eiland. (Vander Brugge, Journael der Seven Matroosen. p. 29); het
kaartje der Mauritius-baai in Van Keulen’s groote Zee-atlas (I p.
72) noemt daar zelfs nog een „Deensche Tent.” Denkelijk waren de
Deensche bezittingen aan de Enkhuizensche kamer overgegaan, maar
hadden zij den naam behouden. (Krt. v. de Maur.-b. in den Zee-atlas
v. V. Keulen I p. 72, jcto. de beschr. daarvan ald.--Vgl. hiervóor
p. 143.)
[930] Protest v. de bewindh. der N. C., als bijl. D achter hun req.
aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.
C. R.-A.--Zie ook de rescriptie der N. C. dd. 8 Apr. 1633 op het
req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, onder de: Stn. v. d. Haarl.
gedeput. N. C. R.-A.
Naar mijn inzien had de Noordsche Compagnie dan ook geen recht, om Braem
of Vrolicq over hun gedrag lastig te vallen. De geheel toevallige
omstandigheid, dat de beide schepen dit jaar niet in de Mauritius-baai
maar in de Robbenbaai terecht kwamen, schijnt mij voor het recht der
Denen beslissend. Het gebied der Nederlanders op Spitsbergen toch was
wel niet, zooals Vrolicq later verklaarde, »soo onseecker als hare
begeerlycheyt onmatich is, ende alle palen ende limiten te buyten
gaende,” maar het kon toch niet ontkend worden, dat de Nederlanders, hoe
klein het gedeelte van Spitsbergens kust, waarop zij aanspraak maakten,
ook was, zich meer aanmatigden dan de geringe omvang hunner visscherij
wettigde. Van de geheele uitgestrektheid van Fairhaven tot Maudlensound
toch werd alleen de Mauritius-baai en het Amsterdamsche eiland door hen
jaarlijks bezocht; bepaaldelijk in de Robbenbaai schijnen zij zich vóor
1631 niet vertoond te hebben[931]. En de beweerde overeenkomst met de
Engelschen, waarbij hun de geheele noordwesthoek van Spitsbergen
afgestaan heette te zijn, mocht tegen dezen als wapen gebezigd kunnen
worden; de Denen noch eenig ander volk zouden zich zeker storen aan eene
regeling, waardoor eene geheele uitgestrektheid lands, waar veel winst
te behalen was, aan het verkeer onttrokken werd ter wille van eene
natie, die misschien de noodige formaliteiten vervuld had, maar zeker de
eigenlijk gezegde inbezitneming van verreweg het grootste gedeelte van
het haar afgestane land achterwege gelaten had. Volkomen met hetzelfde
recht als de Nederlanders zich indertijd nevens de Engelschen op door
dezen niet gebruikte plaatsen gevestigd hadden, namen nu de Denen op
hunne beurt weder van de eenzame Robbenbaai bezit. De toestand van
onverdeeld gemeenschappelijk bezit der Mauritius-baai door Nederlanders
en Denen nam dus een einde, maar terwijl de Nederlanders voortaan dien
zeeboezem voor zich alleen behielden, hadden dan ook de Denen het recht
in de door hen ingenomen Robbenbaai allen toe te laten, die zij wilden.
[931] Vrolicq althans verzekerde dit herhaaldelijk. (Zie o. a. zijn
request aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn. v. d. Haarl.
gedeput. N. C. R.-A.) De N. C. ontkende het nooit bepaald, en de
Stn.-Gen. beweerden slechts éen enkele maal, blijkbaar minder juist
ingelicht, dat de N. C. de walvischvangst in de bedoelde baai niet
alleen sinds lang had geoefend, maar zelfs daarvan had bezitgenomen
„bactissant leur loges et dressans tout leur appareil necessaire.”
(Antw. der Stn.-Gen. aan Baugy dd. 22 Juli 1634, in: L. F. 1634.)
