Ondertusschen had reeds het gedrag der Engelschen getoond, dat zij zich

niet spoedig meer zouden laten tevreden stellen. Geprikkeld door hunne

jaarlijksche verliezen, was hun geduld ten einde. Reeds in 1621 was

Jakob I met zijnen zwager van Denemarken overeengekomen voortaan

gezamenlijk alle vreemden uit de IJszee te verdrijven[814]; men besloot

nu dit tractaat ten uitvoer te leggen. De gezanten waarschuwden dan ook

de Staten-Generaal dadelijk na hunne terugkomst herhaaldelijk, dat de

zaak aan koning en volk zeer ter harte ging, en dat er reden was »vol

bedenckens” te zijn[815]. Werkelijk bleek het weldra, dat de koning zijn

recht, al had hij er de Nederlandsche gezanten niet van gesproken, niet

dacht op te geven. Hadden de Nederlanders in het doen der restitutie

toegestemd, misschien had hij hen met rust gelaten; nu was hij op eenen

afdoenden maatregel bedacht om zijn recht te handhaven.

[814] Zie meer over deze zaak: hierna Hfdst. VII.

[815] Verbaal der ambassade v. 1621-23 ad 14 Febr. 1623.--R. S.-G.

14 Febr., 28 Mrt. 1623.--R. H. 22 Mrt. 1623.

Maar de tijd daartoe was reeds lang voorbij. Wel kregen de schepen, die

de Moscovische Compagnie in 1623 naar het noorden zond, in last den

Nederlanders aan te zeggen, dat de hun in 1619 verleende tijd van drie

jaren voorbij was en dat zij dus Spitsbergen moesten ruimen, zoo zij het

plegen van geweld wilden voorkomen. Maar al toonden de bevelhebbers der

Engelsche walvischvaarders zich bereid aan dien last te voldoen, hun

macht was veel te gering om de daarbij gevoegde bedreiging uit te

voeren. De Engelschen maakten dan ook werkelijk een droevig figuur! In

Fairhaven, waar de Nederlandsche commandeur Cornelis Ys zijn

hoofdkwartier had opgeslagen, bevond zich een Engelsch kapitein,

Nathanael Fanne. Ook hem was de koninklijke opdracht bekend en zonder

aarzelen zeilde hij den 23 Juni 1623 de Nederlanders te gemoet, die pas

aangekomen juist begonnen waren met het bouwen van »Houses and

Tabernacles to inhabit.” Hij verklaarde aan Ys, dat de koning, daar de

tijd van het aan de Nederlanders verleende verlof verstreken was, de

Moscovische Compagnie onder het groote zegel van Engeland gemachtigd had

om alle Nederlandsche schepen te verdrijven, en dat hij, zoo de

Nederlanders niet aan zijn vriendelijk verzoek gehoor gaven, geweld zou

moeten gebruiken. Ys bleef onder deze bedreiging van éen schip tegen

vijf zeer kalm: hij antwoordde bedaard, dat hij niets van dit alles

gehoord had en verzocht de commissie van Fanne te zien. Toen de

Engelschman die niet toonen kon, verklaarde hij kortaf dat hij commissie

had van den prins van Oranje om op deze kusten te visschen en zich

verder niet met de Engelschen wilde inlaten. En daarbij bleef het![816]

Op andere plaatsen waren de Engelschen niet gelukkiger. De commandeur

Goodlard schreef zelfs den 8 Juli uit Bell-sound aan zijnen

onderbevelhebber, den bekenden Heley, dat hij voor zich het niet

raadzaam achtte, de Nederlanders te verdrijven, al hinderden zij de

Engelschen nog zoozeer. Hij voorzag, dat de Engelschen de macht niet

zouden hebben om geweld te gebruiken, en hij zag duidelijk in, dat de

Nederlanders, vertrouwende op hunne commissie, ook al gelukte het hen

uit de noordelijke baaien te verdrijven, dadelijk in de zuidelijke hun

geluk zouden beproeven, zonder dat de Engelschen daardoor iets

wonnen[817]. Het eenige gevolg van de mislukte pogingen der Engelschen

schijnt geweest te zijn, dat de Nederlanders hen uitlachten en misschien

meer dan gewoonlijk in den weg traden; althans de Moscovische Compagnie

klaagde in het najaar, dat de Nederlandsche »Coopluyden dit Jaer

haerluyden groote oultragie hadden gedaen, ende dat zy aldaer al wilden

regeren, en haerluyden buyten sluyten, waert mogelyck.”[818]

[816] Brief van Fanne aan Heley dd. 24 Juni 1623, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 736.

