Niet lang duurde het, of de Staten-Generaal kregen kennis van het

gebeurde. Reeds den 2 November 1623 ontvingen zij uit Elseneur bericht

van ’s konings woede[889], een bericht weldra (15 December) door eenen

brief van Z. M. zelven gevolgd[890]. Van alle kanten kwamen de klachten

in; de eene mededeeling over het misnoegen van den koning volgde de

andere[891], men dreigde zelfs met represaille-maatregelen in den

Sond[892]. Van Deensche zijde werd erkend, dat Braem met goedvinden van

den koning de Baskische reeders in zijne compagnie had opgenomen, maar

tevens bepaald ontkend, dat de schepen op Spitsbergen geen pas van

Denemarken hadden medegebracht. Men stelde het tevens zoo voor, alsof de

Nederlandsche commandeur in voor den koning van Denemarken beleedigende

bewoordingen de ~Denen~ niet tot de walvischvangst had willen toelaten;

terwijl hij verklaard zou hebben, dat slechts zij, die van de Noordsche

Compagnie verlof hadden bekomen, recht hadden op Spitsbergen hun bedrijf

te oefenen. De voorslag, door de Staten-Generaal dadelijk gedaan, om te

zorgen voor eene billijke behandeling van Braem, wanneer hij zich aan de

Nederlandsche rechters wilde onderwerpen, werd dan ook dadelijk door

Christiaan IV van de hand gewezen. Z. M. meende, dat dit eene quaestie

was, »darahn seine Königl. hoheit (over Spitsbergen) mit Interessirt,”

die hij volstrekt niet wilde opgeven. Van een gewoon proces kon dus

zoowel om deze reden, als omdat hij »wegen allerhande weitleuffigkeiten”

een ongunstigen afloop vreesde, geen sprake zijn. De koning stelde

integendeel den eisch, dat de zaak door commissarissen uit de

Staten-Generaal »summarie absque strepitu judicii” zou worden afgedaan.

Voor het vervolg wenschte Z. M., dat de Noordsche Compagnie niet meer

dan twee of drie schepen naar Spitsbergen zou zenden; hij van zijne

zijde beloofde, dat de Denen er ook slechts drie of vier zouden

uitrusten, »damit nicht etwa durch menge der Schiffe der fang gehindert

vnnd beide theile darüber verkürzet werden[893].”

[889] R. S.-G. 2 Nov. 1623.

[890] R. S.-G. 15 Dec. 1623.

[891] R. S.-G. 20 Jan., 10 Apr., 30 Mei 1624.

[892] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624, in: L.

D. 1624.--R. S.-G. 20 Jan. 1624.

[893] Miss. van Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Juli 1624.--R.

S.-G. 24 Oct. 1624.

De Staten-Generaal namen de zaak dadelijk ijverig ter hand. Zij zonden

een nauwkeurig verhaal van het gebeurde naar Denemarken en boden hunne

hulp aan om het geschil ten einde te brengen[894]. Maar tevens

beraadslaagde men, om de Noordsche Compagnie »ten regarde van de Denen

off andere Natien” door een konvooi van drie oorlogschepen te

beschermen[895]. In afwachting van eene beslissing van den koning werd

er verder eene commissie uit de Staten-Generaal benoemd, die echter

natuurlijk na maandenlange conferentiën met de bewindhebbers der

Noordsche Compagnie de zaak niet verder bracht, en zoo bleven de zaken

slepen. Eindelijk verscheen 1 Juni 1624 Dr. Cornelis Vinck, agent van

Denemarken, in de vergadering der Staten-Generaal en verklaarde last te

hebben om over de zaak te onderhandelen. Na eindelooze conferentiën met

de Staten-Generaal, die meer woorden dan daden gaven, en met de

bewindhebbers, die hardnekkig op hun stuk bleven staan[896], gelukte het

dezen eindelijk eene schikking te treffen. De Denen hadden iets

toegegeven en de zaak werd ter beslissing in handen van het Hof van

Holland gesteld. (1 Maart 1625.)[897]

[894] R. S.-G. 11, 25 Nov. 1623, 20, 25 Jan. 1624.

[895] Daartoe kwam het echter, niettegenstaande den aandrang van

Z.Exc., niet. (R. S.-G. 14, 16 Mrt., 23 Apr. 1624.)