Hoewel dus de verplaatsing der Deensche walvischvangst naar de
Robbenbaai het gunstige gevolg scheen te zullen hebben, dat de koning in
zijne plannen met de Basken bij beter recht ook meer kans van slagen
hebben zou, was Christiaan IV echter niet geneigd zich zonder protest te
laten verdringen. Weldra verscheen Gödert Braem in Den Haag met brieven
van den koning, die klaagde, dat de Noordsche Compagnie zich niet
ontzien had een groot gedeelte van de plaats »vff der von vnserm
Königreich Norweg dependirenden Grönländischen Insull Christiansbergen,
von anderen Spitzbergen genand,” waar de Denen van ouds gewoon waren te
visschen, zich toe te eigenen en te bebouwen. Onder bedreiging met
krachtige maatregelen verzocht de koning kort en goed »restitution und
demolition[932].” De zaak werd nog nader aangedrongen[933], maar de
Staten-Generaal gaven niet dan uitstellend antwoord en er kwam ook
verder niets van eenige voldoening. Ook scheen dit onnoodig: de Deensche
walvischvaarders vestigden zich voor goed in de Robbenbaai; zij hadden
daar en misschien in het nabijgelegen Deensche gat even goede
gelegenheid voor hun bedrijf als vroeger, zonder ooit met de
Nederlanders te behoeven in aanraking te komen.
[932] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L.
D. 1632.--R. S.-G. 13 Mrt. 1632.
[933] Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.--R. S.-G. 31
Mrt., 24 Juli 1632.
De gelegenheid om de Baskische walvischvaarders op Spitsbergen binnen te
leiden scheen dus nu schooner dan ooit. Ongelukkig liet juist op dit
oogenblik de ondankbare Vrolicq zijne beschermers in den steek. Hoewel
hem in 1631 ongetwijfeld alleen door de tusschenkomst van Gödert Braem
het verblijf in de Robbenbaai gegund was, schijnt hij gemeend te hebben,
dat hij nu ook voortaan wel zonder van zijne daden rekenschap te geven
op Spitsbergen zou kunnen verkeeren. Dadelijk na zijne terugkomst in
Frankrijk verkondigde hij dan ook, dat de Nederlanders de Fransche
paspoorten erkend hadden en hij maakte zich gereed zelfstandig op
Spitsbergen te verschijnen. Wij zullen spoedig zien, dat zijne
onafhankelijkheid hem ten minste aanvankelijk slecht bekwam[934];
voorloopig houden wij ons alleen met de Denen bezig.
[934] Zie hierover meer in Hfdst. VIII.
Johann Braem liet zich niet ontmoedigen: nu Vrolicq hem ontvallen was,
knoopte hij dadelijk onderhandelingen met andere Franschen aan. Het
gelukte hem werkelijk eenige Basken, wien de walvischvangst aan
Spitsbergen door het uitsluitend octrooi, dat Richelieu aan Vrolicq
verleend had, gesloten was, voor zijn plan te winnen en in den zomer van
1632 verschenen nevens Gödert Braem twee Biscaaische schepen, de »Pigeon
blanc” kapitein Pierre Bathon[935] en de »Ste. Marie” kapitein Jean De
Sigaroy in de Robbenbaai. Commandeur Jacob Jansz. Duynkercker,
doortastender maar ook minder nauwgezet dan het vorige jaar, gelastte
hun echter dadelijk te vertrekken. Braem schijnt zijne beschermelingen
niet tegen den bepaalden wil der Nederlanders in de Robbenbaai te hebben
kunnen handhaven en de Basken moesten voor de overmacht bukken en zich
naar de Noordkaap begeven. Om zich te wreken wachtten zij echter daar
het vertrek der Nederlandsche walvischvaarders van Jan Mayen-eiland af
en zeilden toen daarheen. Den 31 Augustus 1632 landden zij, braken de
verlatene schuren der Nederlanders open, roofden niet minder dan 600
quarteelen van de daar achtergelatene traan en meer dan 200,000 pond
walvischbaarden. Ook gereedschappen tot de walvischvangst werden
medegevoerd; wat niet draagbaar was werd vernield[936] en toen de
schepen der Noordsche Compagnie in 1633 weder op het eiland aankwamen,
begrootten zij de schade op veel meer dan ƒ 100,000. Van eenige Basken
vernam men al spoedig, wie de daders waren[937].