[817] Brief van Goodlard aan Heley dd. 8 Juli 1623, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 737.

[818] R. S.-G. 17 Oct. 1628.

Niet beter verging het den Engelschen het volgende jaar. Men had met

grootere uitrusting gedreigd[819] en werkelijk koesterde de Moscovische

Compagnie weder het voornemen den Nederlanders het visschen te beletten.

Het geluk scheen hen te begunstigen. Vijf Engelsche schepen vonden, op

Spitsbergen aankomende, daar nog slechts twee Zeeuwsche, die met een

konvooischip, kapitein Willem Tas van Haarlem, de Nederlandsche vloot

vooruitgezeild waren. Dadelijk voeren de Engelschen op de schepen toe en

wilden ze kort en goed vermeesteren. Zij hadden gerekend eene

gemakkelijke prooi te zullen hebben, maar Tas daarbij komende en van het

plan der Engelschen hoorende »vergramdede hem seer.” Hij noemde het »een

actie tegens recht en reden,” dat men eene vrije natie in haren handel

met geweld wilde verhinderen. De Engelschen bleven hem niets schuldig en

weldra kreeg men hooge woorden, want »al is ’t dat een Hollander van

naturen sachtsinnigh is, nochtans te veel geterght zijnde, toont hy

vrymoedigen en resoluten natuur geen jock te konnen verdraghen.”

Eindelijk daagde Tas de twee Engelsche schepen, die zich het meest op

den voorgrond gesteld hadden, tot het gevecht uit. Maar de Engelschen

»dese couragie en bravade siende” voelden zich niet tegen Tas

opgewassen; zij »lieten haer trots gemoet sincken, en verexcuseerden met

vleyende woorden haren voorslagh, met eenige andere redenen van andere

schijn bekleedende.” Tas nam daarmede genoegen, maar dreigde, zoo men

weder plan maakte de Nederlanders te verjagen, dat men zien zou met wie

men te doen had. De kloeke houding van den kapitein redde de twee

schepen van den ondergang, want spoedig daarop kwamen er meer

Nederlandsche walvischvaarders en weldra waren er niet minder dan

twintig bijeen. De Engelschen waagden nu natuurlijk geenen aanval, en de

visscherij werd »in goede Ordre voleyndight.” De Nederlanders hadden

eene overvloedige vangst en kwamen allen behouden in het vaderland

terug[820].

[819] Wassenaer, Hist. verh. V fol. 157.

[820] Wassenaer, Hist. verh. VIII fol. 86.

Ondertusschen had men in Engeland hevig over de houding der Nederlanders

op Spitsbergen geklaagd. Herhaaldelijk waren er klachten bij Caron

ingekomen, en dikwijls schreef deze te vergeefs om volmacht en naderen

last. De handelwijze der Engelschen op Spitsbergen in 1623 bewees, dat

men over dit uitstel ontevreden was. Toch was men op herhaald aandringen

van Caron eerst op het einde van 1623 na lange overwegingen tot het

besluit gekomen, hem te machtigen tot de verklaring, dat het den Staten

na grondig onderzoek gebleken was, dat de ambassadeurs van 1619 wel is

waar gedurig op ~wederzijdsche~ restitutie der geroofde goederen hadden

aangedrongen, maar dat ’s konings uitspraak hierover evenmin ooit door

hen was aangenomen als zij de zaak aan Z. M.’s beslissing hadden

onderworpen[821].

[821] R. S.-G. 7 Apr., 6 Mei, 17 Oct., 16 Nov., 14 Dec. 1623.--Miss.

der Stn.-Gen. aan Caron, in: Loketk. der Stn.-Gen. Engeland. N^{o}.

