[990] Toch geloof ik niet, dat dit nu de bedoeling van Christiaan IV

was. Uit allerlei omstandigheden blijkt dit overtuigend. Om iets te

noemen: men beweerde, dat Vhlefeldt na het nemen der beide schepen

aan alle Nederlandsche walvischvaarders eene generale insinuatie en

protestatie had laten beteekenen, waarbij hij hun uit naam van den

koning op hooge boeten verbood, voortaan zonder Deensche commissiën

en verlofsbrieven aan Spitsbergen te verschijnen. (Miss. der

Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Deze

handeling werd te Kopenhagen dadelijk gedesavoueerd, als zonder last

gedaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in:

L. D. 1639.) Misschien had de insinuatie van Vhlefeldt betrekking op

de visscherij aan de Noordkaap, die altijd aan vreemdelingen

verboden was. (Zie hiervóor p. 240 Noot 1{[861]}.) De Deensche

oorlogschepen werden ten minste in volle zee op verren afstand van

Spitsbergen het eerst gezien, en de kanselier Fries verklaarde bij

deze gelegenheid uitdrukkelijk, dat zijn meester niet voornemens was

de walvischvangst aan de Noordkaap zonder zijne paspoorten toe te

staan, terwijl Van Cracouw daarbij opmerkte, dat Z. M. „sich scheen

te asscribeeren Dominium Maris Septentrionalis ~Norvegici~.” (Miss.

v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)

Geen wonder dan ook, dat de Noordsche Compagnie op maatregelen bedacht

was om zich te verdedigen. Herhaaldelijk had zij reeds op het laatst van

1638 bij de Staten-Generaal op bijstand aangedrongen. In den beginne had

zij alleen verzocht om voorlichting, hoe zich den volgenden zomer jegens

de Denen te gedragen[991]; maar toen de Staten daarop geen voldoend

antwoord konden geven, had zij bepaalde maatregelen tegen hare vijanden

geëischt. Zij wenschte de hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de

inbreuken op haar octrooi, verbod of zware belasting van den invoer van

traan en baarden, eindelijk bijstand met een oorlogschip[992], »niet soo

seer tot assistentie (want sy waren den Deenen wel ghewassen) als om te

toonen, dat sy aldaer vischten met kennis ende authoriteyt van den

Staet”[993]. De prins van Oranje, wiens advies was ingewonnen, had deze

maatregelen wel goedgekeurd, maar toch geraden, voordat men tot geweld

overging, den koning van Denemarken nog eens nadrukkelijk het recht der

Vereenigde Provinciën op de visscherij bij Spitsbergen voor te

dragen[994]. Dienovereenkomstig hadden de Staten reeds dadelijk

besloten, de ambassade, die gereed stond naar Denemarken te vertrekken,

van last over deze zaak te voorzien[995]. Onder den indruk der

ongunstige berichten uit Denemarken werden nu deze resolutiën met kracht

doorgezet. De Staten besloten de Noordsche Compagnie bij te staan met

het gevraagde konvooischip, welks kapitein last kreeg de

walvischvaarders overal tegen ieder, die ze lastigviel, wie het ook

wezen mocht, te beschermen[996]. En zoodra de onderlinge twisten der

provinciën het toelieten, werd ook de Instructie voor de ambassade naar

Denemarken gearresteerd[997]. Burch en Coenders Van Helpen waren tot

gezanten benoemd[998].

[991] R. S.-G. 2 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.

[992] R. S.-G. 2, 9 Nov. 1638, 11 Mrt. 1639.

[993] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.

[994] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 20 Dec. 1638.

[995] R. S.-G. 16 Apr. 1639.--R. H. 17 Apr. 1639.

[996] R. S.-G. 11 Mrt., 23 Apr., 15, 18 Juni 1639.

[997] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 12 Mei 1639.

[998] R. S.-G. 14 Mei 1639.--R. H. 15, 17 Apr., 16, 19, 23 Mei 1639.