[935] Ik kies dezen naam op goed geluk af uit de verschillende, die
vermeld worden: Bathon, Balcon, Ratson en Piasion.
[936] Uit vrees voor eene herhaling van dergelijke aanvallen waren
de Nederlandsche matrozen, die in 1633 op Spitsbergen en Jan
Mayen-eiland overwinterden, dan ook zeer tegen de komst van
Baskische schepen op hunne hoede. (Journ. der Seven Matroosen op
Mauritius. p. 4.--Vander Brugge, Journael. p. 6.)
[937] Req. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 2 Febr. 1634, ook: ald.
bijl. K, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Rescr. der N.
C. dd. 8 Apr. 1633 op het req. v. Vrolicq dd. 11 Mrt. 1633, in: Stn.
N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
Het was eene netelige zaak, waarover men van verschillende kanten en bij
verschillende rechters klagen kon. De Nederlanders schijnen dan ook met
de zaak verlegen geweest te zijn. Terwijl de Noordsche Compagnie
volhield, de toegebrachte schade als van Baskischen oorsprong te
schrijven op rekening der Fransche compagnie voor de walvischvangst, die
natuurlijk tegen de daders even vijandig gezind was als zij zelve[938],
klaagde zij toch bij de Staten-Generaal over de »molestie”, hun door de
Denen op Spitsbergen aangedaan door het herhaalde invoeren van Fransche
walvischvaarders[939]. Tevens verzocht zij met nadruk, om door de Staten
»by haer recht ende octroy gemainteneert te worden[940].” De Staten
zeiden der compagnie wel hunne bescherming toe[941], maar durfden bij
Christiaan IV, met wien men juist bezig was over eene schikking te
onderhandelen, niet te klagen uit vrees voor nieuwe moeielijkheden. De
koning van zijne zijde wilde niet spreken van den inbreuk, op zijn recht
gemaakt door de weigering van toelating der Basken uit vrees voor
eischen tot vergoeding der door hen aangerichte schade. Blijkbaar was
ook Z. M. met de zaak verlegen. Hij sprak Van Cracouw een enkele maal
daarover aan, en vroeg zeer naïef: »waer wil dat eijntelick heen?” Maar
toen de Nederlandsche resident hem op de verkeerde gevolgen van Braems
knoeierijen met de Basken wees, liet hij zich toch weldra tot eene
betere regeling voor het vervolg vinden[942]. Een eisch tot vergoeding
der geledene schade werd eerst in 1641, toen de juiste toedracht der
zaak vergeten was, in zeer overdrevene termen aan de Nederlandsche
ambassadeurs op de conferentie te Staden gedaan. Weder werd de zaak zóo
voorgesteld, alsof de Noordsche Compagnie Gödert Braem zelven van
Spitsbergen verjaagd had, en met veel ophef werd weder gewaagd van de
»hergebrachte gerechticheyt ratione proprietatis et dominij” van
Denemarken over de zeeën, »die van Norwegen ende Groenlant dependeren.”
Ook over deze grief verwees men echter de Denen naar de gewone
rechters[943], en van de zaak, die zoolang gerust had, werd niet verder
gesproken.
[938] Dupl. v. Vrolicq dd. 15 Apr. 1633 op de rescr. der N. C. dd. 8
Apr. 1633, in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
[939] R. S.-G. 18 Jan. 1633.
[940] R. S.-G. 21 Jan., 10 Febr. 1633.
[941] R. S.-G. 18 Jan., 10 Febr. 1633.
[942] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, 5
Febr. 1633, in: L. D. 1633,--en dd. 20/30 Mrt. 1633, in: Stn. N. C.
v. d. Hrl. gedeput. R.-A.
