Ook de eerstvolgende jaren bleef de zaak hangende[871]. De besliste

afwijzing van Engelschen en Nederlanders had den Denen den moed

voorloopig ontnomen. Toch waren de geruchten over eene Engelsch-Deensche

combinatie in zooverre juist geweest, dat van Deensche zijde zulk eene

combinatie bepaald gewenscht werd. Maar lang duurde het eer men het eens

was: eerst in 1621 kwamen Jakob I en Christiaan IV, naar het schijnt met

terzijdestelling der wederzijdsche aanspraken, overeen, gezamenlijk alle

vreemde natiën uit de IJszee te weren[872]. De Staten-Generaal, in

groote ontsteltenis toen hun dit tractaat bekend was geworden, gaven

dadelijk hunne gezanten, die naar Kopenhagen vertrokken (Pauw, Liclama,

Haersholte en Schaffer), den geheimen last mede: »dat sy met alle goede

circumspectie ende voorsorge letten souden, dat d’Ingesetenen deser

Landen int stuck vande vrije Schip ende Zeevaerdt niet verhindert off

gesloten werden uyt eenige plaetsen, landen, eylanden, revieren, hauenen

ende stroomen, daer sij voor desen gevaren, gehandelt, off gevischt

hadden, ende ouersulcx niet gedoogen, dat eenige plaetsen by

d’Ingesetenen deser Landen hierbeuoorens beuaeren off gefrequentreert in

dispute ofte controuersie soude(n) worden getrocken, als off het

plaetsen waeren, daermen niet gewoon soude syn te handelen[873].”

Gelukkig was deze voorzorgsmaatregel der Nederlandsche regeering

overbodig: men schijnt het gezantschap van 1621 niet van de zaak

gesproken te hebben[874]. Het geheele heerschzuchtige plan der beide

zwagers was trouwens bestemd om niet uitgevoerd te worden. Terwijl van

Engelsche zijde eene enkele zwakke poging beproefd werd om de bepalingen

van het tractaat na te leven[875], schijnt het belang der Deensche

walvischvangst Christiaan IV zelfs verhinderd te hebben, aan de gemaakte

plannen een begin van uitvoering te geven.

[871] De Staten-Generaal waren echter nog niet dadelijk gerust

gesteld; zie over verdere maatregelen tot bescherming der

walvischvaarders tegen Denemarken genomen: Arend, Alg. gesch. des

vaderl. III, 3. p. 2. De berichten over Deensche oorlogschepen, die

tegen de Nederlandsche walvischvaarders uitgerust werden (R. S.-G.

13 Mei 1617), bleken echter onjuist en het volgende jaar 1618 waren

de Staten reeds zoo zeker van hunne zaak, dat zij in de Instructie

der ambassade naar Denemarken (Culemborg c. s) zich ter verdediging

hunner beweringen over de O.-I. aangelegenheden durfden beroepen op

de „missiuen, by syne Ma^{t}. (van Denemarken) selffs, belangende

den Groenlandtschen handel, met exclusie ende verboth van andere

natien, Inde voorledene Jaren (d. i. in 1616) geschreven.” (Instr.

der ambass. naar Denem. dd. 21 Mei 1618, art. 36.)

[872] Reeds boven (p. 239 Noot 3{[857]}, 4{[858]}) haalde ik de

woorden der Engelsche walvischvaarders over de Deensche indringers

aan. Ook verder schijnt de verhouding voorloopig niet zeer

vriendschappelijk geweest te zijn, althans in 1618 kwam een Deensch

gezant, Dr. Jonas (Charisius?) te Londen om te onderhandelen over de

onaangenaamheden, tusschen de beide natiën door de uitsluitende

pretensiën van Denemarken ontstaan. (Carleton, Lettres. II p. 217.)

Men hoopte de zaak nog te schikken, maar het mislukte: in 1619 waren

Engelschen en Denen nog niet „geaccordeert.” (Muller, Mare Clausum.

p. 162 Noot 3.) Eerst in 1621 kwam de in den tekst vermelde

overeenkomst tot stand. (Miss. v. Chr. IV aan de Bremensche ambass.

dd. 10 Jan. 1622 en het medegedeelde hierover uit het Hamburgsche

archief bij: Lindeman, Arkt. Fischerei der Deutschen Seestädte. p.

