onmogelijk door Christiaan IV gebillijkt worden en de Franschen stonden
dus alleen tegenover de Noordsche Compagnie. Zij waren nu onafhankelijk;
maar het bleek weldra, dat zij toch nog te zwak waren om op eigen beenen
te staan. Gödert Braem, weder in de Robbenbaai aanwezig, liet Vrolicq
naar het schijnt wel toe nevens hem te visschen, maar toen den 29 Juni
de Nederlandsche commandeur Jacob Jansz. Duynkercker daar ook verscheen
en Vrolicq aan boord klampte, maakte Braem zich niet als in 1631 gereed
om de Franschen te verdedigen, maar wachtte kalm af hetgeen gebeuren
zou. Duynkercker--steunende op den last der Noordsche Compagnie, die het
uitsluitend recht der Denen op de Robbenbaai niet erkende,--verbood
daarop aan Vrolicq op last der Noordsche Compagnie het visschen aan
Spitsbergen. Hij liet hem aanzeggen, dat hij hem krachtens de ontdekking
en toeëigening van de Mauritius-baai en de aangrenzende plaatsen door de
Noordsche Compagnie en het octrooi aan haar verleend, verzocht zich te
begeven naar de opene zee of elders buiten het Nederlandsche gebied,
waar goede gelegenheid voor de visscherij was. Vrolicq van zijn kant
beriep zich op zijn octrooi en op zijn gerust bezit en gebruik der
Robbenbaai in 1631; de ontdekking en toeëigening van Spitsbergen door
Nederlanders wilde hij niet ontkennen, »alsoo de selve dispute
genouchsaem bij andere tegens die vande Compaignie gedaen wort,” maar
het eigendomsrecht der Nederlanders op geheel Spitsbergen en met name op
de Robbenbaai, waar hij beweerde dat zij nooit gevischt hadden, ontkende
hij bepaaldelijk. Ten slotte wees hij op de goede verstandhouding der
Staten-Generaal met Frankrijk, die met eene vijandelijke behandeling der
Fransche walvischvaarders zoo weinig zou strooken[1052]. Duynkercker was
echter niet gezind juridieke debatten te beginnen; hij liet aan Vrolicq
eenvoudig een antwoord insinueeren, waarin hij op de reeds aangevoerde
gronden dreigde, bij weigering van vertrek »genootsaeckt te sullen wesen
te gebruycken soo daenige middelen van wapens ende andersints als hy
soude meynen tot dienste van syn voornemen de stercxste ende
crachtichste te wesen.” Vrolicq herhaalde daarop mondeling de
verzekering, dat hij volgens zijn Fransche pas en verkregen recht zou
voortgaan met visschen totdat hij met geweld verdreven werd[1053], en de
Nederlanders waren dus wel genoodzaakt, wilden zij hun doel bereiken,
geweld te gebruiken. Nauwelijks begonnen zij echter hunne bedreiging uit
te voeren, of de Franschen maakten zich tot het vertrek gereed, en de
zaak liep dus zonder bloedvergieten af. Vrolicq vertrok met zijne twee
schepen en het derde, dat hij onderweg ontmoette, naar IJsland, waar hij
echter te vergeefs trachtte eene goede vangst te doen: toen hij in het
najaar te Havre de Grace binnenviel, had de reis hem niet alleen geen
winst, maar zelfs een verlies van 350,000 livres opgeleverd[1054].
[1052] In de later gewisselde stukken beriep Vrolicq zich
herhaaldelijk op het volkenrecht, volgens hetwelk „t’ eenemael
woeste ende onbewoonde landen gehouden werden van deselve natuyre
ende recht als de zee selffs.” (Req. aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr.
1633, onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.) De
N. C. antwoordde daarop met een beroep op de handelwijze der
Franschen zelven in Canada en Terre-neuve, waar het aan alle vreemde
volken verboden was te visschen of te handelen. (Req. der N. C. dd.