43.

Gelukkig behoefde Caron deze besliste afwijzing der Engelsche beweringen

niet aan den koning mede te deelen. De Moscovische Compagnie, de gedurig

uitstellende antwoorden van den gezant, die steeds op instructie

wachtte, moede, en den ongelukkigen uitslag harer eigene pogingen op

Spitsbergen ziende, wendde zich liever tot de Nederlandsche ambassade,

die in 1624 te Londen aankwam, om herstel harer schade. Eene belangrijke

schrede deed de behandeling der zaak bij deze gelegenheid voorwaarts. De

Engelschen zagen in, dat hunne pretensiën van uitsluitend recht bij de

geheel veranderde verhouding van de krachten der beide natiën in het

noorden onhoudbaar waren[822]. Zij boden dus nu zelven aan, wanneer de

schade vergoed was, met de Nederlanders in overleg te treden over het

maken van een reglement, waarbij zij zich bereid toonden den

Nederlanders verschillende baaien af te staan, om ongehinderd in te

visschen. Ongelukkig hadden de Staten-Generaal den ambassadeurs geen

last over deze zaak gegeven; het was hun belang de zaak als eene

particuliere quaestie door hun gewonen gezant te zien afhandelen. De

ambassadeurs moesten dus, niettegenstaande het herhaalde aandringen der

Moscovische Compagnie en de hevige woorden van den koning, er bij

blijven, dat Caron de quaestie zou bespreken[823].

[822] Zelfs de combinatie met Denemarken sinds 1621 tot het

gemeenschappelijk verdrijven van alle vreemdelingen van Spitsbergen

(Lindeman, Arktische Fischerei. p. 10) had niets gebaat.

[823] Muller, Mare Clausum. p. 211, 12.

Toen het gezantschap echter bij zijn rapport aan de Staten-Generaal op

beslissing der zaak aandrong, toonden dezen zich geneigd van de

gelegenheid gebruik te maken om de rechten, die hun nu voor eenige

duizenden guldens als te koop werden geboden, te verkrijgen[824]. Wel

was het niet twijfelachtig, dat de Nederlanders door hunne toenemende

machtsontwikkeling op Spitsbergen de overhand zouden behouden; maar door

de afdoening der rechtsquaestie in der minne, waarop nu alle hoop

scheen, zou den prikkelbaren Jakob I een gedurige reden tot klagen

ontnomen worden. Juist was men met dien vorst in een nieuw verbond tegen

Spanje getreden; het was dus zaak hem in kleinigheden als deze te wille

te zijn en den vijanden der republiek alle gelegenheid om kwaad te

stoken te ontnemen. Nog meer: het onbesliste der quaestie stelde de

Nederlandsche walvischvaarders voortdurend aan onverwachte aanvallen

bloot en noodzaakte hen dus, zich jaarlijks met groote kosten tot den

strijd toe te rusten. Wat alles afdeed, de koning vaardigde weldra

represaille-brieven uit, wier intrekking men alleen door het betalen der

geëischte schadevergoeding meende te kunnen verkrijgen[825]. Ernstige

beraadslagingen hadden dan ook in Den Haag plaats. De Noordsche

Compagnie was echter volstrekt niet gesteld op het oprakelen der oude

geschillen; de spoedige afdoening der zaak werd ook door twisten

tusschen de kamers onderling verhinderd. Om deze goed te begrijpen

moeten wij eenige schreden teruggaan.

[824] R. S.-G. 6 Juli 1624.--Ook werd van Engelsche zijde op spoed

nader aangedrongen. Zie o. a. R. S.-G. 13 Mrt. 1625.

[825] R. S.-G. 21 Mrt. 1625.

Wij hebben gezien, dat de Staten-Generaal aan de Noordsche Compagnie

jaarlijks een of meer konvooischepen medegaven ter harer bescherming

tegen de aanvallen der Engelschen op Spitsbergen. Sinds 1616 had de

exploitatie van Jan Mayen-eiland eene verdeeling der uitrusting noodig

gemaakt, maar daar men aan dat weinig bekende eiland geene belangrijke

mededinging te vreezen had, had de regeering gemeend het konvooi

voornamelijk voor die schepen te moeten bestemmen, die door de

noodzakelijkheid gedwongen werden zich naar Spitsbergen te begeven.