[943] Verbaal der ambass. v. 1641 ad 16/26 Sept. 1641.
Terwijl alzoo Christiaan IV door zijne herhaalde verzoeken aan de
Staten-Generaal evenmin als door gewelddadige handhaving der Basken een
stap verder gekomen was tot zijn doel, de erkenning van zijne
souvereiniteit over Spitsbergen door de Biscaaiers en vooral door
Nederland, had Johann Braem zelf langs omwegen hetzelfde doel trachten
te bereiken. Reeds in 1631 had hij aan de Noordsche Compagnie als een
groot voordeel aangeboden, dat zij tegen vergoeding der door hem in 1623
geledene schade deel zou kunnen krijgen in het octrooi hem door den
koning verleend, ja zelfs voor eene recognitie aan Denemarken de
walvischvangst aan de Noordkaap zou mogen oefenen[944]. Het komt mij
weinig twijfelachtig voor, dat met deze schoonschijnende aanbieding,
zeker met voorkennis van Christiaan IV gedaan, niets anders bedoeld werd
dan de compagnie tot eene daad te verlokken, waardoor zij minst genomen
den schijn op zich zou laden, dat zij van den koning van Denemarken het
recht op de walvischvangst tegen betaling verkregen had. De
Staten-Generaal liepen in den strik; de Noordsche Compagnie weigerde
echter kortaf[945]. Toen dus ook deze poging om het voorgestelde doel te
bereiken vruchteloos gebleken was, beraamde Braem een tweede list. Den
26 Februari 1633 wendde zich een Amsterdamsche koopman, Pelt genaamd,
een handelsvriend van Braem en waarschijnlijk voor deze zaak zijn
compagnon[946], tot de Staten-Generaal met verzoek om een te Amsterdam
voor Johann Braem tot de walvischvangst uitgerust schip naar Denemarken
te mogen laten vertrekken[947]. Op advies der Amsterdamsche
admiraliteit werd het verzoek echter afgeslagen[948] en weinige dagen
later gingen de Staten zelfs op verzoek der Noordsche Compagnie over tot
het arresteeren van een plakkaat tegen alle »directe ofte indirecte
lorrendrayerien[949].” »Wij komen in ervaringe,” dus schreven de
Staten-Generaal daarin, »dat deur toedoen van eenige ongeruste Menschen,
de welvaert deser Vereenichde Landen benijdende, ghetracht wort de
Walvisscherije, by directe ende indirecte wegen ende middelen, te
contramineren, om de goede Ingesetenen deser Landen van de voorszeide
Neeringe t’ ontsetten, ende de verwachte Vruchten selfs te genieten,
poogende tot dien eynde in dese Vereenichde Provintien tot hen te
trecken veele Inghesetenen ende Inwoonderen deser Landen, om by andere
wegen als deur directie ende beleydt van de Noortsche Compagnie, binnen
de Limiten van Nova Sembla tot Fretum Davits te varen, ende de Neeringe
van Walvisschen ende andere Zee-Monsters te plegen, exerceren, ende de
selve elders buyten dese Lande te diverteren. Ende dat oock vele onser
Ingesetenen hun vervorderen soodanige diensten aen te nemen, andere daer
toe te induceren ende helpen aennemen, ~mitsgaders in Uytheemsche
Compagnien ende voyagien te participeren, ende de selve met hun middelen
te helpen formeren~, streckende alle ’t selve tot groot naedeel van de
voorszeide Compagnie, interest van de gemeene welvaert deser Landen,
ende uyt-nemende groote schade van veele Ingesetenen van dien, daer uyt
de voorszeide Compagnie is gheformeert, waer jegens nae behooren dient
voorsien, ende alle mogelijcke ordre gestelt.” Op deze gronden verboden
de Staten alle inwoners der Vereenigde Nederlanden 1^{o}. om in vreemde
dienst ter walvischvangst uit te varen, 2^{o}. om Nederlandsche schepen
te verhuren aan vreemde walvischvaarders, en 3^{o}. om aandeelen te
nemen in vreemde compagniën voor de walvischvangst[950]. Toen de Staten
hunne gedragslijn zoo openlijk hadden afgebakend, was er natuurlijk aan
geen inwilligen van het verzoek van Pelt meer te denken. Hoewel dan ook
niet alleen Johann Braem en de Nederlandsche resident in Denemarken
Carel Van Cracouw, maar ook de koning zelf het verzoek nog dringend
aanbevalen, stuitte ook deze toeleg om Nederlandsche walvischvaarders
onder de Deensche vlag te scharen af op de besliste houding der
Staten-Generaal. De aanbeveling van Van Cracouw werd voor kennisgeving
aangenomen[951], Braem verwees men naar het plakkaat[952]; de booze
brief van den koning eindelijk werd ter zijde gelegd als »niet
geschreven in soodanige terme als syne Co. Ma. gewoon is aen hare Ho.
