[1020] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij:

Purchas, Pilgrimes. III p. 716, 17, 19.--Hist. de Spitsberghe. p.

21, 22.--Het verhaal van dit laatste boekje over een roof, door de

Engelschen op dit schip gepleegd, vindt zijne verklaring in het door

Baffin (ad 17 Juli 1613) medegedeelde van een twist over het recht

op eenen gevonden walvisch. („The order of the Biscaines is, that

who so doth strike the first Harping Iron into the Whale, it is his,

if his Iron hold.”)

Ernstig werd weldra tegen de aanmatigende handelwijze der Engelschen

geprotesteerd door den Franschen ambassadeur te Londen, De Buisseaux.

Hij drong herhaaldelijk aan op schadevergoeding en ging zelfs zoover van

te beweren, dat de toeëigening, waarop Jakob I zijn recht grondde, reeds

daarom niet bestaan kon, omdat de Franschen Spitsbergen lang voor de

Engelschen bezeten hadden. (?) Veel liet hij zich ook voorstaan op het

verlof, door den koning van Frankrijk aan de Biscaaiers van St. Jean de

Luz en Bayonne verleend, om sinds 1610 tegen loon de Engelschen naar

Spitsbergen te vergezellen en hen de walvischvangst te leeren.[1021]

[1021] „Verclaringh vande Francoisen opte vaert ende visschery vande

Waluisschen Int noorden ontfangen vande heere du maurier den 12^{en}

Mey 1615,” in: Noordsche togten. 4. Loopende N. C. R.-A.

Hoewel de Franschen zoo vast van de gegrondheid dezer dwaze

aanmatigingen overtuigd waren, dat zij ze twee jaren later nog

herhaalden[1022], durfden de Fransche reeders toch in 1614 geene schepen

ter walvischvangst naar Spitsbergen zenden[1023]. Maar dat dit slechts

eene tijdelijke terughouding was, bleek weldra. Nauwelijks waren Wotton

en de overige leden van het Engelsche gezantschap den 6 Mei 1615 na

eenige onderhandelingen over de Nederlandsche walvischvangst uit Den

Haag vertrokken[1024], of de Fransche ambassadeur Du Maurier leverde aan

Oldenbarnevelt eene »verclaringh” over, waarin hij protesteerde tegen

het door hem veronderstelde plan der Engelschen om met de Nederlanders

eene overeenkomst te treffen, ten einde met vereende krachten alle

andere natiën van Spitsbergen te verdrijven. Wij zagen reeds, dat deze

verdenking volkomen ongegrond was: de Engelschen toch waren in 1615

evenmin tot eene combinatie met Nederland als met Denemarken

geneigd[1025]. Maar Du Maurier meende desniettegenstaande zeker genoeg

van de zaak te zijn, om bij Oldenbarnevelt ernstige pogingen aan te

wenden tot verijdeling der gewaande Engelsche plannen. Onder beroep op

geheel dezelfde tweeslachtige argumenten als de door Nederland in deze

zaak steeds gebruikte, op de vrijheid van zee en visscherij en op het

door Frankrijk verkregen bezit, verklaarde de gezant, dat Spanje en

Frankrijk voornemens waren in deze zaak gezamenlijk te handelen en de

walvischvangst hunner onderdanen te handhaven. Wilden de Staten-Generaal

in het verbond tegen Engeland treden, het zou den verbondenen vorsten

aangenaam zijn. In ieder geval was Du Maurier van plan, de Nederlandsche

regeering officiëel met de voornemens der vereenigde vorsten bekend te

maken, ten einde haar van eene combinatie met Engeland terug te

houden[1026].

[1022] In de hierboven aangehaalde „verclaringh.”

[1023] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop.

N. C. R.-A.

[1024] Zie hiervóor p. 206-8.

[1025] Toch schreef ook De Groot, toen hij aan Du Maurier de hier

vermelde „verclaringh” terugzond, na vele betuigingen van instemming

met de houding der Franschen: „Ego cum jampridem viderem, hoc agere

Anglos, ut exclusis aliis gentibus nos solos in societatem

iniquissimi juris admitterent, sedulo obstiti ne veniretur ad tam

turpes pactiones.” (Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.)

[1026] Verclaringh vande Francoisen, in: Noordsche togten. 4. Loop.