Hunne Instructie behandelde de zaak, die ons bezig houdt, zeer

uitvoerig. Na het verhaal van het met kapitein Vhlefeldt voorgevallene

volgde de last om te bewerken: 1^{o}. dat de koning den Nederlandschen

walvischvaarders geen overlast meer aandoen zou, 2^{o}. dat voortaan

geen onderscheid gemaakt zou worden tusschen de leden der Noordsche

Compagnie en andere Nederlandsche ingezetenen, hetzij zij octrooi hadden

of niet, 3^{o}. dat het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dat »nul

ende van geender waerden en was”, daar men de Noordsche Compagnie niet

behoorlijk ter harer verdediging had opgeroepen, niet uitgevoerd en dus

op de twee schepen, die het vorige jaar gearresteerd en nu gereed waren

om met de andere weder uit te varen, geen wraak genomen worden zou,

zooals het gerucht wilde dat men voornemens was. Mocht Z. M. geene ronde

en afdoende verklaring willen geven, dat hij de Nederlandsche

walvischvaarders voortaan ongehinderd zou laten, dan werd den gezanten

aanbevolen, de zaak »wat ernstiger” aan te dringen door te wijzen op de

ontdekking van Spitsbergen door Nederlanders, op de erkenning van hun

recht door alle mededingers zelfs de Engelschen, en op het feit, dat de

Denen zeer vele jaren[999] na de Nederlanders komende uit vriendschap

door dezen op Spitsbergen waren toegelaten[1000].

[999] De juiste toedracht van het in 1615 en 1616 over de

walvischvangst met Denemarken voorgevallene schijnt aan beide zijden

vergeten geweest te zijn. De Nederlanders, meenende dat Spitsbergen

in 1594 ontdekt was, beweerden, dat de Denen 23 jaar na hen op het

eiland aangekomen waren (Instr. der ambass. v. 1639, bij: Aitzema,

Saken v. Staet. II p. 638 vgl. p. 442); terwijl de Denen van hunnen

kant het over de souvereiniteitsrechten van Christiaan IV in 1615 en

1616 voorgevallene terugbrachten tot de komst van den eersten

Deenschen ~walvischvaarder~ op Spitsbergen. (1617.) Zij verwezen dan

ook naar eenen volgens hen in 1617 door Z. M. geschrevenen brief,

als „van de welcke de reden sonderling soude dienen tot

esclaressement ende decisie van dit geheele stuck.” (Miss. v. Van

Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der ambass. v.

1639.) De Stn.-Gen. antwoordden echter, dat zich in hun archief zulk

een brief niet bevond, maar dat zij een afschrift zonden van de

missive van 18 Februari 1616. (Miss. v. de Stn.-Gen. aan de ambass.

in Denem. dd. 26 Aug. 1639, in: L. D. 1639.)

[1000] „Instructie vande. . . Staten Generael. . . voor de Heeren

. . . Burgh. . . ende . . . Conders van Helpen . . . gaende in

Ambassade aenden Coninck van Dennemarcken” dd. 14 Mei 1639. (Ook

afgedrukt bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629 vlg.)

De voorbeeldeloos lompe behandeling, die deze ambassade van Christiaan

IV had te verduren, verhinderde, dat deze last behoorlijk uitgevoerd

werd. Den 16 Juli 1639 in Denemarken aangekomen, hadden de gezanten

eerst 25 September gelegenheid om geheel volgens het eerste gedeelte

hunner Instructie de klachten der Nederlandsche walvischvaarders aan Z.

