Onder deze omstandigheden was het misschien ook in Engeland een welkom

bericht, dat de twistende partijen zich zelve geholpen hadden. De

jaarlijksche twisten moede, gedurig gehinderd door de Nederlandsche

walvischvaarders, die met groote overmacht naast de Engelschen vischten

en hun daardoor groot nadeel toebrachten, was het aan de Moscovische

Compagnie, die er aan wanhoopte hare schade vergoed te krijgen,

verstandig voorgekomen, aan de Nederlanders eenige baaien op Spitsbergen

voor hunne vrije visscherij over te laten, nu zij daardoor van hare

zijde de vrije beschikking over de overige kon verkrijgen. Reeds in 1625

was dan ook de sterke uitrusting, die de Noordsche Compagnie uit vrees

dat de Engelschen »haer onrechtvaerdighe Actie begheerden te

sustineeren” gedaan had[846], nutteloos gebleken; de reis liep vreedzaam

af en weldra berustten de Engelschen, ook zonder dat hunne schade

vergoed werd, voor goed in de reeds door het gebruik gemaakte verdeeling

der baaien[847]. De Nederlanders vergenoegden zich met den

noordwestelijken hoek van Spitsbergen, waar zij nieuwe vischrijke baaien

ontdekt hadden; de Engelschen behielden daarentegen het geheele

zuidelijke gedeelte der westkust, waar van ouds de walvischvangst

gedreven werd, voor zich. Deze schikking werd in 1627 door de Engelsche

regeering stilzwijgend erkend[848], en daarmede was de hoofdzaak nu voor

goed geregeld.

[846] Wassenaer, Hist. verh. IX fol. 124.

[847] In den zomer van 1625 of in 1626 zou het door Zorgdrager

(Groenl. vissch. p. 194, 211) vermelde contract van verdeeling

moeten gesloten zijn; ik zeide echter reeds (hiervóor p. 139-41),

dat ik aan het bestaan daarvan niet geloof.

[848] Muller, Mare Clausum. p. 223.

Een enkele maal schenen de Engelschen zich nog voor de restitutie der

schade van hunne landgenooten te willen interesseeren; een paar maal

werd er eene poging gedaan om daarover op nieuw door gezanten te

onderhandelen[849], maar de Nederlanders bleven steeds bij hunne

weigering en de tegenpartij moest zich telkens met eene verwijzing naar

den last van Joachimi tevreden stellen. Ook in latere jaren, toen de

Engelsche souvereiniteit ter zee een onderwerp van ernstige geschillen

met de republiek der Zeven Provinciën werd, gaf Karel I eenmaal te

kennen, dat hij deze zaak niet vergeten had[850]. Bij het begin van den

Engelschen burgeroorlog sprak men zelfs in het parlement nog over de

lang-begraven quaestie, maar de Staten volhardden bij hun systeem: zij

bleven er bij, de zaak alleen als eene particuliere quaestie te willen

beschouwen en wezen diplomatieke onderhandelingen daarover van de

hand[851]. Een eenigszins ernstig karakter nam de zaak echter nooit meer

aan; het gelukte den Nederlanders steeds het verder »ophalen van dese

oude saecken” te beletten, en naarmate de walvischvangst der Engelschen

aan Spitsbergen langzamerhand geheel onbeduidend werd, nam de

Nederlandsche daar in macht toe. Het was den Staten gelukt te bewerken,

dat werkelijk van uitstel afstel kwam; hunne onderdanen hadden daartoe

krachtig medegewerkt en weldra waren de Engelschen, de voorgangers der

Nederlanders, evenals in Oost-Indië uit de door hen met zooveel moeite

ontdekte zeeën verdreven.

[849] Bij gelegenheid der ambassaden van Buckingham in Den Haag en

van Cats te Londen. (Muller, Mare Clausum. p. 222, 23.)

[850] Muller, Mare Clausum. p. 266 Noot 1.

[851] R. S.-G. 7, 10, 20 Dec. 1641.

HOOFDSTUK VII.

DEENSCHE PRETENSIËN.