N. C. R.-A.--Grotii Epistolae. p. 19. Ep. 59.

Of het zoover gekomen is, blijkt niet; maar allicht zouden de

voorstellen, hoe gewillig de Staten-Generaal zelven toen ook zijn

mochten om in deze zaak eene vrijgevige politiek met betrekking tot de

vreemde mogendheden te volgen[1027], afgestuit zijn op den onwil der

Noordsche Compagnie. Want deze had geheel andere plannen, zooals weldra

blijken zou. In den zomer van 1615 bleek de samenwerking tusschen

Franschen en Spanjaarden reeds openlijk, toen twee schepen van Bordeaux,

die voor eene reederij te St. Sebastiaan voeren, op Spitsbergen

verschenen. De Noordsche Compagnie, die door hare groote

machtsontwikkeling in 1614 en 1615 zich in de IJszee reeds eene

zelfstandige plaats meende veroverd te hebben, even onaantastbaar als

die der Engelschen, toonde zich echter geenszins geneigd op hare beurt

weder anderen tot de met zooveel inspanning bemachtigde visscherij toe

te laten. Zij weigerde bepaald den schepen verlof tot het visschen te

geven. Niettegenstaande de bekende gezindheid der Staten-Generaal

werden de Basken van Spitsbergen geweerd, hoewel zij zelfs aanboden om

1/3 van hunne vangst voor hunne toelating aan de Nederlanders uit te

keeren[1028]. Het volgende jaar gelastten de Staten de compagnie wel

toegefelijker te zijn en bevalen zij uitdrukkelijk, de Biscaaiers,

wanneer zij hun aanbod hernieuwden, niet alleen vriendelijk te

behandelen maar ook tegen de Engelschen te beschermen[1029], maar het

was te laat: de Franschen schijnen door de behandeling der Nederlanders

ontmoedigd te zijn. Hoewel zij zich na 1615 nog een enkele maal aan

Spitsbergen vertoond schijnen te hebben[1030], was het toch in 1619

reeds zoover gekomen, dat koning Jakob I verklaren kon, dat zij met de

andere mededingers der Engelschen van de visscherij aldaar hadden

afgezien[1031]. Toen dit resultaat eenmaal verkregen was, weigerde de

Noordsche Compagnie hen weder toe te laten; hoewel de Basken

herhaaldelijk pogingen aanwendden om de visscherij met kleine schepen

ongemerkt weder te beginnen en zich zelfs op nieuw bereid verklaarden

voor het verlof te betalen, werd dit door de compagnie steeds »met

beleeftheyt” maar zeer bepaald geweigerd[1032]. In het vorige hoofdstuk

is breedvoerig verhaald, hoe de ongelukkige Biscaaiers bij de Denen voor

dergelijke aanbiedingen gewilliger ooren vonden, maar dat de

Nederlanders ook tegenover de slinksche handelingen der vereenigde

natiën hun doel niet uit het oog verloren en hardnekkig de toelating der

vreemden bleven weigeren. De poging, door de Franschen beproefd om op

eigen naam toegang tot de visscherij aan Spitsbergen te verkrijgen,

verdient hier echter uitvoeriger beschreven te worden dan daar uit den

aard der zaak geschied is.

[1027] Instr. der Stn.-Gen. voor H. Gsz. Quast en J. Jsz. Schrobop,

dd. 29 Apr. 1614, 23 Mei 1616, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--R. S.-G. 10 Apr. 1618.--Req. v. J. Vrolicq aan de Stn.-Gen.

dd. 15 Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.

(Vrolicq beweerde, dat volgens de R. S.-G. de Instructie, door den

prins aan de walvischvaarders gegeven, „expresselyck mede bracht”:

„dat soo verre syluyden in haere reyse ende walvisch neeringe

eenighe vreemde natien comen te ontmoeten, sij luijden aen de selve

verclaeren souden, haerluyden intentie niet anders te syn, dan

alleenlyck vryichlyck den Walvischvanck te mogen doen, sonder

imanden anders van gelycken te doen te willen beletten.” Ook

„andere resolutien” waren volgens hem „by haere Ho. Mo. over dese

saecke tot voordeel vande vreemde natien, ende specialyck vande

ondersaeten vande Croone van Vranckryck genomen.” Alleen de drie

bovenaangehaalde stukken van 1614, 1616 en 1618 komen, voorzoover ik

heb kunnen nagaan, met deze beschrijving overeen.)

[1028] Instr. v. Schrobop art. 15.

[1029] Instr. v. Schrobop art. 11, 12.

