Basques te willen affsnijden ende met haer geen handel meer te hebben.”
Weldra bracht hij aan Van Cracouw een bezoek en betuigde voortaan weder
in »goede vrundtschap ende correspondentie” met de Noordsche Compagnie
te willen leven; hij zou daartoe evenals vroeger met twee Deensche
schepen naar Spitsbergen ter walvischvangst komen. Van de compagnie
hoopte hij dan ook weder de toestemming te verkrijgen, om met die twee
schepen in vrede naast de hare te mogen visschen[962]. De Noordsche
Compagnie van hare zijde had zich reeds lang daartoe »ouerboodich”
verklaard en alle moeite gedaan om zonder in iets toe te geven weder met
Braem op goeden voet te komen. Met vreugde werd dus het verzoek begroet
en zoo was de quaestie eindelijk in der minne geschikt[963].
[962] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 20/30 Mrt. 1633, in:
Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
[963] Van Deensche zijde werd tevens beloofd, dat men moeite zou
doen de intrekking van het Fransche octrooi te verkrijgen. (Miss. v.
Van Cracouw dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.) Spoedig werden echter
pogingen aangewend, die met deze belofte streden. De Basken, eenmaal
op Spitsbergen toegelaten, hadden zich niet laten verdrijven.
Christiaan IV besloot toen, op nieuw te trachten, van hen zooveel
voordeel te trekken als mogelijk was. Op het laatst van 1635
verscheen zijn natuurlijke zoon aan het Fransche hof en poogde te
bewerken, dat de Basken, die op Spitsbergen voeren, van den koning
van Denemarken paspoorten verzoeken en hem recognitie betalen
zouden. De gezant der Staten, Pauw van Heemstede, werkte dit
dadelijk tegen door het voordragen van het halfslachtige
Nederlandsche sustenu: „dat die vaert ende visscherije op de
voorszeide van nieuws ondeckte landen ende eijlanden vry ende
niemant subiect is, behalven dat d’ eerste inventeurs ende
ontdeckers by preferentie mogen ende behooren te genieten de
plaetsen bij haer tot so grote costen ende periculen ondeckt ende
bevischt.” (Miss. v. Pauw aan de Stn.-Gen. dd. 21 Dec. 1635, in: L.
F. 1636.--R. S.-G. 4 Jan. 1636.) De zaak schijnt geen verder gevolg
gehad te hebben, en eerlang staakten de Basken hunne tochten.
(Verbaal der ambass. naar Denem. v. 1639 ad 7 October.)
Gedurende de eerstvolgende jaren na 1633 werd de walvischvangst tusschen
de beide mogendheden niet besproken. De Deensche visscherij ontwikkelde
zich langzamerhand en de Nederlanders dachten er niet aan, hunne
bondgenooten in hun vreedzaam bedrijf te hinderen. Langzamerhand
bedreigde echter een nieuw gevaar de goede verhouding der twee natiën.
Ditmaal waren het de Nederlanders, die hoewel onwillekeurig aanleiding
waren, dat Denemarken zich tot krachtige maatregelen verplicht rekende.
Terwijl gedurende den geheelen tijd van haar bestaan de uitrustingen der
Noordsche Compagnie nagenoeg even sterk schijnen gebleven te zijn, zag
men kort na 1633 het getal der Nederlandsche schepen in de IJszee
plotseling toenemen. Niet de Noordsche Compagnie gaf door grootere
inspanning aanleiding tot die vermeerdering; concurrenten waren in
Nederland zelf tegen de bevoorrechte vereeniging opgestaan. Niet alleen
het altijd betrekkelijk kleine getal »interlopers”, niet alleen de sinds
1634 door acht concurreerende Hollandsche steden openlijk naar
Spitsbergen gezondene schepen[964], vooral de op eenigen afstand van dit
eiland gedrevene zeevisscherij deed het getal walvischvaarders klimmen.
Deze vroeger nauwelijks opgemerkte en door de compagnie steeds
geminachte concurrenten namen weldra zoozeer toe, de vangst in de volle
zee bleek eerlang, toen de walvisschen de baaien meer en meer verlieten,
zoo voordeelig, dat de compagnie zelve eenigszins bezorgd begon te
worden. De koning van Denemarken, sinds 1631 reeds uit de Mauritius-baai
verdreven, begon dan ook bevreesd te worden, dat de Nederlanders zijne
onderdanen zouden overvleugelen en langzamerhand geheel verdringen. Hij
besloot op afdoende wijze aan de zoo ras toenemende concurrentie een
einde te maken. De macht daartoe zou hem niet ontbreken: »alleen in
Vreede sittende, ende al de werelt in actie ende Oorlogen siende, dede
hy wat hem beliefde, ende meende hem konde geen Zee te hoogh gaen”[965].