2 Febr. 1634, bijl. E. l. c.)
[1053] Zie de drie gewisselde stukken bij elkander in: L. F. 1633
(bij de nota van Baugy dd. 11 Mrt. 1633); de twee eerste bevinden
zich ook onder de: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1054] Zie over deze reis van Vrolicq: Req. v. Vrolicq en v. de N.
C. dd. 11 Mrt., 8 Apr. 1633, onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
betr. de N. C. R.-A.--Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. l. c.
Dadelijk wendde Vrolicq zich dan ook tot den koning van Frankrijk; hij
verzocht hem de Nederlanders te dwingen om het Fransche octrooi voortaan
niet weder te schenden en om de hem en zijnen deelgenooten toegebrachte
schade te vergoeden. In Frankrijk was men echter niet geneigd, om zulk
eene betrekkelijk onbelangrijke zaak geweld te gebruiken en men verwees
dus Vrolicq naar de Staten-Generaal als de overheid der Noordsche
Compagnie, om door hunne tusschenkomst schadevergoeding en betere
regeling voor het vervolg te verkrijgen[1055]. Daartoe wendde zich dus
Vrolicqs zaakgelastigde Isaac Mahieu, een deelgenoot der Fransche
compagnie, den 11 Maart 1633 tot de Staten en verzocht na breedvoerig
verhaal van het in 1631 en 1632 voorgevallene behalve vergoeding der
geledene schade eene akte, waarbij aan de Noordsche Compagnie
bepaaldelijk verboden werd de Franschen te hinderen in hunne visscherij,
al werd die binnen de grenzen van haar octrooi gedreven, opdat de
schepen, die Vrolicq voornemens was in 1633 weder naar Spitsbergen te
zenden, ongestoord hun bedrijf zouden kunnen oefenen. Een proces over de
geldigheid van het Fransche octrooi werd reeds dadelijk geweigerd:
Vrolicqs ondervinding in de zaak van Braem had hem genoeg geleerd, dat
er van de Nederlandsche rechters niets te hopen was en hij schreef dus,
»dat de kennisse van de qualiteyt van het octroy niet en competeert aen
eenich Hoff ofte Gerichte van herwaerts over”[1056]. De Fransche
ambassadeur Baugy voegde bij deze memorie eene aanbevelende nota, waarin
hij er op wees, dat de visscherij aan Spitsbergen den Franschen even
goed als aan alle andere natiën, die jaarlijks schepen daarheen zonden,
vrij moest zijn[1057].
[1055] Req. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, onder de:
Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.
[1056] Zie het request onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de
N. C. R.-A.--Vgl. R. S.-G. 11 Mrt. 1633.
[1057] Zie de nota in de: L. F. 1633.
Op deze stukken, die dadelijk aan de Noordsche Compagnie gezonden
werden, antwoordde deze weldra (8 April) met een breedvoerig verhaal van
Vrolicqs aandeel aan haar proces met Braem, eene uiteenzetting van zijne
verdere handelwijze sinds 1629, en eindelijk met hevige klachten over
twee Baskische schepen, die in 1632 aan Jan Mayen-eiland de loges der
compagnie geplunderd hadden[1058]. De compagnie verklaarde zich bereid,
met Vrolicq voor de Nederlandsche rechters te procedeeren, en verzocht
onderwijl onder beroep op haar met zooveel moeite verkregen recht en
onder verwijzing naar het belang der Nederlandsche walvischvaarders
handhaving van haar octrooi tegen alle inbreuken[1059]. Van Fransche
zijde werd deze redeneering den 15 April beantwoord met eene korte
uiteenzetting van Vrolicqs goed recht tot het oprichten eener Fransche
compagnie voor de walvischvangst op gezag van den koning, een plan »dat
by alle redelycke menschen altyts gehouden soude werden voor goet,
eerlyck ende pryselyck.” Na uitvoerige wederlegging van alle hem door de
Noordsche Compagnie toegedichte streken bleef Vrolicq standvastig een
proces weigeren[1060].
[1058] Zie over deze hier niets ter zake doende gebeurtenis:
hiervóor p. 262.--Natuurlijk is ook het aandeel van Vrolicq aan de
zaak van Braem hier van geen belang.
[1059] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N.