Het waren niet alleen de Engelschen, met wie de Noordsche Compagnie te

strijden had om hare plaats in de IJszee te behouden. Reeds het jaar na

hare oprichting trad eene andere natie met nieuwe aanspraken op het door

Nederlanders ontdekte Spitsbergen te voorschijn.

De lezer zal zich herinneren, dat Barendsz. zelf, en op zijn voetspoor

de meerderheid der geographen, gedurende vele jaren Spitsbergen voor een

deel van Groenland hield, eene dwaling, die eerst langen tijd nadat de

walvischvangst meer en meer bezoekers naar de IJszee had gelokt

overtuigend weerlegd schijnt te zijn[852]. Uit deze vrij algemeen

aangenomen meening leidde eerlang de koning van Denemarken zijn recht af

om zich zelven als heer van Spitsbergen te beschouwen en andere natiën

van daar te weren. Groenland, dus redeneerde hij waarschijnlijk,

behoorde van ouds aan de kroon van Noorwegen; elk deel van Groenland was

dus het eigendom van Denemarken, dat sinds lang met Noorwegen vereenigd

was[853]. Het is geheel onnoodig de ongegrondheid van deze aanmatiging

te bewijzen. Ieder springt het in het oog, dat ook al ware het toen

alleen ontdekte westelijke gedeelte van Spitsbergen een deel van

Groenlands oostkust geweest, het enkele feit, dat twee landstreken,

waarvan de eene aan Denemarken behoorde, niet door de zee van elkander

gescheiden waren, den koning geen recht hoegenaamd kon geven op eene

kust, die nooit bekend was geweest, voordat de Nederlanders ze in 1596

ontdekten,--eene kust, die na dien tijd door Denen niet bezocht veel

min in bezit genomen was[854].

[852] Zie hiervóor p. 204 Noot 1{[751]}.--Vgl. o. a. V. d. Brugge,

Journaal van Seven Matroosen. p. 4. („Spitsbergen is... ten aensien

des Ontdeckers van ’t Landt met den naem van Groenlandt; maer van

wegen de spitsheyt des geberghten... Spitsberghen, en (bij) eenighe

soo ’t schijnt het Nieuwelandt genoemt.”) Zie ook: Van Meteren,

Comment. fol. CLIII.

[853] Zie o. a Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 8.

[854] Vander Brugge verhaalt (Journael der Seven Matroosen. p. 4),

dat de Denen ook op Jan Mayen-eiland „door pretensie van aenpalingh”

(aan Groenland) aanspraak maakten en daar met de Nederlanders

vischten. Van elders is mij niets hiervan, evenmin als van de daar

vermelde Engelsche, Fransche en Biscaaische walvischvangst aan het

eiland, gebleken. Het vermoeden van eene walvischvangst door

Engelschen wordt echter bevestigd door den naam „Engelsche Baay.”

(Krt. v. Jan Mayen-eiland bij: Zorgdrager, Groenl. vissch. p. 100.)

Het was dus op gelijksoortige gronden, dat Engeland en Denemarken aan

vreemde natiën het bevaren van Spitsbergen verboden. Een ander punt van

overeenkomst is de houding van de vorsten der beide landen tegenover de

Europeesche politiek. Beide koningen waren door de banden des bloeds en

der godsdienst evenzeer als door neiging nauw verbonden. Beiden namen in

den godsdienststrijd, die de eerste helft der zeventiende eeuw

verontrustte, eene geheel gelijke plaats in. Weifelend als hunne houding

van het begin tot het einde was, kon zelfs het krachtig optreden van

beiden als kampvechters voor de protestantsche belangen,--eene

inspanning, waartoe beiden slechts eenmaal gedurende hunne geheele

regeering in staat waren,--hen niet bevrijden van de voortdurende

verdenking, dat zij Spaansche sympathiën koesterden en dat zij slechts

in de katholieke mogendheden hunne ware vrienden zagen. Deze

veranderlijke houding aan de eene zijde, dat wantrouwen aan de andere,

oefenden natuurlijk op de betrekkingen van beiden met eene zuiver

protestantsche mogendheid als Nederland een machtigen invloed. Met de

gedurige wisseling der politieke gezindheid veranderden ook de

onderhandelingen over andere zaken dikwijls van karakter.