[964] Versl. v. d. Hrl. gedeput. v. de confer. met de N. C. (1^{e}
confer. dd. 14 Febr. 1636), in: Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[965] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
Evenals de Noordsche Compagnie, bewerende dat de Denen slechts volgens
haar goedvinden en door hare welwillendheid op het aan Nederland
toebehoorende Spitsbergen vischten, wel eens te kennen had gegeven, dat
zij ongaarne meer dan het van ouds gebruikelijke getal van twee Deensche
schepen tot de visscherij zou toelaten[966], zoo had ook Christiaan IV
uit kracht van zijne beweerde souvereiniteit reeds een paar maal
verzocht, dat de Nederlanders niet meer dan eenige weinige schepen naar
de Mauritius-baai zouden zenden, opdat zijne onderdanen niet binnen den
kleinen omvang der baai in hunne walvischvangst gehinderd zouden
worden[967]. Nu echter scheen het noodzakelijk dien eisch met kracht
door te zetten, opdat niet ook de Robbenbaai voor de Denen gesloten zou
worden. De Noordsche Compagnie had zich echter in de jaren, die sinds de
quaestie met Braem verloopen waren, een goede en weinig hinderlijke
nabuur getoond en Christiaan IV maakte dus geen bezwaar haar ook verder
op Spitsbergen toe te laten. De groote vermeerdering der Nederlandsche
walvischvaarders was niet van de compagnie uitgegaan, maar hoofdzakelijk
van hare concurrenten, en aan dien ongeregelden toeloop van
Nederlandsche visschers wenschte de koning paal en perk te stellen. Geen
beter middel was er om dit doel te bereiken, dan om zijne
souvereiniteitsrechten, die, tot nog toe alleen een middel tot
geldafpersing, sinds dat streven nutteloos gebleken was bijna niet meer
genoemd waren, op nieuw met nadruk op den voorgrond te stellen. Daartoe
werd dan ook weldra besloten.
[966] Miss. v. Van Cracouw, dd. 5 Febr., 30 Mrt. 1633, in: L. D.
1633, en in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.--Aitzema, Saken
v. Staet. I p. 1150.--Req. der N. C. c. Vrolicq dd. 2 Febr. 1634,
in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A., en: Protest der N. C. v.
1631, aldaar als bijl. D.
[967] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 juli 1624, 29 Jan.
1631, in: L. D. 1624, 1631.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 juli
1632.
Den 10 April 1637 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van
Christiaan IV van 12 Februari, waarin hij aandrong op vermindering en
regeling van de uitrustingen der Nederlanders op Spitsbergen, daar de
Noordsche Compagnie meer schepen uitzond »als de plaets leedt”, en
vooral daar schepen niet aan de compagnie behoorende te gelijk met de
hare aankwamen. Z. M. beweerde, dat zijn uitsluitend recht op het eiland
door alle natiën erkend was; hij meende, dat het eene slechte vergelding
was voor het verlof, den Nederlandschen walvischvaarders boven anderen
»by conniventie” en uit vriendschap verleend, dat men nu door de
grootere uitrustingen de Denen belette hun bedrijf te oefenen, en hij
eindigde met de verklaring, dat hij vertrouwde, dat de Staten-Generaal
deze handelwijze zouden afkeuren en, voordat hij tot andere maatregelen
overging, zorgen, dat er voortaan niet meer Nederlandsche schepen op
Spitsbergen verschenen dan tot nog toe het geval geweest was[968].
[968] R. S.-G. 10 Apr. 1637.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
De Staten-Generaal waren met dezen bepaalden eisch, die nog nooit met
zooveel nadruk gesteld was, zeer verlegen. De resolutie op den brief des
konings werd uitgesteld en de Noordsche Compagnie om inlichting gevraagd
over de daarin besproken zaak[969]. Weldra kwam er bij de
Staten-Generaal eene remonstrantie van de compagnie over den Deenschen
eisch in[970]. Zij betoogde in dat stuk, dat de Nederlanders krachtens
hunne ontdekking en gerust bezit sinds 1596 heeren van Spitsbergen waren
geweest; dat de aanspraak der Denen op het eiland van 1617 dagteekende,
toen de Noordsche Compagnie een Deensch schip uit vriendschap tot de
walvischvangst had toegelaten, en dat het aan Denemarken toebehoorende
Groenland een geheel ander land was dan het hier bedoelde Spitsbergen.