[896] R. S.-G. 10 Apr., 1, 28, 29 Juni, 24, 25 Oct. 1624.--Aitzema,

Saken v. Staet. I p. 355.

[897] R. S.-G. 25 Oct., 29 Nov., 7, 21, 28 Dec. 1624, 18 Jan., 3, 17

Febr., 1 Mrt. 1625.--Reeds bij deze resolutie werd bepaald, hoe

ingeval van appèl te handelen.

Men meende een middel gevonden te hebben, om de rechtszaak met

verwijdering der politieke quaestie door de gewone rechters te doen

behandelen. Van weerszijden kwam men overeen, het geschil over de

souvereiniteit van Spitsbergen te laten rusten en de zaak te behandelen

als hadden beide partijen door hunne jarenlange visscherij in de

Mauritius-baai gelijke rechten op het bezit dier zeeboezem verkregen. Op

dien grond klaagden nu de Denen over het niet toelaten hunner schepen.

Van Nederlandsche zijde werd toen echter dadelijk geantwoord, dat de

vreemde schepen, die in den zomer van 1623 op Spitsbergen verschenen

waren, van geen enkel geldig bewijs voorzien waren, dat zij uit naam van

Denemarken kwamen, en dat dus de Nederlandsche commandeur het recht van

Denemarken in geen geval moedwillig aangetast had. De Denen ontkenden

dit en beweerden, dat de koning aan Johann Braem een octrooi en paspoort

gegeven had om aan Spitsbergen te visschen. Terwijl de Noordsche

Compagnie dit feit niet tegensprak, beschuldigde zij echter Braem, dat

hij dien pas aan eenige Baskische reeders verkocht had. De uitspraak

over beide quaestiën was beslissend voor Braems eisch tot

schadevergoeding. Was de eerste bewering der Noordsche Compagnie waar,

dan had de eischer door zijne nalatigheid zijn recht verbeurd en hadden

de Nederlanders gehandeld zonder het gewicht hunner daad te kunnen

beseffen; werd de tweede beschuldiging juist bevonden, dan had Braem

eene met het sustenu van gelijke uitsluitende rechten voor Nederland en

Denemarken strijdige handeling gepleegd en was dus tegenover beide

natiën schuldig.

Ik ben na eene aandachtige studie der nog voorhanden gegevens tot de

overtuiging gekomen, voor zoover het mogelijk is eene overtuiging over

deze zaak uit te spreken, dat de Noordsche Compagnie in beide beweringen

gelijk had. De Basken schijnen werkelijk, hoe zonderling het schijne,

het octrooi, dat aan Braem volmacht verleende om bij Spitsbergen te

visschen, en een bewijs, dat deze hun zijn recht overgedragen had, niet

bij zich gehad te hebben[898]. Wat den verkoop van het octrooi door

Braem betreft, het is moeielijk zonder het contract zelf gezien te

hebben een oordeel te vellen. Het komt mij echter voor, dat de compagnie

in het wezen der zaak het recht aan hare zijde had. Bij herhaling

verklaarden de Denen wel, dat de bewering der Nederlanders onwaar was en

dat Braem den Basken slechts een aandeel in zijne compagnie had gegeven,

maar deze verklaring schijnt meer naar de letter dan naar den geest

juist geweest te zijn. Braem had met de Basken een contract van

compagnieschap gesloten, waarbij hij voor zich een aandeel in de vangst

bedong en zich daarentegen verbond de Basken vrij te laten visschen.

Reeds de eerste uitrusting bewees echter, wat dit contract bedoelde.

Terwijl het Deensche octrooi aan Braem verlof gaf om drie schepen naar

Spitsbergen te zenden, kwamen daar de Basken toen met twee schepen;

terwijl het derde, te Kopenhagen (of volgens de Nederlanders te Hoorn)

bevracht met »coolen tot het branden van den traen noodich”, de beide

andere op hunne terugreis aan de Noordkaap zou opwachten. Feitelijk

trokken de Basken dus het voordeel van het octrooi, terwijl Braem hun

zijnen naam en zijne hulp voor geld leende. Het contract tusschen beide

gesloten was dan ook van dien aard, dat Christiaan IV, die zijnen

onderdaan steeds tegen de beschuldiging van verkoop verdedigd had, na de

toezending van een afschrift van het stuk uit Den Haag niet meer van de

zaak repte[899].--Wanneer men dus eenmaal aannam, dat de Mauritius-baai

aan Denemarken en Nederland gezamenlijk behoorde,--en dat dit algemeen

het geval was, blijkt uit de geheele geheime knoeierij van Braem met de

Basken,--dan komt het mij niet twijfelachtig voor, dat de veroordeeling

van Braem door de Nederlandsche rechters onmiddellijk volgen moest.