Desniettegenstaande had de Amsterdamsche kamer in 1616[826] en 1617 het

geheele konvooi bij hare schepen aan Jan Mayen-eiland gehouden, in 1618

had zij met een der beide oorlogschepen evenzoo gehandeld. Had deze

hoogst willekeurige handelwijze in 1616 ook geene kwade gevolgen, wij

zagen reeds dat in 1617 het berooven van een Zeeuwsch schip en het ledig

huiswaarts keeren der beide andere daardoor veroorzaakt werd, en dat in

1618 niet alleen de beide schepen van de kamers van het Noorderkwartier

in Bellsound geen weerstand konden bieden aan de aanvallen der

Engelschen, maar ook het gevecht in Sir Thomas Smiths-bay een indirect

gevolg was van het misdadige egoïsme der Amsterdammers[827].

[826] Instr. der Stn.-Gen. voor Schrobop dd. 23 Mei 1616, in:

Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Edge, Dutch disturbance, in:

Purchas, Pilgrimes. III p. 467.

[827] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,

in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.--Sent. v. d. H. R. v.

Holl. tusschen de kamers N. C. Noorderkw. en Amst. dd. 31 Mrt.

1635.--Brief v. Beversham aan Heley dd. 12 Juli 1618, bij: Purchas,

Pilgrimes. III p. 734.--R. S.-G. 4 Nov. 1622.--N. Z. 13 Apr.

1617.--Zie meer hierover: hiervóor p. 209-18.

Het laat zich denken, dat de benadeelde vereenigingen dit alles niet

rustig aangezien hadden. Reeds 9 November 1617 hadden de Zeeuwen aan de

Staten-Generaal overgelegd eenige verklaringen van de in de quaestie

van dien zomer betrokkene personen, die allen met blijkbaren wrevel

getuigden, dat alleen de afwezigheid der Hollanders schuld aan hun

ongeluk was. De bepalingen der Staten-Generaal over de bestemming van

het konvooi schijnen echter ditmaal niet zoo bepaald geweest te zijn,

dat daarop een eisch gegrond kon worden, maar de Zeeuwen beriepen zich

op eene bepaling in hun contract met de Hollanders, waarbij de

verschillende kamers zich verplicht hadden om alle schade aan een van

haar door vreemden veroorzaakt naar evenredigheid harer uitrusting voor

dat jaar te helpen vergoeden. Volgens deze onderlinge assurantie moest

de schade der Zeeuwen dus over de vijf Hollandsche kamers mede

omgeslagen worden en Amsterdam bleef natuurlijk voor het grootste

gedeelte aansprakelijk[828]. Hoewel echter de Staten-Generaal op verzoek

der Gecommitteerde Raden van Zeeland aan de Hollanders hunne

verplichting voorhielden, toonden dezen zich onwillig de

schadevergoeding uit te keeren. Eene commissie werd benoemd om de

twistenden te vereenigen, maar ook dit baatte niet[829]. Wij zagen

reeds, dat de Zeeuwen bij hunne pogingen om in Engeland vergoeding

hunner schade te krijgen niet gelukkiger waren[830]. En weldra

verhinderde het aandeel, door de beroofden zelven aan den aanval op de

Engelschen in 1618 genomen, de verdere behandeling dezer zaak. De

reeders trokken zich uit dit bedrijf terug[831] en staakten hunne

klachten, tevreden zoo de Engelschen van hunne zijde hen niet om

vergoeding aanspraken[832].

[828] Req. der Vlissingsche reeders aan de Gecommitt. Raden v. Zeel.

(rec. 26 Sept. 1617) met bijlagen, in: Noordsche togten. 4. Loop. N.

C. R.-A.--R. S.-G. 9 Nov. 1617.

[829] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Op het ten gevolge dezer

onderhandelingen eindelijk den 2 Maart 1618 gesloten contract

maakten de Amsterdammers reeds den eersten zomer inbreuk. (Zie

hieronder.)