Mo. te schryven.” Het stuk werd zelfs later teruggezonden met de vraag,
»waerom datmen in dese den gewoonlicken styl was te buyten gegaen, ende
hare Ho: Mo: niet gequalificeert (had) met den titul die deselve
competeert[953].”
[944] R. S.-G. 26 Juli 1631.
[945] R. S.-G. 28 Juli 1631.--In 1626 schijnen eenige Nederlanders
gewilliger geweest te zijn, maar de slechte uitslag der
walvischvangst aan de Noordkaap heeft hen zeker van het doorzetten
der zaak afgeschrikt. (Wassenaer, Hist. verh. XI fol. 131.)
[946] Vlg. den brief van Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei
1639 (L. D. 1639) was Philips Pelt „factoor” van Braem te Amsterdam,
en „wiert hy oock verdacht te sijn in Compagnie met Jan Braem weegen
de walvischvangst.”
[947] R. S.-G. 26 Febr. 1633.
[948] R. S.-G. 7 Mrt. 1633.
[949] R. S.-G. 7, 11 Mrt. 1633.--R. H. verg. v. 16 Febr.-26 Mrt.
1633. p. 15.
[950] Gr. Placaetboeck. I p. 680-83.--Het plakkaat zal misschien
bedoeld hebben, tegelijkertijd een einde te maken aan eenige
handelingen van Nederlanders van geheel denzelfden aard met
betrekking tot eene Fransche compagnie. Zie hierover meer in Hfdst.
VIII.
[951] R. S.-G. 21 Apr., 3 Mei 1633.--Zie den brief (dd. 20/30 Mrt.
1633) in: Stn. N. C. v. d. Haarl. gedeput. R.-A.
[952] R. S.-G. 13 Apr. 1633.
[953] R. S.-G. 19 Apr. 1633.
Niettegenstaande de Staten-Generaal dus alle erkenning, hetzij ze
zijdelings of direct verzocht werd, stoutweg durfden weigeren, trachtten
zij toch gedurig te bewerken, dat men hen van verdere aanzoeken
verschoonde. De voortdurende brommende vertoogen van Christiaan IV over
zijne »Hoocheit ende Regalia” moede, wenschte men langs diplomatieken
weg den koning van het impolitieke zijner handelwijze te overtuigen,
toen het bleek dat de standvastige weigering hem het gekozene standpunt
niet deed verlaten. Reeds dadelijk na de overeenkomst van 1625, waarbij
het geschil met Braem aan het Hof van Holland was onderworpen, had de
Noordsche Compagnie, daar het scheen, dat de zaak een goed einde zou
nemen, van de gelegenheid gebruik gemaakt om er bij Christiaan IV op aan
te dringen, dat hij alle reden tot dergelijke onaangenaamheden voor het
vervolg zou voorkomen. Zij had den koning verzocht, om voortaan slechts
aan zijne onderdanen paspoorten voor de visscherij bij Spitsbergen te
willen uitreiken en wel onder beding, dat verkoop aan vreemden
ongeoorloofd zou zijn[954]. Ofschoon dit verlangen zeker zeer billijk
was, werd aan den Nederlandschen gezant Van Vosbergen, wien de zaak in
handen gegeven was[955], door den koning geantwoord, dat de voorstelling
door de Noordsche Compagnie van Braems handelingen gegeven geheel
onjuist was. Zoo de Nederlanders mochten kunnen bewijzen, dat Braem zijn
octrooi werkelijk verkocht had, wilde de koning hem »ten exemple van
anderen sonder genade straffen[956].” De Noordsche Compagnie antwoordde
op deze vordering door het overleggen van een afschrift van Braems
contract met de Basken, waaruit de oneerlijke handelwijze van ’s konings
beschermeling duidelijk bleek. De Staten-Generaal zonden dit stuk naar
Kopenhagen met eene begeleidende missive, waarin zij nader op het
ophouden van alle betrekkingen met de Biscaaiers en het intrekken van
Braems octrooi aandrongen. Wij kunnen niet gelooven, dus schreven de
Staten, »d’jntentie van uwe Con. Ma^{t}. te syn de Walvischerije ende
neringe daer an dependerende uyt uwe Ma^{teyts} Coninckrijck te doen