10.--Mauricius, Naleesingen over de Noordelijke Landen. R.-A.--Vgl.

de verklaring van Jakob I bij: Muller, Mare Clausum. p. 194.--Het

tractaat zelf heb ik nergens gevonden: in het Engelsch-Deensche

tractaat van 19 April 1621, bij: Dumont, Corps diplomat. V, 2. p.

391 vind ik de bepaling niet.) De geschiedenis der Engelsch-Deensche

betrekkingen vertoont dus in het kort denzelfden gang als de

Nederlandsch-Deensche.--Uit het medegedeelde blijkt voldoende, hoe

ongegrond de geruchten waren, die verhaalden, dat de Engelschen eene

recognitie aan Denemarken betaalden om aan Spitsbergen te mogen

visschen. (Zie o. a. Hist. du pays de Spitsb. p. 26.--R. S.-G. 4

Jan. 1636.--Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 11 Mrt., 28

Mei 1639, in: L. D. 1639.) Christiaan IV zelf beweerde het eenmaal

(Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442); ik geloof echter, dat er hier

eene verwarring bestaat met de vaart op de Noordkaap, IJsland enz.,

waarover Engeland werkelijk en terecht met Denemarken in den

aangeduiden zin onderhandelde (Selden, Mare Clausum. p. 241, 42),

ten minste in 1633 verklaarde Christiaan IV, dat hij aan de

Engelschen en Nederlanders de visscherij aan Spitsbergen toeliet

„uijt goede Nabuijrlicke vruntschap ende om dat sij langen tijt

hadden geweest in possessie.” (Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen.

dd. 5 Febr. 1633, in: L. D. 1633.)

[873] Secr. Instr. der ambassade naar Denemarken dd. 2 Aug. 1621,

art. 2.

[874] Het bij deze gelegenheid verhandelde over verbodene havens

heeft sommigen tot eene tegenovergestelde conclusie geleid. Ten

onrechte, want toen de Nederlandsche ambassadeurs bezwaar maakten om

in het tractaat van die verbodene havens te spreken, toonden de

Denen zich dadelijk bereid deze zaak op te geven onder verklaring,

dat zij daarmede „geene andere haeuens meenden dan eenige weijnige

plaetskens tot den Conincklycken dis ouer eenige hondert Iaren

gepriviligeert zoo dat de eygene onderdaenen vanden Coninck daer op

niet en vermochten te comen, noemende Ysland ende twee ofte drye

andere cleijne soo sy seyden ende ons onbekende Eylandekens, alwaer

d’onderdaenen van hare Ho: Mo: niet gewoon waeren te comen.”

(Verbaal der Deensche ambass. v. 1621 ad 25 Aug.--Vgl. Arend, Alg.

gesch. des vaderl. III, 3. p. 608, 9, 652-59.) Ook in het Deensche

tractaat van 19 April 1621 met Engeland, dat in de Spitsbergsche

quaestie tegenover Denemarken hetzelfde belang had als Nederland,

vindt men in art. XIV van die verboden havens („Portus prohibiti”)

gesproken. (Dumont, Corps diplomat. V, 2. p. 391.)

[875] Zie daarover hiervóor p. 225-27.

Want terwijl de Deensche vorst de belangen zijner schatkist meende te

behartigen, hadden zijne onderdanen een beteren weg ingeslagen om zich

voordeel te verwerven. Reeds spoedig hadden zij besloten van de gewaande

Deensche bezitting op eene andere wijze zooveel mogelijk partij te

trekken en terwijl vroeger alleen van oorlogschepen, die eene belasting

kwamen opeischen, sprake was, vinden wij dan ook reeds in 1617 twee

Deensche walvischvaarders op Spitsbergen. Zonder dat de koning zijne

pretensie opgaf, werden zijne onderdanen het eerlang met de Nederlanders

eens. De Deensche walvischvaarders werden door de Noordsche Compagnie

bereidwillig toegelaten om met twee schepen hun bedrijf te oefenen aan

den noordhoek van Spitsbergen, waar de Nederlanders zich gevestigd

hadden en juist de grondslagen van het latere Smeerenburg begonnen te

leggen. Tegen de gemeenschappelijke vijanden, de Engelschen, genoten de

Denen de bescherming der Nederlanders. Ieder der beide natiën had

voortaan op het Amsterdamsche eiland zijne afzonderlijke vestiging voor

de traankokerij, met palen afgescheiden en met de wapens der beide

mogendheden voorzien. Den Nederlanders, nog zelven slechts noode door de

Engelschen op Spitsbergen geduld, kon het niet dan aangenaam zijn, zoo

zij versterking van andere natiën tegen hunne vijanden kregen;