Van hare zijde klaagde de compagnie nu, dat de Denen sinds 1617
langzamerhand het getal hunner schepen hadden vermeerderd en zoowel
hierdoor als door het verkoopen der passen aan de Basken den
Nederlandschen walvischvaarders veel schade hadden toegebracht; dat zij
nu tegen de plakkaten der Staten-Generaal hunne uitrustingen in de
Vereenigde Provinciën deden en ook hunne vangst daar verkochten tot
groot nadeel der compagnie en als een blijkbare inbreuk op haar octrooi.
In de hoofdgrief van den koning deelde de compagnie zelve volkomen: ook
zij klaagde, dat vele schepen niet aan haar toebehoorende tegen het
octrooi der Staten-Generaal aan Spitsbergen kwamen visschen en dat
daardoor een voordeelige vangst onmogelijk werd. Op al deze gronden werd
van de Staten-Generaal handhaving van het octrooi der Noordsche
Compagnie, hernieuwing van het plakkaat van 1633 tegen de inbreuken
daarop en verbod of zware belasting van den invoer van traan en baarden
door vreemden verzocht[971].
[969] R. S.-G. 10 April 1637.
[970] R. S.-G. 15 Mei, 24 Juni 1637.--De inhoud der memorie is
medegedeeld bij: Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
[971] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442.
Niettegenstaande deze memorie in de vergadering der Staten-Generaal den
15 Mei eindelijk gelezen was[972], werd het antwoord op den brief van
Christiaan IV steeds uitgesteld. Driemaal moest van Deensche zijde
aangedrongen worden op bescheid[973]. Eindelijk besloten de
Staten-Generaal, toen uitstel niet langer mogelijk scheen, op advies van
Holland[974] uit den brief der Noordsche Compagnie eene missive aan
Christiaan IV samen te stellen[975]. De Staten klaagden daarin over
inbreuken op het octrooi der compagnie, die door Pelt en anderen sinds
1633 niettegenstaande het plakkaat van 11 Maart onverholen gepleegd
werden[976]. Er was reden tot klagen over de Deensche walvischvaarders,
dus luidde het, »vermits deselve onder hun laten schuilen vele
jngesetenen deser Landen diewelcke in prejuditie en tegens het Octroy,
’t welck wy aende voornoemde onse Compaignie hebben verleent deselve
onderstaen den walvischvanxt te ondercruipen, daertoe gebruikende
verscheiden pretexten”[977]. Wanneer de koning geen orde op de zaak
wilde stellen, dan werd met strenge handhaving van het plakkaat tegen de
»lorrendrayerien” gedreigd. Den 26 Juni 1637 werd het stuk gearresteerd
en verzonden[978].
[972] R. S.-G. 15 Mei 1637.
[973] R. S.-G. 6, 15 Mei, 19 Juni 1637.
[974] R. H. 19 Mei 1637.
[975] R. S.-G. 24 Juni 1637.
[976] Zie daarover hiervóor p. 264 vlg.--Dat de knoeierijen nog
voortduurden, blijkt uit den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen.
dd. 24 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[977] Zie den brief in: L. D. 1637.--Hij is afgedrukt bij:
Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 226-28; de daarbij gevoegde
inleiding behoort hier echter niet thuis.
[978] R. S.-G. 26 Juni 1637.
Christiaan IV liet zich met zoo onvoldoend antwoord niet tevreden
stellen. Zijne pretensie werd ontkend; in plaats van voldoening waren
hem zelven klachten te gemoet gevoerd. Hij besloot de Staten-Generaal
met geweld te dwingen, om den grooten toeloop van walvischvaarders, die
niet eens tot de Noordsche Compagnie behoorden, te verhinderen. In den
zomer van 1638 verscheen kapitein Corvitz Vhlefeldt met drie Deensche
oorlogschepen in de IJszee. Nog in volle zee ontmoette hij twee schepen
van de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam, genaamd de St.