diverteren, strydende het selve jegens de fondamentale redenen
ende de nature zelver van alle octroijen, daer toe streckende,
omme de onderdanen selver ende niet vremde ende uytheemsche te
gratificeren[957].” De koning moest zich met deze overtuigende bewijzen
wel tevreden houden, maar aan het verzoek der Staten werd voorloopig
niet voldaan. Waarschijnlijk heeft Braem »met sijne fauoriten” de zaak
gesust. De onaangename toon, door Christiaan IV aangeslagen, belette
verder geruimen tijd alle kalm overleg en jarenlang staakte men alle
pogingen in dezen geest. Eerst de memorie, door de Noordsche Compagnie
in 1631 aan de ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer
medegegeven[958], behandelde de politieke quaestie weder zeer uitvoerig.
Het was eene geheime mededeeling, alleen ter instructie van de gezanten
bij eventueele klachten bestemd, en laat ons dus een diepen blik in de
politieke drijfveeren der twistende partijen slaan.
[954] R. S.-G. 26 Apr. 1625.
[955] R. S.-G. 13 Mei 1625.
[956] Miss. v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in:
L. D. 1625.--R. S.-G. 28 Juni 1625.
[957] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 2 Jan. 1626, in:
L. D. 1626.--R. S.-G. 2 Jan. 1626.
[958] Zie hiervóor p. 257 Noot 6{[917]}.
De Noordsche Compagnie begon met de handelwijze van Braem in deze zaak
kortelijk te verhalen. Eerst had deze zijn octrooi aan de Biscaaiers
verkocht en daardoor een lang en nadeelig proces met de Noordsche
Compagnie moeten voeren. Daarna, toen hij zag dat zijn toeleg niet
gelukte, had hij een nieuw octrooi van den koning verzocht met volmacht
om de Basken daarin te mogen opnemen. Dit octrooi, schijnbaar aan Braem
verleend, was in werkelijkheid alleen den Franschen voordeelig geweest,
want Jean Vrolicq had tegelijkertijd een octrooi van Frankrijk gevraagd,
en terwijl het zeker was, dat de Deensche onderdanen in de Fransche
compagnie »niet eenen stuyver” aandeel hadden, kregen dezen alleen een
zeker gedeelte van de vangst voor het verlof om op de Deensche passen te
mogen varen.--Aan dit verhaal werden nu de gevolgtrekkingen
vastgeknoopt, dat 1^{o}. door het vragen van een Fransch octrooi de
souvereiniteit der Denen over Spitsbergen, waarop Christiaan IV zoozeer
gesteld was, twijfelachtig gemaakt werd, en 2^{o}. dat door de
slinksche streken van Johann Braem de nering der walvischvangst uit
Denemarken werd overgebracht naar vreemde landen. Over dit laatste punt
waren de bewindhebbers vooral uitvoerig. Uit het medegedeelde bleek
voldoende, schreven zij, »met wat studie” de Basken, die vroeger
meermalen verzocht hadden tegen recognitie door de Noordsche Compagnie
op Spitsbergen te worden toegelaten,--een verzoek, steeds »om gewichtige
redenen met beleeftheyt afgeslagen,”--»van tijdt tot tijdt hadden
getracht hen selven in te dringen in de Visscherie om alsoo metter tijdt
de andere natiën daer van te depossederen.” Het hoofdpunt der memorie
bleef dan ook het betoog »hoe schaedelijck dat het soude wesen, niet
alleen voor dese Landen, maer oock voor die van Denemarcken selven, het
inruymen van de Biscayers, Francoisen, ofte andere Natien, in den
Walvisch-vanckst op Spitzberghen: ende dat daer mede die gantsche
neringe niet alleen uyt dese Landen, maer oock uyt Dennemarcken soude
werden gediverteert, en in de andere Koninckrijcken ende Landen
getransporteert”[959].