Christiaan IV, die zijne pretensie nergens erkend zag, handelde

verstandig, toen hij oogluikend toeliet, dat zijne onderdanen zich den

steun van een der beide twistende partijen op Spitsbergen

verzekerden[876]. Was er reeds in 1617 zulk een nauw verbond tusschen

Denemarken en Nederland, dat slechts een der beide voor Deensche

rekening met traan en baarden bevrachte schepen naar Kopenhagen vertrok,

terwijl het andere naar Amsterdam gezonden werd[877], een geregeld

verkeer bestond er toen nog zoo weinig, dat Jakob I in het voorjaar van

1619 aan de Nederlandsche gezanten verklaren kon, dat de Denen evenals

alle andere natiën behalve de Nederlanders van de walvischvangst op

Spitsbergen hadden »gedesisteert[878]”. Eerst met 1619 begonnen de

Deensche walvischvaarders het eiland jaarlijks te bezoeken, in 1620 werd

er te Kopenhagen eene compagnie voor de walvischvangst opgericht[879] en

tot 1622 toe verschenen hare schepen geregeld met de Nederlandsche aan

den noordelijken hoek van Spitsbergen[880]. In deze omstandigheden ware

het voor Christiaan IV eene dwaasheid geweest het tractaat van 1621 uit

te voeren en vereenigd met de Engelschen, die nog zoo kort geleden zijne

onderdanen vijandig behandeld hadden, de ieder jaar in kracht toenemende

Nederlandsche walvischvangers, de vrienden en beschermers der Denen, aan

te vallen. Toen echter het recht der Denen om naast de Nederlanders in

de Mauritius-baai te visschen eenmaal goed bevestigd scheen, veranderden

de betrekkingen der beide volken weldra geheel. Christiaan IV meende nu

veilig zijne vroegere houding weder te kunnen aannemen. Eerlang maakten

de Denen van de goedwilligheid der Nederlanders misbruik en bleek het

aan de Staten-Generaal, dat de Deensche pretensie wel is waar gesluimerd

had, maar dat zij nog volstrekt niet dood was.

[876] De overeenkomst schijnt het karakter eener stilzwijgende

minnelijke schikking gehad te hebben. De Nederlanders lieten de

Denen in hun vischwater toe en dezen zullen zeker verheugd geweest

zijn voor het verleende verlof en de genoten bescherming in alle

voorwaarden toe te stemmen, die de Nederlanders maken wilden. In

werkelijkheid waren de Denen verreweg de minderen en aan de

aanspraken van Christiaan IV, waardoor hij zich de meerdere wilde

toonen, hebben beide partijen waarschijnlijk in 1617, toen de

praktijk zijne eischen deed gelden, niet gedacht.--Zie hierover:

Aitzema, Saken v. Staet. I p. 1150, II p. 442, 632.--Req. der N. C.

c. Vrolicq, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. van

het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. („Zijluijden stonden

malcanderen de possessie toe, sijnde tusschen zijne Ma^{t}. ende de

Ho: Mo: Heeren de Staten Generael te demeleren off ijemant, off wie

van beijden alleen ende priuatiue ter dier plaetse het gesach soude

mogen hebben,” zeiden de Denen.)

[877] Brief v. Heley aan Deicrowe dd. 12 Aug. 1617, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 732.--De Nederlandsche berichten weten echter

slechts van éen schip. (Aitzema, Saken v. Staet. II p. 442, 632.)

[878] Muller, Mare Clausum. p. 162.

[879] Lindeman, Arktische Fischerei der Deutschen Seestädte. p. 9.

[880] Ook volgens de Engelsche berichten vischten de Denen bij de

Nederlanders. (Brieven der Eng. walvischvaarders, o. a. van Catcher

aan Heley dd. 17 Juni 1620, bij: Purchas, Pilgrimes. III p. 735.)