[898] Zie over deze zaak o. a.: Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29

Juni 1629.--Miss. v. Christ. IV dd. 28 Juli 1624, 27 Mrt. 1630, in:

L. D. 1624, 1630.--Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v.

Staet. I p. 1149.

[899] Zie de beweringen van beide partijen hierover in het vonnis

van het Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.--Vgl. ook den brief v.

Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, en de brieven v. Vosberghen en v. de

Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, 2 Jan. 1626, in: L. D. 1625-30.

Zoo spoedig gebeurde dit echter niet; de politieke zijde der quaestie,

die toch altijd bedenkelijk was, belemmerde waarschijnlijk de vrije

handeling der rechters, en de Noordsche Compagnie zelve deed haar best

om de zaak op de lange baan te schuiven. Reeds anderhalf jaar had het

proces geduurd en nog steeds was er geen einde aan te zien: het Hof

talmde voortdurend met zijne beslissing. Toen oordeelden de

Staten-Generaal, door den Deenschen gezant Thomasius aangemaand en

ziende, dat de quaestie over de souvereiniteit van Spitsbergen tegen de

afspraak herhaaldelijk in het debat gemengd werd, dat het wenschelijk

was nogmaals eene poging aan te wenden, om deze zaak, die zoo licht tot

politieke verwikkelingen aanleiding kon geven, in der minne te schikken.

Zij maanden de Noordsche Compagnie nogmaals met nadruk tot toegeven aan,

onder mededeeling »dat sij de Deensche geinclineert vonden tot

affdoeninge vande saecke bij accoort”[900]. Maar te vergeefs! »Het is

notoir,” dus schreven de bewindhebbers hoog terug, »dat soo wie in

eenich accoort condescendeert dat by de selue schult bekentenis beuonden

wert, ende alsoo wy int minste niet en connen beuinden in eeniger deel

yets schuldich te sijn, ende ter wyle dese saecke de Justitie beuolen is

ende dat wy weduwen ende weesen goederen administreren soo connen wy in

het voorgestelde accoort niet en treden[901].” Toen werden de Denen

ongeduldig: zeer dikwijls werd er bij de Staten-Generaal op spoed

aangedrongen[902], totdat eindelijk het Hof na rijpe overweging van het

van weerszijden aangevoerde den 29 Juni 1629 een einde maakte aan de

zaak, die meer dan vier jaren aanhangig geweest was, en Johann Braem

zijnen eisch tot schadevergoeding ontzegde, terwijl de kosten

gecompenseerd werden[903].

[900] R. S.-G. 29 Juli, 1, 7 Aug. 1626.

[901] Miss. v. de N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626.--R. S.-G.

18 Sept. 1626.

[902] R. S.-G. 7 Jan., 30 Sept. 1626, 27 Sept. 1627, 20 Sept., 14

Oct. 1628, 12 Juni 1629.--Aitzema, Saken v. Staet. I p. 548.--Miss.

v. de Nederl. ambass. te Kopenhagen en v. Van den Honaert, beide dd.

26 Mei 1627, in: L. D. 1627.

[903] Sententie van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629.