C. R.-A.--R. S.-G. 8 Apr. 1633.--De N. C. beweerde o. a. in deze
memorie, dat „onder de mede participanten” van Vrolicq ook waren
„eenige Nederlandsche Factoors tot Roan haerlieden onthoudende,
dewelcke naer apparentie oock haere meesters hadden in dese Landen.”
Vrolicq antwoordde 15 April, dat door de N. C. „sonder reden ende
fondament gesuspicieert werdt, dat onder zyne geassocieerde waren
eenige inwoonders van dese landen, nochte ondersaeten van haere Ho:
Mo:”. Niettemin waren zulke praktijken ter ontduiking van het
octrooi der N. C. niet ongewoon, getuige het plakkaat der Stn.-Gen.
van 11 Maart van hetzelfde jaar, waarvan boven (p. 265) sprake was.
[1060] Zie de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N.
C. R.-A.--R. S.-G. 15 Apr. 1633.
De zaak scheen op de lange baan geschoven te zullen worden, en Baugy
voegde dan ook bij Vrolicqs repliek eene nota, waarin hij op
terzijdestelling van alle »longueurs affectées” aandrong[1061]. De
Staten-Generaal stelden toen dadelijk alle stukken, die op deze zaak
betrekking hadden, in handen van den heer Van Vosberghen, om de zaak zoo
mogelijk te schikken in overleg met de Noordsche Compagnie[1062]. Deze,
niet meer in de gelegenheid om Vrolicqs laatste vertoog te beantwoorden,
en bevreesd, dat de Staten-Generaal haar in het ongelijk zouden stellen,
leverde 3 Mei nog eene memorie over, waarin zij, terwijl zij haar recht
op hare in Spitsbergen gevestigde kolonie nader aandrong, zich eindelijk
bereid verklaarde de Franschen met twee schepen op het eiland toe te
laten, maar op voorwaarde, dat zij niet verschenen binnen »den cleynen
hoeck”, dien de Nederlanders voor hunne visscherij gebruikten, namelijk
»buyten delimytten van Magdalenen baije ende de noorder punt ofte
noorder gatt”[1063]. De voorzorg was echter geheel overbodig:
Vosberghens pogingen liepen vruchteloos af[1064] en Vrolicq zelf
weigerde verdere wisseling van stukken, die hem nutteloos scheen[1065].
Toen Baugy later op voldoening aandrong, nam de provincie Holland de
zaak over[1066]. Alle pogingen om haar tot een besluit te brengen waren
vruchteloos, en eindelijk werd 8 November »de saecke daerbij
gelaten”[1067].
[1061] Zie de nota bij de memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput.
betr. de N. C. R.-A.--R. S.-G. 15 Apr. 1633.--R. H. 3 Mei 1633.
[1062] R. S.-G. 15 Apr. 1633.
[1063] Zie deze memorie onder de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de
N. C. R.-A.--R. S.-G. 3 Mei 1633.
[1064] R. S.-G. 23 Apr., 3 Mei 1633.
[1065] Mem. v. Vrolicq aan de Stn.-Gen. dd. 15 Apr. 1633, onder de:
Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Apostille v. d.
notaris V. d. Aa achter de memorie der N. C. dd. 8 Apr. 1633, onder
de: Stn. v. d. Hrl. gedeput. betr. de N. C. R.-A.--Req. der N. C.
dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. F. l. c.--R. S.-G. 31 Mei 1633.
[1066] R. S.-G. 31 Mei 1633.
[1067] R. S.-G. 2 Juni, 11 Juli, 10 Aug., 28 Sept., 17 Oct., 8 Nov.
1633.--R. H. 1 Sept.--8 Oct. 1633, p. 88.--Nota v. Baugy dd. 2 Juni
1633, in L. F. 1633.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 89.
Onderwijl had Vrolicq niet stil gezeten. Reeds den 11 Maart had hij den
Staten-Generaal zijn voornemen te kennen gegeven, dit jaar weder eene
uitrusting op Spitsbergen te doen en 20 Mei had Baugy in de volle
statenvergadering medegedeeld, dat de schepen vertrokken waren.