Pieter, kapitein Claes Melchiorsz., en de Eenhoorn, kapitein Adriaen
Ollebrantsche (Hillebrantsz.?)[979], die in navolging hunner
concurrenten daar met de walvischvangst bezig waren. De ontmoeting
beloofde niets goeds. Immers de zeevisscherij zelve, tot nog toe alleen
door mededingers der Noordsche Compagnie gedreven, was in de oogen van
den Deen reeds een reden om de plegers te wantrouwen. Vhlefeldt dwong
dan ook de bevelhebbers door eenige schoten met scherp dadelijk, hem
hunne scheepspapieren te toonen. Hoe wel de schepen der compagnie, sinds
jaren niet in hun vreedzaam bedrijf gehinderd en op niets dergelijks
verdacht, de vereischte bescheiden niet bij zich hadden, schijnt het hun
toch gelukt te zijn den Deen tevreden te stellen met de verzekering, dat
zij Nederlanders waren en niets anders deden dan hun geoorloofd was.
Tegen betaling van eene vergoeding van ƒ 10 voor elk gedaan schot liet
Vhlefeldt hen gaan. Ongewoon als het echter toen nog was, de
zeevisscherij door schepen der Noordsche Compagnie zelve te zien
oefenen, schijnt het bedrijf der beide schepen den Deenschen kapitein
toch nog altijd verdacht voorgekomen te zijn. Hij kon niet gelooven, dat
de compagnie zelve de voordeelige kustvisscherij zou opgeven voor een
bedrijf, dat tot nu toe alleen door hare mededingers gedreven was, en
hij hield dus de beide schepen verder in het oog. En nauwelijks lieten
zij het anker aan Fair foreland vallen, of hij legde beslag op schip en
lading. Het was nu uitgemaakt, meende hij, dat zij door de visscherij
aan Spitsbergen eene daad pleegden, die niet hun maar alleen de
bevoorrechte compagnie bij uitzondering geoorloofd was. Het gelukte den
Nederlanders ditmaal niet, Vhlefeldt van zijn ongelijk te overtuigen:
een geheele maand bleven zij in arrest en eerst aan andere schepen der
compagnie, die toen van de zaak kennis kregen, gelukte het de gevangenen
in vrijheid te stellen. Daar het reeds ingeladen spek, onbereid als het
was, gedurende het arrest meest gesmolten was, en de gelegenheid om dit
verlies te herstellen hun door het langdurige oponthoud ontbrak, kwamen
de beide schepen met groot verlies te Amsterdam aan[980].
[979] Eigenlijk zegt de Instructie der ambassade van 1639 (bij:
Aitzema, Saken v. Staet. II p. 632), dat het waren „twee Schepen van
Amsterdam, toebehoorende aen de ~Bewinthebbers~ van de Noordtsche
Compagnie.” Daar echter de N. C. zelve zich voor de schepen in de
bres stelde, komt het mij voor, dat de woorden moeielijk anders
verstaan kunnen worden dan ik in den tekst deed, te meer daar een
inbreuk op het octrooi door de bewindhebbers zelven toch
onwaarschijnlijk is.--De Denen beweerden, dat de schepen behoorden
aan zekeren „Jochim Melchert,” die het verlof om naar Spitsbergen te
varen en in de opene zee te visschen gekocht had van de
bewindhebbers van de Amsterdamsche kamer der N. C. (Antw. v. Christ.
IV dd. 7 Oct., in: Verbaal der ambass. v. 1639--Br. v. Van Cracouw
aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.) Ik heb den
oorsprong van dit verhaal niet kunnen opsporen. Zie de plechtige
verklaring der Stn.-Gen. over de onwaarheid daarvan in hunnen brief
aan Christiaan IV dd. 29 Mrt. 1639. (L D. 1639.)
[980] Het verhaal is ontleend aan de berichten in de: Miss. v. Van
Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639, en in de:
Instructie van de Staten Generael.... voor de Heeren.... Burgh....
ende Conders van Helpen, .... gaende in Ambassade aenden Coninck van
Dennemarcken, dd. 14 Mei 1639.--Zie ook: Aitzema, Saken v. Staet. II
p. 629.
