te zien, dat, wanneer men eenige kans wilde hebben op

eene overwinning in de hevige geschillen met de Engelschen over de

walvischvangst, men dan ook vooral tegen een Engelsch onderdaan

consequent moest vasthouden aan de vrijzinnige leuze, die de steun der

Nederlandsche diplomaten in hunne onderhandelingen met Jakob I was,

vergat zij in latere jaren, toen de Nederlandsche walvischvangst zich

krachtig ontwikkeld had en zich met goeden uitslag tegen alle

mededingers staande hield, welke beginselen haar in vroegere jaren

geleid hadden, en gaf zij aan Jean Vrolicq gegronde aanleiding om te

zeggen, dat hij »van haer Ho: Mo: alsoo veel gunste verwacht hadde, als

in gelycke gelegentheyt voor desen genoten hadde gehadt Jan Clerck

woonende tot Duynkercken.”[1120]

[1120] Rescr. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder

de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.

HOOFDSTUK IX.

BINNENLANDSCHE WEDIJVER.

De strijd met de buitenlandsche mededingers was dus volstreden en het

jaar 1642 vond de Noordsche Compagnie zegevierend gevestigd in de

Mauritius-baai op Spitsbergen en in het ongestoord bezit van Jan

Mayen-eiland. Ongelukkig voor haar was juist dit jaar bestemd om haren

val te zien. Buitenlandsche concurrentie kon de Nederlandsche kooplieden

der zeventiende eeuw niet van de eens ingenomene plaats verdrijven, maar

eindelijk bezweek de bevoorrechte vereeniging voor den tegenzin harer

landgenooten, die haar reeds sinds hare oprichting gedurig met

vernietiging had bedreigd.

Wij zagen, dat reeds op den dag, toen het octrooi der Noordsche

Compagnie verleend werd, de tegenwerking van Le Maire aan de Staten eene

heilzame beperking daarvan afdwong; de nieuwe compagnie moest daardoor

steeds op hare hoede zijn voor mededingers, die éen enkele gelukkige

reis voor haar kon oproepen. Had ook op den duur deze maatregel voor de

compagnie niet de gewichtige gevolgen, die men er gewis van verwacht

had, weinige maanden na de uitvaardiging bracht het »generael octroy”

aan de bevoorrechte walvischvangers toch een gevoeligen slag toe. Van de

drie kwetsbare plekken, die het uitsluitende octrooi der Noordsche

Compagnie aanbood en die achter elkander zouden gebruikt worden om

concurrenten op te roepen, was de beperking van het charter der

vereeniging door het »generael octroy” de eerste bres, waardoor men

eenen aanval op haar monopolie deed.

In het vijfde hoofdstuk hebben wij gezien, dat in Juli 1614 door twee

schepen van de Noordsche Compagnie op 71-1/2° NB. toevallig ontdekt werd

een den Nederlanders nog onbekend eiland, dat naar den bevelhebber der

expeditie Jan Mayen-eiland genoemd werd. De reis werd gedaan op kosten

der kamers van Amsterdam en Enkhuizen. Maar de Delftsche kamer der

Noordsche Compagnie had in hetzelfde jaar onder bevel van kapitein Jan

Jansz. Kerckhoff een ander schip »het cleyne Swaentgen” naar het noorden

gezonden. Ook Kerckhoff kwam kort na de andere reizigers toevallig aan

Jan Mayen-eiland, en verstandiger dan zijne voorgangers ging hij aan

land en onderzocht het nauwkeurig. Natuurlijk werd na de terugkomst der

drie schepen rapport van de reizen gedaan aan de bewindhebbers, die ze

uitgezonden hadden, maar de aandacht der Amsterdammers schijnt zich op

de gedane ontdekking niet bizonder gevestigd te hebben. Althans toen zij

aan Z. Exc. en aan eene commissie uit de Staten-Generaal rapport van

hunne reis deden, schijnt van Jan Mayen-eiland niet gesproken te zijn;

aan de Delftsche bewindhebbers werd het overgelaten, of zij door hunnen

kapitein Kerckhoff volgens de bepalingen van het »generael octroy”

verslag van hunne ontdekking wilden doen aan de Staten-Generaal[1121].

Eerst daardoor toch, zoo was er voorgeschreven, kon men eene akte

verkrijgen, dat men recht had op de vier als belooning der ontdekking

uitgeloofde reizen, met de bepaling van den tijd, waarin die reizen

volbracht moesten zijn[1122].

[1121] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 Aug. (lees: 2 Sept.)