[959] Zie de memorie bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1149.
Deze zoo behendig gestelde Instructie miste haar doel niet. Wel schijnt
men den gezanten niet van de zaak gesproken te hebben, maar
waarschijnlijk lieten zij het stuk in handen van den Nederlandschen
resident Van Cracouw, die er weldra een nuttig gebruik van maakte. De
onafhankelijke stelling in 1632 door Vrolicq aangenomen, die niet
schroomde tegen de Denen, die hem op Spitsbergen binnengeleid hadden,
uit kracht van zijn Fransch octrooi op te treden,--de ongelukkige
uitslag der proefneming door Braem met andere Basken gewaagd, openden de
oogen van den Deenschen vorst voor de onvermijdelijke gevolgen zijner
handelwijze. Van die veranderde gezindheid maakte Van Cracouw dadelijk
een behendig gebruik; de eerste gelegenheid greep hij aan, om den koning
voor de redenen der Noordsche Compagnie te winnen. De »meededelinge” der
paspoorten aan de Biscaaiers, dus betoogde Van Cracouw, was de eenige
oorzaak van de onaangenaamheden tusschen Denemarken en Nederland. De
Noordsche Compagnie had lange jaren aan de Denen op Spitsbergen »alle
hulpe ende assistentie” verleend, en was nog bereid daarmede voort te
gaan; maar de Basken, die nu met twee schepen gekomen waren en zeker in
volgende jaren met hoe langer hoe grooter uitrusting Spitsbergen zouden
bezoeken, wilde men niet toelaten, »alsoo sij bij alle weegen ende
middelen sochten de Neeringe ende vischerie der Compaignie te ontrecken,
niet alleene tot groote prejuditie ende Schade derseluer Compaignie
maer oock tot Sijne Ma^{ts}. onderdanen selffs”[960]. Deze redeneering
vond dadelijk een gunstig onthaal. Z. M. verzocht den resident bij
gelegenheid eens nader over de zaak te spreken. Reeds die tweede
audientie had door de behendigheid van Van Cracouw het gelukkige
resultaat, dat de koning aan Braem verbood zijne paspoorten aan de
Biscaaiers over te doen of met hen in compagnie te zijn. Z. M. besloot
voortaan geene paspoorten voor de walvischvangst meer aan de Basken uit
te geven en beloofde aan Van Cracouw, dat hij de reeds verleende zou
intrekken[961]. Het belang der Deensche walvischvangst schijnt eindelijk
de overhand behouden te hebben op ’s konings begeerte om zijn voorgewend
recht erkend te zien, een recht, dat hem toch zeker minder voordeel zou
opbrengen dan de handel zijner onderdanen zelf, wanneer het gelukte dien
te doen bloeien.
[960] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 26 Dec. 1632, in: L.
D. 1633.
[961] Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 5 Febr. 1633, in: L.
D. 1633.