[1030] R. S.-G. 10 Apr. 1618.

[1031] Muller, Mare Clausum. p. 162.

[1032] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. aan de

Stn.-Gen. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Het bij Aitzema l. c. medegedeelde

over het verzoek van „die van Sint Ian de Lux, ~selver oock (van)

den Gouverneur~ (?) ~Grammont~” aan de N. C. schijnt mij duister:

alleen blijkt het, dat op de beide hierboven vermelde schepen van

Bordeaux „Lestinotte” en „Le Pellecan” kapiteins waren Jean De Lasso

en ~Jean De Gramont~.--Het komt mij om verschillende aanwijzingen

waarschijnlijk voor, dat de pogingen der Basken om hunne

walvischvangst te vestigen na 1615 beproefd werden niet aan

Spitsbergen, maar aan Jan Mayen-eiland. Was het feit bewijsbaar, dan

zou het zeker een argument zijn ten voordeele van Vrolicqs beweerde

ontdekking van het eiland in 1612.

Weinige dagen nadat Johann Braem in zijn proces tegen de Noordsche

Compagnie door het Hof van Holland in het ongelijk gesteld was,

verleende de kardinaal De Richelieu een octrooi voor de walvischvangst

aan zekeren Jean Vrolicq. De dus begunstigde persoon was een Bask van

geringe afkomst, die vele jaren in dienst der Noordsche Compagnie

geweest was[1033]. Later had hij de Nederlanders verlaten en was in

dienst van Haraneder en Laralde,--de beide kooplieden, die na

verscheidene vergeefsche pogingen bij de Noordsche Compagnie in 1623 het

Deensche contract gesloten hadden,--bekend geworden met Braem. Daar de

walvischvangst der Basken in 1623 dadelijk weder gestaakt werd,

verscheen hij in het volgende jaar nogmaals in Nederlandschen dienst als

harpoenier op Spitsbergen[1034]. Maar weldra trad hij als Braems

zaakwaarnemer op en nam zijne belangen in Nederland waar gedurende het

eindelooze proces voor het Hof van Holland[1035]. Nauwelijks namen de

zaken echter voor de Denen een ongunstigen keer, of Vrolicq wendde zich

tot Richelieu. De suppliant, die zich »Capitaine de la marine de la

ville de St. Jean de Luz” noemde, beweerde, dat hij den 3 Juni 1612 op

71-1/2° NB. had ontdekt een eiland, Pico genaamd, dat vroeger nooit

bekend geweest was. Met eenige andere Basken, die zich bij hem gevoegd

hadden, zou hij daar de walvischvangst begonnen, maar weldra door de

kooplieden der gepriviligiëerde Nederlandsche en Engelsche compagniën

verjaagd zijn van zijne nieuwe ontdekking, die hij eerlang Ȉ cause des

grands profficts qui se font es costes d’icelle” Richelieu (ook wel Isle

de Richelieu) genoemd had[1036].

[1033] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1034] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. B, in: Noordsche

togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[1035] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Vgl. R. S.-G. 10

Sept., 21 Oct. 1630.

[1036] Octr. v. Richelieu aan Vrolicq. (Bijl. C v. h. Req. der N. C.

dd. 2 Febr. 1634 l. c.)

Laat ons hier even stilstaan, om te zien wat er van de zaak was. Reeds

door de opgave van de ligging van het eiland blijkt, dat hier sprake is

van het bekende Jan Mayen-eiland[1037]. Zoo Vrolicqs bewering waar was,

dan had hij dus een beter recht dan de Noordsche Compagnie, die eerst in

1614 het eiland ontdekte en er niet vóor 1616 de visscherij vestigde.