1615, in: Noordsche togten. 3 Ontd. v. Jan Mayen-eiland.

R.-A.--„Debath gedaen maecken” enz. v. Kyen c.s. aan de gecommitt.

der Stn.-Gen., in: Noordsche togten. 1. R.-A.

[1122] Gr. Placaet-boeck. I p. 564.

Ondertusschen dachten de Delftsche heeren aan niets minder. Kerckhoff

had na zijne terugkomst dadelijk uitvoerig rapport van zijne bevindingen

gedaan aan de twee bewindhebbers der Delftsche kamer, onder wier

toezicht deze uitrusting geschied was, Nicasius Kyen en Dirck Adriaensz.

Leversteyn (de derde bewindhebber Antonie Monier was in 1614 zelf als

bevelhebber der visscherijvloot mede naar Spitsbergen gegaan en dus niet

tegenwoordig geweest.) De kapitein verhaalde aan zijne reeders dadelijk,

dat hij aan het nieuwe eiland eene menigte walvisschen gezien had: de

zee scheen daar ten minste even vischrijk als bij Spitsbergen. Deze

belangrijke ontdekking, die aan de andere schippers ontgaan schijnt te

zijn, wekte natuurlijk in hooge mate de belangstelling der beide

bewindhebbers: zij waren de mannen er niet naar om hun voordeel daarmede

niet te doen. Niet zeer kiesch in de middelen om winst te maken,

schijnen beiden personen geweest te zijn van meer dan gewone bekwaamheid

en volharding. De familie Kyen had dadelijk aan de beginselen der

walvischvangst hare aandacht gewijd en er krachtig aan deelgenomen:

terwijl een der leden reeds in 1612 als commies op het schip van Van

Muyden aanwezig was en op Prince Charles’ foreland den dood vond[1123],

vinden wij Nicasius onder de oprichters der Noordsche Compagnie genoemd.

Dadelijk had hij eenen zetel ingenomen als bewindhebber van de kamer der

nieuwe compagnie, die te Delft, de stad zijner inwoning, gevestigd

werd[1124]; naast hem vinden wij Dirck Adriaensz. Leversteyn genoemd,

den energieken man wiens krachtig optreden tegen de Noordsche Compagnie

eene soms verrassende overeenkomst vertoont met de rol, door Isaac Le

Maire in dezelfde jaren tegenover de Oost-Indische gespeeld[1125]. Ook

zijne familie wijdde zich met kracht aan de exploitatie der

walvischvangst: terwijl zijn zoon Abraham in 1618 als bevelhebber der

walvischvaarders op Spitsbergen tegen de Engelschen optrad, was

een andere zoon, Adriaen, de man die de taak zijns vaders moedig

opvatte. Reeds in 1616 kapitein op een walvischvaarder aan Jan

Mayen-eiland[1126], was hij het, die in 1618, 1624 en 1625 de drie

reizen deed ondernemen, die oorzaak waren, dat op Groenlands oost- en

westkust nieuwe plaatsen voor de walvischvangst geschikt werden

ontdekt[1127].

[1123] Poole, Relation of a Voyage to Greenland in 1612, bij:

Purchas, Pilgrimes. III p. 714.--Hist. du pays de Spitsberghe. p.

12.

[1124] De heer burgemeester Kien, die met groote welwillendheid op

mijn verzoek wel heeft willen nazien, of zijne familiepapieren

stukken betreffende de kleine Noordsche Compagnie en haren oprichter

bevatten, bericht mij, dat het archief der vereeniging niet onder

hem berust. Nicasius Kien was volgens aantekening in gemelde

familiepapieren zijnen vader Pieter Kien in November 1604 opgevolgd

als Commissaris-generael van de Vivres. Beiden liggen met hunne

wapenen begraven in een grafkelder van het koor der Groote kerk te

’s-Gravenhage.

[1125] Ofschoon Leversteyn eerst in 1631 overleed, schijnt hij zich

weldra van de zaken teruggetrokken te hebben. Reeds in 1622 toch

vinden wij zijnen zoon Adriaen als aandeelhouder der kleine N. C.

genoemd; hij zelf stierf als „Contrerolleur vande buyten Ontfanck”

te Grave. (R. S.-G. 21 Febr., 22 Mrt. 1631.)

[1126] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop als commandeur van het

konvooi der walvischvaarders dd. 23 Mei 1616, in: Noordsche togten.

4. Loop. N. C. R.-A.

[1127] Zie hiervóor p. 178, 181, 184.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 36 / 52 段