Men zou lichtelijk meenen, dat dan ook de betrekkingen van Nederland tot

Engeland en Denemarken gedurende de eerste helft der zeventiende eeuw

van volkomen denzelfden aard waren. Toch was dit volstrekt niet het

geval. Terwijl tusschen Engelschen en Nederlanders de rivaliteit op

commerciëel gebied gedurig tot hoogloopende onaangenaamheden aanleiding

gaf,--onaangenaamheden, die gelijkheid van belangen toch steeds weder

tot diplomatieke geschillen beperkte,--droegen de betrekkingen van

Nederland en Denemarken eene minder bepaalde kleur. Ook Denemarken had

zijnen mededinger, maar Zweden, niet Nederland was de mogendheid, die de

afgunst der Denen gold. Bij veel overeenkomst in de zuiver politieke

betrekkingen is er dan ook in de onderhandelingen, die den handel

betreffen, een groot verschil tusschen Jakob I en Christiaan IV in de

houding door hen tegenover Nederland aangenomen. Bij beiden bestond een

machtige drijfveer, die de commerciëele betrekkingen steeds tot

hetzelfde doel leidde; maar terwijl Jakob I bij al zijne vertoogen op

den bloei van den Engelschen handel het oog moest hebben, bezielde

slechts de zucht om zooveel mogelijk voordeel van de vreemde natiën te

trekken den koning van Denemarken, wanneer hij met hen in aanraking

kwam. De twisten over de tollen in den Sond en te Glückstadt zijn daar

om van het streven van den inhaligen Noordschen vorst te getuigen. Het

is natuurlijk, dat ook de geschillen over de vaart op Spitsbergen

datzelfde karakter vertoonen. Aan dit doel werden gedurende twintig

jaren de krachten der Deensche diplomatie dienstbaar gemaakt; hevige

vertoogen, gewelddadige handelingen, commerciëele knoeierijen, list noch

geweld werd gespaard om te bewerken, dat de Europeesche natiën zich

cijnsbaar aan Denemarken erkenden. Toen eindelijk de eischen der

schatkist door ruimere inzichten werden tot zwijgen gebracht, en ook de

belangen der Deensche onderdanen gewicht in de schaal begonnen te

leggen, was de Nederlandsche handel in het noorden aan de voogdij van

Denemarken geheel ontwassen en de aangematigde souvereiniteitsrechten

moesten wel ter zijde gesteld worden. Zoo behielden ook hier de

Nederlanders het veld: ook tegenover Denemarken bleven de

Staten-Generaal standvastig in hunne ontkenning der uitsluitende rechten

van anderen. In het bewustzijn hunner macht handhaafden zij hun

standpunt, en terwijl zij niet schroomden handelend op te treden, waar

zij hunne rechten geschonden oordeelden, versmaadden zij ook de hulp der

diplomatie niet, waar zij meenden, dat die hun goede diensten kon

bewijzen. Slechts éen vlek ontsiert hunne overigens even waardige als

verstandige houding: de vrijzinnige politiek, over het geheel tegenover

Engeland gevolgd, kenmerkte hier hunne daden niet. Hadden zij de

vrijheid der zee bijna altijd tegen Jakob I verdedigd; tegenover

Denemarken, de minder machtige staat, was hun gedragslijn in theorie

niet minder onvrijzinnig dan die van Christiaan IV zelven. Slechts de

eischen der praktijk en van eene verstandige politiek verzachtten hunne

onrechtmatige beweringen. Het resultaat, door de wrijving van beide

machten verkregen, was echter zeer bevredigend: de beide volken

verkeerden eindelijk volkomen vrij naast elkander aan Spitsbergen.--Laat

ons nu de handelingen van beide regeeringen en volken wat meer van nabij

beschouwen.