Den 27 Maart 1622 had Christiaan IV aan de Deensche compagnie voor de

walvischvangst, waarvan Johann Braem, een voornaam Duitsch koopman te

Kopenhagen[881], het hoofd was, een uitsluitend[882] octrooi verleend

»omme op de Noortcaep ofte in de havenen ofte eijlanden van Travisont

ende Souroij[883] mitsgaders opt Lant van Groenlant te mogen de

walvischerije doen.” Dat jaar had Braem in de Mauritius-baai, waar Denen

en Nederlanders gewoon waren naast elkander te visschen, de

walvischvangst in vrede geoefend en er zijne schuren en gereedschappen

voor het volgende jaar achtergelaten. Maar de visscherij der Denen

schijnt op den duur onvoordeelig geweest te zijn; ten minste Braem trof

in het voorjaar van 1623 eene overeenkomst met Jean De Heraneder en

Michel De Laralde, kooplieden van St. Jean de Luz en Siboure[884] in

Biscaaie, waarbij hij hen tegen een aandeel in hunne vangst in zijne

compagnie voor de walvischvangst opnam. Volgens dit contract kwamen in

het begin van Juni 1623, terwijl de Denen zich dit jaar niet op

Spitsbergen vertoonden, twee Biscaaische schepen op naam van Braem en

zijne compagnie bij de Nederlanders aan, openden de Deensche schuren en

wilden de walvischvangst beginnen. De Nederlandsche commandeur Cornelis

Ys vroeg hen echter dadelijk om hunne papieren te zien. Toen zij niets

anders konden toonen dan »een slecht cartabelleken,” door hunne

Baskische reeders in het Nederlandsch geschreven, dat alleen het verzoek

aan den commandeur inhield den brenger goed te behandelen, verbood Ys

hem het visschen. Hij beweerde, dat de door de Biscaaiers bezochte baai

aan de Nederlanders en de Denen gezamenlijk behoorde, dat geen ander

recht had daar te visschen en dat hij zich dus verplicht gevoelde zijne

vrienden de Denen in hunne afwezigheid tegen roof en overweldiging te

verdedigen. De Basken mochten zich daartegen op hunne overeenkomst met

Braem beroepen, Ys hield zich als geloofde hij van het geheele verhaal

niets en bleef er bij, dat hij niet verantwoord was, zoo hij de

Biscaaiers »op soodanigen Imperfecten bescheijt” tot de visscherij

toeliet. Dezen moesten erkennen, dat zij »niet wel en waren versorcht;”

zij stelden aan Ys voor, dat hij hen zou laten visschen op voorwaarde,

dat de geheele vangst ten bate der Noordsche Compagnie zou komen, zoo

het in Nederland bleek, dat hunne reeders geen recht op de visscherij

hadden. Ys antwoordde, dat hij hun wel voor dit jaar alleen en met

behoud van het recht der Noordsche Compagnie aan eene andere plaats op

Spitsbergen in vrede wilde laten visschen, maar de visscherij in de

Mauritius-baai bleef hij hun weigeren. De twee schepen waagden het niet

elders te gaan: de Engelschen, die nog dit jaar hunne uitsluitende

pretensie tegen de Nederlanders hadden trachten te handhaven, toonden

genoegzaam, dat zij ook anderen vreemden niet genegen waren. Na eenig

vertoef waren de Basken dus genoodzaakt zich naar de Noordkaap te

begeven[885].

[881] Zie over latere knoeierijen van Braem ten nadeele der

Nederlanders: Miss. v. Van Cracouw aan de Stn.-Gen. dd. 24 Mei 1639,

in: L. D. 1639.

[882] Christiaan IV verklaarde in 1625 aan den Nederlandschen gezant

Vosberghen, „dat hy geen paspoorten op Spitsbergen hadde gegeven als

alleen aan eenen Braem, ende aen nyemant meer geven soude.” (Miss.

v. Vosberghen aan de Stn.-Gen. dd. 4/14 Juni 1625, in: L. D. 1625.)

[883] De eilanden Tromsondt en Suröe liggen bij Hammerfest.

[884] Deze plaats ligt volgens oude Nederlandsche kaarten aan den

mond der rivier, waaraan St. Jean de Luz ligt, juist tegenover deze

stad; op nieuwe kaarten vind ik den naam niet.

[885] Het verhaal dezer gebeurtenis is hoofdzakelijk ontleend aan

het vonnis van het Hof van Holland dd. 29 Juni 1629. (R.-A.) Enkele

kleine trekken zijn er uit hier en daar verspreide berichten

bijgevoegd.--Zie o. a. Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157 en de

brieven van Fanne, Catcher en Goodlard, bij: Purchas, Pilgrimes. III

p. 786-38. (Catcher wantrouwde de Biscaaiers en schreef: „I know the

Captaines will what he would haue done in it. I hold it not fit that

they should harbour there,” d. i. in Greenharbour.)