M. voor te houden. Den 7 October werd hun een antwoord gezonden, waarin

de koning zijne verwondering betuigde, dat de Noordsche Compagnie,

terwijl hij met zoo groote kosten de walvischvaarders op Spitsbergen

beschermd en alle vreemden behalve de leden der compagnie van daar

geweerd had, klaagde over eene handeling, die haar niet dan voordeelig

kon zijn. De twee gearresteerde schepen toch, dus beweerde de vorst,

behoorden niet aan de Noordsche Compagnie en hadden zelfs geene papieren

bij zich gehad om hunne herkomst te bewijzen. Z. M. herhaalde de

verklaring aan Van Cracouw gedaan, dat hij de compagnie volgens de oude

gewoonte op Spitsbergen wilde toelaten, maar »der ferner

unconditionnirter Fischfanck”, die tot nadeel van de compagnie en van de

geheele. walvischvangst moest strekken, zou hij niet dulden, evenmin als

de Staten-Generaal die zeker wilden begunstigen. Hadden de Nederlanders

echter bezwaren tegen het vonnis der Kopenhaagsche admiraliteit, dan

konden zij door beroep op den koning zelven spoedig eene beslissing

verwachten. Alsof dit alles nog niet genoeg geweest ware om de

Nederlanders teleur te stellen, werd de oude zaak van Johann Braem op

nieuw opgerakeld en op voldoening aangedrongen.

Voordat de Nederlandsche ambassade een repliek gereed had, was

Christiaan IV reeds weder vertrokken en de Staten-Generaal riepen hunne

gezanten op het eerste bericht van hun wedervaren terug. (28 November

1639[1001].) In December ontvingen de Staten eene nadere verklaring van

den koning, waarin hij echter over dit punt volkomen hetzelfde zeide als

reeds aan de ambassadeurs in het kort geantwoord was[1002].

[1001] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambassade van 1639,

vooral ad 25 Sept., 7 Oct. 1639; ook: Aitzema, Saken v. Staet. II p.

633-36.

[1002] Zie deze „naerder verklaringh” bij: Aitzema, Saken v. Staet.

II p. 636.

De Staten-Generaal stonden tegenover Denemarken dit jaar op een veel te

weinig onafhankelijk standpunt, om den machtigen vorst, dien men evenals

Karel I van sterke Spaanschgezindheid verdacht, te durven weerstreven.

De behandeling, aan de ambassade van 1639 wedervaren, versterkte de

Nederlandsche regeering echter in den weerzin, dien zij voor Christiaan

IV had opgevat; het liet zich aanzien, dat men geene gelegenheid zou

laten voorbijgaan, om zich op de inhalige mogendheid, die de Sondtollen

steeds hooger opdreef, te wreken. Langzamerhand dreigde eene

Zweedsch-Nederlandsche alliantie in het verschiet, en Christiaan IV

begon dan ook in te zien, dat hij te ver gegaan was door de

Staten-Generaal zoo grovelijk te beleedigen. Zelf deed hij eenen stap in

de richting van verzoening en liet zijnen zoon, den aartsbisschop van

Bremen, aan de Staten-Generaal voorstellen doen om tot eene schikking

der tusschen Denemarken en Nederland hangende partikuliere quaestiën te

geraken. De Staten toonden zich daartoe natuurlijk niet ongeneigd en

zonden de heeren Boreel, Sonck en Van Weede in Mei 1641 als

commissarissen naar eene conferentie, die te Staden gehouden zou worden.

Onder de daar te behandelen punten trad wel de quaestie over den Sondtol

bepaaldelijk op den voorgrond, maar ook de twisten over de

walvischvangst namen eene aanzienlijke plaats in de onderhandelingen in.