* * * * *

In het begin van Juli 1615 werden de op Spitsbergen aanwezige

walvischvaarders verrast door de aankomst van drie Deensche

oorlogschepen. Ook ditmaal waren het onderdanen van koning Jakob I, die

den vreemdelingen den weg naar het nooit bezochte eiland hadden

gewezen. Kapitein op een der schepen was de Schot Sir John

Cunningham[855], stuurman was James Vadun[856], beiden beproefde

reizigers in de IJszee. De Deensche admiraal liet het anker vallen in

Crossroad en, zeer voorzichtig in eene zaak van zooveel belang, poogde

hij den Engelschen kapitein Fotherby, die daar weldra aankwam, over te

halen om met hem mede te varen als getuige van wat er tusschen hem en de

Engelsche bevelhebbers zou voorvallen. Fotherby had daartoe echter geen

tijd, en geweld schijnen de Denen toch niet te hebben durven

gebruiken[857]. Zij besloten alleen Sir Thomas Smiths-bay in te zeilen

en vonden daar Thomas Edge met zijn schip. Men eischte van hem betaling

van eene recognitie onder beroep op het recht, dat de koning van

Denemarken op Spitsbergen had. Edge weigerde bepaald en beweerde van

zijne zijde, dat Spitsbergen aan zijnen vorst behoorde[858]. De Denen

schijnen zich daarop tot de Nederlanders gewend te hebben, ten minste

ook dezen werden met dergelijke eischen lastig gevallen. Bij de groote

macht, die de Noordsche Compagnie echter juist dit jaar op Spitsbergen

had (elf schepen en drie groote oorlogschepen tot konvooi), is het niet

te verwonderen, dat de Denen hier geen beter onthaal vonden dan bij de

Engelschen: commandeur Schrobop antwoordde, dat men niets wist van een

recht van Denemarken, waarop de Nederlandsche walvischvaarders inbreuk

maakten door volgens het gemeene recht in de IJszee te visschen[859].

Dit was de eerste stap, door Denemarken tot handhaving van zijn recht

gedaan[860]; langs diplomatieken weg zette men weldra het begonnen werk

voort.

[855] Br. v. Fotherby aan Edge dd. 15 Juli 1615, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 731.--Fotherby noemt hem eigenlijk „Captaine

Killingham”, maar ik geloof, dat de gissing niet gewaagd is, dat

hier Sir John Cunningham bedoeld wordt, die reeds in 1605 en 6 in

Deenschen dienst naar de Noordpool gezeild was. (Barrow, Voyages

into the arctic regions, p. 169, 73.--Vgl. over hem: hiervóor p. 213

Noot 2.{[789]})

[856] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

467.--Vadun (ook Vaden genoemd) was reeds in 1611 als kapitein van

het schip ~The Amitie~ ter ontdekking naar Pechora en den Ob

gezeild. Zie over die reis: Purchas, Pilgrimes. III p. 530-34.

[857] Brief v. Fotherby aan Edge dd. 15 juli 1615, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 731, 32.

[858] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

467.--Macpherson, Annals of commerce. II p. 282.

[859] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Christiaan IV dd. 13 April 1616, in:

L. D. 1616.--De Nederlanders waren op de aanmatiging der Denen

eenigszins voorbereid, zooals blijkt uit de mededeeling in de N. Z.

28 Mei 1615 over de uitrusting van acht Deensche oorlogschepen tegen

de walvischvaarders.

[860] Aanleiding tot het plotseling handelend optreden van

Denemarken gaf, zoo men hunne tegenstanders gelooven mag, de

onvoorzichtige handelwijze van de Amsterdamsche bewindhebbers der N.

C., die in 1615 eene afzonderlijke compagnie voor de walvischvangst

aan de Noordkaap oprichtten en daartoe verlof van Denemarken vroegen

tegen betaling van den tienden visch. Christiaan IV zou daardoor op

het denkbeeld gekomen zijn om „van allen ende een ijgelicken noort

op visschende gelijcke proffijt te trecken”, onder voorwendsel dat

alle noordelijke landen aan de Deensche kroon behoorden. Zoo zou de

N. C. de Denen „opt lijff gecregen” hebben. („Cort advertissement”

en „Debath” v. Kien en Leversteyn tegen de N. C. van 1616, in:

Noordsche togten. 1. R.-A.)