Juist om deze reden is echter het verhaal van Vrolicq onmogelijk: al wat

hij bericht van zijne onaangenaamheden in 1612 of 1613--immers alleen de

onmiddellijke inbezitneming en vestiging op het eiland schiep zijn

recht,--met de Noordsche Compagnie, die niet vóor 1616 en met de

Moscovische Compagnie, die voor zoover mij bekend is nooit op Jan

Mayen-eiland eenige acht heeft geslagen, is natuurlijk onwaar. Maar ook

om andere redenen is de bewering van Vrolicq onwaarschijnlijk: wie zal

het gelooven, dat iemand die in 1624 nog jong was en het niet verder

gebracht had dan tot harpoenier op een Nederlandsch walvischvaarder,

reeds twaalf jaren vroeger op een eigen schip reizen deed en nieuwe

plaatsen ontdekte, die dadelijk rijke winst afwierpen? dat die persoon,

nadat hij die winst gemaakt had, berust zou hebben in de verdrijving

zijner schepen van die plaats door overweldigers, die minder recht

hadden dan hij, zonder ooit over deze zaak bij zijnen machtigen koning

te klagen voordat zeventien jaren daarna verloopen waren? dat een man,

die later toonde even ondernemend als volhardend te zijn, niet alleen

geene pogingen aanwendde om zijn recht te handhaven en zijne ontdekking

te exploiteeren, maar zich integendeel in den dienst begaf eener natie,

die hem verongelijkt had;--eene natie, die er natuurlijk belang bij had,

dat de ontdekking geheim bleef en die dus juist de eenige was, bij wie

hij met de openbaring geen voordeel doen kon. Ik aarzel dan ook niet,

hoewel Vrolicq een plan der ligging van het eiland en het proces-verbaal

der ontdekking overlegde, met de Noordsche Compagnie te verklaren: »que

Jean Vrolicq ne prouvera jamais avoir esté en icelle Isle, qu’au service

de ceux de la Compagnie flamande; qu’aussi il n’est point vraij

semblable, et n’ij a nulle apparence, que ledict Vrolicq eust trouvé

ladite Isle l’an 1612, et seulement l’auroit descouvert l’an

1629[1038].”

[1037] De N. C. verhaalde in 1631, dat Vrolicq walvisschen wilde

vangen op „~Spitzbergen~ noemende de selve plaetse Pico ende

Richelieu.” (Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.) Ook de Rouaansche

admiraliteit sprak in 1633 van „la Baye de Richelieu, dict le port

de S. Pierre, le long des costes du Nord et Terre verte.” (Req. der

N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. I. l. c.--De bedoelde baai is de

Robbenbaai op Spitsbergen.) Toch is dit eene vergissing. Al bewees

niet reeds de opgave der ligging van het eiland en de naam Pico, die

klaarblijkelijk op den zeer in het oog vallenden Beerenberg slaat,

dat hier sprake is van Jan Mayen-eiland, dan zou reeds het feit, dat

Vrolicq lang in Nederlandschen dienst geweest was, hem wel

vrijspreken van eene domme vergissing als deze. Het kan hem toch

niet onbekend geweest zijn, dat Spitsbergen in 1612 reeds lang

ontdekt was.

[1038] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4.

Loop. N. C. R.-A.

In Frankrijk, waar men met de toedracht der zaken minder goed bekend

was, kon Vrolicq zijn ongerijmd verhaal met kans op goed geloof doen.

Hij deelde dan ook zijne gewichtige ontdekking aan Richelieu mede,

beriep zich op »le droict des gens qui permet à toutes personnes d’aller

pescher en mers eslonguées,” en op het recht der Basken, die, sinds

jaren gewoon de IJszee ter walvischvangst te bezoeken, aan de vreemde

natiën jaarlijks hunne onmisbare hulp en voorlichting verleenden. Hij

wees verder op het nadeel, dat Frankrijk leed door de uitsluiting van de

walvischvangst en de noodzakelijkheid om alle traan en balein van

buitenslands te ontbieden, en eindigde met op grond van Frankrijks recht

en in naam der vrijheid octrooi voor tien jaren te verzoeken voor eene

compagnie, die hij met eenige Basken en andere Franschen gevormd had om

de visscherij van walvisschen en andere zeemonsters te ondernemen in het

noorden tusschen 60° en 80° NB.[1039].

[1039] Octrooi v. Richelieu aan Vrolicq. (Req. der N. C. dd. 2 Febr.

1634, bijl. C. l. c.)

Richelieu, die den Franschen handel zoo krachtig aanmoedigde, verleende

Vrolicq dadelijk uit naam van den koning van Frankrijk het verzochte

octrooi (3 Juli 1629) en gaf hem en zijne compagnie verlof om met

uitsluiting van alle andere Franschen overal ten noorden van 60° en

bepaaldelijk aan het eiland Richelieu walvisschen te vangen gedurende

vier jaren ingaande met 1 Januari 1630, op voorwaarde dat de vangst in

vier aangewezene Fransche havens ingebracht zou worden. Inbreuken op het

octrooi zouden met verbeurdverklaring van schip en goed gestraft worden,

maar na verloop der vier jaren zou de visscherij weder voor alle

Franschen vrij zijn[1040].