En geen wonder! De gedragslijn, door den koning van Denemarken in deze

zaak sedert 1637 gevolgd, dreigde den Nederlandschen handel met ernstige

moeielijkheden. Christiaan IV had herhaaldelijk verklaard, dat hij ter

voorkoming van te groote en voor zijne onderdanen schadelijke

concurrentie alleen de schepen der Noordsche Compagnie op Spitsbergen

wilde toelaten. En nu was het zoo goed als zeker geworden, dat het

octrooi dezer compagnie, wanneer het met het jaar 1642 eindigde, niet

zou verlengd worden, ja bij de vele concurrenten, die van alle kanten

waren opgedaagd,--concurrenten, die, sinds 1636 door de Staten van

Holland krachtig gesteund, onbevreesd hunne nering aan Spitsbergen zelf

oefenden,--kon men het octrooi der compagnie reeds voor feitelijk

vernietigd houden. Wanneer Christiaan IV dus ernstig voornam, de

schepen, die niet onder de compagnie behoorden, van Spitsbergen te

verdrijven, dan stond den Nederlandschen walvischvaarders eene groote

schade te wachten, en het was dan ook geen wonder, dat dezen zich tot de

Staten-Generaal wendden met de klacht, »dat de Coninck van Denemarcken

in Spitsbergen ende andere Eijlanden naer den Noort Pool gelegen, onder

pretext dat het syne Ma^{ts}. Landen syn, Voorneempt te verbieden

daeromtrent het gebruyck van Zee ende Lant aende Ingesetenen deser

Nederlanden.”[1003]

[1003] „Instructie vande Staaten-Genl. voor de heeren . . . . haar

hoog mogende Gedep^{de}. Commissarissen, gaande naa de conferentie

dag tot Staade” dd. 18 Mei 1641.

In de Instructie der commissarissen, die naar Staden vertrokken, werd

overeenkomstig met deze klachten de last opgenomen om te bewerken, »dat

de Vaert ende Walvischvanck int Noorden by Spitsbergen ende overall vry

ende onbecommert werden gelaten aende Ingesetenen deser Lande volgens

het recht van Natien, ende al waere Spitsbergen van des Rycke Norwegens

dependentie, gelyck tselve niet en is[1004].” In dien zin waren dan ook

Boreel en zijne ambtgenooten werkzaam. Tegenover het verzoek der

Nederlanders om de walvischvangst in vrijheid te mogen oefenen zonder

eenigen hinder van Deensche zijde en om eventueele quaestiën daarover

bij tractaat te regelen, handhaafde Christiaan IV echter zijne oude

stelling, dat hij niettegenstaande zijn recht op Spitsbergen de

Nederlanders daar vrij wilde toelaten en alleen uit zorg voor den handel

zijner eigene onderdanen wenschte te voorkomen, »dat de Commercie door

altegrooten toeloop niet en mochte comen te niet te gaen.” Ook de

Staten-Generaal zouden zeker met deze handelwijze instemmen, meende de

koning, en hij stelde dus voor, dat beide partijen eene overeenkomst

zouden treffen »op wat voet de Commercien te stabilieren ende jegens

vremde die aldaer indringen wilden, te defenderen.” Vooraf eischte Z. M.

echter de belofte, dat de Deensche compagnie niet als vroeger wel eens

in hare nering gehinderd en dat de reeds toegebrachte schade haar

vergoed zou worden[1005]. Na eenige onderhandelingen deed Z. M. zelf den

eersten belangrijken stap en schreef, »dat gelyck haer Ho: Mo: dese

commercie eenige jaren geleden door een sekere Compaignie gelimiteert

hebben, Soo komt het syne Co: Ma^{t}. (voor) alderbest te wesen, tot

verhoudinge van alle twist, ende tot meerdere profyt vande negocierende,

dat men sigh te wedersyden veraccordere op een seker getael van schepen

jaerlyx daerna toe te senden, ende dat buyten de genommeerde somme der

Compaignie toebehoorende niemant anders toegelaten worde derwaerts te

varen, Alsdan soude het aen byde perthyen connen toegestaen worden,

ontrent Christiaenbergh ende het Eijlant van Johan May te mogen visschen

sonder eenige verder exceptie ende condicie[1006].”

[1004] Instr. der commiss. te Staden, dd. 18 Mei 1641.

[1005] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 13, 19/29 Juni, 5, 8/18, 10

Juli.

[1006] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 10/20 Juli.