Den 11 April 1616 ontvingen de Staten-Generaal eenen brief van

Christiaan IV van 18 Februari, waarin zijne pretensiën en plannen

uitvoerig werden uiteengezet. Z. M. ving aan met de uitvoerig

beredeneerde mededeeling, dat de walvischvangst aan de Noordkaap, bij

IJsland en de Fär-öer eilanden voortaan aan vreemdelingen verboden zou

zijn[861]. Deze maatregel was alleszins te billijken: als vorst van

Noorwegen en de in den brief genoemde eilanden, als beheerscher der aan

die landen grenzende territoriale zeeën had Christiaan IV volkomen

recht, allen die hij wilde uit deze wateren te weren; het belang zijner

onderzaten, wier visscherij aan de Noordkaap niet onbelangrijk schijnt

geweest te zijn, ontnam aan den harden maatregel zelfs den schijn van

onbillijkheid. Bedenkelijker was echter het verder in den brief

gezegde. »Was weitter vnnser Grönlandt, oder nach etlicher nennung

Grünlandt[862] anreichet,” dus vervolgde de koning, »Nachdem der

missbrauch vber den Walfischfang derer örtter, so E. L. vnd euren

vnderthanen, aus vnnser mit E. L. vnnd euren beijderseits

wolhergebrachten freundtschafft, daheuer gestattet werden endlich dahin

gerathen, das man vnnser vnleugbar Vhraltes Recht, daselbst mit Neuen

Nahmen zuuerkehren, vnnd vnsere darüber habende proprietet zuuerwenden

sich befliessen. So haben wir hingegen obener gestalt vnnsers Ambts

erachtet, auch diesen excessen mass zusezen, vnd E.L. vnnd euren

vnderthanen, welche sich ohn fürhergehende recognition vnnser hocheit,

zu solchem ende ferner dahin finden würden, nicht weniger den

Walfischfang zu prohibirn, Jedoch sein wir nicht vngeneigt, diese

piscatur denn jenig zu indulgirn, so beij leistung vnd erlegung der

gebühr, vnsere Passbrief darüber impetrirn vnnd solche vnnsere beampten

fürzeigen werden, Worauff E.L. vnnd Ihr die Ihrige, vnd das Sie anderer

massen auf Grünlandt nicht lauffen mögenn noch sollen, zu werschauen,

crafft dero auctoritet geruhenn wollten[863].”

[861] Deze maatregel van den koning dagteekende reeds van 1596

(Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16 vlg.) en werd van tijd tot tijd

(o. a. in 1601. cf. Lindeman, Arkt. Fisch. p. 6) hernieuwd, hoewel

de Nederlanders steeds protesteerden en het verkeer evenmin als de

Hullers, die reeds sinds 1598 aan de Noordkaap vischten (Scoresby,

Account. II p. 20.--Lindeman l. c. p. 7), staakten. Bepaaldelijk in

1615 schijnen de Noordkaap en IJsland beiden door Nederlandsche

walvischvangers bevaren te zijn. („Debath” v. Kien c. s. c. de N.

C., in: Noordsche togten. 1. R.-A.--R. S.-G. 18 Mei 1615.) Ook de nu

in 1616 genomen maatregel had niet veel gevolg: reeds in 1621 moest

Denemarken zich met Engeland verbinden om vreemdelingen o. a. van

IJsland en de Noordkaap te weren. IJsland bleef gesloten, aan de

Noordkaap werd reeds in 1622 voor Bremen eene uitzondering gemaakt.