[1040] Het octrooi werd echter weldra stilzwijgend verlengd door de

bepaling (bij de akte van koning en kardinaal dd. 28, 30 Jan. 1632),

dat geen Fransch schip het door Vrolicq op Spitsbergen ingenomen

terrein dichter dan op tien mijlen zou mogen naderen gedurende zes

jaren (dus tot 1638).--Zie de stukken bij: Req. der N. C. dd. 2

Febr. 1634, bijl. G.

Met dit octrooi wendde zich nu Vrolicq 27 November 1629 tot de

Staten-Generaal en verzocht hen de Noordsche Compagnie te bevelen, hem

»rustelick ende vredelick” te laten visschen volgens het verlof van den

koning van Frankrijk. Als gewoonlijk vroeg de regeering de voorlichting

der compagnie[1041] en deze haastte zich, de handelwijze van Vrolicq als

»mauvaise et impertinente” voor te stellen, terwijl zijne ontdekking van

het eiland ontkend werd[1042]. Men besloot dan ook Vrolicq evenals

vroeger Braem naar de justitie te verwijzen, om daar zijnen eisch tegen

de Noordsche Compagnie in te stellen[1043]; maar deze voorkwam dit en

verkreeg van het Hof van Holland mandement penael tegen Vrolicq. Op

welke gronden dit geschiedde blijkt niet, maar de bedreigde nam dadelijk

de wijk buiten de Vereenigde Provinciën[1044] en vergenoegde zich verder

met zijne zaak door den Franschen ambassadeur in Den Haag aan de Staten

te laten aanbevelen. Dezen verklaarden dadelijk, dat zij de Noordsche

Compagnie bij haar recht wilden handhaven, maar zij oordeelden toch

»dattet soude strecken tot gerustheit van de compagnie, dat dese saecke

buyten verwyderinge werde gehouden” en trachtten dan ook de zaak door

conferentiën met de bewindhebbers te schikken[1045].

[1041] R. S.-G. 27 Nov. 1629.

[1042] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.

[1043] R. S.-G. 18 Dec. 1629.

[1044] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, l. c.

[1045] R. S.-G. 4, 18 Juni 1630.

Maar de Staten mochten zich met een goeden uitslag op zulke halve

maatregelen vleien, Vrolicq kende de compagnie en haar streven beter.

Hij zag reeds toen dadelijk in, dat hij niet zonder hulp tot de vrije

visscherij aan Spitsbergen zou geraken. Evenals zijne vroegere patroons

wendde hij zich dus tot Braem en het gevolg van het gemeen overleg was,

dat de koning van Denemarken een nieuw octrooi aan de compagnie voor de

walvischvangst verleende met uitdrukkelijk verlof om twee Baskische

schepen onder hare uitrusting naar Spitsbergen op te nemen[1046]. Nu hij

zich zoodoende den steun van Denemarken verzekerd had, wendde Vrolicq

zich met eenen aanbevelingsbrief van Christiaan IV nogmaals tot de

Staten-Generaal, klaagde over de Noordsche Compagnie en drong zijn

verzoek om toelating tot de walvischvangst nader aan[1047]. Een gunstig

antwoord volgde echter ook nu niet.

[1046] Zie hiervóor p. 258, 259.

[1047] R. S.-G. 13 Aug., 10, 20 Sept. 1630.

Onderwijl werd in Frankrijk alles tot de visscherij gereed gemaakt. De

compagnie werd te Havre de Grace gevestigd en in den zomer van 1631

verscheen Vrolicq met een klein scheepje op Spitsbergen, waar Gödert

Braem met zijn schip reeds aangekomen was. Wij hebben boven gezien, dat

de beide schepen door de ontwikkeling der Nederlandsche macht in de

Mauritius-baai sinds 1623 daar nu geen plaats meer konden vinden en dus

genoodzaakt waren in de Robbenbaai een toevlucht te zoeken. Uitvoerig

werd ook reeds verhaald, hoe de Nederlandsche commandeur van Braem

trachtte te vernemen, of Vrolicq bij hem behoorde, maar dat hij slechts

zeer onvoldoend antwoord verkreeg. Ook Vrolicq had na overleg met Braem

geweigerd zijne paspoorten en commissie te vertoonen en beweerd, dat hij

aan niemand rekenschap van zijne daden schuldig was. De Nederlandsche

commandeur had hem toen het visschen verboden en gedreigd hem met geweld

te zullen verdrijven, maar zoodra Braem eene verdedigende houding

aangenomen en eenige kanonnen ontbloot had, had hij afgehouden en beide

schepen verder met vrede gelaten[1048].