Niettegenstaande de uitdrukkelijke bijvoeging aan het einde van dezen

voorslag, was echter daaraan reeds vroeger stilzwijgend de voorwaarde

verbonden, dat Johann Braem vergoeding zou krijgen voor de schade, aan

zijne schepen in 1623 en 1632 toegebracht. Van beide zijden werd deze

zaak herhaaldelijk besproken, maar terwijl de Nederlanders steeds

volhardden de klagenden naar de Nederlandsche rechters te verwijzen en

hunne bemiddeling daartoe aan te bieden, werd dit voorwendsel door hen

gebezigd voor het uitstellen van het beramen van een bepaald reglement

op den door den koning voorgestelden voet. De bezwaren der Nederlanders

tegen het sluiten van een tractaat zaten echter dieper: de

commissarissen schijnen bij den twijfelachtigen toestand, waarin de

Noordsche Compagnie verkeerde, niet recht geweten te hebben hoe zich te

gedragen tegenover ’s konings voorstel, dat het bestaan eener

Nederlandsche compagnie voor de walvischvangst onderstelde. Ook het

bezit van Jan Mayen-eiland, dat nu voor het eerst in de onderhandelingen

tusschen Denemarken en Nederland genoemd werd, kon licht tot zwarigheden

aanleiding geven. Aitzema meent, dat de commissarissen ook oordeelden

door verdere onderhandelingen bij veel tijdverlies niet dan nadeeliger

voorwaarden te kunnen verkrijgen. Hoe dit zij, het is zeker, dat de

Nederlanders aanvankelijk uitstellend, later bepaald onvoldoend antwoord

gaven.

Christiaan IV volhardde echter aanvankelijk bij zijn plan. In September

1641 sloeg hij nogmaals voor, den band tusschen de wederzijdsche

onderdanen nauw aan te halen door voortaan gezamenlijk »in Compaignie

(buyten gemeene risico ofte winst nochtans)” de walvischvangst met een

vooraf bepaald getal schepen aan Spitsbergen te oefenen en alle andere

natiën van daar te weren. Ofschoon deze voorslag nagenoeg geheel

overeenkwam met het door Van Cracouw in 1638 voorgestelde, wilden de

commissarissen zich tot niets verbinden; zij beweerden nu stoutweg, dat

eene regeling in den door den koning gewenschten geest onmogelijk was,

daar er in Nederland geene geoctrooieerde compagnie voor de

walvischvangst meer bestond[1007] en het hoogst onwaarschijnlijk heeten

mocht, dat er eene nieuwe opgericht zou worden: elke regeling en

beperking der Nederlandsche walvischvangst was dus ten eenenmale

onmogelijk. Om die reden namen zij dan ook alleen op zich, den voorslag

aan de Staten-Generaal mede te deelen. De koning uitte daarop wel den

wensch, dat het octrooi der Noordsche Compagnie verlengd mocht worden,

en betuigde zijne ontevredenheid, dat men niet dadelijk een tractaat

wilde sluiten, maar toen de commissarissen bij hunne vroegere beweringen

bleven en zelfs eene schriftelijke verklaring gaven, dat er geene

compagnie voor de walvischvangst in Nederland meer bestond, gaf hij

toe[1008]. Waarschijnlijk uit vrees voor verdere onaangenaamheden met de

Staten-Generaal keurde de koning het nu eindelijk goed, dat voortaan

alle Nederlandsche schepen met de Deensche vrijelijk de walvischvangst

aan Spitsbergen zouden oefenen op voorwaarde, dat men zich goed gedragen

en elkander niet door geweld hinderen of verdrijven zou. Het denkbeeld

eener compagnie, uit leden van de beide natiën samengesteld, werd

opgegeven: ook »de ongelimiteerde cours” werd door den koning

vergund[1009].

[1007] Eigenlijk was deze verklaring onjuist: het octrooi in 1633

vernieuwd (ingaande met 1 Jan. 1635) eindigde eerst 31 Dec. 1642.

Waarschijnlijk steunt zich dus deze stoute uitspraak alleen op de

verklaring van Holland van 11 Dec. 1636, waarover meer in Hfdst. IX.