Het liet zich voorzien, dat de koning van Denemarken met deze beslissing

niet tevreden zou zijn. Werkelijk ontvingen de Staten-Generaal den 26

April 1630 eenen brief van Z. M. met een »wijtlopich verhael” van de

zaak van Braem en den loop van het proces. Christiaan IV klaagde hevig

over den langen duur der rechtszaak en verwaardigde zich verschillende

punten aan te wijzen, waarop het Hof z. i. bij zijn vonnis niet genoeg

gelet had; het hoofdpunt was ook nu weder de quaestie, of de Basken een

Deenschen pas dan wel een eenvoudig briefje bij zich gehad hadden. De

koning noemde het vonnis kortweg »ein vnbillig Vrtheill,” en weigerde in

appèl bij den Hoogen Raad te komen, daar de Denen nu genoeg ondervinding

hadden »das Ihr gegentheil dortt im lande ihnen viell zu mechtig, undt

dergestallt ~supportirt~ würde, das Sie daselbst weiter zu Rechte zu

gehen nicht vermüchten.” Hij verzocht dus de Staten-Generaal dringend,

aan Braem op andere wijze vergoeding te doen geworden; gebeurde dit

niet, dan dreigde hij de kamer der Noordsche Compagnie te Amsterdam met

represailles[904]. Maar er was meer: de koning had nog een andere

ernstige grief tegen het vonnis. Wij hebben gezien, dat Christiaan IV,

aanvankelijk weigerachtig om het geschil aan de gewone rechters te

onderwerpen, daarin eindelijk alleen toestemde, op voorwaarde dat de

quaestie over zijne souvereiniteitsrechten op Spitsbergen buiten het

proces zou blijven. Tegen dit voorschrift hadden beide partijen

herhaaldelijk gezondigd. De twist over het verkoopen van het octrooi, of

volgens de Deensche lezing over het opnemen van eenige Basken in de

compagnie voor de walvischvangst door Braem met goedkeuring van den

koning, had allicht de eischers tot het wrevelig antwoord gebracht, dat

Z. M. ten slotte vrij was, aan wie hij wilde paspoorten te verleenen om

op ~zijn~ land te varen, al waren onder de bevoorrechten ook

vreemdelingen met de Denen vermengd geweest. Van Nederlandsche zijde was

men het antwoord op zulk eene opmerking geen oogenblik schuldig

gebleven: men had zich beroepen op de ontdekking van Spitsbergen door

Heemskerck en Rijp en dat beroep door eene eenigszins onjuiste

voorstelling van de geschiedenis der Nederlandsche walvischvangst

gestaafd. Daaruit waren wederom langdurige onaangenaamheden

voortgekomen. Christiaan IV had reeds in 1626 geklaagd, dat men hem

zijne kroonrechten wilde betwisten, en verklaard, dat hij »geenssints

goet vont in dispute te laeten trecken zyne Superioriteyt ouer

Spitsberghen, veel weyniger dat daer ouer alhier gedecideert soude

werden[905].” Slechts met moeite was de zaak toen geschikt door het

aanbod om alle deze zaak betreffende stukken uit het proces te

lichten[906], en nu bleek het plotseling uit het vonnis van het Hof,

dat aan deze belofte niet voldaan was. Aan het hoofd van de beweringen

van ieder der beide partijen vond men in het vonnis een uitvoerig

betoog, dat Spitsbergen haar toebehoorde,--eene bijvoeging, waardoor ter

loops opgemerkt de redeneering van beiden niet aan logische helderheid

gewonnen had. Het laat zich denken, dat Christiaan IV hevig vertoornd

was.

[904] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.

[905] R. S.-G. 7 Jan., 6 Febr., 29 Juli 1626.

[906] R. S.-G. 24 Febr., 7 Aug. 1626.--Miss. v. de N. C. aan de

Stn.-Gen. dd. 3 Sept. 1626, in: L. D. 1626.