Werkelijk kwam Vrolicq met vier schepen den 27 Juni nogmaals in de
Robbenbaai aan, maar reeds den volgenden dag ontving hij bevel van den
Nederlandschen commandeur Cornelis Pietersz. Ys om bij hem aan boord te
komen. Vrolicq begaf zich dadelijk naar de Mauritius-baai, waar Ys zich
bevond, en er ontstond eene hevige woordenwisseling. Ys verklaarde, dat
hij in het volgens zijn zeggen door de Nederlanders bezeten gebied
niemand dan de Denen kon toelaten en de Franschen dus verzocht die
plaats te verlaten, om ergens anders ten zuiden daarvan eene voor de
walvischvangst geschikte baai op te zoeken. Vrolicq antwoordde daarop
natuurlijk met een beroep op zijn octrooi, maar na herhaalde wisseling
van stukken week hij eindelijk voor de bedreiging van geweld en
onderwierp zich aan den eisch van den commandeur. Hij stelde eerst voor,
de zoogenaamde Engelsche baai in Fairhaven voor zijne vestiging te
kiezen, maar de Nederlanders ontzeiden hem nadrukkelijk het verblijf
daarin, »aengesien deselue was gelegen inde visscherie ende neringe by
hen geexerceert.” Ook Maudlen-sound werd om dezelfde reden afgekeurd,
maar ten zuiden daarvan buiten het gezicht der Nederlanders mocht
Vrolicq eene baai uitzoeken om te visschen, of zoo hij wilde zich naar
de opene zee terugtrekken[1068]. De Franschen vertrokken daarop
eindelijk na lang talmen en niet voordat zij verscheidene malen met
geweld bedreigd waren, naar eene baai op korten afstand van
Maudlen-sound gelegen, die zij kort te voren hadden laten opnemen en »le
Refuge Français” genoemd hadden.
[1068] Zie de zeven over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen
bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.
R.-A.
Het schijnt, dat deze wijkplaats--een kleine baai op de westkust van
Spitsbergen, juist halverwege tusschen Maudlen-sound en de
Hamburgerbaai[1069]--door Vrolicq met buitengewone behendigheid gekozen
was; zij was gelegen »sur l’advenue des balleines” en zoo uitnemend voor
de visscherij geschikt, dat de Nederlanders de concurrentie vreezende,
niet alleen de Engelschen, onder wier zoogenaamd gebied de plaats
behoorde, schijnen te hebben willen overhalen om de Franschen te
verdrijven, maar ook later aan de Staten-Generaal bij request
verzochten, dat zij Vrolicq zouden willen bevelen, zich op eenen afstand
van niet minder dan tien mijlen van hunne vestiging op te houden. Van
dit alles kwam echter niets; maar Vrolicq van zijne zijde was
kleingeestig genoeg, om niettegenstaande het groote voordeel, dat zijne
baai hem beloofde, herhaaldelijk eenige van zijne sloepen naar het
noorden te zenden en ze bepaaldelijk in Maudlen-sound te laten
visschen. Het was te voorzien, dat de Nederlanders dit niet zouden
dulden, maar eerst nadat door hen op vijf sloepen beslag gelegd en met
nog krassere maatregelen gedreigd was, bleef Vrolicq binnen de nu
eenmaal door hem zelven gekozene grenzen[1070].
[1069] Zij staat als „Baskes bay” aangeteekend op de kaart der
IJszee in den atlas van Colom (1656). Ook nog als „Basken bai” op
Petermanns kaartje van Spitsbergens noordwesthoek achter: Lindeman,
Arkt. Fisch. der Deutschen Seestädte.--Zeker heeft de Biscayer-hoek,
reeds in 1633 door Vander Brugge (Journael der Seeven Matroosen. p.
8) vermeld, niets met de zaak van Vrolicq te maken; waarschijnlijk
draagt hij zijnen naam naar eenige Biscaaische harpoeniers in
Nederlandschen dienst.
[1070] Zie de drie over deze zaak gewisselde stukken als bijlagen
bij de memorie van Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. loop. N. C.