(Lindeman, Arkt. Fischerei. p. 10.) In 1624 werd het verbod om aan

de Noordkaap te visschen hernieuwd, maar niet gehandhaafd

(Wassenaer, Hist. verh. VIII p. 16), hoewel wij in 1626

Nederlandsche walvischvangers met Deensche passen aan de Noordkaap

vinden (Wassenaer l. c. XI fol. 131.) In 1631 bood men den

Nederlanders op zekere voorwaarden verlof daartoe aan, dat echter

geweigerd werd. (R. S.-G. 26, 28 Juli 1631.) De visscherij en het

verkeer aan IJsland werd door Christiaan IV bij missive van 28 Dec.

1631 daarop nadrukkelijk verboden. (R. S.-G. 13 Mrt. 1632.--Miss. v.

Chr. IV dd. 16 Febr. 1635, in: L. D. 1635.) Weldra klaagden de

Denen, die daar alleen handelen mochten, over concurrentie van

Nederlanders; de N. C. behoorde echter niet onder de schuldigen. (R.

S.-G. 22 Apr., 23 Juli, 12, 24 Aug. 1632.) Nadere klachten van de

Deensche IJslandsche compagnie over den Amsterdamschen koopman Elias

Trip bleken onjuist; het schijnt echter, dat de Nederlanders het

verkeer niet staakten. (R. S.-G. 3 Apr., 5 Mei, 2, 19 Juli, 1 Aug.,

11 Dec. 1635.--R. H. 4 Apr., 8 Mei, 11 Juli, 6 Dec. 1635.--Miss. v.

Chr. IV aan de Stn.-Gen. dd. 16 Febr., 11 Dec. 1635, in: L. D.

1635.--Scheltema, Aemstels oudheid. III p. 224-26.)

[862] Vgl. het hiervóor p. 204 Noot 1{[751]} gezegde over het

gebruik van Groneland of Groynland en Greenland door de Engelschen.

Ook in Denemarken schijnt men reeds een flauw bewustzijn gehad te

hebben, dat Groenland en Spitsbergen niet identiek waren.

[863] Miss. v. Christ. IV aan de Stn.-Gen. dd. 18 Febr. 1616, in: L.

D. 1616.--R. S.-G. 11 Apr. 1616.

Reeds boven zette ik uiteen, hoe belachelijk de in deze regels vervatte

aanmatiging heeten mocht. En toch waren de Staten-Generaal, die wel

begrepen, dat het hier meer eene quaestie van macht dan van recht gold,

een oogenblik met de zaak verlegen: de resolutie op den brief werd niet

dadelijk genomen. Maar er was haast bij de zaak: de schepen der

Noordsche Compagnie waren nagenoeg gereed om uit te zeilen. Holland nam

dan ook weldra een kloek besluit en adviseerde zeer lakoniek: »op de

Brieven beleefdelyck te antwoorden en te continueren het gebruyck ende

vryheyt van visschen, sulcx als tot noch toe is gedaen[864].” In dien

zin arresteerden dan ook de Staten-Generaal 13 April een antwoord aan

Christiaan IV, dat wel is waar niet minder uitvoerig was dan de brief

van den koning geweest was, maar dat toch eigenlijk niets anders dan

eene beleefde weigering inhield. De Staten-Generaal meenden, dat de

Nederlanders door hunne schepen naar verschillende streken ter

vischvangst uit te zenden, niets anders gedaan hadden »als tgeene

volgende die gemeene gebruyckte rechten van allen ouden tyden byden

ondersaten deser Landen soo ter See, als anderssints was gedaen, ende

gepleecht.” Zij beweerden dan ook, dat door hunne onderdanen, toen zij

de gevraagde betaling weigerden, »nyet tot obbreuck ofte verminderinge

van Sijne Ma^{ts}. rechten, ofte tot syner ondersaten schade int

voorszeide visschen gedaen was.” Op deze gronden verklaarden zij

»vastelyck te vertrouwen ende oock seer vriendelyck dienstelyck ende

naebuerlyck te versoucken, Dat syne Ma^{t}. deur syne beampte Officieren

ende Dienaren te water nochte te landen den onsen nyet alleen geen

verhinderinge ofte belet, maer veel eer nae gelegentheyt alle

assistentie ende bevorderinge soude willen doen[865].”

[864] R. H. verg. v. 1 Mrt.-26 Apr. 1616. p. 7.