Z. M. was zeer verontwaardigd, dus schreef hij, dat niettegenstaande de

herhaalde beloften der Staten-Generaal toegelaten was, »das man Unsere

hoheit uber die lande nicht allein streitig zu machen, Sondern so weit

an ihnen gewesen, Vns gar zu entziehen sich unterstanden, Den die

Compagnie in ihrer antwortt undt duplica aussdrücklich vorgebt, das sie

die hoheit derselben den vereinigten Provintzen acquirirt[907].” Den 29

Januari en 21 Juni 1631 kwam Z. M. hierop terug en klaagde, dat de

Noordsche Compagnie »ihre vorige vnbegründete einwürffe weittläufftig

wiederholett, besondern auch seine vff seinem Landt Spizbergen habende

hoheit vnnd bottmässigkeit fast mehr vnnd mehr in Zweiffell zuziehen

vnnd disputirlich zu machen sich vnterstandenn.” Eerlang werd nu het

eiland Spitsbergen »Christiansbergen”, de Mauritius-baai

»Christianshaffen” verdoopt als bewijzen van het Deensche

eigendomsrecht, en nadrukkelijk verzocht de koning de Staten-Generaal te

verhoeden, »das seine hoheit über dieselbe Lande, da der Walfischfang

geübet wird, in eintzig disputat gezogen werde[908].” In September 1631

kwam daarop een gezant met nieuwe klachten aan[909], en de Staten

begrepen iets te moeten doen. Zij schreven dus aan den koning bij

herhaling[910], dat »wat belanght de hoogheyt ende gerechtigheyt die

sijn Majesteyt over de Landen van Groenlandt, ende andere quartieren om

den Noort ghelegen souden mogen hebben, ofte pretendeeren, en is haer

Hoogh Mog: meeninge ende intentie gansch niet dat alhier te Lande daer

over sal werden gedisputeert, gelijck haer Ho: Mog: sulcks hier bevorens

expresselijck hebben verbooden daer ’t behoort, al hoe wel het schijnt

dat eenige gepoogt hebben, zijn Majesteyt contraerie opinie te doen

suscipieeren, die nochtans met de waerheyt niet over een en komen,

volgens dese haer Ho: Mog: ronde en sincere iterative verklaringe[911].”

[907] Miss. v. Christ. IV dd. 27 Mrt. 1630, in: L. D. 1630.

[908] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan., 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

[909] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1175.

[910] R. S.-G. 28 Juli, 4 Oct. 1631.

[911] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1176.

Maar hierbij bleef het ook[912]. Men was minder dan ooit gezind ’s

konings recht te erkennen en ook de eisch, dat de Staten aan Braem op de

eene of andere wijze vergoeding zouden bezorgen, werd niet voor

inwilliging vatbaar geoordeeld. Juist het herhaaldelijk bespreken van de

souvereiniteitsrechten der Deensche kroon had het gevaar aangetoond om

zich eene zaak als deze officiëel aan te trekken en de Staten waren dan

ook vast besloten, dat zij als eene partikuliere quaestie met de

Noordsche Compagnie zou afgehandeld worden. Daarop was dus de geheele

gedragslijn der regeering ingericht. Braem wendde zich eindelijk tot de

Noordsche Compagnie, maar na maanden onderhandelens was de zaak nog niet

verder gekomen[913]. Een zeer heftige brief van den koning had ten

gevolge, dat de quaestie toen nog eenmaal in handen van eene commissie

uit de Staten-Generaal gesteld werd, maar ook daardoor vorderde men

niet[914]. Eene laatste poging der Staten-Generaal om de zaak te

schikken stuitte af op de onverzettelijkheid der Noordsche Compagnie,

die niet van haar door het vonnis verkregen recht wilde wijken, al

dreigde Christiaan IV ook met krasse maatregelen, al deed Johann Braem

ook de verleidelijkste beloften[915]. Er schoot dus eindelijk voor de

regeering niets anders over, dan aan Denemarken en aan de compagnie

beiden definitief te schrijven, dat de quaestie eene partikuliere was en

als zoodanig moest behandeld worden.

[912] R. S.-G. 10 Sept., 21 Oct. 1630.

[913] R. S.-G. 22 Mrt. 1631.--Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631,

in: L. D. 1631.

[914] R. S.-G. 9, 19, 30 Apr., 12, 21, 22 Mei, 21 Juli 1631.--Miss.

v. Christ. IV dd. 21 Juni 1631, in: L. D. 1631.

[915] R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.