R.-A.--Zie het op deze reis voorgevallene uitvoerig verhaald in:
Mem. v. de N. C. en v. Vrolicq dd. 2 Febr., 30 Mrt. (?) 1634, in:
Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.
Nauwelijks waren de vier Fransche schepen in het vaderland teruggekeerd,
of zij deelden den koning hunne bezwaren mede over de hun door het nemen
der vijf sloepen toegebrachte schade; zij klaagden vooral, dat de
slechte uitslag hunner reis hen voor meer dan 100,000 livres benadeeld
had, en toonden zich zeer teleurgesteld, dat in hunne afwezigheid door
de vereenigde bemoeiingen van Baugy en Mahieu nog geene vergoeding der
schade van 1632 verkregen was. Op al deze gronden verleende dan ook de
admiraliteit van Rouaan den 30 December 1633 aan Jean Vrolicq volmacht
om beslag te leggen op de in Frankrijk aanwezige goederen der Noordsche
Compagnie[1071], en weldra werd aan dit verlof gevolg gegeven door het
arrest, gelegd op de goederen der compagnie, berustende onder kooplieden
te Rouaan, Bordeaux en Bayonne[1072]. Om de gevoeligheid der Franschen
te toonen, was ook reeds aan de Basken verboden in Nederlandschen dienst
ter walvischvangst uit te varen[1073].
[1071] Zie dit stuk als bijlage I achter het Req. der N. C. dd. 2
Febr. 1634. l. c.--Vgl. R. H. 6 Apr. 1634.
[1072] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. I. l. c.--Vgl. R. H.
verg. v. 14 Mrt.--8 Apr. p. 27.
[1073] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634. Bijl. H. l. c.
Natuurlijk werd de zaak nu in Nederland weder levendig. De Noordsche
Compagnie, ondersteund door de regeeringen van verschillende Hollandsche
steden, verzocht 2 Februari 1634 de tusschenkomst der Staten-Generaal
tot opheffing van het arrest en intrekking van het Rouaansche vonnis;
zij eischte tevens, dat de Staten zouden zorgen, dat Vrolicq haar niet
meer hinderde en dat hij, zoo hij voornemens was weder op Spitsbergen te
verschijnen, haar gebied niet betreden, maar integendeel tien mijlen van
daar verwijderd blijven zou[1074]. Ook Vrolicq zelf wendde zich op bevel
van koning en kardinaal nog eenmaal met eene memorie tot de Staten en
verzocht, dat zij hem vergoeding der dien zomer geledene schade
verschaffen en maatregelen nemen zouden, dat hij het volgende jaar
ongestoord aan Spitsbergen kon verkeeren[1075]. Beide stukken werden
reeds dadelijk in handen eener commissie gesteld en de zaak bleef dan
ook, niettegenstaande Baugy ze »seer yverich vervolgde” en »seer hart
aenhielt” om antwoord, voorloopig rusten[1076]. Eerst in Mei werden er
pogingen aangewend, om door conferentiën van de Noordsche Compagnie met
gedeputeerden uit de Staten-Generaal de zaak te schikken; men wilde op
Spitsbergen eene grensregeling maken, opdat ieder der beide partijen op
haar eigen gebied hare visscherij ongehinderd zou kunnen oefenen[1077].