[1008] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 23, 26 Juli, 1 Aug., 10, 2/12,

9/19, 16/26, 18/28, 20/30 Sept., 23 Sept./3 Oct.

[1009] Zie over deze ambassade: Verbaal der ambass. v.

1641.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 768, 788-97.

Zoo hadden de Staten-Generaal eindelijk na bijna dertigjarige

onderhandelingen hunnen zin volkomen gekregen; van de souvereiniteit van

Denemarken over Spitsbergen werd niet meer gerept en de Nederlanders

konden voortaan ongestoord aan het eiland visschen. Was er ook geen

formeel tractaat over de quaestie gesloten, de commissarissen hadden

»des Koninghs handt ende zegel” over het geslotene en hadden bij eene

verdere onderhandeling slechts kunnen verliezen[1010]. Christiaan IV

erkende de bindende kracht dezer regeling stilzwijgend, toen hij aan

het einde van het verdrag van Christianopel (1645), dat over deze

quaestie zweeg, instemde met de bewering, dat bij dit verdrag »alle

differenten tusschen Denemarcken ende de Staeten Ghenerael geheelijck

waren afghedaen ende afgehandelt[1011].”

[1010] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 795.

[1011] Zie dit verdrag bij: Aitzema, Saken van Staet. III p. 13

vlg.--De aangehaalde woorden komen voor in art. XIX.

Nu de zaak dus eindelijk definitief geregeld was, beproefde Denemarken

ook later niet voordeeliger voorwaarden te bedingen[1012]; de alle

verwachting overtreffende vermeerdering der Nederlandsche walvischvangst

na de vernietiging van het octrooi der Noordsche Compagnie maakte dan

ook gewelddadige handelingen tegen haar nagenoeg onmogelijk, en

gedurende de geheele zeventiende eeuw bleven verder de betrekkingen

tusschen Nederland en Denemarken over deze zaak van den meest

vriendschappelijken aard[1013].

[1012] Dit werd trouwens weldra onnoodig: de Deensche walvischvangst

kwijnde reeds sinds 1636 en de compagnie gaf de concurrentie eerlang

voor lange jaren op. (Scoresby, Account. II p. 167.)

[1013] Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. (R.-A.)

HOOFDSTUK VIII.

ONEENIGHEDEN MET FRANSCHEN EN ZUID-NEDERLANDERS.

Terwijl Engelschen en Denen met de Nederlanders op Spitsbergen om de

opperheerschappij kampten, wendde eene andere natie pogingen aan om zich

tusschen de strijdende partijen te vestigen en in vrede haar bedrijf te

oefenen. Het bleek echter weldra, dat het op den voorgrond stellen van

uitsluitende aanspraken en het dreigen met krachtige maatregelen de

zekerste wegen waren naar het vreedzaam bezit der visscherij: de volken,

die de heerschappij op Spitsbergen voerden, lieten daar slechts uit

vrees of uit onmacht vreemde mededingers toe. Het was dus het lot der

Fransche natie om dikwijls pogingen aan te wenden tot het vestigen der

walvischvangst, maar om ook telkens in de handen van een der

oppermachtige volken te vallen. Hoe zij het ook aanlegde, hetzij zij

zelfstandig optrad of de heerschende volken door geldelijke opofferingen

tot toegevendheid trachtte te stemmen, altijd was zij genoodzaakt hare

pogingen op te geven om ze na weinige jaren met even ongelukkigen

uitslag te hervatten.

In 1612 was onder de vreemde schepen, die toen voor het eerst met

Engeland kwamen wedijveren, ook een Spaansch schip geweest, dat door den

Engelschman Nicholas Woodcocke naar Spitsbergen geleid was. Het was uit

St. Sebastiaan afkomstig, en, ervaren als de Basken door lange oefening

reeds in de walvischvangst waren, brachten zij eene rijke vangst mede

naar huis[1014]. Het was niet te denken, dat zulk een schitterend

resultaat onbekend zou blijven. Behalve verscheidene schepen uit St.