Aan de Noordsche Compagnie ontzeiden dus de Staten-Generaal hunnen

steun, nu zij geweigerd had de pretensie van Braem voor eene kleine som

geld af te koopen; den koning verzocht men, zich de zaak evenmin aan te

trekken en de rechters te laten beslissen[916]. Geheel overeenkomstig

met dit plan weigerden de Staten-Generaal ook in de Instructie van de

ambassadeurs Van Beveren, Oetgens van Waveren en Schaffer, die in

September 1631 naar Kopenhagen vertrokken, de redeneeringen der

Noordsche Compagnie over deze quaestie op te nemen[917] en werd de

Deensche gezant Claus Daa, die in dezelfde maand herwaarts kwam met last

om bij de Staten over de zaak te klagen, onbevredigd weggezonden met

eene verwijzing naar den Hoogen Raad[918]. Een tweede Deensche gezant,

Gunter, die in 1632 te ’s-Gravenhage verscheen en op nieuw ernstige

klachten deed hooren, verkreeg van de regeering evenmin iets meer dan

een algemeen antwoord[919], en ook Gödert Braem, die in hetzelfde jaar

herwaarts kwam om zijnen broeder Johann door onderhandelingen met de

Noordsche Compagnie de verlangde schadevergoeding te bezorgen, moest

onverrichter zake weder vertrekken[920].

[916] R. S.-G. 28 Juli 1631.

[917] R. S.-G. 20 Aug. 1631.--De Staten keurden het echter goed, dat

de N. C. zelve de ambassadeurs van last voorzag. Zie de memorie, die

van deze aanmaning het gevolg was, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I

p. 1149. Vgl. hierna p. 267.

[918] R. S.-G. 19, 23 Sept., 4 Oct. 1631.--Aitzema, Saken v. Staet.

I p. 1175, 76.--Mauricius. Naleesingen over de Noordelijke Landen.

(R.-A.)

[919] R. S.-G. 21 Juli, 30 Aug., 4, 6 Sept. 1632.

[920] R. S.-G. 13, 31 Mrt., 24 Juli 1632.--Miss. v. Christ. IV en v.

G. Braem dd. 16 Jan., 13 Mrt. 1632, in: L. D. 1632.

Toen begreep Christiaan IV, dat hij een anderen weg moest inslaan. Het

verkrijgen van schadevergoeding voor Johann Braem werd opgegeven;

slechts een enkele maal werd er nu en dan in latere jaren van

gesproken[921]. De zaak zelve was van weinig belang, nu de koning in

plaats van door de schadevergoeding eene erkenning van zijne rechten te

verkrijgen, door de Nederlanders integendeel zijne souvereiniteit

bestreden zag. Maar de hoofdzaak, het binnenleiden der Basken op

Spitsbergen, werd op nieuw het doel, waarnaar Christiaan IV streefde; en

al wilde de Noordsche Compagnie haar ongelijk niet erkennen, de koning

had besloten den tegenstand te breken.

[921] Verbalen der ambassaden naar Denemarken v. 1639 en 1641, ad 7

Oct. 1639, 11, 23 Juli, 19, 26 Sept. 1641.--In 1641 werd er zelfs

van beide zijden over gesproken, dat de quaestie der restitutie in

revisie op nieuw aan de Nederlandsche rechters zou worden

voorgelegd. Daarvan schijnt echter niets gekomen te zijn.

In 1624 had de Deensche compagnie noch hare Baskische deelgenooten uit

vrees voor verdere onaangenaamheden met de Nederlanders tot eene

uitrusting durven besluiten[922]. Wel schijnt het volgende jaar Gödert

Braem, Johanns broeder, op Spitsbergen geweest te zijn[923], maar

terwijl het proces onbeslist was, kon het verblijf op Spitsbergen naast

de machtige Nederlanders voor de Denen toch niet wenschelijk zijn. De

vereeniging had zich ontbonden[924] en sinds 1625 was het eiland door

Denen niet meer bezocht[925]. Toen echter het vonnis uitgesproken was en

alle aanvragen om op andere wijze voldoening te krijgen vruchteloos

waren, verleende Christiaan IV in 1630 aan Johann Braem een nieuw

octrooi, waarbij het hem geoorloofd werd, met vijf of zes schepen in de

Mauritius-baai te visschen. Onder die schepen zouden er twee uit

Biscaaie mogen zijn[926]. Zoo was aan de Staten-Generaal elk voorwendsel

ontnomen, om Braem van verkoop van octrooi of oneerlijkheid te

beschuldigen: de koning zelf billijkte openlijk zijne compagnieschap met

de Baskische reeders. Toch was de nieuwe knoeierij erger dan de eerste.