Lang duurden de onderhandelingen, en toch schijnt men het niet eens te
hebben kunnen worden[1078]; eerst op het uiterste oogenblik toch werd
aan Baugy, die gereed stond naar Frankrijk te vertrekken, het antwoord
der Staten op zijne herhaalde vertoogen ter hand gesteld[1079]. Het
luidde weinig bevredigend: de Staten-Generaal wezen op het recht der
Nederlanders als ontdekkers van Spitsbergen en bezitters van het land,
bepaaldelijk van de Robbenbaai; de geringe omvang van het Nederlandsche
gebied, waar onmogelijk de Franschen en de Nederlanders gezamenlijk
zouden kunnen visschen zonder elkander wederzijds te benadeelen, werd
als reden voor de weigering van toelating daarbij gevoegd. De Staten
oordeelden het wenschelijk, dat de Franschen zich ten zuiden van het
Nederlandsche gebied vestigden; de zaak zou zoodoende in der minne
geschikt kunnen worden, en terwijl de Noordsche Compagnie behouden zou
wat haar toekwam konden de Franschen op eenen onderling te bepalen
afstand even goed en gemakkelijk visschen als in de zoo begeerde
Robbenbaai. De Fransche regeering werd dus uitgenoodigd om met de
Nederlandsche in overleg te treden, ten einde met onderling goedvinden
de wederzijdsche grenzen te bepalen[1080]. Over de quaestie der door
beide partijen geledene schade waren de Staten-Generaal korter: er werd
geklaagd over het vonnis der Rouaansche admiraliteit en intrekking
daarvan verzocht; de klachten van Vrolicq over hem toegebrachte schade
werden als geheel ongegrond afgewezen. Eene laatste poging werd
eindelijk gewaagd om de zaak bij gewoon proces te eindigen[1081].
[1074] Zie het request der N. C. in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
C. R.-A.--Vgl. R. S.-G. 2, 7 Febr. 1634 (waar de inhoud der memorie
echter onjuist voorgesteld wordt.)
[1075] Zie de memorie (dd. 30 Maart 1634?) in: Noordsche togten. 4.
Loop. N. C. R.-A.
[1076] R. S.-G. 30 Mrt., 28 Apr. 1634.--R. H. verg. v. 14 Mrt.--8
Apr. p. 27.
[1077] R. S.-G. 15, 30 Mei 1634.
[1078] R. S.-G. 10, 27 Juni 1634.
[1079] R. S.-G. 22, 24 Juli 1634.
[1080] Zeer juist zetten de Stn.-Gen in deze nota de wel eens door
de N. C. vergeten waarheid uiteen, dat de handelwijze der
Nederlanders niet gerechtvaardigd werd door het octrooi der N. C.,
„qui n’est considérable sinon à l’endroit des sujets ou habitans des
Provinces Unies.” Zij voegden er bij, „qu’ils se fondoient sur le
droict de nature et des gens, suivant lequel ceux qui ont occupé et
pris possession de quelque accoing de mer, ou plage et ij establij
et exercé la pescherie peuvent en exclurre tous aultres, tant qu’ils
continuent ceste possession, ainsij qu’ils ont faict continuellement
d’an en an et le font encore pour le présent.”
[1081] Zie de memorie der Stn.-Gen. dd. 22 Juli 1634, in: L. F.
1634.
Daartoe kwam het echter niet. De loop der zaken had aan ieder der
twistende partijen reeds een afzonderlijk gebied aangewezen. De
Staten-Generaal hadden tegen deze regeling geene bezwaren in te brengen,
en er was geen enkele reden, waarom de Franschen met zulk eene schikking
minder ingenomen zouden zijn. De aan Vrolicq toegebrachte schade was ook
reeds op de Noordsche Compagnie verhaald. Het schijnt dan ook zeker, dat
Vrolicq zonder verdere onderhandelingen zijn voornemen uitvoerde en het
volgende jaar weder op Spitsbergen verscheen. De »Refuge Français” was
vermoedelijk ook nu weder zijn verblijfplaats en de Nederlanders waren
verstandig genoeg hunnen ouden vijand, nu hij zich eindelijk rustig
hield, niet te hinderen[1082].
[1082] Op nieuwe moeielijkheden der N. C. met Vrolicq over deze zaak
schijnen echter te wijzen: Accoord der Friezen met de N. C. dd. 25
Juli 1636. art. 4. bij: Aitzema. Saken v. Staet. II p. 360.--R. H.
11 Oct. 1636.
Weldra nam de Fransche walvischvangst aan Spitsbergen nu verbazend toe.