De handelwijze van den Deenschen koning schijnt door de Nederlanders
geheel verkeerd begrepen te zijn. Terwijl het Christiaan IV alleen te
doen was om de in die jaren door de Staten van Holland begunstigde,
veelvuldige inbreuken op het octrooi der Noordsche Compagnie te weren en
zoodoende de walvischvangst zijner onderdanen voor te groote
concurrentie te beveiligen, meende de compagnie, dat Z. M. niets minder
bedoeld had, dan van alle Nederlandsche walvischvaarders Deensche
verlofpassen voor de visscherij aan Spitsbergen te eischen en dus ook de
compagnie zelve in haar jarenlang ongestoord bezit der walvischvangst
te storen[981]. Zij klaagde dan ook hevig bij de Staten-Generaal en
dadelijk werd door dezen aan Van Cracouw geschreven, dat hij zorgen zou
voor spoedige voldoening[982].
[981] R. S.-G. 9 Nov. 1638.--R. H. 3 Dec. 1638.--Instr. der ambass.
v. 1639.--Aitzema, Saken v. Staet. II p. 538.
[982] R. S.-G. 18 Oct. 1638.
De onderhandelingen, door dezen met Christiaan IV gevoerd, leidden
aanvankelijk tot een gunstig gevolg. Van Cracouw stelde twee eischen.
Hij verzocht 1^{o}. reparatie van de schade, door Vhlefeldt aan de
Nederlanders in hunne nering veroorzaakt, en 2^{o}. handhaving van het
recht der Noordsche Compagnie uit kracht van hare ontdekking van
Spitsbergen en haar jarenlang bezit der walvischvangst. Hoewel Z. M. dit
laatste punt volstrekt niet wilde toegeven en volhield, dat zelfs het
geven van den naam Spitsbergen eene usurpatie was, daar het land
behoorde tot de »Gronländischen Vtscheren” en »Christiansbergen” heette,
toonde hij zich evenwel tot eene schikking geneigd[983]. Op verzoek van
den kanselier Reventlow, met wien de onderhandeling werd voortgezet,
deed Van Cracouw dadelijk eenige voorslagen, om de walvischvangst der
twee volken en de verdeeling van de traan tusschen hen te regelen, opdat
alle oneenigheden in het vervolg voorkomen worden en beide partijen
daardoor meer voordeel dan tot nog toe trekken zouden. Van Cracouw
stelde voor op hoop van de goedkeuring der Noordsche Compagnie: 1^{o}.
dat de twee volken overeen zouden komen om jaarlijks een bepaald getal
schepen naar Spitsbergen te zenden in verhouding tot de krachten der
wederzijdsche compagniën, 2^{o}. dat beiden zouden blijven binnen de
grenzen van het nu door hen op het eiland bezeten gebied, of 3^{o}. dat
de Deensche compagnie hare traan alleen in Denemarken zou invoeren, en
dat haar dit land en »heel Oostlandt” (de landen aan de Oostzee) als
débouché zou worden overgelaten; terwijl de Noordsche Compagnie de
landen aan de Elbe, Weser en Eems benevens Nederland, Frankrijk en de
overige zuidelijke en westelijke landen van traan zou voorzien. Op het
eerste gezicht beviel deze regeling Christiaan IV wel; eerst na nader
onderzoek van de verhouding der beide compagniën wenschte hij zich
echter bepaald uit te laten. Wat de zaak van Vhlefeldt aanging,
voorloopig beloofde Z. M. (9 November 1638) onderzoek te zullen doen
naar het in den zomer aan Spitsbergen voorgevallene; reeds nu gaf hij
aan Van Cracouw te kennen, dat het zijne bedoeling geheel niet was de
Nederlanders hunne nu eenmaal gevestigde walvischvangst te beletten.
Zijn verlangen was alleen, dat zij in hunne »gepürende schranken”
blijven zouden, en hij was dan ook voornemens nieuwe vreemde indringers
te weren. Mits de Nederlanders de Deensche walvischvaarders niet
hinderden, wilde hij alles doen om de visscherij van beide natiën te
bevestigen en te verzekeren. Inbreuken op zijne koninklijke rechten
wenschte hij echter gestraft te zien[984].
[983] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 18 Nov. 1638, in: L.
D. 1638.
[984] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 27 Nov. 1638, in: L.
D. 1638, en de verklaring van 9 November, die als bijlage bij den
brief van Van Cracouw dd. 18 November is gevoegd.