Sebastiaan zelf, verschenen dan ook in 1613 vier schepen van Fransche

Basken uit St. Jean de Luz op Spitsbergen. Vier wedijverende reederijen

hadden van daar hare vaartuigen uitgezonden: de grootste, die van

»Monsieur de Turbyde”, had een groot schip uitgereed, de andere zonden

elk slechts een klein scheepje. Een dezer laatste werd dadelijk na zijne

aankomst in Behouden-haven (17 Juni) door den Engelschen admiraal naar

huis gezonden[1015]; een ander, dat zich met het Enkhuizensche schip

onder Bonner vereenigd had, onderging 23 Juni in Horn-sound hetzelfde

lot[1016]; het derde, aanvankelijk door Van Muyden en het schip van De

Turbyde verjaagd, kreeg later tegen betaling eener belasting van 40

tonnen traan van de Engelschen verlof om in Bell-sound te visschen. (21

Juli[1017].) Het schip van de compagnie van De Turbyde, grooter en

sterker dan de andere Basken, sloot eene overeenkomst met Van Muyden en

zijne Nederlanders om gezamenlijk alle andere walvischvaarders uit

Bell-sound te weren. Een maandlang vischten zij in vrede, maar den 21

Juli verscheen admiraal Joseph en liet het Fransche schip, dat zich

dadelijk onderwierp, slechts tot de visscherij toe op voorwaarde, dat

het de helft der gekookte traan en alle walvischbaarden aan de

Engelschen zou uitleveren[1018].

[1014] Hist. de Spitsberghe. p. 11.--Poole, Relation of a Voyage to

Greenland in 1612, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 715.--Edge, Dutch

disturbance, bij Purchas l. c. III p. 466.

[1015] Baffin, Iournall of the Voyage to Greenland in 1613, bij:

Purchas, Pilgrimes. III p. 717.--Hist. de Spitsberghe. p. 21.

[1016] Hist. de Spitsberghe. p. 24.--Baffin, Iournall of the Voyage

to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 717.

[1017] Hist. de Spitsberghe. p. 23.--Baffin, Iournall of the Voyage

to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718, 19.

[1018] Hist. de Spitsberghe. p. 22, 23.--Baffin, Iournall of the

Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 718,

19.--Baffin verhaalt ad 31 Mei 1613, dat een der schepen van St.

Jean de Luz van de (Moscovische) Compagnie verlof had medegebracht

om op Spitsbergen te visschen. (?)

Andere Franschen, die zich dit jaar op Spitsbergen vertoonden, was het

niet beter gegaan. Een klein schip, te Hoorn voor zekeren Jean Macqui,

een koopman te La Rochelle, uitgerust, werd 17 Juni door den Engelschen

admiraal uit Behouden-haven verjaagd, en vertrok naar de

Noordkaap.[1019] Een grooter schip, de »Jacques” van Bordeaux, waarop

Allan Sallowes, die het vorige jaar de Nederlanders naar Spitsbergen had

geleid, stuurman was, gaf zich tegelijk met dat van La Rochelle na

eenige aarzeling aan de Engelschen over. Men trof de overeenkomst, dat

het schip in Greenharbour zou mogen visschen en dat de eerste acht

walvisschen, die men ving, voor de Engelschen zouden zijn, Sallowes had

dit jaar eene goede vangst: niet alleen was hij in staat de bedongene

acht walvisschen te leveren, maar met eene buit van niet minder dan

dertig visschen kon het schip 24 Augustus met de Engelschen naar huis

keeren.[1020]

[1019] Hist. de Spitsberghe. p. 21, 22.--Baffin, Iournall of the

Voyage to Greenland in 1613, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 716,

17.--Het verhaal van Baffin omtrent de verschijning van een tweede

schip uit La Rochelle aan Spitsbergen (11/21 Juli 1613) schijnt op

een misverstand te berusten. Het bedoelde scheepje was uit St. Jean

de Luz. (Hist. de Spitsberghe. p. 23.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 33 / 52 段