Maar die bloei was van korten duur. Wel mislukte eene poging van
Christiaan IV, om de Franschen, die vroeger zijne hulp hadden
ingeroepen, tot erkenning van zijne hoogheid te brengen, geheel[1083];
maar toch schijnen de Fransche walvischvangers, die nog in 1636 niet
minder dan veertien schepen naar Spitsbergen uitrustten[1084], op den
duur de nering opgegeven te hebben. De compagnie kon misschien de
verliezen der eerste onvoordeelige jaren, gevolgd door de aanzienlijke
schade haar in 1636 door de Spanjaarden toegebracht[1085], niet dragen,
en was daarom spoedig genoodzaakt zich te ontbinden; misschien ook
oordeelde Richelieu het niet raadzaam, de sinds 1635 nauw met Frankrijk
verbondene Nederlandsche natie door de vernieuwing van Vrolicqs octrooi,
dat met 1 Januari 1638 eindigde[1086], te verbitteren. Hoe het zij, in
1639 verschenen de Franschen niet weder op Spitsbergen[1087], en de
walvischvangst schijnt althans voorloopig door hen opgegeven te zijn.
[1083] Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L. F.
1636.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.
[1084] Scoresby, Account. II p. 165.
[1085] Scoresby, Account. II p. 165.
[1086] Zie hiervóor p. 292 Noot 2{[1040]}.
[1087] Antw. v. Christiaan IV aan de Nederl. ambass., in: Verbaal v.
Burch en Conders van Helpen ad 7 Oct. 1639.--In 1638 waren de Basken
echter waarschijnlijk nog op Spitsbergen geweest, want in het
voorjaar van 1639 was er sprake van, hen dien zomer van het eiland
te verdrijven. (Br. v. Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639,
in: L. D. 1639.)
Ook in latere jaren is mij van eene eenigszins belangrijke visscherij
der Franschen in deze streken niets gebleken; de natie, die altijd zoo
krachtdadig had medegewerkt tot den bloei der walvischvangst van
vreemden, slaagde er met al hare behendigheid en volharding toch niet
in, hare eigene visscherij op den duur te vestigen.
* * * * *
Van geheel denzelfden aard als het geschil met Vrolicq waren de
onaangenaamheden, lange jaren te voren met eene Duinkerksche compagnie
ontstaan. Ook hier was de beweerde ontdekking van Jan Mayen-eiland de
aanleiding tot de oneenigheden; ook hier was het verdringen der
Noordsche Compagnie uit hare te uitsluitende positie het doel der
mededingende natie.
Reeds onder de eerste schepen, die in 1613 met de Engelsche
walvischvaarders op Spitsbergen kwamen concurreeren, was een Duinkerker
geweest onder bevel van kapitein Fopp. Bij hem behoorde een
Nederlandsche pinas, waarop zekere Claes Martensz. van Hoorn
gezagvoerder was. Engelschen schijnen den stoutmoedigen zeelieden weder
den weg naar het eiland gewezen te hebben. De behandeling, die beide
schepen van den Engelschen commandeur Joseph ondervonden, was niet veel
beter dan zich verwachten liet. Terwijl het kleine schip reeds 12 Juni
veroverd en gevangen gehouden was, werd ook kapitein Fopp zelf den 19
uit Greenharbour verjaagd. Later ontmoetten de Duinkerkers, die te
vergeefs aan de zuidpunt van het eiland naar eene andere, voor hun
bedrijf geschikte plaats gezocht hadden, de Engelschen nogmaals, toen
zij op weg waren om geheel in het noorden op 82° en 83° NB. hun geluk te
beproeven. Bij deze gelegenheid kregen zij wel verlof tot de visscherij
en werd de hun ontnomene pinas--met de bemanning behalve de daarop
gevondene Engelschen--hun op hun verzoek teruggegeven, maar slechts op
voorwaarde, dat zij als handlangers der Engelschen optraden en alle
vreemde bezoekers, die in Hornsound de walvischvangst zouden willen
oefenen, daaruit verdreven (23 Juni). Kapitein Fopp nam dit bereidwillig
op zich, maar nauwelijks waren de Engelschen weggezeild of de bemanning
van zijn schip nam hem zelven gevangen en vertrok van het eiland[1088].
[1088] Zie over deze reis der Duinkerkers: Hist. de Spitsberghe. p.
11, 20, 21, 23-35.--Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in
1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716.