[830] Zie hiervóor p. 213, 14.

[831] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,

in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

[832] R. S.-G. 5, 9 Nov. 1618, 6, 22, 29 Apr., 1 Mei 1619.--Miss.

der Stn.-Gen. aan de Gecommitt. Rdn. v. Zeel. dd. 29 Apr. 1619, in:

Lias loop. 1619.--Miss. der Zeeuwsche Gedeput. aan de Stn. v. Zeel.

dd. 27 April 1622, in: Archief Zeeland.

De benadeelde kamers van het Noorderkwartier handelden verstandiger. In

Engeland, dat begrepen zij, was voor hen geene vergoeding te krijgen.

Maar er stond hun een andere weg open: de kamer van Amsterdam was door

het terughouden van het konvooischip oorzaak geweest, dat zij al de

verwachte winst der reis verloren hadden, de Amsterdammers behoorden hun

dit dus natuurlijk te vergoeden. Die van het Noorderkwartier beriepen

zich op de bepalingen van een contract, dat na de herhaalde klachten

der beroofde Vlissingsche reeders door de verschillende kamers den 2

Maart 1618[833] over de toen aanstaande reis gesloten was, en waarbij

men niet alleen uitdrukkelijk overeengekomen was, dat het grootste

oorlogschip in Bell-sound zou zijn, maar waarbij de kamers ook een

bepaald verbond gesloten hadden om elkander tegen de Engelschen te

verdedigen. Toen de Amsterdammers weigerden de geëischte som te betalen,

wilden de kamers van Hoorn en Enkhuizen zich tot de Staten-Generaal

wenden, maar de Amsterdammers voorkwamen de klachten hunner wederpartij

en verkregen na lang uitstel van het Hof van Holland een vonnis, waarbij

aan de twee klagende kamers bevolen werd, hunne actie binnen zes weken

voor het Hof in te stellen »op peijne van een eeuwich swijgen ende

silentium.” (29 Maart 1624.) Een beroep op den Hoogen Raad was door die

van het Noorderkwartier juist aanhangig gemaakt, toen de bemoeiingen der

Staten-Generaal om den Engelschen schadevergoeding te bezorgen den loop

der zaak kwamen storen[834].

[833] R. S.-G. 1, 7 Dec. 1617.--Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31

Mrt. 1635.

[834] Sent. v. d. H. R. v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.--R. S.-G. 21 Mrt.

1625.

Alle aandacht van de bewindhebbers der Noordsche Compagnie werd nu aan

de beslissing dezer quaestie gewijd. Den Staten-Generaal was het ditmaal

ernst met de zaak; de Engelschen zelven drongen weder herhaaldelijk op

spoed aan[835]. Nu de twee regeeringen het op dit punt dus eens waren,

scheen de compagnie te zullen moeten buigen en al hare krachten moesten

dus worden ingespannen om eene oplossing der zaak, zooals de

Staten-Generaal die bedoelden, te beletten. Want de Noordsche Compagnie

had vele bezwaren tegen eene schikking met de Engelschen! De Zeeuwsche

compagniën, die de Engelschen in 1617 benadeeld hadden, waren sinds lang

ontbonden[836]. Andere kooplieden hadden nieuwe vereenigingen opgericht,

maar de oude aandeelhouders waren nog steeds ongeneigd om van hunne

schade te reppen, nu hun eigen aanval op de Engelschen in 1618 hen met

eene waarschijnlijk hoogst nadeelige compensatie dreigde. Evenzoo was

het met die van het Noorderkwartier gesteld. De Amsterdamsche kamer

stond buiten deze beide quaestiën en wilde er zich dan ook geheel buiten

houden; juist daarom was ook zij onwillig om de rekeningen harer schade

van 1613 nu over te leggen. Het nog steeds hangende proces met de kamers

van het Noorderkwartier gaf toch dezen eene gereede aanleiding om de

Amsterdammers in de quaestie van 1618 te betrekken of om ten minste de

door dezen van de Engelschen te ontvangen gelden te compenseeren met de

in het proces geëischte wegens het wegzenden van het konvooischip. Ook

de Zeeuwen dreigden Amsterdam bij vermenging der rekeningen met

compensatie der van de Engelschen te ontvangen schadevergoeding voor het

gebeurde in 1613 met de pretensie, die zij sinds 1617 nog op hunne

Amsterdamsche broeders hadden.