[1048] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634, bijl. D. l. c.--Zie ook:

Req. der N. C. dd. 8 Apr. 1633, in: Stn. v. d. Haarl. gedeput. betr.

de N. C. R.-A.--Vgl. hiervóor p. 259, 260.

In het vorige hoofdstuk merkten wij reeds op, dat den Nederlanders dan

ook het recht ontbrak de Denen en hunne beschermelingen uit de

Robbenbaai te verdrijven: terecht beriep Vrolicq zich later

herhaaldelijk op de geheele vrijheid der Robbenbaai vóor 1631. Maar

overigens liet hij zich blijkbaar weinig met juridieke redeneeringen in:

het was hem onverschillig met welk recht hij toegelaten werd, zoo men

hem slechts in de gelegenheid stelde om winst te maken. Twee zaken waren

hem volkomen duidelijk: de Nederlanders hadden hem zonder vertoon zijner

commissie tot de walvischvangst toegelaten en hij was zonder hinder met

een volgeladen schip te Havre de Grace aangekomen. Weinig kiesch in de

keuze zijner middelen vergat hij, dat hij slechts aan de tijdige

tusschenkomst van Gödert Braem zijne toelating te danken had, en dat hij

krachtens zijn eigen recht alle aanspraak op de visscherij in de

Robbenbaai miste. Niet inziende, dat het geheel van de Denen afhing of

zij hem daar wilden toelaten, was hij dadelijk gereed zelfs tegen hen op

te treden, nu hem dat voordeelig scheen. Nogmaals evenals in 1629 wilde

hij beproeven, zelf zonder vreemde hulp op Spitsbergen toegelaten te

worden. Hij verklaarde dus na zijne terugkomst in Frankrijk aan ieder,

die het hooren wilde, dat de Nederlanders hem op zijn Fransche paspoort

aan Spitsbergen hadden toegelaten,--dat hij bezit genomen had van de

Robbenbaai, die hij voortaan St. Pierre noemde, en dat de Fransche

compagnie de visscherij nu vrijelijk aan Spitsbergen kon oefenen[1049].

Deze bewering, geheel bezijden de waarheid, kwam volstrekt niet overeen

met de bedoelingen der Noordsche Compagnie. Wel begrijpende, dat het

Vrolicq alleen te doen was om de walvischvangst in Frankrijk te

vestigen, had zij integendeel haren commandeur gelast geen Fransch schip

op Spitsbergen toe te laten. Nu de tegen hare bedoeling begunstigde

Franschman zulk eene verkeerde voorstelling der zaak gaf, zweeg de

compagnie dan ook niet; zij liet een verhaal van de ware toedracht der

gebeurtenissen opstellen, verklaarde daarbij dat het hare bedoeling

geenszins geweest was, vreemden binnen haar gebied op Spitsbergen toe te

laten behalve de Denen, die zij uit vriendschap duldde, en dreigde haar

octrooi evenals in 1623 met geweld tegen de Franschen te zullen

handhaven. Dit protest werd tot behoud van het recht der compagnie aan

Vrolicq en zijn compagnon Adriaan Ficq beteekend[1050]. Het was echter

te denken, dat dezen zich daardoor niet zouden laten afschrikken:

Vrolicq verzocht en verkreeg zelfs van koning en kardinaal de

bevestiging van zijn octrooi en verbod aan alle Franschen, die op het

gerucht van zijne goede vangst zich gereed maakten uitrustingen naar

Spitsbergen te doen, om de plaats waar hij zich bevond op tien mijlen

te naderen[1051]. Onbeschroomd verscheen hij daarop in het laatst van

Juni 1632 met twee schepen weder in de Robbenbaai.

[1049] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 en ald. bijl. D. l. c.

[1050] Req. der N. C. dd. 2 Febr. 1634 l. c.--Het protest is daarbij

gevoegd als bijlage D.

[1051] Zie dit stuk als bijlage G. achter: Req. der N. C. dd. 2

Febr. 1634 l. c.--De Fransche schepen, waarover Vrolicq klaagde,

waren misschien de twee Biscaaiers, die met Deensche passen op

Spitsbergen en Jan Mayen-eiland verschenen. (Zie hiervóor p. 262.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 34 / 52 段