Op deze gunstige verklaring volgde echter niets. Van Cracouw wachtte
maandenlang eene nadere beslissing, maar te vergeefs. En weldra bleek
het, dat de zaken weder geheel van aanzien veranderd waren en er niets
goeds meer van den koning te hopen was. Het onderzoek, dat Z. M. aan Van
Cracouw beloofd had in de zaak van Vhlefeldt te zullen doen, schijnt ten
nadeele der Nederlanders afgeloopen te zijn: de admiraliteit van
Kopenhagen besliste 25 Februari 1639, dat Vhlefeldt geheel volgens zijne
Instructie gehandeld had en dat daarentegen de Nederlanders door het
bevrijden der twee gearresteerde schepen gehandeld hadden als
»meyneedige schelmen,” die ’s konings jurisdictie geschonden
hadden[985]. Christiaan IV, om politieke redenen weder minder
vriendschappelijk dan vroeger jegens de Staten-Generaal gezind, nam de
houding aan als wilde hij volgens dit vonnis handelen; er liep een
gerucht, dat de sterke uitrusting, dit voorjaar in Denemarken gedaan,
tegen de Nederlandsche walvischvaarders gericht was[986]. Dadelijk
werden nu de sinds lang rustende onderhandelingen door Van Cracouw op
verzoek der Noordsche Compagnie weder opgevat[987]. Weder stelde hij de
oude eischen, schadevergoeding en verzekering voor het vervolg, maar de
zaak vorderde ditmaal geheel niet. Van de Nederlandsche voorslagen tot
regeling der visscherij werd niet meer gerept, en terwijl men den
resident na langdurige onderhandelingen met den kanselier Fries tot het
verkrijgen van schadevergoeding naar den aanstaanden Deenschen rijksdag
en vandaar weder naar de justitie verwees, bleef de koning eene nieuwe
schriftelijke verklaring van zijne goede bedoelingen jegens de Noordsche
Compagnie weigeren met de verzekering, dat hij zich aan de nota van 9
November bleef houden. Toch was het moeielijk door dergelijke
betuigingen gerustgesteld te worden, terwijl de Deensche regeering
hardnekkig weigerde aan het goede recht der beide schepen te gelooven,
terwijl de verhalen over de uitrusting van Deensche oorlogschepen
toenamen[988], en terwijl er zelfs voor de Kopenhaagsche admiraliteit
geprocedeerd werd tusschen Vhlefeldt en Johann Braem, nog steeds het
hoofd der Deensche compagnie voor de walvischvangst, wie de oorzaak was
geweest van het ontsnappen der schepen en dus de schade aan den
vertoornden koning moest vergoeden. De meest tegenstrijdige geruchten
waren te Kopenhagen in omloop. Terwijl de een verzekerde, dat de
Noordsche Compagnie, voorzien van »een nieuw vast Octrooij bij alle de
Provintien geconfirmeert”, hare uitrustingen zou moeten »besnijden” en
eene overeenkomst met de Deensche compagnie treffen over de onderlinge
verhouding harer uitrustingen[989], wisten anderen te verhalen, dat
niets dan het verkrijgen eener recognitie het geheime doel van den
Deenschen vorst was; alle moeielijkheden, meenden dezen, zouden
plotseling eindigen, wanneer men hiervan slechts repte[990]. De ware
bedoelingen van Christiaan IV bleven zoodoende een geheim, maar toch
scheen er reden om ernstig ongerust te zijn.
[985] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.
[986] Aitzema, Saken v. Staet. II p. 629.--Instr. der ambass. v.
1639.
[987] Zie over Van Cracouw’s onderhandelingen tot de aankomst der
Nederlandsche ambassade: Missive v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd.
4, 11 Mrt., 14 Apr., 6 Juni 1639, in: L. D. 1639.--R. S.-G. 24, 29
Mrt. 1639.--R. H. 24, 25 Mrt. 1639.--Miss. v. de Stn.-Gen. aan
Christ. IV en aan Van Cracouw dd. 29 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.
[988] Die verhalen bleken echter onjuist; lang schijnt men geweifeld
te hebben, maar eindelijk bleven de schepen liggen. (Miss. v. Van
Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28, 31 Mei, 6 Juni 1639, in:
L. D. 1639.) Nog den 9 Augustus waren zij niet vertrokken. (Miss. v.
Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 9 Aug. 1639, in: Verbaal der
ambassade van 1639.)
[989] Als reden daarvoor werd opgegeven, dat „de traen in reputatie
gehouden” moest worden, en dat bij voortduring van concurrentie de
beide compagniën „sich souden consumeeren” en de vaart op
Spitsbergen te niet gaan. (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd.
11 Mrt. 1639, in: L. D. 1639.)