[835] R. S.-G. 16 Aug., 3 Oct., 23 Nov., 7, 9 Dec. 1624, 13 Mrt.

1625.--Secr. R. S.-G. 17 Dec. 1624.

[836] Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept. 1624,

in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Alle betrokkene kamers, Amsterdam, Vlissingen, het Noorderkwartier, ook

Delft en Veere, die veel te betalen en niets te ontvangen hadden, waren

dus weigerachtig om het geschil met de Engelschen in redelijkheid te

helpen eindigen. Men kwam dan ook niet veel verder. De bewindhebbers van

de verschillende kamers der Noordsche Compagnie werden door de

Staten-Generaal eindelijk tegen 5 Augustus 1624 naar Den Haag

beschreven. Amsterdam verscheen niet, maar aan de overigen deed eene

commissie uit naam der Staten-Generaal den voorslag om iemand te zenden

aan Caron, die sinds 1623 commissie had tot afhandeling der quaestie,

ten einde hem over den stand der zaken uitvoerig in te lichten. De

Zeeuwen, zich beroepende op hunne armoede, die hen belette door de

overname der Amsterdamsche pretensiën eene voordeelige compensatie met

de Engelschen te treffen, stonden op hun recht om zich alleen voor

Nederlandsche rechters te rechtvaardigen; wilde men iemand naar Engeland

zenden, dan moest dat zijn ten koste van het land[837]. Nieuwe

conferentiën brachten de zaak niet verder: de Amsterdammers wilden de

bewijzen hunner schade niet overdoen dan op onmogelijke voorwaarden en

de Zeeuwen bleven bij hunne eischen. De Staten-Generaal van hunne zijde

stonden er op, dat het land »buyten costen soude werden gehouden,” en

gaven dit punt niet dan na langdurige aarzeling toe[838].

[837] R. S.-G. 6, 16, 25, 31 Juli, 22 Aug. 1624.--Req. der Zeeuwsche

N. C. aan de Stn.-Gen. dd. 22 Aug. 1624, in: Noordsche togten. 2

Admiraliteit. R.-A.

[838] R. S.-G. 3, 12, 18, 21, 23 Sept., 3, 11 Oct., 9 Dec.

1624.--Corte Deductie ende Remonstrantie der N. C. dd. 18 Sept.

1624, in: Noordsche togten. 4. Loop. N. C. R.-A.

Ondertusschen kwam Caron te sterven en men besloot zijnen opvolger

Joachimi last te geven om de zaak nu definitief af te doen[839]. Eene

nieuwe commissie, nu door de Staten-Generaal benoemd, bracht de

weerspannige kamers na verscheidene conferentiën eindelijk tot een

vergelijk. De Amsterdammers beloofden hunne schaderekeningen van 1613 te

zullen overleveren, mits de Staten-Generaal zelven hun de som gelds

uitbetaalden, waarmede de Zeeuwsche kamers daardoor bij de compensatie

met de Engelschen bevoordeeld waren; de Staten-Generaal stonden er voor

in, dat de Amsterdammers niet zouden betrokken worden in de quaestie

met Engeland over de schade van 1618, en het proces van Hoorn en

Enkhuizen tegen Amsterdam werd daartoe tot na de afdoening der Engelsche

geschillen geschorst[840]. De Zeeuwen verklaarden nog uitdrukkelijk, dat

zij, hoe de zaak ook loopen mocht, na de compensatie der

schaderekeningen van 1617 en 1618 in geen geval wilden toebetalen[841],

maar zij zonden toch de bewijsstukken hunner pretensie over[842]. De

Amsterdammers volgden dit voorbeeld weldra[843] en de Staten-Generaal

gaven nu aan Joachimi speciale commissie om de zaak in Engeland af te

handelen[844].

[839] Secr. R. S.-G. 1 Jan. 1625.--R. S.-G. 16 Jan. 1625.