Toen de Biscaaiers er aan begonnen te wanhopen om de verzochte

schadevergoeding van Braem machtig te worden, had Jean Vrolicq, een

zeekapitein in hunnen dienst, van den koning van Frankrijk octrooi

verzocht om op Spitsbergen te mogen varen. Wel begrijpende, dat de

Nederlanders de Franschen op hun eigen naam nog minder in de

Mauritius-baai zouden toelaten dan onder Deensche vlag, schijnt hij

echter met Johann Braem op nieuw een contract gesloten te hebben,

waarbij deze beloofde te gelijk met de Basken eene uitrusting op

Spitsbergen te zullen doen. Voor de hem door de Denen verleende

vergunning en de te genieten bescherming zou Vrolicq aan Braem en zijne

compagnie een zeker gedeelte van zijne vangst afstaan. De geheele

compagnieschap was dus evenals de vorige slechts een bedekt middel om

van de Franschen eene soort van recognitie te verkrijgen, en de

Noordsche Compagnie had volkomen gelijk toen zij aanmerkte, dat

»alhoewel het selve pas op naem van Braem van de Maj. van Denemarcken is

verkreegen, soo is het eyghentlijcken ende in der daedt voor en tot

behoef van de Biscayers”[927].

[922] Sent. v. h. Hof v. Holland dd. 29 Juni 1629.

[923] Miss. v. Christ. IV dd. 29 Jan. 1631, in: L. D. 1631.

[924] Scoresby, Account of the arctic regions. II p. 166.

[925] Miss. v. Christ. IV dd. 28 Dec. 1631, in: L. D. 1632.

[926] Memorie der N. C. v. 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p.

1149.

[927] Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150.

In den zomer van 1631 verscheen nu Gödert Braem met een wel toegerust

schip op Spitsbergen en weldra volgde Vrolicq met een klein scheepje uit

Havre de Grace. Aanvankelijk scheen het geluk hen niet te begunstigen.

Gedurende de jarenlange afwezigheid der Denen van Spitsbergen hadden de

Nederlanders zich niet alleen meester gemaakt van het na het overhaast

vertrek der Basken in 1623 achtergelaten gereedschap, maar ook

langzamerhand het door hunne deelgenooten aan de Mauritius-baai

gebruikte terrein in bezit genomen en met hunne schuren bezet. In de

meening, dat de Denen niet terug zouden komen, hadden zij zelfs een fort

ter verdediging daarbij gebouwd. Toen Gödert Braem dus in 1631 aankwam,

vond hij zijne plaats grootendeels ingenomen[928]. Klachten baatten

natuurlijk niet en hij koos dus met zijnen medgezel de Robbenbaai op

het later naar de Denen genoemde eiland voor zijne vestiging[929]. Deze

baai was wel is waar binnen het beweerde Nederlandsche gebied, maar toch

op eenigen afstand van de Mauritius-baai gelegen, en er was geen het

minste gevaar, dat beide natiën elkaar hinderen zouden. Toch waren de

beide schepen daar nauwelijks met de walvischvangst begonnen, of de

Nederlandsche commandeur naderde Braem, verzocht zijne paspoorten van

den koning van Denemarken te zien en vroeg tevens of Vrolicq bij hem

behoorde en door hem beschermd en gehandhaafd zou worden. Braem, reeds

korzelig gestemd, antwoordde, dat hij niet verplicht was de eerste vraag

te beantwoorden, en wat de tweede betrof verklaarde hij eenigszins

ontwijkend, dat Vrolicq »son inthime amij” was en als zoodanig door hem

behandeld zou worden. Vrolicq zelf weigerde na overleg met Braem zijne

papieren te toonen. De Nederlandsche commandeur verbood hem toen te

visschen en bedreigde hem met gewelddadige verhindering in zijn

voornemen, maar toen Braem daarop dadelijk eenige kanonnen liet zien en

zich gereed maakte Vrolicq te verdedigen, waren de Nederlanders toch te

onzeker over de betrekking, die tusschen Denen en Franschen bestond, om

het na al het over de gebeurtenis van 1623 voorgevallene tot geweld te

durven laten komen. Zij hielden af en de beide schepen vischten verder

gerust[930].

[928] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 28 Dec. 1631, in: L.

D. 1632.--Propos. v. Gunter, in: R. S.-G. 21 Juli 1632.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 30 / 52 段