[865] Miss. v. de Stn.-Gen. aan Chr. IV dd. 13 Apr. 1616, in: L. D.

1616.--R. S.-G. 13 April, 27 Mei 1616.--Carleton, Lettres. I p. 39.

Terecht meende echter de Noordsche Compagnie in het »vaste vertrouwen”

der Staten-Generaal op de welwillendheid van Christiaan IV niet te

moeten deelen. Reeds den 28 April hielden zij den Staten voor, dat een

subsidie van de regeering tot handhaving van de Nederlandsche

walvischvangst onmisbaar was. Zij hadden vernomen, dus verhaalden de

bewindhebbers, dat in Denemarken reeds zeven »cloucke” schepen, allen

van 36 »lepelstucken”, uitgerust waren om hun de visscherij te beletten;

de vrees dat de Engelschen, die gezegd werden »genoechsaem mette

Ma^{teyts}. van Denemarckens Onderdanen een te zyn,” zich daarbij zouden

voegen, maakte de zaak zeer bedenkelijk. Een konvooi van niet minder dan

zes oorlogschepen scheen dus noodig om de Noordsche Compagnie dit jaar

tegen de aanvallen harer vijanden te beschermen[866]. Ook de

Staten-Generaal begrepen, dat het aannemen van eene krachtige houding

noodig was om aanvallen te voorkomen. Na lange deliberatiën en

aanmaningen van vele zijden besloten zij der compagnie eenig geschut ter

wapening harer schepen toe te staan en vijf oorlogschepen om de

walvischvaarders »naer haeren vuytersten vermogen” te verdedigen; ja,

zij schreven zelfs de admiraliteit te Amsterdam aan nog meer schepen te

zenden, zoo dit eenigszins mogelijk was[867]. De Instructie, voor Jan

Jacobsz. Schrobop als hoofd van het konvooi den 23 Mei 1616 door de

Staten-Generaal gearresteerd, lastte hem 1^{o}. om aan ieder die het

vroeg te verklaren, dat de Nederlanders van plan waren vreedzaam aan

Spitsbergen te visschen zonder iemand te hinderen, 2^{o}. om met alle

macht te beletten, dat iemand de schepen der Noordsche Compagnie in hare

nering lastig viel, 3^{o}. om geweld aan die schepen aangedaan zooveel

mogelijk te keeren en de plegers daarvan volgens de commissie der

Staten-Generaal aan te tasten, 4^{o}. om de schepen der compagnie, die

in handen van vijanden gevallen waren, met geweld te bevrijden, en de

veroveraars te dwingen de schade te vergoeden of bij weigering hen

gevangen in een Nederlandsche haven op te brengen, om de quaestie door

Nederlandsche rechters te doen beslissen[868]. Gelukkig was Schrobop

niet in de gelegenheid deze Instructie uit te voeren[869], iets wat de

krachten zijner schepen zeker te boven gegaan zou zijn: de berichten

over de groote uitrustingen der Denen bleken onjuist en het schijnt

zelfs, dat dit jaar geen Deensch schip zich op Spitsbergen vertoond

heeft[870].

[866] Req. der N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 29 (28) Apr. 1616, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[867] R. S.-G. 28 Apr., 11, 12 Mei, 2 Juni 1616.

[868] Instructie voor Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.--R. S.-G. 28 Mei 1616.

[869] Edge, Dutch disturbance, bij: Purchas, Pilgrimes. III p.

467.--Instr. van Schrobop, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C.

R.-A.

[870] Dit maak ik op uit het zwijgen van Edge in zijn meergemelde

„Dutch disturbance” (Purchas, Pilgrimes. III p. 466), terwijl wij

overigens daar bijna jaarlijks van de aanwezigheid der Deensche

schepen op Spitsbergen lezen. Ook de N. C. noemde in 1637 het jaar

1617 als het tijdstip van het verschijnen van den eersten Deenschen

walvischvaarder aan Spitsbergen. (Aitzema, Saken v. Staet. II p.

442.)

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 28 / 52 段