[840] R. S.-G. 20 Jan., 17, 25 Febr., 21 Mrt. 1625.--Daar het niet

tot die afdoening kwam, wachtten de kamers van het Noorderkwartier

geruimen tijd eer zij hunne actie tot schadevergoeding tegen de

Amsterdammers weder instelden. Eindelijk werden zij op hun verzoek

16 Maart 1630 door de Stn.-Gen. bevrijd van de gevolgen, uit de

schorsing van het proces voortvloeiende, en niettegenstaande de

tegenspraak der Amsterdammers werden zij 31 Maart 1635 door den H.

R. bevoegd verklaard tot het vervolgen der actie. (Sent. v. d. H. R.

v. Holl. dd. 31 Mrt. 1635.) Die van Amsterdam schijnen toen hunne

veroordeeling niet afgewacht en de zaak geschikt te hebben, ten

minste het blijkt niet, dat zij vervolgd is.

[841] R. S.-G. 26 Mrt., 10 Mei 1625.

[842] R. S.-G. 9 Apr. 1625.

[843] R. S.-G. 9 Mei 1625.

[844] R. S.-G. 10 Apr., 10 Mei 1625.

Kort daarop vertrok de ambassadeur in gezelschap van het Nederlandsche

gezantschap, dat juist toen naar Engeland afreisde, naar Londen. De

Staten hadden hem last gegeven, in aansluiting aan den voorslag door de

Moscovische Compagnie aan de ambassade van 1624 gedaan, een reglement

met haar te beramen op den voet als de gezanten van 1619 hadden

voorgeslagen. Des noods moest Joachimi met den koning zelven over de

zaak spreken, de redenen door de Noordsche Compagnie tot hare

verdediging aangevoerd voorstellen, en wijzen op het feit, dat de

oneenigheden op Spitsbergen steeds waren uitgegaan van de Engelschen,

terwijl de Staten-Generaal alles hadden gedaan om twist te voorkomen.

Ook aan de quaestie der restitutie wilden de Staten gaarne een einde

zien. Zij machtigden Joachimi de zaak des noods door arbiters te laten

afdoen, maar daarbij bleven zij er op staan dat hun recht niet werd

prijsgegeven. Over het bedrag der restitutie wilden zij veel toegeven:

de Staten zouden er in berusten, zoo de arbiters beslisten, dat de

Nederlanders den Engelschen nog moesten toebetalen, maar zij drongen er

ernstig op aan, dat in ieder geval de aan de Noordsche Compagnie in 1613

en 1617 toegebrachte schade, die volgens hen veel meer bedroeg dan de

Engelsche schade van 1618, tegen deze in rekening gebracht zou worden.

Op het principe kwam het hun aan; was de taxatie der schade wat

partijdig, welnu, de Staten waren bereid eenige duizenden te betalen om

hun recht erkend te zien[845].

[845] Muller, Mare Clausum. p. 215, 16.

Het liet zich aanzien, dat door de uitvoering dezer verstandige en

liberale volmacht de geschillen nu tot eene bevredigende oplossing

zouden komen. Verschillende redenen werkten echter samen, om de zaak een

voor Nederland nog voordeeliger einde te doen nemen. Jakob I, die

jarenlang met deze quaestie geplaagd was geweest, was onlangs gestorven;

zijn opvolger Karel I zal wel niet dezelfde belangstelling getoond

hebben in eene zaak, waarin het beweerde recht der Engelschen niet

gehandhaafd scheen te kunnen worden, terwijl het belang daarvan voor de

steeds achteruitgaande Engelsche walvischvangst gering was; eene

quaestie, waarbij het dus alleen op de betaling van eenige weinige

duizenden aan sommigen zijner onderdanen aankwam. Ook kon het den jongen

koning, die zijne regeering begon met krachtig optreden tegen Spanje en

een nauw verbond met de Staten-Generaal, niet verstandig schijnen, nu om

zulk een nietig geschil de goede verstandhouding met zijne bondgenooten

te verbreken.

Geschiedenis der Noordsche Compagnie · 第 27 / 52 段