Daarmede was eene quaestie ontstaan, die gedurende tien volle jaren de

Staten voortdurend tot last zou zijn, en waarover nog bijna twintig jaar

na het plegen van het feit nu en dan geklaagd worden zou. Wat was de

reden, dat over zulk eene kleinigheid zoolang onderhandeld werd? Het

komt mij voor, dat er in deze zaak meer gezocht moet worden, dan er bij

oppervlakkige beschouwing in ligt. Ik zal trachten mijne uit enkele

verspreide aanwijzingen opgemaakte meening duidelijk te maken.

De koning van Denemarken, wiens pretensie op de souvereiniteit over

Spitsbergen wel nergens erkend, maar daarom niet opgegeven was, had de

handelwijze van Braem niet ongaarne gezien. Het was met zijne

toestemming, dat de Basken in de Deensche compagnie waren opgenomen. De

walvischvangst zijner onderdanen was van weinig belang. Sinds 1617 was

het getal der Deensche schepen, die op Spitsbergen kwamen, bijna niet

toegenomen: het octrooi van Braems compagnie, die de eenige reederij ter

walvischvangst was en blijven moest, verleende hem slechts verlof om met

drie schepen daarop uit te gaan. En nu bleek het bovendien, dat Braem

zelf de winsten, die de visscherij hem beloofd had, na eene proefneming

geringschatte. Wat wonder was het dan, dat Christiaan IV het

voordeeliger oordeelde, dat zijne reeds in 1616 op den voorgrond

gestelde rechten door vreemde natiën erkend werden, dan dat de

walvischvangst zijner onderdanen een kwijnend bestaan voortsleepte en

aan éene compagnie karige winst verschafte? In het door Braem beraamde

contract meende de koning nu een uitnemend middel te hebben om dit

grootere voordeel te verkrijgen. De Baskische reeders zouden visschen op

naam van Braem en op gezag van Deensche paspoorten; een gedeelte van den

opbrengst der vangst zou schijnbaar als aandeel in de winst, eigenlijk

als koopprijs, misschien als belasting aan de Deensche compagnie worden

uitgekeerd. Het plan was niet slecht bedacht en had kans van slagen. Op

eene weigering van toelating door de Nederlanders was echter volstrekt

niet gerekend; dit blijkt genoegzaam uit de onvoldoende bewijsstukken,

die men den Basken naar Spitsbergen medegaf. Toch was de handelwijze

der Noordsche Compagnie zeer redelijk. Sinds jaren in het bezit van de

Mauritius-baai, die daarnaar zelfs den naam van Hollandsche baai

gekregen had, eerlang door de Engelschen niet meer in dat bezit

gehinderd, was het reeds veel, dat zij in die beperkte ruimte nog de

Denen mede tot de walvischvangst had toegelaten. Naar het schijnt was

die toelating dan ook alleen geschied als »een Accommodatie uyt

Nabuyrlycke Vruntschap” en onder eene beperking, wat het aantal schepen

betrof[886]. Het was nu eindelijk wat veel gevergd, dat zij tot de

walvischvangst, die toenmaals uit haren aard niet in de volle zee kon

geoefend worden, nog andere natiën zou toelaten, terwijl het geheele

overige gedeelte van het eiland toch voor de weinige schepen der

Engelschen niet noodig was. Ook al bleek het, dat de indringers op naam

en gezag van de met de Nederlanders bevriende Denen kwamen, dan nog was

het niet twijfelachtig, dat Braem misbruik maakte van de goedheid der

Noordsche Compagnie[887],--een misbruik, waartegen deze recht had te

waken. Uit een zuiver juridiek oogpunt beschouwd komt het mij zelfs

voor, dat de Noordsche Compagnie recht had tot wat zij deed. Terwijl in

haren strijd met Engeland de vrijheid der zee haar hoofdargument geweest

was,--al werd de ontdekking van Spitsbergen te dikwijls vermeld om aan

de vrijzinnigheid der compagnie in veranderde omstandigheden te

gelooven,--werd in de Deensche onaangenaamheden de quaestie der vrije

zee door geen van beide partijen aangeroerd. Beiden kenden zich op even

onhoudbare gronden[888] de souvereiniteit over geheel Spitsbergen toe,

maar beiden namen ook zonder gronden voor hunne bewering op te geven,

eenstemmig hun gemeenschappelijk, alle andere natiën uitsluitend bezit

van de Mauritius-baai aan. En die bewering schijnt mij volkomen juist.

Al hadden de Nederlanders ook de Denen alleen uit vriendschap en

»provisioneel” verlof gegeven om nevens hen te visschen; zulk een

verlof, verleend in eenen tijd toen niemand hun uitsluitend recht op de

Mauritius-baai erkende, ja toen zij zelven daarop misschien nog geen

aanspraak maakten, kon niet herroepen worden, toen de Denen door

jarenlange visscherij, door inbezitneming en omheining van den grond,

door vestiging eindelijk nevens de Nederlanders op de aan niemand

toebehoorende plaats een even goed recht hadden verkregen als dezen, die

alleen de oudheid van het hunne boven de Denen voorhadden. De meening,

dat de Mauritius-baai uitsluitend aan de Nederlanders en Denen behoorde,

werd destijds algemeen gedeeld, zooals blijkt uit het feit, dat noch de

Denen noch de Basken zelven gedurende verscheidene jaren er ooit in

ernst aan schijnen gedacht te hebben, dat deze laatsten daar krachtens

een eigen recht zouden mogen visschen. De handelwijze der Noordsche

Compagnie tegen de Basken was dan ook volgens de Denen zelven alleen in

strijd met de beweerde souvereiniteit van Christiaan IV over

Spitsbergen; werd die niet erkend, dan hadden de Nederlanders het recht

allen behalve de Denen uit de Mauritius-baai te weren. Ook Christiaan IV

beschouwde de zaak zoo. Hij beweerde, dat het verdrijven der Basken een

inbreuk op zijne kroonrechten was, dat hem de souvereiniteit over

Spitsbergen toekwam en dat dit recht door de Noordsche Compagnie

geschonden was.

[886] Memorie der N. C. van 1631, bij: Aitzema, Saken v. Staet. I p.

1150.

[887] Een „voornaem heer in Denemarcken” zou dan ook volgens de N.

C. in 1632 gezegd hebben: „Laett de Hollanders hett kindeken Jesum

gaen soecken, wan sij hett geuonden hebben, soo willen wij het oock

gaen aenbeden.” (Rescr. der N. C. c. Vrolicq dd. 3 Mei 1633, in:

Stn. N. C. v. d. Hrl. gedeput. R.-A.) Het kan niet ontkend worden,

dat deze beschouwing juist was, maar of de Nederlanders recht tot

klagen hadden, terwijl op hunne verhouding met Engeland het gezegde

van den Deen nog veel beter paste, schijnt minst genomen

twijfelachtig.

[888] Zie over het sustenu der Nederlanders, berustende op de

ontdekking van Spitsbergen: hiervóor p. 221,--over de Deensche

beweringen betreffende Groenland: hiervóor p. 236.

Deze aanmatigende houding, die de Deensche koning gedurende den geheelen

loop der zaak bleef aannemen, had meer dan een reden. Hij had de

handelwijze van Braem goedgekeurd en moest dus nu zijnen onderdaan

beschermen. Maar bovendien, wilde hij door de Basken zijne

souvereiniteit erkend zien, dan was het zaak, die ook tegenover de

Nederlanders te handhaven, en te toonen, dat dezen, die niet schroomden

zich op hunne ontdekking van Spitsbergen te beroepen, niet straffeloos

de maatregelen door den koning van Denemarken genomen konden verijdelen.

Juist naar het tegenovergestelde doel streefden de Staten-Generaal. Zij

wilden alles vermijden, wat aan de zaak het karakter van eene politieke

quaestie kon geven; dreigde een enkele maal dit gevaar van nabij, dan

drongen zij bij de Noordsche Compagnie steeds ernstig op eene minnelijke

schikking aan. Deze eindelijk volgde als derde betrokkene partij

nagenoeg dezelfde gedragslijn als de Nederlandsche regeering, maar zij

trad minder omzichtig op. In het bewustzijn van hare macht en van haar

recht was zij steeds onverzettelijk in haren wensch om de zaak door den

gewonen rechter afgedaan te zien. Ook al dreigden politieke

verwikkelingen haar, zij bleef volhouden en weigerde hardnekkig iedere

schikking. Gaan wij nu zoo kort mogelijk den loop der zaak na.

De Baskische reeders wendden zich natuurlijk tot Johann Braem, die hun

zijn recht had overgedaan, en deze klaagde dadelijk aan den koning van

Denemarken, dat de Nederlanders zijne paspoorten niet hadden

geëerbiedigd en zijnen onderdanen het visschen op Spitsbergen hadden

willen verhinderen. Braem begrootte zijne schade op ƒ 135.000 en

verzocht daarvan vergoeding.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 29 / 52 段